Voorzeker in de groote hoofdkerken van Europa onder de prachtige

tempelbogen, eerwaardig door ouderdom, terwijl tusschen de door

beeldhouwkunst versierde zuilenrijen, bij schitterende praalkleedij en

vergulden altaarpronk, de opwekkende tonen van het dreunende orgelspel

door de hooge gewelven weergalmen, mag het ceremoniëel meer kompleet

en indrukwekkend worden genoemd, maar ik betwijfel zeer of er meer

ware ernst, eerbied en ontzag bestaat dan bij de zielverheffende

eenvoudigheid, waarmede hier de dienst gevierd werd onder de groenende

bogen van het maagdelijk woud, begeleid door de treffende melodieën

der woestijn, door dezen armen priester, met zijn bleek gelaat,

gevoelvollen blik en heilige geestdrift, terwijl hij bad voor het

behoud van zijn eigen moordenaar, die aan zijne voeten lag te reutelen.

Toen de mis geëindigd was, wenkte pater Seraphin met de hand. Vier

Indianen namen de baar op hunne schouders en men vertrok.

Ellen besteeg een der paarden van de mannen die den gewonde droegen.

De reis duurde lang.

Vader Seraphin was uit Galveston vertrokken met oogmerk om Valentin te

zoeken; maar een pelsjager, die gewoon is zich over eene groote ruimte

te bewegen en wiens leven bestaat in onophoudelijk heen en weder te

trekken, is in de wildernis moeielijk te vinden; de zendeling had dus

besloten zich eerst naar het winterdorp der Comanchen te begeven, waar

hij den Eenhoorn zou aantreffen en zeker was van bepaalde narichten

omtrent zijn vriend Valentin op te doen.

Zijne ontmoeting met den Roode-Ceder belette hem echter dit plan ten

uitvoer te brengen, want de Eenhoorn en Valentin hadden zulke bittere

grieven tegen den Squatter, dat de zendeling zich niet durfde vleien

dat zij hunne wraak om zijnentwil zouden laten varen.

Vader Seraphin was met de denkwijs en zeden dezer lieden, die het

leven in de wildernis uit den aard der zaak onverbiddelijk maakt,

te wel bekend om zich aan dezen stap te wagen.

Buitendien was de zaak allermoeielijkst; de Roode-Ceder was vogelvrij

in de volle beteekenis des woords, en een van die booswichten, wier

aantal gelukkig zeer gering is, maar die het gansche menschdom tegen

zich hebben en die in geen land zouden worden geduld.

En toch wilde de zendeling dezen man redden.

Na rijpe overweging had hij zijn besluit eindelijk vastgesteld.

Hij trok met zijn gansche gevolg op weg naar de grot waar wij hem

vroeger reeds hebben aangetroffen, de grot namelijk die den Gids

der Prairiën gewoonlijk tot winterverblijf diende, maar die in de

tegenwoordige oogenblikken naar alle waarschijnlijkheid ledig zou zijn.

Door eene zeldzame toevalligheid passeerde de missionaris, zonder

hen te zien en zonder door hen gezien te worden, op nauwelijks een

geweerschot afstand de plaats waar Valentin en zijne vrienden juist

dien dag gekampeerd lagen.

Tegen zonsondergang maakte de kleine karavaan halt en werd het

nachtleger opgeslagen.

Vader Seraphin nam het verband af dat hij op de wonden van den Squatter

had aangebracht, en verbond hem op nieuw. Deze liet hem begaan zonder

er iets van te bemerken, zoo diep waren zijne krachten weggezonken.

De wonden stonden echter goed, die aan den schouder was het ergst,

maar alles voorspelde mettertijd genezing.

Nadat het avondmaal gebruikt, het gemeenschappelijk gebed gedaan was

en de Indianen zich in hunne dekens en bisonsmantels gewikkeld en op

het gras hadden uitgestrekt om na de vermoeienissen van den dag de

noodige rust te zoeken, ging de zendeling nog eens naar den Squatter

zien, die gerust sliep, en verzocht toen de twee vrouwen om naast

hem bij het vuur te komen zitten, dat men voor den nacht ontstoken

had om de wilde dieren op eenen afstand te houden.

Pater Seraphin kende Ellen min of meer, hij herinnerde zich haar

dikwijls ontmoet en zelfs met haar gesproken te hebben in het bosch,

tijdens haar vader zich zoo vermetel op het eigendom van don Miguel

de Zarate gevestigd had.

Het karakter van Ellen had hem bevallen; hare aangeboren eenvoudigheid

en oprechtheid had hem dikwijls bij zich zelven doen vragen, hoe het

mogelijk was, dat zulk een aanminnig schepsel als Ellen de dochter

van een zoo ruw en slecht man kon zijn als de Roode-Ceder; dit kwam

hem des te onbegrijpelijker voor, daar het arme kind wel een dubbele

mate van rechtschapenheid moest bezitten, om niet besmet te worden

door zulke slechte voorbeelden als zij dagelijks voor oogen kreeg.

Hij had dan ook altijd veel werk van haar gemaakt, haar telkens

aangemoedigd om op den goeden weg te volharden, en de hoop bij haar

levendig gehouden, dat God haar eenmaal aan de bedorven omgeving

waarin het lot haar geworpen had zou ontrukken, en haar overplaatsen

in een beteren kring van menschen dan zij tot dusver had leeren kennen.

Toen de beide vrouwen naast hem gezeten waren hield de zendeling,

op zijn gewonen, liefdevollen en stichtelijken toon, een vaderlijke

toespraak om haar op te wekken tot geduld en onderwerping aan het

leed dat de Hemel haar toedeelde; daarop verzocht hij Ellen hem alles

omstandig te verhalen wat er sedert zijn vertrek naar Frankrijk in

de prairie was voorgevallen.

Dit verhaal was lang en treurig en werd dikwijls afgebroken door de

zuchten of snikken, die het gevoelige meisje zelf niet kon bedwingen.

De moeder van Valentin zat te beven als een riet toen zij deze voor

haar zoo ongewone dingen vernam; groote tranen biggelden langs hare

verwelkte wangen en nu en dan sloeg zij onwillekeurig een kruis met

den uitroep:

»Mijn God! arm kind! welk een akelig leven!"

Ellen had inderdaad haar eigen leven verteld, al de ijselijkheden

die zij voor hare hoorders in bloedige en sombere tooneelen deed

voorbijgaan, had zij zelve bijgewoond, van nabij gezien en er

grootendeels het leed van gedragen.

Toen haar verhaal geëindigd was liet zij het hoofd op de beide handen

zinken en weende in stilte, geheel overstelpt door de bittersmarten

die zij weder verlevendigd en als bloedende wonden op nieuw had

opengereten.

De missionaris beschouwde haar een geruime poos met een kalmen blik

vol vaderlijk medelijden.

Hij nam hare hand, sloot die in de zijnen en tot haar overbuigende

sprak hij tot haar met eene zachte troostrijke stem die haar hart

treffen moest:

»Ween vrij, arm meisje, want gij hebt veel geleden; maar wees sterk;

God, die u beproefde, heeft voor u misschien nog zwaarder slagen

weggelegd dan die u reeds getroffen hebben, tracht den drinkbeker niet

te verwijderen dien hij u aan de lippen zet; hoe meer gij hier lijdt

zoo veel te meer wordt gij gelouterd voor het heil en de heerlijkheid

van een ander leven. Zoo God u kastijdt, gij onnoozel schaap, is het

omdat Hij u bemint; gelukkig zij die Hij alzoo kastijdt! Zoek uwe

kracht in den gebede, het gebed verheft de ziel en maakt haar reiner,

wanhoop niet; de wanhoop is eene gedachte uit den Booze die den mensch

doet opstaan tegen de wijze lessen der Voorzienigheid. Denk aan onzen

goddelijken Meester; herinner u wat die voor ons geleden heeft, dan

zult gij erkennen moeten dat uwe smarten gering zijn in vergelijking

van de Zijnen, en gij zult leeren hopen; want de Voorzienigheid is

geen blind noodlot, als zij hare hand zwaar op het arme schepsel laat

wegen is het alleen om dat lijden duizendmaal te vergoeden."

»Helaas! vader," antwoordde Ellen treurig, »ik ben maar een arm

ellendig kind, zonder kracht en zonder moed; de last die mij is

opgelegd is zeer zwaar; maar toch, indien het Gods wil is dat het zoo

zijn moet, zijn naam zij gezegend! ik zal de oproerige gedachten die

soms in mijn hart opkomen trachten te onderdrukken en zonder klacht

zoeken te strijden tegen het lot dat mij bezwaart."

»Goed zoo, meisje," zei de priester; »de almachtige God, die de harten

doorgrondt, zal zich over u erbarmen."

Toen liet hij haar opstaan en geleidde haar op eenigen afstand naar

een bed van droge bladeren, dat de Indianen op zijn bevel voor haar

hadden gereed gemaakt.

»Gij moet gaan slapen, kind," zeide hij, »de vermoeienis was te groot

voor u; eenige uren rust zullen u goed doen."

»Ik zal trachten u te gehoorzamen, vader."

»Mogen de engelen u bewaken terwijl gij slaapt, mijn kind, en de

Almachtige u zegenen, gelijk ik u doe!"

In diepe gedachten en met langzamen tred kwam hij terug om zijne

plaats te hernemen bij de moeder van Valentin.

Ellen vlijde zich neder op haar bladerenbed, waar zij ondanks hare

vrees, weldra de oogen sloot en gerust insliep.

De natuur heeft hare rechten, die zij zich niet laat ontnemen, en de

slaap, dien God ons gaf om ons voor eene poos onze smarten te doen

vergeten, is een van die onvervreemdbare rechten, vooral bij jonge

en krachtvolle naturen.

Er volgde eene vrij langdurige stilte tusschen den zendeling en de

moeder van Valentin. Pater Seraphin zat in diepe gedachten verzonken;

eindelijk nam hij het woord weder op.

»Mevrouw," zeide hij, »gij hebt het verhaal van dat meisje gehoord;

haar vader werd gewond in een gevecht tegen uw zoon. Valentin is zonder

twijfel niet ver van ons verwijderd; intusschen vordert de man dien wij

gered hebben al onze zorgen; wij moeten waken dat hij zijnen vijanden

niet weder in handen valt; ik verzoek u dus nog eenigen tijd geduld te

hebben eer gij u met uw zoon vereenigt, want eerst moet de Roode-Ceder

in veiligheid zijn; bovenal bid ik u omtrent al wat gij van nu af zien

zult het diepste stilzwijgen te bewaren; houd mij ten goede, bid ik u,

dat ik uwe ontmoeting met Valentin nog een tijdlang moet uitstellen."

»Vader," antwoordde zij werktuigelijk, »het is nu tien jaren sinds ik

zonder een dag of eene minuut te wanhopen met geduld het uur verbeid

heb, waarop ik mijn beminden zoon zou terugzien; thans, nu er over

zijn wedervaren bij mij geen de minste twijfel meer bestaat, kan ik

nog wel eenige dagen wachten; ik zou wel zeer ondankbaar zijn jegens

God, en jegens u die zooveel voor mij gedaan hebt, als ik het anders

verlangde. Handel zoo als uwe menschlievendheid en uwe bediening u

voorschrijven; volvoer uw plicht zonder u om mij te bekreunen, het

was God die gewild heeft dat wij dezen man zouden ontmoeten. De wegen

der Voorzienigheid zijn ondoorgrondelijk; laten wij haar gehoorzamen

en den lijder redden, al is hij ook onze vergiffenis niet waard."

»Dat antwoord heb ik van u wel verwacht, intusschen ben ik gelukkig

te zien dat gij mij in mijn voornemen bevestigt."

Den volgenden dag met zonsopgang trok men weder op weg, na vooraf,

volgens de vaste gewoonte van den zendeling, te zamen gebeden te

hebben.

De Roode-Ceder lag nog altijd in denzelfden bewusteloozen toestand.

De twee volgende dagen gingen zonder meldenswaardige gebeurtenissen

voorbij.

Tegen den avond van den derden dag trok de kleine karavaan het dal

binnen, in welks midden, aan den voet der rotsen die het insloten,

de grot gelegen was.

De Roode-Ceder werd er in gedragen met al de zorg die zijn toestand

vereischte, en in een der meest verwijderde vertrekken gebracht,

ver van alle gedruisch daarbuiten, en wel zoo dat hij voor het oog

der vreemdelingen verborgen bleef, die bij toeval in de grot mochten

komen zoolang hij er zich bevinden zou.

Valentins moeder was opgetogen van blijdschap toen zij het

winterverblijf van haar zoon binnentrad.

Deze blijdschap vermeerderde niet weinig, toen zij in de grot

rondziende eenige voorwerpen van geringe waarde vond, die hij gewoon

was te gebruiken.

De goede oude vrouw, als eene ware moeder, gevoelde haar hart door

vreugd overstelpt, zij sloot zich op in het vertrek dat de jager voor

zich afzonderlijk bestemd had, en daar met hare herinneringen alleen,

bleef zij eenige uren in dankbare gedachten verdiept.

Nadat de zendeling ieder zijne plaats aangewezen, het gemeenschappelijk

gebed gedaan, en allen zich verwijderd hadden, liet hij zijne

reisgezellen stilletjes in de rust en ging hij in het diepste der

grot om zijne plaats in te nemen naast het bed van den gewonde.

Daar komende, vond hij er reeds een ander persoon.

Die tweede ziekenoppasser was Ellen.

»Waarom gaat gij niet slapen, kind?" vroeg hij.

Het meisje wees met edelen ernst naar den gewonde.

»Laat mij bij hem waken," zeide zij, »'t is mijn vader."

De zendeling glimlachte en verwijderde zich.

Met het aanbreken van den dag kwam hij terug.

De Roode-Ceder, toen hij hem hoorde aankomen, zuchtte en richtte zich

met veel moeite op in zijn bed.

»Hoe bevindt gij u, broeder?" vroeg pater Seraphin met ongeveinsde

belangstelling.

Een koortsachtig rood overtoog de wangen van den bandiet, het koude

zweet parelde op zijne slapen, in zijn oog fonkelde een vurige gloed en

met eene zwakke, door ontroering nog meer gebroken stem, murmelde hij:

»Mijn vader, ik ben een ellendige booswicht en uw medelijden

onwaardig."

»Mijn zoon," antwoordde de geestelijke zacht, »gij zijt een arm

verdoold schepsel, dien God zeker genade zal bewijzen als uw berouw

oprecht is."

De Roode-Ceder sloeg de oogen neêr; hij begon te beven van top

tot teen.

»Vader," murmelde hij, »wilt gij mij leeren een kruis te maken?"

Bij deze zonderlinge vraag uit den mond van een man als de Squatter,

vouwde pater Seraphin onwillekeurig de handen samen, en sloeg de

oogen dankbaar ten hemel.

Zou de booze engel werkelijk in hem overwonnen zijn? Of was het

misschien weder een komedie, door dezen man gespeeld om zijn redder

te bedriegen, en zoodoende de welverdiende straf te ontgaan waarmede

zijne vijanden hem dreigden voor al zijne wandaden?

Helaas! het menschelijk hart is een arglistig samenweefsel van goed en

kwaad, en toch, wie zal ons zeggen, of de Roode-Ceder op dit oogenblik

niet ter goeder trouw was?

XIV.

EEN OUDE KENNIS.

Na het gevecht bij den Dolle-Bisonsheuvel, toen de Apachen onder

den Zwarte-Kat aan de eene en de Comanchen onder den Eenhoorn aan de

andere zijde waren afgetrokken, en elke oorlogstroep den terugmarsch

naar zijn stamdorp had aangenomen, bevonden de jagers zich weder in

de prairie alleen.

Valentin was de eerste die de Witte-Gazelle peinzend tegen een boom

geleund zag staan, met de teugels van haar paard achteloos in de hand,

terwijl het argelooze dier nu en dan een bosje gras van den grond of

een trosje bladeren van de jonge hagen afhapte.

De jager begreep terstond, dat hij en zijne metgezellen haar wel

eenige vergoeding schuldig waren voor de onverklaarbare trouw door haar

betoond en de onberekenbare dienst die zij hun bewezen had gedurende

de ontzettende en hachelijke omstandigheden, waaruit zij zich thans

verlost zagen.

Hij trad dus met eene beleefde buiging naar haar toe en sprak haar

aan met eene zachte stem.

»Hoe blijft gij daar zoo op een afstand, señorita?" zeide hij, »uwe

plaats is in ons gezelschap; laat uw paard kluisteren met de onzen,

bid ik u; en kom u toch nederzetten aan onzen haard."

De Gazelle bloosde van genoegen bij de minzame uitnoodiging van

Valentin; maar zich een oogenblik bedenkende, schudde zij weigerachtig

het hoofd, keek hem droevig aan en antwoordde met eene bevende stem:

»Ik moet u danken, caballero, voor het aanbod dat gij mij wel gelieft

te doen; maar ik kan het niet aannemen, zoo gij en uwe vrienden al

grootmoedig genoeg zijt om mijn vorige hoogstberispelijke gedrag jegens

u te vergeten, mijn geheugen is niet zoo inschikkelijk, ik moet en ik

wil door andere, meer afdoende diensten dan ik u heden bewijzen kon,

de misslagen zoeken te herstellen die ik vroeger begaan heb."

»Señora," hervatte de jager, »de gevoelens die gij uit, vereeren u nog

meer in onze schatting; sla dus ons verzoek niet af. Lieve hemel! gij

weet immers toch, dat men in de prairie het recht niet heeft om zoo

gestreng te zijn; het gebeurt niet dikwijls dat men personen aantreft

die een begane dwaling op zulk eene edele wijs weten te herstellen."

»Dring mij niet langer, caballero, mijn wil is onverzettelijk,"

zeide zij met blijkbare inspanning en met een zijdelingschen blik

naar don Pablo. »Ik moet vertrekken, en dat wel op staanden voet,

laat mij dus gaan, verzoek ik u."

Valentin boog op nieuw.

»Uw wil is voor mij een bevel, señorita," zeide hij; »gij zijt vrij;

ik heb niet anders gepoogd dan u mijne dankbaarheid te toonen."

»Helaas! gij of ik, wij hebben nog niets gedaan, daar onze bitterste

vijand de Roode-Ceder ons ontsnapt is."

»Wat zegt gij!" riep de jager verwonderd, »is de Roode-Ceder uw

vijand!"

»Mijn doodvijand!" riep zij met een blik van onmiskenbaren

afkeer. »O! ik begrijp het nu wel, gij hebt mij bij hem ontmoet en

gezien hoe ik hem in zijne plannen voorthielp en daarom komt zulk

eene verandering u onverklaarbaar voor. Hoor eens, in dien tijd toen

ik den onverlaat zocht te dienen, dacht ik alleen dat hij een gewone

bandiet was, zooals er maar al te veel zijn in het Verre Westen."

»En thans?" vroeg hij.

»O! thans," hervatte zij, »thans weet ik wat ik toen nog niet wist;

ik heb eene vreeselijke rekening met hem te vereffenen."

»Het is er ver van daan dat ik uwe geheimen zou willen doorgronden,

señorita, maar vergun mij u slechts eene opmerking te doen."

»Spreek vrijuit."

»De Roode-Ceder is geen alledaagsch vijand, een van die mannen die

men gemakkelijk kan uit den weg ruimen; dat weet gij zoo goed als ik,

niet waar?"

»Ja, en wat zou dat?"

»Wat mannen zooals mijne vrienden en ik, met behulp eener talrijke

krijgsmacht niet hebben kunnen doen, zoudt gij u vermeten dat te

kunnen volbrengen?"

De Witte-Gazelle glimlachte.

»Wel mogelijk," zeide zij; »ik heb ook bondgenooten; en als gij het

verlangt, caballero, zal ik u die bondgenooten leeren kennen."

»Spreek op, señorita, want waarlijk uwe kalmte en uw zelfvertrouwen

maken mij tegen wil en dank nieuwsgierig."

»Verplicht, caballero, voor het belang dat gij in mij stelt, de eerste

bondgenoot op wien ik reken, zijt gij zelf."

»Dat is recht," riep de jager met eene buiging, »al brachten mijne

gezindheden er mij niet toe, zouden mijn plicht en mijn belang het

mij gebieden. En de tweede, kunt gij mij dien ook noemen?"

»Zonder twijfel, des te meer, daar gij hem reeds kent, het is de Zoon

des Bloeds."

Valentin sprong bijna achteruit van verrassing, maar bedwong zich

oogenblikkelijk.

»Met uw welnemen, señorita," zeide hij beleefd, »maar gij verstaat

inderdaad de kunst om mij op eene ongehoorde wijs te verbazen."

»Hoe dat, caballero?"

»Omdat ik, neem mij niet kwalijk, dacht dat de Zoon des Bloeds veeleer

een uwer bitterste vijanden was."

»Hij was dit, ja," riep zij met een glimlach.

»En thans?"

»Thans is hij mijn dierbaarste vriend."

»Dat gaat mijn verstand te boven! En sinds wanneer heeft die

buitengewone ommekeer plaats gehad?"

»Sinds wanneer?" antwoordde de Gazelle geslepen, »sinds dat de

Roode-Ceder, in plaats van een vriend, op eens mijn geslagen vijand

geworden is."

Valentin sloeg de armen bij zich neer, als iemand die er van afziet

om een al te moeielijk raadsel op te lossen.

»Ik begrijp er niets meer van," zeide hij.

»Gij zult het eerlang begrijpen," riep zij.

Op eens sprong zij in den zadel en zich nog eens tot Valentin wendende,

zeide zij:

»Vaarwel! caballero: ik vertrek naar den Zoon des Bloeds, weldra zien

wij elkander terug. Vaarwel!"

En hiermede gaf zij haar paard de sporen, wuifde den jager met de

hand een laatst vaarwel toe en vertrok in galop, terwijl zij spoedig

in een wolk van stof verdwenen was.

Valentin keerde vol gedachten naar zijne vrienden terug.

»Wel?" vroeg hem don Miguel.

»Wel!" was zijn antwoord, »wat zou het wezen? dat meisje is het

zonderlingste schepsel dat ik ooit ontmoet heb."

Zoodra zij den jager uit het gezicht was, verslapte de Witte-Gazelle

den galop van haar paard en bracht het in den meer bedaarden pas,

die beter met de omzichtigheid van een eenzaam reiziger in de prairie

overeenkomt.

Het jonge meisje gevoelde zich op dit oogenblik gelukkig, zij was

niet alleen geslaagd in haar plan om den jongman dien zij beminde

uit een dreigend gevaar te redden, maar tevens om zich met Valentin

en diens gezellen weder op een goeden voet te brengen.

De Roode-Ceder was haar, wel is waar, ontsnapt, maar voor ditmaal had

hij toch een goede les gehad en zou hij, van alle zijden als een wild

dier verjaagd, naar het zich liet aanzien spoedig in handen vallen

van hen wier belang medebracht hem uit den weg te ruimen.

Zij reed onbezorgd voort, wierp nu en dan een verstrooiden blik

in het rond, en bewonderde de kalme rust der prairie onder den

glans der zonnestralen die zich spiegelden in het jonge groen der

kreupelboschjes.

Nooit had zij de wildernis zoo schoon gevonden, nooit scheen de stilte

zoo groot als die er thans heerschte in haar gemoed.

Reeds neigde de zon ten ondergang en verlengden zich de schaduwen

van het hier en daar in vollen zomerdos prijkend reusachtig geboomte;

de vogeltjes in het dichte gebladerte verscholen zongen den Heer der

Schepping hun veelstemmig avondlied, toen de eenzame amazone op eens

aan den rand eener groeve door het afvloeiende regenwater gedurende

den wintertijd gegraven, een man meende te zien liggen half op den

eenen elleboog geleund.

Deze man, bij wien een paard op korten afstand liep grazen, scheen

met iets bezig te zijn daar het meisje niets van begreep, maar dat

op het levendigst hare aandacht trok.

Ofschoon zij snel de plek naderde waar hij zich bevond, stoorde de

vreemdeling zich niet aan haar en zette zijn onbegrijpelijk werk met

gespannen aandacht voort.

Eindelijk stond zij vlak tegenover hem; en nu kon zij een uitroep van

verrassing niet weerhouden; zij bleef pal staan om hem met verwondering

aan te kijken.

De man speelde in zijne eenzaamheid monté, een soort van Mexicaansch

lansquenet, met een spel kaarten dat er bijzonder smerig uitzag.

Deze vertooning vond zij zoo buitengewoon koddig dat zij in een schel

gelach uitbarstte.

Bij dit geluid hief de man het hoofd op.

»Ziedaar!" riep hij zonder zich overigens in het minst verwonderd

te toonen, »wist ik het niet dat er iemand komen zou; dat kan nooit

missen, op dit gezegend benedenrond!"

»O, foei!" riep zij met een lach, »gelooft gij daaraan?"

»Canarios! ik ben er zeker van," antwoordde hij, »en gij zelve bewijst

het mij, señorita, juist omdat gij komt."

»Leg mij dat eens nader uit, vriend, als ik u verzoeken mag, want ik

moet u bekennen dat ik er geen letter van begrijp."

»Dat geloof ik niet," riep de onbekende hoofdschuddend; »maar toch,

strikt genomen zou het waar kunnen wezen. In allen geval, ik sta er

voor in, dat het zoo is."

»Zeer goed, maar wees dan zoo goed en verklaar het mij nader."

»O, dat is gemakkelijk genoeg, señorita. Ik ben uit Jalapa, een stad

die gij wel kennen moet."

»Ja, maar niet anders dan door de medicijn, die er den naam aan

ontleent."

»Goed, goed," lachte de andere, »maar dat neemt niet weg dat Jalapa

een mooie stad is."

»Integendeel! ga voort."

»Ik ga al voort. Gij moet dan weten dat wij te Jalapa een spreekwoord

hebben."

»Zeer mogelijk; strikt genomen is dat op zich zelf zooveel bijzonders

niet."

»Dat is waar, maar dat spreekwoord kent gij toch niet, zeg!"

»Neen, dat wacht ik van u te zullen hooren."

»Daar is het: »wilt gij gezelschap, leg dan de kaarten.""

»Dat begrijp ik niet."

»Loop heen!"

»Op mijn woord niet!"

»Met dat al is het toch zeer duidelijk; dat zult gij zien."

»Ik wou dat ik het reeds zag," riep het meisje, die het gesprek

uitermate behagelijk vond.

De onbekende stond op, stak de kaarten in zijn zak met al den ernst

die een speler van beroep aan dit werk besteedt en nu met den arm

achteloos op den hals van het paard der Gazelle leunende sprak hij:

»Door eene reeks van omstandigheden, te lang om u te vertellen bevind

ik mij moederziel alleen in deze onmetelijke prairie waar ik geen heg

of steg weet; als fatsoenlijk stadsburger ben ik volstrekt niet op de

hoogte van de zeden en gebruiken der wildernis, zoodat ik natuurlijk

eerlang van honger en gebrek zal moeten omkomen."

»Met uw welnemen, dat ik u in de rede val, maar ik moet u, doen

opmerken dat wij hier zoo wat drie honderd mijlen ver van de naaste

stad verwijderd zijn en er dus strikt genomen nog al eenige tijd

heeft moeten verloopen sedert gij, beschaafde man, u in de wildernis

bevindt."

»Dat is ook zoo; wat gij daar zegt is maar al te waar, señorita;

maar dat komt door die lange reeks van oorzaken daar ik u zoo even

van sprak en die te veel tijd zouden kosten om u te vertellen."

»Zeer goed, ga voort."

De lynch-wet · 第 9 / 29 段