door welken zonderlingen samenloop van omstandigheden pater Seraphin,
dien wij sedert lang uit het oog schenen verloren te hebben, alsmede
de moeder van Valentin Guillois, die, ofschoon in waardige gestalte,
slechts eenmaal in onze verhalen is opgetreden [6] zoo juist van pas
kwamen om den Roode-Ceder hulp te verleenen.
Toen de missionaris den Gids der Prairiën verlaten had, was hij,
volgens zijn verklaarde verlangen, naar het land der Comanchen
vertrokken om onder deze half beschaafde Indianen het Evangelie te
prediken, welken heiligen plicht hij reeds vroeger met ijver had
aangevangen.
Pater Seraphin had zich zoowel door zijne kunde als door zijn
eerwaardig karakter en zijne zeden vele vrienden verworven onder
deze half wilde kinderen der natuur en telde zelfs eene menigte
proselieten bij de verschillende Indianen-stammen, vooral bij dien
van den Eenhoorn.
De reis naar het dorp der Comanchen was langdurig en vermoeiend;
in de woestijn zijn geen middelen van vervoer of vaste rustplaatsen,
niet dan enkele jagers of Indianen-horden, die in de eenzame wildernis
zonder plan of doel rondzwerven. De zendeling liet zich echter hierdoor
niet afschrikken; te zwak om te paard te stijgen, uit hoofde van de
wond die hem kort te voren toegebracht en nog nauwelijks gesloten was,
ging hij moedig op weg op het voorbeeld der eerste apostelen en trok
te voet door een land dat bijna onmogelijk zonder paard te bereizen is.
Maar de menschelijke krachten hebben hare grenzen die zij niet kunnen
overschrijden en pater Seraphin, ondanks zijn moed, moest, weldra
bekennen dat hij een taak ondernomen had, die voor hem te zwaar was
om tot een goed einde te brengen.
Op zekeren avond, toen hij uitgeput door koorts en vermoeienis niet
verder kon, was hij voor de deur eener Indiaansche hut neergezonken,
waar hij liefderijk werd opgenomen en verzorgd.
Deze Indianen, half beschaafd en sedert lang christenen geworden,
hadden niet willen gedoogen dat de geachte priester bij den
wankelenden gezondheidstoestand waarin hij zich bevond zijne reis zoude
voortzetten; buitendien gaf de koorts, die hem geheel bewusteloos
maakte voor hetgeen er met hem gebeurde, hun aanleiding om hem met
kleine dagreizen naar Texas over te brengen.
Toen dus pater Seraphin, dank zij zijne jeugd en zijn gezond gestel,
eindelijk de krankte te boven kwam, die hem meer dan eene maand aan
het ziekbed gekluisterd en in ijlenden toestand als tusschen leven en
dood had doen zweven, was hij zeer verwonderd te zien dat hij zich te
Galveston bevond, in het huis van den bisschop, het hoofd der zending.
De bisschop, gebruik makende van de kerkelijke macht die hij bezat
en van zijn gezag over het zendingswerk, verbood hem naar de woestijn
terug te keeren, maar verplichtte hem integendeel, aan boord te gaan
van een schip, dat in de haven van Galveston zeilreê lag en slechts
op gunstigen wind wachtte om naar Havre te vertrekken.
Pater Seraphin gehoorzaamde niet dan met tegenzin de bevelen van
zijn superieur; de bisschop had hem daartoe eerst moeten betoogen,
dat zijne gezondheid te veel ondermijnd was en dat alleen de invloed
van zijn geboorteland hem kon doen herstellen, eer hij toegaf om,
zoo als hij het noemde, zijn post te verlaten en op de vlucht te gaan.
De missionaris vertrok derhalve, maar met het vaste voornemen om zoo
spoedig mogelijk terug te keeren.
De overtocht van Galveston naar Havre was voorspoedig; twee maanden na
zijn vertrek uit Texas liep het schip aan welks boord pater Seraphin
zich bevond te Havre binnen, en zette hij voet op den vaderlandschen
bodem met een geroerd hart en een gevoel van dankbare blijdschap,
zoo als zij alleen kunnen beseffen welke gedurende langen tijd in
den vreemde hebben moeten omzwerven.
Daar het toeval om zoo te zeggen hem in Frankrijk terugvoerde, maakte
de zendeling zich deze gelegenheid ten nutte om zijne vrienden te
gaan bezoeken, die hij niet had durven hopen ooit weder te zullen
zien en die hem met des te grooter vreugde ontvingen, daar zij op
zijne terugkomst niet meer hadden gerekend.
Het leven der zendelingen is hard en moeitevol; alleen zij die hen aan
't werk hebben gezien in de groote woestenijen van Amerika, kunnen
de vrome zelfverloochening en den waren heldenmoed waardeeren welke
deze eenvoudige mannen bezielt, zoo zij althans werkelijk zijn wat
zij behooren te zijn; in koene oprechtheid, zonder hoop op aardsche
belooning, kunnen zij gezegd worden hun leven voor de bekeering der
heidenen ten offer te brengen. In den regel bezwijken zij op hun
post en kwijnen weg in een of anderen onbekenden hoek der prairie,
als het slachtoffer hunner trouw aan de goede zaak; of gelukt het hun
gedurende vijf of zes jaar in hunne moeitevolle taak te volharden dan
keeren zij vaak in hun vaderland terug, oud voor hun tijd, verzwakt en
vergrijsd, bijna blind of gebogen onder lichaamskwalen en gedwongen
hun kommerlijk leven voort te slepen in eene maatschappij die hen
veelal miskent en niet zelden bespot of belastert.
De verlofdagen van Seraphin waren geteld: ieder uur dat hij langer
van zijne geliefde Indianen verwijderd bleef verweet hij zich als
een diefstal ten hunnen opzichte. Hij scheurde zich dus om te zeggen
los uit de armen zijner ouders en spoedde naar Havre terug, om met
de eerste gelegenheid de beste die zich opdeed weder scheep te gaan
naar Texas.
Op zekeren avond zat vader Seraphin aan het strand te Havre met het
oog op de zee gericht, die hem van het doel zijns levens scheidde,
en dacht hij met bekommering aan de bekeerlingen die hij in Amerika
had achtergelaten en die van zijne leiding verstoken, misschien in
hunne oude dwaalbegrippen zouden terugvallen. Zoo in diepe gepeinzen
verzonken, hoorde hij in zijne nabijheid iemand klagend zuchten. Hij
keek op en zag eenige passen van hem af eene vrouw op het zand geknield
en weenende; van tijd tot tijd kwamen er eenige afgebroken woorden op
hare lippen. Vader Seraphin kreeg medelijden met haar, hij stond op,
naderde haar en hoorde haar duidelijk zeggen: »Mijn zoon! mijn arme
zoon! O mijn God, zal ik hem dan nooit wederzien!"
Men zou de oude vrouw in hare tranen hebben kunnen wasschen. Zij hield
de oogen ten hemel gericht met een blik van hopelooze droefheid die
ook op haar vermagerd gelaat was uitgedrukt.
Vader Seraphin, met de hem eigene goedheid, begreep terstond dat hier
een groot ongeluk te verzachten was, hij wendde zich tot de onbekende
en vroeg haar:
»Arme vrouw, wat zoekt gij hier? Waarom weent gij?"
»Helaas! vader," antwoordde zij, »ik heb elke hoop op aardsch geluk
verloren."
»Dat kan niemand zeggen, mevrouw. Vertel mij uw ongeluk! God is groot,
misschien geeft Hij mij de macht om u te troosten."
»Gij hebt gelijk, vader, God verlaat nooit de bedroefden, en helpt
hen vaak wanneer de laatste hoop hun ontzinkt."
»Spreek dan maar moedig op."
De oude vrouw hervatte thans met eene geschokte stem, die gedurig
door hare inwendige aandoeningen werd afgebroken:
»Het is nu tien jaren geleden dat ik mijn zoon voor het laatst gezien
heb. Helaas! sedert hij naar Amerika vertrok heb ik ondanks alle
aangewende pogingen niets van hem kunnen vernemen, zoodat ik niet
weet hoe hij het heeft, en of hij dood of levend is."
»Zoo, hebt gij dan in al dien tijd volstrekt niets van zijn wedervaren
gehoord, dat gij hem zoo bitter beschreit."
»Helaas! neen, vader, niets sedert de brave jongen uit eigen verkiezing
met zijn zoogbroeder naar Chili is vertrokken."
»Naar Chili!" viel de priester haar in de rede, »welnu, dan zou men
dáár toch naar hem kunnen informeeren."
»Dat heb ik gedaan, vader."
»En toch niets?"
»Ik zal u zeggen, vader, zijn zoogbroeder is in Chili getrouwd,
hij bezit daar een groot fortuin en aan dezen heb ik in der tijd
geschreven. Maar mijn zoon is niet meer bij hem, omtrent een jaar nadat
zij samen uit Frankrijk waren vertrokken heeft hij zijn zoogbroeder
verlaten, zonder de reden op te geven waarom hij dit deed, en sinds
dien tijd heeft zijn zoogbroeder alle mogelijke moeite gedaan om
te weten waar hij gebleven was, maar al zijne nasporingen waren
vergeefs en hij heeft nooit meer van hem hooren spreken; het eenige
dat hij nog is te weten kunnen komen was: dat hij naar de onmetelijke
bosschen van Groot-Chaco zou vertrokken zijn in gezelschap van twee
Indiaansche opperhoofden."
»Dat is al zeer vreemd, inderdaad," mompelde de priester nadenkend.
»Zijn zoogbroeder schrijft mij dikwijls, hij zorgt goed voor mij,
door zijn toedoen ben ik rijk voor eene vrouw van mijn stand die
gewoon is zich met weinig te behelpen. In iederen brief dien ik van
hem krijg, schrijft hij mij dat ik moet overkomen om mijn ouden dag
bij hem te slijten. Maar dat verlang ik niet, ik verlang alleen
mijn zoon weêr te zien, in zijne armen wensch ik mijne oogen te
sluiten. Helaas! dat die troost mij niet gegund mag zijn. O! vader,
gij kunt u niet verbeelden hoe smartelijk het voor eene moeder is zoo
alleen te leven, altijd alleen en altijd gescheiden van het eenigste
wezen dat hare laatste dagen zou kunnen gelukkig maken. Al is het
nu meer dan tien jaar dat ik hem niet gezien heb, kan ik hem mij
nog zoo goed voorstellen alsof hij mij gisteren eerst verlaten had,
jong en sterk, onbezorgd en gereed om alles te ondernemen, zoo als
hij mij voor het laatst omhelsde en helaas voor altijd verliet."
Onder het uiten dezer laatste woorden kon de arme vrouw zich niet
langer goed houden en barstte zij in snikken en tranen uit.
»Schep maar moed! het leven is slechts een lange proeftijd, misschien
heeft God, die zoo oneindig goed is, voor u, daar gij nu zoo veel
geleden hebt nog een groote vreugd weggelegd op uw ouden dag."
»Helaas! vader, gij weet wel dat eene moeder ontroostbaar is,
wanneer zij haar zoon missen moet; haar zoon is haar eigen vleesch en
bloed! Bij ieder schip dat er aankomt loop ik naar de haven en vraag,
en vraag, maar altijd hetzelfde stilzwijgen!... En toch, als ik het
u bekennen mag, is er in mij iets dat mij zegt dat hij niet dood is,
dat ik hem zal wederzien; het ligt mij zoo bij, als een heimelijk
voorgevoel, dat ik mij niet verklaren kan; maar mij dunkt, als mijn
zoon dood was, zou er in mijn hart iets gebroken zijn en dan zou ik
er reeds lang niet meer zijn geweest. Deze hoop houdt mij tegen wil
dank en staande en geeft mij de kracht om te leven."
»Gij zijt inderdaad een vrouw naar mijn hart, goede oude ziel, ik
bewonder u."
»Gij bedriegt u, vader; ik ben maar een arm, dom, diep ongelukkig
schepsel; ik heb slechts één gevoel in mijn hart, en dat gevoel neemt
het geheel in: de liefde voor mijn kind. O! als ik hem eens zien kon,
al was het maar voor eene minuut, mij dunkt ik stierf van geluk! Van
tijd tot tijd krijg ik ook wel een briefje van een bankier met verzoek
om mij bij hem te vervoegen, en die geeft mij dan een sommetje geld,
nu eens wat meer en dan eens wat minder; en als ik hem dan vraag wie
het mij zendt, antwoordt mij die heer dat hij het zelf niet weet,
dat een onbekende correspondent hem gelast heeft het mij ter hand
te stellen. Nu verbeeld ik mij telkens, als ik dat geld ontvang,
dat het van mijn zoon komt, en dat hij dus nog aan mij denkt, en dat
maakt mij gelukkig."
»Daar behoeft gij niet aan te twijfelen, mevrouw, dat geld komt van
uw zoon."
»Niet waar?" riep zij blijkbaar vergenoegd. »O! ik ben er zoo zeker
van, dat ik het niet zou willen uitgeven; al die gelden liggen nog bij
mij onaangeroerd, in dezelfde orde als ik ze ontvangen heb. Dikwijls,
als ik wat treuriger ben dan anders en mijn verdriet mij te zwaar
wordt, neem ik die geldstukken een voor een op, bekijk ze, laat ze
door mijne vingers gaan, praat er mede en dan is het of mijn zoon mij
antwoordt dat ik hem nog eens weder zal zien, en dan voel ik de hoop
in mijn hart herleven. O! gij moet dit zeker wel dwaas van mij vinden,
niet waar vader, dat ik u dit alles zoo vertel? maar waar zou eene
moeder anders van spreken dan van haar zoon? waar zou zij anders aan
denken dan aan hem?"
Pater Seraphin zag haar aan met eene mengeling van teederheid en
eerbied. Zooveel grootmoedigheid en eenvoudigheid tegelijk in eene
vrouw van haar stand en opvoeding overmeesterden hem, hij voelde dat
er een traan langs zijne wangen liep doch vergat dien af te wisschen.
»O! vroom en goed schepsel," zeide hij, »hoop maar op God, Hij waakt
over u!"
»Ja, dat denk ik zoo dikwijls, en nu gij het ook denkt, vader, doet
het mij zoo goed. O, ik dank er u voor! Ziedaar, gij hebt mij nog
niets van mijn zoon gezegd en toch voel ik mij reeds gesterkt dat
ik u gezien heb en mijn hart voor u heb mogen ontlasten. Maar dat is
omdat gij zoo goed zijt, gij hebt mijne smart begrepen, want gij hebt
zeker ook veel geleden, ja dat kan ik wel zien."
»Helaas! ja mevrouw, ieder heeft op deze wereld zijn kruis te dragen:
gelukkig hij dien deze last niet te zwaar valt."
»Vergeef mij dat ik u met mijn verdriet heb lastig gevallen, vader,"
zeide zij, terwijl zij opstond om weer heen te gaan, »ik bedank u
wel voor uwe goede woorden."
»Ik heb u niets te vergeven," zei vader Seraphin, »maar mag ik u nog
eene vraag doen?"
»Zeer gaarne, vader, spreek, ik hoor u."
»Ik ben missionaris. Reeds verscheidene jaren geleden werd ik
naar Amerika gezonden, waar ik in alle richtingen de onmetelijke
wildernissen heb doorkruist. Ik heb op mijne reizen vrij wat zaken
gezien en personen ontmoet Wie weet of ik niet misschien zonder
hem te kennen, met uw zoon in aanraking ben geweest, en of ik niet
in staat zou zijn om u eenig bericht te geven daar gij zoo lang op
hebt gewacht."
De arme moeder keek hem aan met een onbeschrijfelijken blik, en hield
zich de hand op het hart om er het heftige kloppen van te stillen.
»Mevrouw, de goede God bestuurt al onze gangen, Hij heeft gewild dat
wij elkander hier op dit strand zouden ontmoeten; misschien kan ik
u de hoop terug geven die gij dreigt te verliezen; Gods wegen zijn
wonderlijk. Mag ik ook weten hoe uw zoon heet?"
Op dit oogenblik vertoonde pater Seraphin zich inderdaad als door
hooger aandrift bezield, zijne stem klonk indrukwekkend, zijne oogen
schitterden van ongewonen gloed zoodat de oude vrouw als aan zijne
lippen hing.
»Vader, vader!" riep zij hijgend.
»Mevrouw," hervatte hij, »hoe is de naam van uw zoon?"
»Valentin Guillois!" murmelde zij terwijl zij bijna in onmacht neerzonk
op een ouden scheepsmast die aan het strand lag.
»Wat zegt gij?" riep de zendeling verrast, »kniel en dank God! wees
getroost, arme moeder! uw zoon leeft nog."
Zij vloog op als werktuigelijk bewogen, wierp zich snikkend op de
knieën en strekte de armen uit naar den spreker, als had hij haar
zoon uit den doode doen verrijzen.
Maar het was te veel voor haar; de langbeproefde moeder, zoo sterk
in de smart, kon de vreugd niet weerstaan, zij viel in flauwte.
Vader Seraphin bood haar de noodige hulp en bracht haar door zijne
onvermoeide zorgen weder tot bewustzijn.
Wij behoeven het daarop volgend tooneel niet te beschrijven.
Acht dagen later gingen de zendeling en de moeder van Valentin scheep
naar Amerika.
Op hunne voorspoedige reis vertelde pater Seraphin haar tot in de
kleinste bijzonderheden al wat er met haar zoon gedurende zijne lange
afwezigheid gebeurd was, de oorzaken van zijn stilzwijgen en de vrome
kinderzin waarmede hij haar aandenken steeds in waarde had gehouden.
De arme moeder luisterde met gespannen aandacht en opgetogen van geluk
naar deze verhalen, die zij telkens op nieuw verlangde te hooren,
daar zij niet te verzadigen scheen en nooit gelukkiger was dan wanneer
pater Seraphin van haar zoon begon te spreken.
Zoo kwamen zij te Galveston.
De zendeling was niet zonder reden beducht dat zij tegen de vermoeienis
eener reis door de woestijn niet bestand zoude zijn en wilde haar dus
overhalen om in de stad te blijven en daar de komst van haar zoon af
te wachten.
Bij dit voorstel schudde de moeder met tegenzin het hoofd.
»Neen," zeide zij bepaald, »ik ben zoo ver niet gekomen om hier stil
te houden; ik verlang de weinige levensdagen die mij nog overschieten
met hem te slijten. Ik heb te veel moeten lijden om niet karig te
zijn met mijn geluk en er geen stukje van te willen verliezen. Laten
wij vertrekken, vader, en breng gij mij bij mijn kind."
Tegen zulk een bepaald uitgedrukten wil had de zendeling geen kracht
genoeg zich te verzetten en hij gevoelde het recht niet te bezitten
om zijn eigen inzichten door te drijven; zijn eenigste zorg was nu
slechts om voor zijne tochtgenoot de vermoeienissen der reis zoo veel
mogelijk te verzachten.
Zij vertrokken dus samen uit Galveston en zetten met kleine dagreizen
koers naar het Verre Westen.
Aan de uiterste grenzen der beschaafde wereld komende, had pater
Seraphin een geleide van getrouwe Indianen aangenomen om hem en zijne
reisgenoote veilig door de woestijn te brengen. Nauwelijks twee dagen
echter waren zij de prairiën binnengetrokken, of onder het bestuur der
Voorzienigheid, bevonden zij zich eensklaps tegenover den Roode-Ceder,
terwijl deze geheel hulpeloos en bijna stervende lag te midden van
een der ongerepte natuurwouden.
XIII.
TERUGKEER TOT HET LEVEN.
De liefdadigheid is eene deugd die in onze eeuw wel algemeen wordt
geprezen en toegejuicht, maar slechts door weinige menschen op de
rechte wijs wordt uitgeoefend.
Het voorbeeld van den barmhartigen Samaritaan vindt in onze
maatschappij niet vele navolgers en als men de ware menschenliefde
wilde zien, zoo rein en eenvoudig als het Evangelie die voorschrijft,
zou men die in de wildernissen der nieuwe wereld moeten zoeken.
Het is treurig om te zeggen en nog treuriger om te bewijzen, dat
zoo weinig menschen in staat zijn tot zelfverloochening, gezwegen
van zelfopoffering. Verreweg de meeste Christenen schijnen er nooit
aan te denken dat zij eenmaal gedoopt zijn in den naam der eeuwige,
ongehoudene, zelfopofferende liefde, en maken dus de zoo hooggeroemde
beschaving te schande door zich te verlagen tot de baatzuchtige
neigingen en driften die de zoogenaamde wilden in den onbeschaafden
natuurstaat beheerschen. Dit gebrek is echter niet geheel aan de
individus te wijten, het is veeleer de schuld van de materiëele en
moreele richting onzer eeuw en het daaruit voortvloeiende heillooze
egoïsme, dat zich vooral sinds de laatste jaren in den boezem der
maatschappij en in het hart der menschen heeft ingeplant en tot zulk
een ongekende hoogte ontwikkeld.
Dit zoogenaamde personalisme en egoïsme, dat zoo veler daden en
bedoelingen in Europa zoowel als in Amerika beheerscht, is onder
anderen aan twee tastbare oorzaken toe te schrijven.
Vooreerst aan de ontdekking der goudmijnen in Californië, Australië
en aan de Fraser-rivier.
Ten tweede aan de Beurs.
De Beurs is vooral sedert de laatste jaren de kanker der oude
wereld geworden. Wat hiervan het gevolg moet zijn is gemakkelijk te
berekenen. Zoodra iedereen begreep dat er voor hem goede kans bestond
om van daag of morgen schatrijk te worden, en velen het werkelijk
werden, dacht niemand meer aan zijn arm gebleven buurman, dan om
hem als een rampzalig wezen te beschouwen, dat niet in staat was
om zijn lot te verbeteren. Uit het bovengezegde volgt echter eene
andere beschouwing, namelijk, dat zij die moeds genoeg bezitten om
zich aan den heerschenden tuimelgeest te onttrekken, het klatergoud
des rijkdoms en der hen omringende weelde te verachten, en door
heiligen ijver bezield, de schoonste en moeielijkste maar tevens
karigst bezoldigde taak op zich te nemen, in onzen tijd des te meer
lof verdienen. Gedreven door christelijke menschenliefde, trekken
deze uitverkoren mannen met kloeken zin en een blij gemoed naar de
onherbergzaamste wereldstreken, om onder wilde Indianen-horden of
onder het uitschot der meer beschaafde maatschappij, roovers en
landloopers, die alle gevoel van eer en deugd hebben uitgeschud,
het Evangelie te verkondigen en eenige zielen te winnen; daarvoor
verlaten zij vaderland en vrienden, brengen alle aardsche genot, eer
en voordeel vrijwillig ten offer en maken zich in het oog van ieder die
wel denkt en onpartijdig oordeelt verdienstelijk jegens de menschheid.
Het aantal dezer edele en onbaatzuchtige gemoederen is veel grooter
dan men oppervlakkig zou denken, en dit spreekt schier van zelf:
want het eene uiterste roept vaak het andere te voorschijn: naast
de liefde tot het goud moet zich gelijktijdig de hartstocht der
belangeloosheid vertoonen, opdat de eeuwige balans van het goede en
kwade, die de wereld van hoogerhand regelt, bewaard blijve en het
evenwicht gedurig hersteld worde, zonder hetwelk de menschelijke
maatschappij niet zou kunnen leven noch gedijen.
Ik acht mij gelukkig hier te mogen verzekeren, dat onder de velen die
Europa in alle richtingen uitzendt tot verspreiding van het licht des
Evangelie's, ook Frankrijk niet achterlijk is, maar naar evenredigheid
zijn aandeel in ruime mate bijdraagt.
En dit moet wel zoo zijn; terwijl de lagere driften in Frankrijk
inzonderheid hare aanhangers tellen, zijn er daarentegen zooveel te
meer anderen die door edeler aandrift bezield voor de uitbreiding
van al wat waar, goed en schoon is hun leven veil hebben. -- Maar
hervatten wij ons verhaal.
De toestand van den Roode-Ceder was bedenkelijk.
De zedelijke schok door hem ondergaan, toen hij den man herkende,
dien hij nog kort geleden had trachten te vermoorden, was bij hem
weldra tot een vreeselijk delirium overgeslagen.
De rampzalige, aan de bitterste wroeging ten prooi, werd door de
akelige schrikgestalten zijner vermoorde slachtoffers gefolterd,
die zijne koortsachtige verbeelding te voorschijn riep en die als
een legioen duivels rondom zijn leger waarden.
Zoo ging er een vreeselijke nacht voorbij.
Pater Seraphin, Ellen en de moeder van Valentin, die hem geen oogenblik
verlieten en met zorg bewaakten, waren nu en dan genoodzaakt hem in
bedwang te houden, daar hij zich anders in een vlaag van verbijstering
het hoofd tegen den boomstam zou hebben verpletterd.
Zonderlinge toevalligheid! de Squatter was juist op dezelfde plaats
in den schouder getroffen waar hij vroeger den zendeling eene wond
had toegebracht, voor welke wond deze verplicht was geweest in Europa
genezing te zoeken; van deze reis was pater Seraphin nauwelijks eenige
dagen teruggekeerd, toen de Voorzienigheid hem geheel onverwachts,
aan den voet van een boom bijna zieltogend uitgestrekt, den man deed
wedervinden, die hem eens had willen vermoorden.
Tegen het einde van den nacht begon de crisis een weinig te bedaren
en geraakte de Squatter in een soort van slaap of verdooving, die
hem althans voor een poos gevoel en bezinning ontnam.
Geen van allen had gedurende dien langen en akeligen nacht in het
diepste van het bosch een oog toegedaan.
Zoodra pater Seraphin zag dat de gewonde kalmer werd, liet hij de
Indianen een draagbaar samenstellen om hem te kunnen vervoeren.
De Indianen deden dit met blijkbaren tegenzin.
Zij kenden den Squatter sinds jaar en dag, en die ruwe natuurmenschen
begrepen niet hoe het mogelijk was dat de missionaris in plaats van
zijn vijand te dooden dien het toeval hem als 't ware in handen had
geleverd, hem integendeel hulp verleende en in het leven zocht te
behouden, en dat zulk een booswicht, die zooveel wandaden gepleegd had,
en wiens dood voor de prairie een weldaad zou zijn geweest!
Alleen de trouw en genegenheid die zij den zendeling toedroegen kon
hen bewegen te doen wat hij hun beval, en nog moeten wij zeggen dat
zij het deden tegen wil en dank.
Toen de draagbaar gereed was spreidde men er een laag graszoden
en dorre bladeren over heen en werd de Squatter op dit tamelijk
zachte bed gelegd, ofschoon deze bijna in een staat van volslagen
gevoelloosheid verkeerde.
Alvorens het bosch te verlaten achtte de zendeling het, ook in het
belang van den gewonde, noodig om het wankelende geloof der Roodhuiden
te verlevendigen, hij besloot dus vooraf de heilige mis te vieren.
Een outaar van graszoden werd opgericht, met een wit linnen doek
overdekt en toen door den zendeling de mis gelezen, bijgestaan door
een der Indianen, die zich daartoe vrijwillig aanbood.