»Hoerah!" brulde de Roode-Ceder terwijl hij zijn geweer bij de tromp

nam en als een knots boven zijn hoofd deed zwaaien. »Neer met die

honden! Nemen wij hun hoofdhaar!"

»Nemen wij hun hoofdhaar!" herhaalden zijne gezellen, terwijl zij

zijn voorbeeld volgden en alles neerbeukten wat in den weg stond en

hun den doortocht betwistte.

Zoo slaagden zij om zich al strijdende een bloedigen uitweg te banen

en vorderden zij langzamerhand naar de zijde van de rivier.

Plotseling wierp zich een enkel man den Roode-Ceder in den weg.

Die man was Mookapec.

»Ik kom u mijn hoofdhaar brengen, hond van een bleekmuil," schreeuwde

de Indiaan met zijn strijdbijl op hem inhouwende.

»Ik zeg u dank," antwoordde de Squatter den dreigenden slag behendig

afwerend. De Arendsveer sprong voorwaarts als een hyena en eer zijn

vijand in staat was zich te dekken had hij hem met de machete een

steek in de dij toegebracht.

De Roode-Ceder gaf een schreeuw van spijt toen hij zich gewond

gevoelde, hij trok met de eene hand zijn mes terwijl hij met de andere

den Indiaan bij de keel greep.

Laatstgenoemde zag zich verloren: het blauwe lemmer glinsterde boven

zijn hoofd en drong het volgende oogenblik diep in zijne borst.

»Ha ha!" grinnikte de Roode-Ceder terwijl hij zijn vijand losliet,

die dadelijk van zijn paard stortte, »ik geloof dat wij nu onze

rekening vereffend hebben."

»Nog niet!" riep de Coras met een triomfanten lach; en met een laatste

heldhaftige poging schoot hij zijn geweer op den Squatter af.

Deze liet de teugels glippen en tuimelde naast den Indiaan neder.

»Ik sterf gewroken!" mompelde de Arendsveer die reeds met den dood

worstelde.

»O! ik ben nog niet dood!" antwoordde de Roode-Ceder terwijl hij

zich op de eene knie oprichtte en den Coras de hersens insloeg,

»ik zal het ontkomen hoe dan ook."

Behalve de wond in zijn dij had de kogel hem den schouder

verbrijzeld. Evenwel, met medehulp zijner kameraden, die geen voet

breed terugweken, gelukte het hem weder te paard te stijgen.

Nathan en Sutter bonden hem op den zadel

vast. »Aftrekken! aftrekken!" riep hij, »of wij zijn verloren. Bergt

uw hals! ieder voor zich!"

De vrijbuiters gehoorzaamden oogenblikkelijk en namen in alle

richtingen de vlucht, dicht nagezet door de Coras en de Comanchen.

Intusschen gelukte het den meesten zich te redden: sommigen in het

dichte bosch, waar zij spoedig verdwenen waren; anderen in de rivier,

die zij overzwommen.

De Roode-Ceder was onder de eerstgenoemden.

Valentin en zijne vrienden hadden den goeden uitslag van het gevecht

dank zij de tijdige hun verleende hulp nauwelijks gezien, of zij

daalden met allen spoed den Bisonsheuvel af en reden de vlakte in om

zich van den Roode-Ceder meester te maken.

Ongelukkig kwamen zij te laat en zagen zij hem alleen in de verte

verdwijnen.

De gelukkige wending die het gevecht genomen had was hun van

onberekenbaar nut, daar zij hen niet alleen redde uit de hachelijke

stelling waar zij zich in bevonden, maar tevens het verbond der

Indianen-stammen in duigen wierp, die door de groote verliezen bij den

aanval geleden, afgeschrikt, zich hals over hoofd terugtrokken, en de

blanken hunne onderlinge geschillen liefst zelven lieten beslechten

zonder zich verder in hunne veete te mengen.

Wat den Roode-Ceder betreft, zijne bende was geheel verslagen of

althans ontbonden en verstrooid; terwijl hij zelf, geheel alleen

gelaten, en daarbij zwaar gewond niet meer te vreezen was.

Het opvangen van dezen man, die thans als een wild dier in de prairie

moest rondzwerven, was slechts eene vraag van tijd.

Ook Stanapat had met eenige zijner krijgslieden het hazenpad gekozen,

zonder dat iemand wist waar hij gestoven of gevlogen was.

De drie overwinnende legerscharen kampeerden samen op het slagveld.

Volgens gewoonte hielden de Indianen zich terstond bezig met het

scalpeeren hunner gesneuvelde vijanden.

Zonderling genoeg hadden zij geen enkelen krijgsgevangene gemaakt;

de strijd was met zooveel verbittering gevoerd, dat ieder slechts

zijn man had zoeken te dooden zonder er aan te denken zich van zijn

persoon meester te maken.

Het lijk van Mookapec werd zorgvuldig opgenomen en met alle eerbewijs

begraven op den Dolle-Bisonsheuvel naast den vermaarden Sachem die

deze plaats het eerst tot zijn graf had gekozen.

De zon was juist aan het ondergaan op het oogenblik toen men de

laatste plichten en eerbewijzen aan de gesneuvelde Coras en Comanchen

bewezen had.

De kampvuren werden weldra ontstoken.

Iedereen nam plaats, en nadat de vredescalumet was rond geweest stond

Valentin op.

»Sachems en opperhoofden," begon hij, »mijne vrienden en ik, wij zeggen

u dank voor de edelaardige pogingen, waarmede gij ons geholpen hebt om

de prairiën van het Verre Westen te bevrijden van den bandiet, die haar

zoo lang heeft geteisterd en ontvolkt; het is niet slechts eene ijdele

wraak die ons drijft, maar een loffelijk en menschlievend werk; de man

dien wij bedoelen schandvlekt den naam van mensch en het ras waartoe

hij behoort. Thans zijn hem van de talrijke bende roovers die hij onder

zijne bevelen had slechts weinigen overgebleven: de bende boosdoeners,

die weleer de schrik was der prairiën, bestaat niet meer, en weldra,

ik ben er zeker van, zal ook hun hoofd in onze handen vallen.

»Houdt u steeds gereed om wanneer het wezen moet ons uwe hulp te

bieden, gelijk gij dat heden gedaan hebt; keert tot zoolang naar uw

dorpen terug; gelooft steeds dat wij hetzij afwezig of tegenwoordig

de herinnering zullen bewaren der goede diensten die gij ons bewezen

hebt, en dat gij, mocht het geval dit vereischen, altijd op ons kunt

rekenen gelijk wij overal en altijd op u gerekend hebben."

Na deze toespraak, die door de Indianen met luide toejuiching werd

beantwoord, ging Valentin weder zitten.

Er volgde eene lange poos stilte, gedurende welke de Indianen

zorgvuldig hunne calumets bleven rooken.

De Zwarte-Kat was de eerste die het woord weder opvatte:

»Dat mijne broeders luisteren," zeide hij; »de woorden die mijne borst

uitblaast zijn mij door den Meester des levens ingegeven; de wolk die

mijn geest benevelde is opgeklaard, sedert mijne broeders de Coras

en Comanchen, deze dappere natiën, mij de plaats hebben teruggegeven

die mij aan hun raadvuur toekwam; de Eenhoorn is een wijs opperhoofd,

zijne vriendschap is mij dierbaar.

»Ik hoop dat de Wacondah verhoeden zal dat tusschen den Eenhoorn

en mij, en tusschen zijne jongelingen en de mijne, de minste

onmin of tweespalt oprijze die de goede verstandhouding welke in de

tegenwoordige oogenblikken tusschen ons bestaat zou kunnen verstoren,

van nu aan tot over duizend en vijftig manen."

De Eenhoorn nam de calumet uit zijn mond, boog voor den Zwarte-Kat

met een vriendelijken lach, en antwoordde:

»Mijn broeder de Zwarte-Kat heeft goed gesproken: mijn hart heeft van

vreugde gegloeid toen ik hem hoorde. Waarom zouden wij geene vrienden

zijn? Is de prairie voor ons niet groot of ruim genoeg? Zijn er de

bisons niet in genoegzamen getale aanwezig? Dat mijne broeders hooren,

ik zoek te vergeefs rondom mij naar de oorlogsbijl, zij is tusschen

ons zoo diep begraven, dat de kinderen der kindskinderen onzer zonen

haar nooit weder zullen kunnen terugvinden."

Nog andere redevoeringen werden door de overige Sachems gehouden en

de beste overeenstemming bleef tusschen de bondgenooten heerschen.

Met het krieken van den dag werd de vergadering opgeheven en scheidde

men op den meest vriendschappelijken voet. Ieder ging den weg naar

zijn eigen dorp.

Valentin, Curumilla, generaal Ibanez, don Pablo en don Miguel bleven

alleen.

De Witte-Gazelle zat eenige passen van hen af tegen een boomstam

geleund, in diepe gedachten verzonken.

XI.

IN EEN HOEK VAN HET BOSCH.

Voort holde de Squatter zonder om te zien of te weten waarheen, ver

van het slagveld gevoerd door den woedenden galop van zijn paard,

dat hij de kracht niet meer had om te besturen of te beteugelen.

Deze man, altoos zoo onversaagd, zoo vast van wil en zoo onverzettelijk

van aard, was omgekeerd als een blad van een boom en veranderd als

met een tooverslag. Zijne gedachten waren beneveld, zwaar bloedverlies

en het aanhoudend schokken van zijn galoppeerend paard hadden hem tot

volslagen machteloosheid gebracht. Ware hij niet zoo stevig aan zijn

paard gebonden geweest, dan zou hij zeker reeds twintigmaal uit den

zadel zijn gestort.

Met afhangende armen, met het lijf diep op den hals van zijn paard

gebogen en de oogen half gesloten holde hij voort, zonder besef van

hetgeen er met hem gebeurde en zonder zelfs eene poging te doen om

het te weten.

Hotsend en zwaaiend en beurtelings links en rechts geslingerd, bij

iederen schok van zijn voorthollend paard, zag hij zonder duidelijk

bewustzijn de boomen en struiken en rotsen aan weerszijden voorbij

vliegen: hij dacht niet meer, hij leefde niet meer, dan in een

schrikkelijken droom, ten prooi aan de zonderlingste en buitensporigste

schrikgestalten.

De nacht volgde op den dag.

Het paard vervolgde zijn loop; als een verschrikte jaguar sprong het

heen over iedere hindernis die het op zijn weg ontmoette, achtervolgd

door een troep huilende coyotes, terwijl het vruchteloos poogde den

levenloozen last af te schudden die zijn afgematte lendenen bezwaarde.

Eindelijk struikelde het uitgeputte dier in de duisternis over een

boomwortel en stortte met zijn vracht ter aarde, onder het uiten van

een klagend gebriesch.

De Roode-Ceder had tot dusver, wij zullen niet zeggen, van zijn

toestand eenige heldere kennis gedragen, maar ten minste zeker

bewustzijn bewaard dat hij nog leefde.

Toen het paard uitgeput neerzeeg voelde de bandiet een hevige pijn aan

het hoofd, dit was het eenige; hij viel bewusteloos op den grond met

een half gesmoorden vloek, het laatste verzet van den weerbarstigen

ellendeling die tot zijn uiterst oogenblik de macht trotseerde,

onder wier straffende hand hij bukken moest.

Hoe lang hij in dien toestand bleef zou hij niet hebben kunnen zeggen.

Toen hij eindelijk onder den indruk eener heilzame verademing de

oogen weder opsloeg, schitterden de zonnestralen door het dicht

belommerde woud, en kweelden de vogels onder het frischgroene

gebladerte verscholen op lustige wijs hun veelstemmig morgenlied.

De Squatter slaakte een zucht van ontspanning en sloeg een half

geloken blik in het rond. Op eenige passen van hem af lag zijn paard

dood uitgestrekt.

Hij zelf zat met den rug tegen een boomstam.

Naast hem, op het gras geknield, lag Ellen die met teedere bezorgdheid

zijn terugkeer tot het leven bespiedde.

»O! o!" prevelde de Squatter met eene heesche stem, »leef ik dan nog."

»Ja Goddank! ja, vader," antwoordde Ellen zachtzinnig.

De bandiet keek haar aan.

»God!" mompelde hij half in zichzelven, en er speelde een spottende

lach op zijne lippen.

»Hij alleen heeft u gered, vader," riep het meisje.

»Kind!" mompelde de Squatter terwijl hij zich met de hand over het

voorhoofd streek, »God is niets meer dan een woord. Spreek mij daar

niet van."

Ellen liet het hoofd hangen en zweeg.

Intusschen was met het levensgevoel ook dat der lichaamssmart bij

den Squatter teruggekeerd.

»O! wat heb ik een pijn," riep hij.

»Gij zijt gevaarlijk gewond, vader," zei Ellen; »helaas! ik heb

gedaan wat ik kon om u te helpen, maar ik ben een dom kind en weet

zoo weinig van deze dingen; misschien is al de zorg die ik aan u

besteed heb juist niet wat uw toestand vereischt."

De Roode-Ceder, die er doodsbleek en machteloos uitzag, keek op en

in zijne flauwe oogen blonk een gevoel van teederheid.

»Gij houdt dus nog van mij?" zeide hij.

»Dat behoort immers zoo, vader, ben ik het niet verplicht?"

De bandiet antwoordde niet, en de hem eigen welbekende glimlach

plooide zich om zijne blauwe lippen.

»Helaas! wat heb ik lang naar uw gezocht, vader," vervolgde Ellen;

»eerst dezen nacht, toen ik uw arme paard hoorde heb ik u bij toeval

teruggevonden."

»Ja, gij zijt een goed meisje, Ellen. Ik heb thans niemand meer dan

u: waar mijne zoons gebleven zijn weet ik niet. O!" riep hij in een

opwelling van toorn, »die snoode Ambrosio is van alles de schuld;

zonder hem zou ik nog in Paso del Norte zijn, in de bosschen die ik

als mijn eigendom beschouwde."

»Denk daar niet meer aan, vader; in uw toestand hebt gij rust noodig,

zie dat gij eenige uren slaapt, de slaap zal u goeddoen."

»Slapen!" zei de bandiet, »moet ik slapen? O neen," vervolgde hij

met weerzin, »neen, waken moet ik; als ik mijne oogen sluit zie ik

allerlei .... O! neen, neen, niet slapen!.."

Hij sprak niet verder.

Ellen beschouwde hem met een mengeling van schrik en medelijden.

Door bloedverlies verzwakt en door hevige wondkoorts geteisterd,

begon er bij den Squatter een gevoel te ontwaken dat hij tot dusver

nooit gekend had, hij werd bang.

Misschien was het gewetenswroeging die de herinnering zijner gepleegde

misdaden bij hem te voorschijn riep.

Er volgde een lange poos stilte.

Ellen bespiedde met zorgvolle oplettendheid iedere beweging van

den bandiet, wien de koorts in een soort van sluimering dompelde,

waaruit hij nu en dan opschrikte, woorden zonder samenhang prevelde

en de blikken verstrooid rondsloeg.

Tegen den avond werd hij rustiger, hij opende de oogen weder; zijne

blikken stonden minder wild en zijn spraak was niet zoo afgebroken.

»Ik dank u, kind," zeide hij, »gij zijt een goed schaap; waar zijn

wij hier?"

»Ik weet het niet, vader, dit bosch is zoo groot. Ik herhaal u,

God alleen heeft mij tot u geleid."

»Neen, Ellen, dat hebt gij mis," antwoordde hij met zijn sarcastischen

glimlach; »God heeft het niet gedaan, maar de duivel, die zeker bang

was dat hij in mij zulk een goed vriend zou verliezen."

»O, spreek toch niet zoo dwaas, vader," riep het meisje droevig;

»de nacht daalt snel, het zal weldra geheel donker zijn; laat ik eens

voor u bidden, opdat God de gevaren van ons afwende die ons gedurende

de duisternis kunnen bedreigen."

»Kind!" riep hij, »vindt gij den nacht in het bosch dan zoo

verschrikkelijk, daar wij toch ons gansche leven in de woestijn hebben

doorgebracht? Stook liever een vuur van droge takken, om de wilde

dieren af te schrikken, en leg mijne pistolen bij mij, ik verzeker

u dat zal beter zijn dan uwe nuttelooze gebeden."

»Laster God toch niet, vader," antwoordde Ellen met drift; »gij zijt

zwaar gewond en bijna stervend, het scheelt weinig of gij waart dood,

ik ben zwak en buiten staat u naar wensch te ondersteunen; ons leven

is in de hand van Hem wiens macht gij vruchteloos poogt te ontkennen;

Hij alleen, zoo hij wil, kan ons redden."

De bandiet barstte los in een stuipachtigen lach.

»Laat Hij het dan doen, voor den duivel!" riep hij, »dan zal ik aan

Hem gelooven."

»Vader, in 's hemels naam! spreek toch niet langer zoo," mompelde

het meisje geërgerd.

»Doe wat ik u zeg, dwaas kind," viel de Squatter haar bits in de rede,

»en laat mij met rust."

Ellen moest zich omkeeren om de tranen af te wisschen die haar uit

de oogen sprongen. Zij stond treurig op om haar vader te gehoorzamen.

Deze volgde haar met de oogen.

»Arm, onnoozel schaap," meesmuilde hij, »troost u maar, ik heb het

met u zoo kwaad niet gemeend."

Ellen sprokkelde al de droge takken bijeen die zij vinden kon, maakte

er een hoop van en stak er den brand in. Weldra vatte het hout vuur

en kronkelde er eene heldere vlammenzuil omhoog.

Zij liep naar het doode paard om de pistolen uit de holsters te halen

en legde die onder het bereik van den Squatter; daarop kwam zij weder

naast hem zitten.

De Roode-Ceder glimlachte vergenoegd.

»Ziedaar," zeide hij, »nu hebben wij immers niets meer te duchten;

laten de wilde dieren nu maar komen, wij zullen ze wel verjagen. Nu

zullen wij den nacht rustig doorbrengen. Wat morgen betreft, meisje,

dat zullen wij nader zien."

Zonder te antwoorden wikkelde Ellen hem zoo veel zij kon in de dekens

of dierenvellen, die zij van het paard had genomen om den gewonde

tegen de nachtkoude te beschermen.

Al deze zorg en zelfverloochening troffen den bandiet.

»En wat gij nu, Ellen," zeide hij, »houdt gij van die dierenvellen

niets voor u zelve?"

»Waartoe zou ik dat, vader? het vuur zal voor mij voldoende zijn,"

zeide zij zacht.

»Maar eet dan ten minste iets, gij zult wel honger hebben; want,

als ik mij niet bedrieg, hebt gij den ganschen dag nog niets gebruikt."

»Dat is waar, vader, maar ik heb geen eetlust."

»Dat doet er niet toe," hernam hij haar dringende, »een al te lang

vasten zou u kunnen schaden, ik verlang dat gij iets eet."

»Het is onnoodig, vader," antwoordde zij aarzelend.

»Eet, ik wil het zoo," riep hij; »is het niet om u zelve, doe het

dan om mij; eet, al was het ook nog zoo weinig, om te versterken;

wij weten niet wat ons binnen weinige uren wacht."

»Helaas! ik zou u gaarne gehoorzamen, vader," zeide zij, de oogen

neêrslaande, »maar het is mij onmogelijk."

»En waarom toch? ik zeg u immers dat ik het zoo verlang."

»Omdat ik niets te eten heb."

Deze verzekering trof den bandiet als een mokerslag.

»O dat is verschrikkelijk!" prevelde hij, »arm kind; ik ben een

ellendeling, Ellen, die uwe liefde niet verdien."

»Blijf bedaard, vader, als ik u bidden mag; ik heb geen honger zeg

ik nog eens; het is slechts om een enkelen nacht te doen en morgen,

dan hebt gij immers zelf gezegd, zullen wij nader zien, maar tot

zoolang ben ik vast overtuigd dat God ons wel helpen zal."

»God?" riep de Squatter tandknarsend, »alweder dat woord!"

»Ja! God alleen, vader," antwoordde het meisje in vervoering met

fonkelend oog en bevende lippen, »en God zeker, want al zijn wij

zijne gunst onwaardig, Hij is goed, Hij zal ons toch niet verlaten."

»Reken gij dan op Hem, onnoozel kind, en gij zult zien dat gij over

twee dagen dood zijt."

»Neen!" gilde het meisje bijna van vreugd, »want Hij heeft mij

verhoord, Hij zendt ons reeds hulp."

De Squatter keek op en zonk onmiddellijk weder op den grond terug,

terwijl hij de oogen sloot en in zich zelven de vraag mompelde, die

hem sinds eenigen tijd uit het hart op de lippen was gekomen en hem

tegen wil en dank overmeesterde:

»Zou God dan inderdaad bestaan?"

Ontzettende vraag, die zich telkens meer aan hem opdrong en waarop

zijn folterend geweten dreigde de waarheid te zullen zeggen naarmate

zijn granietharde ziel begon weg te brokkelen voor de herhaalde slagen

der wroeging.

Maar Ellen lette niet meer op de verslagenheid van den Roode-Ceder;

zij was reeds opgestaan en weggeijld met uitgestrekte armen en

schreeuwende uit al hare macht:

»Help! help!"

Zij had sedert eenige oogenblikken stellig gemeend zeker gedruisch

in het bosch te hooren.

Dit gedruisch, in 't eerst zwak en bijna onmerkbaar, was genaderd;

weldra had zij lichten tusschen het geboomte zien schitteren en hoorde

zij duidelijk den galop van een talrijken troep ruiters.

Werkelijk had zij geen vijftig passen gedaan in die richting, of zij

zag zich omringd door een tiental Indianen te paard, die met fakkels

in de hand twee personen eskorteerden in lange mantels gewikkeld.

»Help! help!" herhaalde Ellen zich op de knieën werpende met de armen

voor zich uitgestrekt.

De ruiters bleven staan.

Een van hen steeg af, nam haar bij de hand en noopte haar om op

te staan.

»Wie moeten wij helpen, arm kind," zeide hij met eene zachte stem.

De minzame wijs waarop de onbekende haar toesprak deed de hoop in

haar hart herleven.

»O!" mompelde zij verheugd, »mijn vader is gered!"

»Ons leven is in Gods hand;" antwoordde de onbekende op ernstigen

toon; »maar breng mij bij uw vader en al wat menschen doen kunnen om

hem te helpen zal gedaan worden."

»Het is God die u zendt! wees gezegend, goede vader," zei Ellen,

hem de hand kussende.

Door de beweging die hij maken moest om haar op te heffen was de mantel

van den vreemdeling open gegaan en had zij een geestelijke herkend.

»Wijs mij den weg," zeide hij.

»Kom!"

Ellen ijlde vroolijk vooruit, de kleine karavaan volgde haar.

»Vader! vader!" riep zij, toen zij bij den gewonde kwam, »ik wist

wel dat God ons niet verlaten zou; ik breng u hulp."

Op dit oogenblik trokken de vreemdelingen het kleine boschkamp binnen

waar de Roode-Ceder lag.

De Indianen en de andere persoon met den mantel bleven een weinig

achteraf. Wat den priester betreft, deze liep vol ijver naar den

bandiet en bukte bij hem neder.

Op het geroep van zijne dochter had de Squatter de oogen geopend,

en wendde hij met drift het hoofd naar dien kant van waar de hulp

opdaagde.

Op eens werd zijn reeds zoo bleek gelaat lijkkleurig, zijne oogen

staarden wijd open en woest, een stuipachtige rilling deed zijne

leden beven, hij viel achterover als een blok en mompelde met schrik:

»O!.... pater Seraphin!"

Werkelijk was het de missionaris. [5] Zonder zoo 't scheen op de

ontsteltenis van den Squatter te letten, greep hij zijn arm om hem

den pols te voelen.

De Roode-Ceder lag in zwijm. Ellen had echter den uitroep van haren

vader gehoord en zonder er den zin van te vatten, begreep zij terstond

dat er onder deze woorden een of ander vreeselijk geheim verborgen lag.

»O, vader! vader!" jammerde zij, den priester te voet vallende,

»eerwaarde vader, heb medelijden met hem, verlaat hem toch niet!"

De zendeling keek haar aan met een glimlach van onbeschrijfelijke

goedwilligheid.

»Mijne dochter," antwoordde hij zacht, »ik ben een dienaar Gods,

het kleed dat ik draag beveelt mij beleedigingen te vergeten; de ware

priester mag geene vijanden hebben, alle menschen zijn zijne broeders;

stel u derhalve gerust, uw vader heeft niet alleen een lichaam te

verliezen maar ook eene ziel. Beiden zal ik zien te redden en God,

die gehengde dat ik hem op mijne reis ontmoette, zal mij de noodige

kracht verleenen om te slagen."

»O! ik dank u, vader!" antwoordde Ellen, de oogen vol tranen.

»Gij hebt mij niets te danken, arm kind!" zeide hij, »zeg Gode

dank, want Hij alleen heeft alles gedaan. Laat mij thans met den

ongelukkige begaan die veel lijdt en wiens ellendige toestand al

mijne zorg vereischt."

En terwijl hij Ellen zacht van zich aftroonde opende pater Seraphin de

doos met geneesmiddelen, die hij steeds aan zijn zadelknop had hangen,

en maakte de noodige aanstalten om den gewonde te verbinden.

Inmiddels waren de Indianen van lieverlede naderbij gekomen.

Zoodra zij gezien hadden wat er gaande was stegen zij af om het

kampement op te slaan, want zij begrepen wel dat de toestand van den

gewonde niet toeliet hem te vervoeren en de missionaris dus den nacht

op deze plaats wel zou doorbrengen.

Tot het oprichten van een nachtleger in de prairie behoeven de Indianen

weinig tijd.

De persoon die pater Seraphin bij zich had was eene vrouw, reeds

zeer hoog bejaard, maar wier gelaatstrekken door ouderdom veredeld,

blijk gaven van ongemeene goedheid en zielegrootheid.

Nauwelijks bemerkte zij dat de zendeling zich gereed maakte om den

gewonde te verbinden of zij trad nader en vroeg hem bedaard:

»Kan ik u ook van eenige dienst zijn, vader, en u helpen in het goede

werk dat gij onderneemt? Gij weet wel dat ik mij haasten moet als ik

nog leeren wil een goede ziekenoppasster te worden."

Deze woorden sprak zij op een toon van onbeschrijfelijke

goedwilligheid.

De zendeling was blijkbaar verrukt over dezen trek van

dienstvaardigheid, hij nam haar bij de hand en noopte haar om bij

den gewonde neder te bukken, die nog altoos onbewegelijk lag.

»Het is wel eene beschikking van Gods wijze voorzienigheid, mevrouw,

wat hier op dit oogenblik gebeurt," zeide hij; »nauwelijks zijt gij

in dit land ontscheept en deze woestijn ingetreden om er uw zoon te

zoeken, of de hemel draagt u eene taak op die uw hart moet verheugen,

daar gij u geplaatst ziet tegenover dezen man."

»Wat wilt gij daarmede zeggen, vader?" vroeg zij verwonderd.

»Moeder van Valentin Guillois," hernam hij op een toon van

welgeplaatste waardigheid, »beschouw dezen man eens goed opdat gij hem

later moogt herkennen: het is de Roode-Ceder, de rampzalige daar ik

u zoo vaak van gesproken heb, de onverbiddelijke vijand van uw zoon."

Bij deze ontzettende opheldering deinsde de arme vrouw met schrik

terug; doch zij kwam met meer dan menschelijke inspanning haar gevoel

van afschuw te boven en antwoordde met eene kalme stem:

»Laat dit zoo zijn, vader, de rampzalige is lijdend, ik zal hem

verplegen."

»Goed mevrouw!" hervatte de zendeling getroffen, »dit goede werk van

christelijke zelfverloochening zal de Heer niet onbeloond laten."

XII.

DE ZENDELING.

De lynch-wet · 第 7 / 29 段