»Don Pablo de Zarate kan, zoo hij wil, aan den dood die hem bedreigt

ontsnappen, en allen die hem dierbaar zijn redden. Zijn lot is in

zijne eigen handen. Als hij onmiddellijk na de ontvangst van dit

bericht zijn legerkamp verlaat en zich begeeft naar den Elandsheuvel,

zal hij daar iemand ontmoeten die hem middelen kan verschaffen welke

hij vruchteloos elders zou zoeken; die persoon zal aldaar op don

Pablo de Zarate wachten tot zonsopgang. Zij verzoekt hem dringend

deze waarschuwing niet in den wind te slaan; morgen zou het te laat

zijn om hem te redden en zou hij onvermijdelijk in een dwazen en

hopeloozen strijd omkomen.

Een vriend."

Na het lezen van dezen zonderlingen brief liet de jongman het hoofd

op de borst zinken, en bleef een poos in gedachten verdiept staan.

»Wat zou ik doen?" mompelde hij.

»Gaan!" antwoordde Valentin. »Men kan nooit weten? misschien behelst

dat stukje papier ons aller behoud."

»Maar zoo er eens verraad onder schuilde?"

»Verraad!" riep Valentin, »wat meent gij, vriend, schertst gij er

meê? De Indianen zijn groote verraders en bedriegers in den hoogsten

graad, dat stem ik u toe; maar zij hebben een bijgeloovige vrees voor

alles wat schrift is; dat houden zij voor gekrabbel van den Geest des

kwaads. Neen. die brief komt zeker niet van de Indianen. En wat de

bandieten betreft, zij weten volmaakt goed hoe zij een geweer moeten

behandelen, maar van de kunst om met de ganzenschacht om te gaan,

verstaan zij volstrekt niets en ik verzeker u, dat gij er van hier

tot Monteray aan den eenen en tot New-York aan den anderen kant,

niet een zoudt vinden die schrijven kan. Dit bericht komt dus zeker

van een vriend. Wie deze vriend is, laat zich moeielijker oplossen."

»Gij zoudt dus denken dat ik deze oproeping moet aannemen?"

»Waarom niet? wel te verstaan altijd met inachtneming van de bij

zulke zaken noodige voorzorg."

»Zou ik er alleen moeten heengaan?"

»Canarios! naar zulke bijeenkomsten gaat men altijd alleen; dat is

een uitgemaakte zaak," zei Valentin meesmuilend, »met dien verstande

echter dat men iemand medeneemt, om in geval van nood hulp te bieden,

zonder deze voorzorg ware het eene onvergeeflijke dwaasheid."

»Toegestemd dat ik gezind ben om uw raad te volgen, kan ik toch mijn

vader hier niet alleen achterlaten."

»Uw vader is hier voor het oogenblik veilig genoeg. Bovendien blijven

de generaal en Curumilla bij hem, die zich gedurende onze afwezigheid

niet zullen laten overrompelen, daar sta ik u borg voor. Overigens,

bedenk u wel, het is uwe zaak zoowel als de mijne; alleen moet ik u

doen opmerken dat onze omstandigheden kritiek genoeg zijn, om alle

ondergeschikte beschouwingen ter zijde te stellen. Canarios! vriend,

denk dat het wellicht om ons aller leven te doen is."

»Gij hebt gelijk, broeder," zeide de jongman vastberaden, »wie weet

of ik mij uw dood en dien van al de onzen niet zou te verwijten hebben

als ik uw raad in den wind sloeg. Ik ga."

»Goed!" riep de jager, »vertrek; wat mij aangaat, ik weet wat ik te

doen heb. Wees gerust," vervolgde hij met zijn gewonen schalkschen

lach. »Gij gaat alleen naar het aangewezen punt, maar zoodra gij daar

hulp noodig hebt, treed ik onmiddellijk te voorschijn."

»Zeer goed! Maar de eerste vraag is hier, hoe kom ik dezen berg af

zonder gezien te worden, en hoe beklim ik den Elandsheuvel zonder te

worden opgemerkt door de duizend tijgerblikken der Apachen, die ons

op dit oogenblik zeker begluren."

»Laat dat maar aan mij over," zei de jager.

Werkelijk gelukte het don Pablo onder geleide van Valentin den

Elandsheuvel te beklimmen, zonder door de Apachen gezien te worden.

Inmiddels zat de Witte-Gazelle steeds te wachten met gebogen hoofd en

het oor gespitst op ieder geluid dat haar de nadering zou aankondigen

van hem dien zij zoo dringend verzocht had te komen.

Eensklaps voelde zij zich eene ruwe hand op den schouder drukken en

klonk eene spottende stem aan haar oor.

»Hé! nina, wat doet gij zoo ver van uw kamp? Ben je misschien bang

dat uwe vijanden u ontsnappen zullen?"

Het Spaansche meisje keek om en kon haar afschuw moeielijk verbergen

toen zij Nathan herkende, den oudsten zoon van den Roode-Ceder.

»Ja," riep de bandiet met een basterdvloek, »ik ben het; verwondert

u dat zoo, nina? O hé! wij zijn reeds meer dan een uur geleden

thuis gekomen met de schoonste collectie roofvogels die men zich

kan voorstellen."

»Maar wat doet gij zelf dan hier?" riep zij zonder eigenlijk te weten

waarom zij hem deze vraag deed.

»O!" hervatte hij, »nergens om. 't Is alleen omdat ik ook lust had mij

te wreken; ik heb mijn vader en de anderen daar ginder gelaten en kwam

hier den omtrek een weinig opnemen. Maar dat komt op dit oogenblik

niet meer in aanmerking," vervolgde hij met een kwaadwilligen lach;

»ik zou u veeleer vragen of u de duivel jaagt, dat gij zoo alleen

durft nachtloopen, op gevaar af van de een of andere kwade ontmoeting."

»Waar zou ik voor vreezen," riep zij, »ik ben immers gewapend?"

»Dat is waar ook," meesmuilde de bandiet alweder met een vloek, »maar

gij zijt mooi; ik laat mij villen als hier geen lieden zijn, die,

als zij in mijne plaats waren, niet veel eerbied zouden hebben voor

de kostbare juweelen daar in uwe ceinture. Ja zeker, zijt gij mooi,

nina, weet gij dat nog niet? Voor den duivel! als nog niemand het

u gezegd heeft, heb ik er wel lust in om het u te zeggen; wat denkt

gij er van, nina?"

»De ellendige vent is dronken!" mompelde de Gazelle in zich zelve toen

zij zijn bolle gezicht zag en bemerkte dat hij moeite had om recht op

zijn beenen te staan. »Laat mij met rust," vervolgde zij tegen hem,

»het uur is slecht gekozen om te schertsen, wij hebben ons wel met

gewichtiger zaken bezig te houden."

»Bah! de zorgen voor morgen! Straks zijn wij misschien allemaal

dood, en het kan mij verduiveld weinig schelen hoe het morgen met

mij gaat. Integendeel, vind ik het uur alleruitnemendst gekozen om

elkander goed te verstaan: wie belet ons om er eens rond voor uit te

komen dat wij veel van elkander houden."

»Niemand, dat is waar," antwoordde de Gazelle onverschrokken;

»maar het bevalt mij niet om uwe zottepraat langer aan te hooren;

doe mij dus het pleizier en ga heen. Ik wacht op de krijgsmacht van

de Bisons-Apachen, die spoedig hier zullen komen om den heuvel te

bezetten; in plaats van dus uw kostelijken tijd te verbeuzelen moest

gij liever naar den Roode-Ceder en Stanapat terugkeeren, om met hen de

noodige plannen te maken voor den aanval dien wij morgen doen zullen."

»Dat 's waar," antwoordde de bandiet, die door deze woorden min of

meer tot bezinning kwam; »gij hebt gelijk, nina, ik ga heen; maar

in allen geval, uitstel is hier geen afstel, en ik hoop u op eenen

anderen keer niet zoo wreed te vinden, mijn duifje. Tot weerziens!"

Zich thans onbekommerd op zijn eenen hak omkeerende, nam hij zijn

geweer op schouder en stapte den heuvel af in de richting van het

Apachenkamp.

De Witte-Gazelle, op nieuw alleen gebleven, wenschte zich geluk aan

het gevaar te zijn ontsnapt dat haar een oogenblik dreigde, want zij

had inwendig gebeefd bij de gedachte dat don Pablo komen kon terwijl

zij nog met Nathan sprak.

Intusschen had de tijding der vereeniging van den Roode-Ceder en

zijne bende met die der belegeraars hare bekommering niet weinig doen

toenemen en maakte zij zich dubbel ongerust over het lot van hen die

zij besloten had tot iederen prijs te zullen redden.

Juist op het oogenblik toen zij niet langer durfde hopen den jongman te

zullen zien opdagen en alleen gewetenshalve meer dan uit overtuiging

in de duisternis naar den vurig verlangde bleef uitkijken, zag zij

plotseling op een boogschot afstands een man met snelle schreden

naderen en recht op haar afkomen.

Zij gevoelde bij instinct meer dan met duidelijke herkenning dat het

don Pablo de Zarate was.

»Daar is hij!" riep zij in blijde vervoering uit, en ijlde hem

onmiddellijk te gemoet.

De jongman stond weldra voor haar.

Toen hij zag wie zij was deed hij onwillekeurig een stap achteruit.

»Gij señora!" riep hij, »hebt gij mij geschreven om hier te komen?"

»Ja!" antwoordde zij met eene bevende stem, »ja, dat heb ik."

»Welke verstandhouding is er tusschen ons mogelijk?" hervatte don

Pablo met verontwaardiging.

»Ach! overstelp mij niet met verwijten, ik gevoel ten volle al het

schuldige en onwaardige van mijn vroegere gedrag; vergeef mij eene

verdoling die ik betreur. Hoor mij aan, om 's Hemels wil en versmaad

den goeden raad niet dien ik u geven zal, het geldt uw behoud en dat

van al degenen die gij liefhebt."

»Goddank, señora," antwoordde de jongman met snerpende koelheid,

»gedurende de weinige uren die wij eenmaal samen waren, heb ik u genoeg

leeren kennen om aan uwe betuigingen geen het minst geloof te hechten;

slechts een ding doet mij op dit oogenblik leed, namelijk dat ik mij

zoo liet vangen in den strik dien gij mij gespannen hebt."

»Ik u een strik gespannen!" riep zij met blijkbaren weerzin, »en

dat terwijl ik met blijdschap mijn laatsten droppel bloed zou willen

geven om u te redden!"

»Mij te redden? mij! Loop heen, señora, verderven, meent gij," hervatte

don Pablo met een minachtenden glimlach; »ziet gij mij nu voor zoo

onnoozel aan? Kom, wees ten minste oprecht en kom er voor uit dat

uw plan geslaagd is, ik ben in uwe handen; laat uwe medeplichtigen

maar aanstonds te voorschijn komen, die zich zonder twijfel achter

de dichte struiken verscholen houden, ik zal hun de eer niet doen

hun mijn leven te betwisten."

»Mijn God!" riep het meisje, wanhopig de handen wringend, »ben ik niet

zwaar genoeg gestraft? Don Pablo, in 's hemels naam, hoor mij! Binnen

weinige oogenblikken zal het te laat zijn; ik wit u redden, zeg ik u!"

»Gij liegt onbeschaamd, señora!" riep Valentin op eens uit het

kreupelhout te voorschijn komende; »nauwelijks een minuut geleden

hebt gij op deze zelfde plaats nog aan Nathan, den waardigen zoon en

handlanger van den Roode-Ceder, gemeld dat er een detachement Apachen

was aangekomen; durft gij dit ook ontkennen?"

Deze bittere toelichting trof het meisje als een donderslag. Zij

begreep dat het haar nu volstrekt onmogelijk zou zijn om den man dien

zij beminde tot betere gedachten te brengen en van hare onschuld te

overtuigen ten aanzien van dit in schijn zoo onwedersprekelijk bewijs

van haar verraad.

Geheel verslagen viel zij den jongman te voet.

»O!" riep deze haar met weerzin afwijzende, »dit rampzalig schepsel

is mijn kwade geest."

En hij was op het punt om heen te gaan.

»Wacht een oogenblik!" riep Valentin, hem terughoudende, »dat kan hier

zoo niet eindigen, laten wij het voor goed met dit schepsel uitmaken

eer zij ons laat om hals brengen."

Hij spande den haan van zijn pistool en hield het met de koude tromp

tegen het hoofd der Gazelle, die hoegenaamd geen poging deed om zich

aan het lot dat haar dreigde te onttrekken.

Don Pablo greep hem met drift bij den arm.

»Valentin," zeide hij, »wat woudt gij doen, goede vriend?"

»'t Is waar," antwoordde de jager; »zoo dicht bij mijn eigen dood

moest ik mij liever niet onteeren door deze ongelukkige te dooden."

»Goed, broeder!" riep don Pablo met een verachtelijken blik op de

Gazelle, die hem te vergeefs poogde te vermurwen. »Zulke mannen

als wij vermoorden geen vrouwen. Laten wij deze onwaardige vrij en

verkoopen wij ons leven zoo duur als mogelijk is."

»Ba, ba! de dood is misschien nog niet zoo nabij als gij denkt; wat

mij betreft, ik geef de hoop nog niet op om mij uit dezen valstrik

te redden."

Zij wierpen een bespiedenden blik naar de vallei om zich van hunnen

toestand te verzekeren.

De duisternis was nagenoeg verdwenen; de zon ofschoon nog onzichtbaar,

kleurde de kimmen reeds met den rooden gloed die hare verschijning

eenige oogenblikken voorafgaat.

Zoo ver hun oog reikte was de vlakte met sterke afdeeling en Indianen

bezet.

De beide mannen moesten bekennen dat de kans om weder op de rots te

komen voor hen uiterst gering was.

Evenwel, voor lieden als zij, die gewoon waren om dagelijks het

onmogelijke te beproeven, scheen het gevaar, hoe dreigende ook,

niet voldoende om hen te ontmoedigen.

Na elkander zwijgend en als voor het laatst de hand te hebben gedrukt,

staken de beide dapperen fier het hoofd op en met kalm gelaat en

fonkelenden blik maakten zij zich gereed om den vreeselijken dood te

trotseeren die hen wachtte, wanneer zij ontdekt wierden.

»Blijf hier! in Gods naam, blijf hier!" riep het meisje, op de knieën

voortkruipend tot aan de voeten van don Pablo.

»Terug, señora!" antwoordde de Mexicaan, »laat mij ten minste als

een dappere sterven"

»Maar ik wil niet dat gij sterft," riep zij op hartbrekenden toon,

»neen; neen, ik zeg u nogmaals dat ik u redden zal, zoo gij maar wilt?"

»Ons redden! God alleen kan het," zei de jongman treurig, »spreek van

geluk dat wij onze hand niet met uw bloed hebben willen bezoedelen

en val ons niet langer lastig."

»O! is er dan niets waardoor ik u kan overtuigen!" schreide zij

wanhopig,

»Niets!" zei de Mexicaan hardvochtig.

»Ha!" riep zij op een toon van vroolijke verrassing, »ik heb er iets

op gevonden!.... Volg mij en ik breng u zelf naar uwe kameraden."

Don Pablo, die zich reeds eenige stappen verwijderd had, bleef

aarzelend staan.

»Waar zoudt gij voor vreezen?" hervatte zij, »gij zijt immers altijd

in staat mij te dooden als ik u zou willen misleiden. O! wat geef ik

om sterven," riep zij in vervoering, »als ik u maar gered heb!"

»Zij heeft inderdaad gelijk," zei Valentin toen hij zich bedacht had,

»in ons geval behoeven wij niets te ontzien, dus kunnen wij het licht

wagen, misschien zegt zij de waarheid!"

»Ja! Ja!" riep zij op smeekenden toon, »verlaat u op mij!"

»Bah! laten wij er de proef van nemen," zei Valentin.

»Ga voor, señorita," antwoordde don Pablo lakoniek, »wij zullen

u volgen."

»O! ik dank u! ik dank u!" riep zij en in weerwil van zijn

tegenstribbelen greep zij zijne hand en bedekte die met tranen en

kussen, »gij zult zien of ik u niet redden zal."

»Zonderling schepsel!" mompelde de jager, tegen wil en dank bewogen,

terwijl hij met zijn vereelte hand zelf een traan afwischte, »'t

is of er de drommel meê speelt, maar zij is in staat om te doen wat

zij zegt."

»'t Kan zijn!" antwoordde don Pablo, treurig het hoofd schuddende,

»onze toestand is inderdaad hopeloos, vriend."

»Men sterft niet meer dan eens," zei de jager philosofisch terwijl

hij zijn geweer schouderde, »ik ben zeer benieuwd waar dit alles op

uit zal loopen."

»Komt!" zei de Witte-Gazelle.

X.

KRIJGSLIST.

De beide mannen volgden haar.

Zij begonnen thans met hun drieën door het hooge gras te kruipen en

daalden in stilte den heuvel af.

De moeielijke tocht ging natuurlijk zeer langzaam, wegens de tallooze

voorzorgen die zij verplicht waren te nemen, ten einde niet door de

vijandelijke voorposten ontdekt te worden; de Indianen toch hadden

aan alle kanten schildwachts uitgezet om op de bewegingen der blanken

te letten; zoo deze mochten willen beproeven de belegerden te hulp

te komen, waardoor de belegeraars licht gevaar zouden loopen van

tusschen twee vuren te geraken.

De Witte-Gazelle kroop langzaam maar zeker voor de beide jagers uit,

gedurig naar alle zijden uitkijkende en telkens stil houdende, om

met gespitste ooren te luisteren naar het minste verdacht gerucht

in de struiken of kreupelboschjes; en wanneer het dan bleek dat

hare vrees ongegrond was geweest, hervatte zij haar tocht met een

aanmoedigenden lach tegen degenen die zij geleidde en die haar op

korten afstand volgden.

»Beetgenomen!" riep Valentin op eens, terwijl hij met een satirieken

lach zijn geweer op den grond zette; »wel, wel! de kleine is waarachtig

slimmer dan ik gedacht had."

Plotseling zagen de beide mannen zich door een talrijken troep

Apache-Indianen omringd.

Don Pablo sprak geen woord; hij keek de Gazelle aan; zij glimlachte

nog altijd.

»Bah!" bromde de Franschman koel in zich zelven, »ik neem er althans

zeven of acht voor mijne rekening, en dan zullen wij verder zien."

Door deze troostrijke aanmerking volkomen gerustgesteld, herkreeg de

jager zijne vorige kalmte en keek hij nieuwsgierig in 't rond.

De twee blanken waren nu midden in het detachement van den Zwarte-Kat.

Het oude opperhoofd naderde den jager.

»Ik heet mijn broeder welkom onder zijne vrienden de Bisons-Apachen,"

zeide hij op zekeren toon van edelheid.

»Waarom schertst gij, hoofdman?" antwoordde Valentin. »Ik ben uw

gevangene, doe met mij wat u goeddunkt."

»De Zwarte-Kat schertst niet; de groote bleeke jager is zijn gevangene

niet, maar zijn vriend; hij gebiede slechts, en de Zwarte-Kat zal

zijne bevelen volbrengen."

»Wat beteekenen deze woorden?" zei de Franschman ten hoogste

verwonderd. »Zijt gij dan, even als de overige leden van uw stam,

niet hier om u van mij en mijne vrienden meester te maken?"

»Dat was inderdaad mijn voornemen toen ik, eenige dagen geleden,

mijn dorp verliet; maar mijn hart is veranderd sedert mijn broeder

mij het leven redde; hij moet het reeds hebben kunnen opmerken; dat

ik herwaarts kom, is niet om hem te bevechten, maar om hem en al de

zijnen te redden. Mijn broeder stelle dus vertrouwen in mijne woorden;

mijn stam zal hem gehoorzamen zoo goed als mij zelven."

Valentin bedacht zich een oogenblik en nam toen het woord op, terwijl

hij den Indiaan scherp aankeek.

»En wat eischt de Zwarte-Kat tot loon voor de hulp die hij mij wil

verleenen?"

»Niets. De bleeke jager is mijn broeder; als onze toeleg gelukt,

doe hij wat hij goedvindt."

»Zoo! dat verandert alles ten beste," riep de Franschman en zich nu

tot de Gazelle wendende, vervolgde hij: »Ik heb mij deerlijk vergist,

señorita; en ik vraag u wel zeer om verschooning."

De Witte-Gazelle bloosde van genoegen bij deze edelmoedige bekentenis.

»En dus, hoofdman," hervatte Valentin tegen den Indiaan, »heb ik de

vrije beschikking over uwe krijgslieden?"

»Ten volle."

»Zullen zij mij getrouw zijn?"

»Ik heb het u reeds gezegd, zoo goed als aan mij zelven."

»Goed!" riep de jager, wiens gelaat merkelijk ophelderde. »Hoeveel

krijgslieden hebt gij bij u?"

De Indiaan stak tienmaal de vingers van zijne twee open handen op.

»Honderd?" vroeg Valentin.

»Ja," antwoordde het opperhoofd, »en nog acht meer."

»Maar de andere stammen zijn veel talrijker dan de uwe."

»Zij maken een troep krijgslieden uit, tweemaal twintig en zevenmaal

sterker dan de mijne."

»Hum! dat is veel; en dan de bandieten nog."

»Ooah! er zijn driemaal zooveel Langmessen uit het Oosten als ik

vingers heb aan mijn twee handen," zei de Zwarte-Kat.

»Ik vrees," merkte don Pablo aan, »dat wij ten slotte tegen zoovele

vijanden niet zullen bestand zijn."

»Misschien!" antwoordde Valentin nadenkend. »Waar is de Roode-Ceder?"

»De Roode-Ceder is bij zijne broeders van gemengd ras in de

prairie. Zij hebben zich bij den troep van Stanapat aangesloten."

Op dit oogenblik weergalmde de oorlogskreet der Apachen met kracht

over de vlakte.

Eene sterke losbranding deed zich aan alle kanten hooren en de

Dolle-Bisonsheuvel scheen als omgeven door een gordel van rookwolken

en bliksemvlammen.

De strijd was begonnen.

De Indianen gingen dapper aan 't bestormen en trokken onversaagd den

berg op, onder het gestadig lossen hunner geweren en het afschieten

van pijlen op den nog onzichtbaren vijand.

Aan de zijde waar de heuvelreeks de Rio Gila raakte, zag men gedurig

nieuwe benden Apachen opdagen.

Zij reden in galop bij troepjes van drie tot twintig man te

gelijk. Hunne paarden waren met schuim en stof overdekt, waaruit

bleek dat zij een langen marsch hadden gemaakt.

De Apachen waren in groot kostuum, beladen met allerlei soort van

sieraden, talismans en wapenen, de boog en pijlbus op den rug,

het geweer in de hand en het hoofd met golvende pluimen gekroond,

waaronder sommige witte en zwarte arendsveeren van zeldzame schoonheid,

die in een grooten bos afhingen.

Gezeten op prachtige paarden met schabrakken van pantervel met

rood laken gevoerd, hadden zij de overige ledematen geheel naakt,

behalve een lange bandelier van wolfsvel die over hunne schouders

was geslagen. Hunne schilden waren met vederen en strooken laken van

verschillende kleuren versierd.

Op deze wijze uitgedost hadden deze mannen iets grootsch en majestueus

in hun voorkomen, dat de verbeelding trof en onwillekeurig ontzag

inboezemde.

Verscheidenen hunner reden onmiddellijk de hoogten over, de vermoeide

paarden met zweepslagen aanzettende om in tijds op het slagveld

te komen, onder luid gezang of liever onder het uitbrullen van hun

bekenden oorlogskreet.

In den omtrek der palissaden was de strijd het hevigst.

De twee Mexicanen en Curumilla, die achter hunne verschansing gedekt

stonden, beantwoordden met moorddadig geweervuur den aanval der

Apachen en moedigden elkander aan om als dapperen met de wapens in

de vuist te sneven.

Reeds lagen er een aantal gesneuvelde Indianen hier en daar op de

vlakte; paarden zonder ruiter galoppeerden in alle richtingen en

het gekerm der gewonden vermengde zich met het uitdagend geschreeuw

der aanvallers.

Wat wij hierboven in zoovele woorden omschreven hebben, hadden Valentin

en don Pablo in weinige sekonden gezien met den onfeilbaren oogopslag

van lieden die aan dergelijke tooneelen sinds lang gewoon waren.

»Gij ziet het, hoofdman," zei Valentin tegen den Zwarte-Kat, »wij

moeten ons bij onze vrienden gaan voegen; help ons, anders zijn

zij verloren."

»Goed!" antwoordde de Zwarte-Kat, »de bleeke jager plaatse zich met

zijn vriend midden in ons detachement en binnen weinige minuten zijn

wij op den heuvel. Maar eens vooral moeten de bleeke opperhoofden

mij laten begaan."

»Ga uw gang, hoofdman, ik laat dit geheel aan u over!"

De Zwarte-Kat sprak eenige woorden zacht tegen de krijgslieden die

hij bij zich had.

Dezen groepeerden zich onmiddellijk rondom de beide jagers, die dus

in hun midden geheel onzichtbaar werden.

»O, wee!" riep don Pablo alles behalve gerust, »ziet gij dat, vriend?"

Valentin glimlachte en nam hem bij den arm.

»Ik heb het plan van den Sachem begrepen; hij neemt het eenigst middel

te baat dat mogelijk is. Wees gerust, alles gaat goed."

De Zwarte-Kat stelde zich aan het hoofd van zijn troep en gaf het sein.

Een ontzettend hoerah klonk door de lucht.

Het was de oorlogskreet van den stam der Bisons-Apachen.

De moedige Roodhuiden sleepten de beide blanken met zich voort,

en stormden als razenden den heuvel op.

Valentin en don Pablo wisten nauwelijks wat er met hen gebeurd

was toen zij zich reeds bij hunne vrienden bevonden, terwijl de

krijgslieden van den Zwarte-Kat, als een neertuimelenden sneeuwval,

in alle richtingen den heuvel weder afrenden als waren zij door een

panischen schrik getroffen.

Intusschen was de strijd niet geëindigd.

De Indianen van Stanapat stormden als brullende tijgers tegen de

palissaden op en lieten zich dooden zonder een stap te wijken.

De strijd, zoo hij lang aanhield, moest eindelijk noodlottig worden

voor de partij der blanken, wier krachten reeds uitgeput raakten.

Dit hadden zoowel Stanapat als de Roode-Ceder begrepen, en dus

verdubbelden zij hunne pogingen om hunne vijanden te overstelpen.

Maar op eens, toen de Apachen op nieuw tegen de stormpalen opklauterden

om een laatsten aanval te beproeven, klonk achter hen de oorlogskreet

der Coras, gepaard met een vreeselijke losbranding uit klein geweer. De

Apachen, op hunne beurt overrompeld, aarzelden.

De Roode-Ceder wierp een blik om zich heen en uitte eene

verwensching. Want aan de andere zijde van het kamp klonk ook de

oorlogskreet der Comanchen.

»Voorwaarts! altoos voorwaarts!" brulde de Squatter, die gevolgd door

zijne beide zoons en eenige vrijbuiters den heuvel besteeg.

Maar het tooneel was als met een tooverslag omgekeerd.

De Zwarte-Kat had de nieuwe hulp die voor zijne vrienden opdaagde

nauwelijks gezien, of hij sloot zich dadelijk aan met den Eenhoorn. Aan

het hoofd van hun vereenigden troep, vielen zij thans de Apachen in de

flank, terwijl Mookapec en zijne tweehonderd uitgelezen krijgslieden

hen in den rug aangrepen. Het vluchten begon; en veranderde weldra

in volslagen verstrooiing.

Alleen de Roode-Ceder en een kleine schaar vrijbuiters rondom hem

hielden nog stand.

De kring der vijanden die hem omringde werd echter met ieder oogenblik

al nauwer en nauwer.

De aanvallers waren nu aangevallenen geworden. Het zou spoedig

beslist zijn; nog eenige sekonden en alles was gedaan en iedere kans

op terugtocht hun afgesneden.

De lynch-wet · 第 6 / 29 段