oog plaats hadden. Als alle Indiaansche opperhoofden in het Verre
Westen, kende hij de oorzaak van den haat die de blanken onderling
verdeelde; bovendien had hij bij menige gelegenheid het groot zedelijk
verschil tusschen den Amerikaanschen Squatter en den Franschen jager
leeren opmerken en waardeeren.
Overigens was deze vraag thans in zijn gemoed reeds bepaald uitgemaakt,
en bezat de Franschman al zijne toegenegenheid.
Evenwel was het nog altijd noodig dat zijne medewerking, zou zij
nuttig zijn, niet alleen door Valentin, maar ook door diens vrienden
wierd aangenomen, ten einde ieder noodlottig misverstand te vermijden.
Toen de aarde na de doorgestane schokken, haar evenwicht hernomen
had en de natuur tot haar normalen toestand was wedergekeerd, gaf de
Sachem den zijnen een wenk om niet verder te gaan.
De prauwen werden dus aan land gebracht en de Zwarte-Kat beval
zijne krijgslieden om op de plaats, waar zij zich thans bevonden,
te kampeeren en de omstandigheden af te wachten.
Vervolgens dicht in zijne nabijheid een troep wilde paarden ziende
weiden, lasseerde hij er een van, temde het in weinige minuten,
sprong het op den rug en reed er in galop mede weg.
Op dit oogenblik steeg de zon luisterrijk uit de kimmen.
Het Apachenhoofd reed den ganschen dag door, zonder zich ergens op
te houden, dan slechts nu en dan een enkele maal om zijn paard even
te laten uithijgen.
Tegen zonsondergang bevond hij zich op een boogschot afstand van het
dorp van den Eenhoorn.
Na eenige oogenblikken te hebben staan peinzen scheen de Indiaan tot
een bepaald besluit te zijn gekomen, hij zette zijn paard weder in
galop en reed stoutmoedig het dorp in.
Het was geheel verlaten.
Hij doorkruiste het in iedere richting en zag nog overal droevige
sporen van den vreeselijken strijd die er eenige dagen te voren had
plaats gehad; maar nergens ontmoette hij een mensch, geen hond zelfs.
Wanneer een Indiaan iets wil opsporen, laat hij zich door niets
ontmoedigen en gaat hij voort zoolang tot hij vindt wat hij zoekt.
Aan de eene zijde het dorp ingekomen reed hij er aan de andere zijde
weder uit, hield daar een oogenblik stil om zijn koers te overwegen
en vertrok toen op nieuw in galop, zonder te aarzelen, recht toe
recht aan.
Zijne bewonderingswaardige kennis van de prairie had hem niet bedrogen,
vier uren later kwam hij aan den ingang van het groote natuurwoud,
onder welks schaduwrijke bladgewelven wij de Comanchen van den Eenhoorn
hebben zien verdwijnen [4].
Ook de Zwarte-Kat reed het bosch in, juist op hetzelfde punt waar de
bevolking van het dorp er was binnen getrokken.
Na een uur rijdens zag hij in de verte tusschen het geboomte, de
kampvuren der Comanchen reeds blinken.
De Apache hield een oogenblik stil, staarde oplettend in het rond en
vervolgde zijn weg.
Ofschoon schijnbaar alleen, voelde hij als bij instinkt dat men hem
bespiedde; hij was overtuigd dat hij sedert zijne intrede in het woud
door onzichtbare oogen opgemerkt en gevolgd werd.
Daar hij echter met geene vijandige bedoelingen kwam, was hij volkomen
gerust en had hij zijn spoor in geenen deele trachten te verbergen,
een wijze van doen die de wachtposten der Comanchen terstond begrepen,
zoodat zij hem ongemerkt en ongestoord zijn pad lieten vervolgen,
maar desniettemin zijne komst op hun territoir ijverig aan elkander
mededeelden. De Zwarte-Kat was dus nog ver van het dorp toen men van
zijne komst reeds lang kennis droeg.
Weldra reed hij een ruim boschkamp binnen, in welks midden een aantal
hutten waren gebouwd.
Verscheidene opperhoofden zaten stilzwijgend rondom een vuur
nedergehurkt, dat voor eene groote calli brandde, die de Zwarte-Kat
terstond als de medicijnhut erkende.
In tegenstelling met het in dergelijke gevallen gewone gebruik,
scheen niemand op de komst van den Sachem acht te geven; niemand
stond op om hem de gevorderde eer te bewijzen of welkom te heeten.
De Zwarte-Kat begreep wel dat er iets buitengewoons in het dorp plaats
had en dat hij zich op een zonderling tooneel moest verwachten.
Hij stoorde zich geenszins aan de koele ontvangst die men hem deed,
maar steeg af, wierp zijn paard de teugels op den hals, trad regelrecht
naar het vuur en hurkte neder recht tegenover den Eenhoorn en tusschen
twee andere Sachems, die terstond een weinig links en rechts opschoven
om hem plaats te verleenen.
Toen haalde hij zijn calumet uit zijn gordel, vulde haar met tabak,
stak haar aan en begon te rooken, na vooraf de aanwezigen met een
hoofdknik te hebben gegroet.
Deze beantwoordden hem met hetzelfde gebaar, maar zonder de stilte in
't minst te verbreken.
Eindelijk nam de Eenhoorn de pijp uit den mond en wendde zich tot
den Zwarte-Kat.
»Mijn broeder is een groot krijgsman," zeide hij, »hij zij ons welkom;
zijne komst is een gelukkig voorteeken voor mijne krijgshaftige
jongelingen, op dit oogenblik, nu een eerwaardig hoofd op het punt
staat ons te verlaten en naar de velden der gelukzaligen af te reizen."
»De Meester des levens heeft mij dan wel ter goeder ure hier laten
komen," antwoordde de Apache; »maar wie is de Sachem die sterven gaat."
»De Panther is het leven moede," hernam de Eenhoorn op droevigen
toon, »hij heeft vele winters geteld; zijn matte arm kan den bison
niet meer treffen, noch den vluggen eland; zijn oog is verduisterd,
hij kan slechts met moeite de naaste dingen onderscheiden."
»De Panther is voor zijne broeders niet langer van nut, integendeel
wordt hij hun tot last; hij moet dus sterven," zei de Zwarte-Kat met
hooge wijsheid.
»Zoo heeft de oude Sachem er ook over gedacht; hij heeft dit heden,
terwijl wij hier om het vuur gezeten zijn, aan den raad te kennen
gegeven; en aan mij, zijn zoon, is de taak opgedragen hem de poorten
des anderen levens te openen."
»De Panther is een wijs opperhoofd: waartoe zou zijn leven langer
dienen, als hij een last is voor de zijnen! De Wacondah is zoo
goedertieren geweest den Roodhuiden het noodige verstand te geven
om zich van de ouden en zwakken te ontdoen, en hen naar eene andere
wereld te zenden, waar zij vernieuwd zullen worden en, na deze korte
proef, weder zullen kunnen jagen met al de kracht der jeugd."
»Mijn broeder heeft goed gesproken," antwoordde de Eenhoorn met
eene buiging.
Op dit oogenblik ontstond er beweging onder het volk dat zich voor
de zweethut verzameld had, waar de oude Sachem was opgesloten.
De deur werd geopend en de Panther kwam te voorschijn.
Het was een hoog bejaard man van majestueuze gestalte. Wat onder
de Indianen eene zeldzaamheid is, daar zij vaak tot den hoogsten
ouderdom den schijn der jeugd behouden, waren zijne haren en baard,
die ordeloos over zijne schouders en borst hingen, zoo wit als sneeuw.
Op zijn gelaat, ofschoon den stempel dragende van onverdelgbare
zielskracht, stonden al de kenmerken van het verval des ouderdoms in
zijn laatste periode te lezen.
Hij was gedost in zijn beste gewaad en bovendien beschilderd en
gewapend alsof hij ten strijde moest.
Zoodra hij zich op den drempel der hut vertoonde rezen al de Sachems
op. De Eenhoorn trad snel naar hem toe en reikte hem eerbiedig den
rechterarm om hem te ondersteunen.
Geleid door den Eenhoorn, waggelde de grijsaard langzaam naar het
raadsvuur, bij hetwelk hij zich nederzette.
De overige opperhoofden namen aan weêrszijden van hen plaats, en de
krijgslieden formeerden achter hen een grooten kring.
De pijpdrager bracht de groote vredescalumet en bood haar den grijsaard
aan; toen de calumet van hand tot hand gegaan en den kring rond was
geweest, nam de Panther het woord.
Zijne diepe basstem klonk bijzonder dof, maar de heerschende stilte
was zoo groot dat allen van woord tot woord konden verstaan wat er
gesproken werd.
»Mijn zoon," sprak hij, »ik ga vertrekken naar het andere land;
weldra ben ik bij den Meester des levens. Ik zal aan de krijgslieden
van ons volk die ik op mijnen weg ontmoet, verhalen dat de Comanchen
steeds onverwinnelijk zijn en dat hunne natie de koningin der prairiën
blijft."
Een goedkeurend gemompel overstelpte deze woorden des grijsaards en
belette hem een tijdlang om voort te gaan.
Eindelijk begon hij weder.
»Blijft altijd dezelfde dapperen die uwe vaderen geweest zijn, weest
onverbiddelijk voor de Bleekgezichten, want het zijn verscheurende
wolven, gekleed in elandshuiden; leert hen voor u te vluchten met de
voeten der antilopen en laat hun nimmer de wolvenstaarten zien die
gij aan uwe hielen draagt! Proeft nimmer het vuurwater, dat heilloos
vergif waarmede de Bleekgezichten ons zoeken te ontzenuwen en tot
vrouwen te maken, opdat wij buiten staat zouden zijn ons over hunne
verongelijkingen te wreken.
»Als gij, hetzij op de jacht of op het oorlogspad, rondom uwe
kampvuren vereenigd zijt, denk dan nog dikwijls aan den Panther,
het oude opperhoofd wiens naam voorheen groot was, en die toen hij
zag dat de Wacondah hem op aarde dreigde te vergeten, liever verkoos
te sterven dan langer ten laste van zijne natie te leven.
»Vertelt het aan de jonge krijgslieden die voor de eerste maal het
oorlogspad zullen betreden, welke roemrijke daden uw oud opperhoofd
de Springende Panther heeft verricht, die zoo lang de schrik was van
de vijanden der Comanchen."
Bij het uitspreken dezer woorden schitterden de oogen van den ouden
Sachem met ongewonen gloed en beefde zijne stem van aandoening.
De Indianen rondom hem verzameld luisterden met steeds klimmenden
eerbied.
»Maar waartoe zou ik verder aldus tot u spreken," hervatte hij met een
gesmoorden zucht, »want ik weet dat mijn gedachtenis onder u niet zal
worden uitgedelgd, daar ik u mijn zoon den Eenhoorn nalaat om mij op
te volgen en u op zijne beurt te leiden op den weg waarop ik u zoo
lang ben voorgegaan? Brengt mij dus mijn laatsten maaltijd, opdat
wij weldra gezamenlijk het lied van de groote medicijn kunnen zingen."
Onmiddellijk brachten de Indianen eenige potten gekookt hondenvleesch.
Op een wenk van den Panther nam het maal een aanvang.
Toen het geëindigd was ontstak de grijsaard zijn calumet en begon te
rooken, terwijl de krijgslieden om hem heen dansten.
De Eenhoorn voerde de dansreien aan.
Na verloop van een paar minuten gaf de grijsaard een wenk.
De krijgslieden stonden stil.
»Wat verlangt mijn vader?" vroeg de Eenhoorn.
»Ik verzoek u het lied van de groote medicijn te zingen," antwoordde
hij.
»Goed," hervatte de Eenhoorn, »mijn vader zal gehoorzaamd worden."
Daarop begon hij terstond het zonderlinge lied aan te heffen, waarvan
wij hier de vertaling laten volgen, en dat door al de andere Indianen
in koor herhaald werd terwijl zij op nieuw begonnen te dansen.
»Meester des levens, gij geeft ons moed! De Roodhuiden weten wel dat
gij hen liefhebt! Wij zenden u heden onzen vader! Zie hoe oud en hoe
afgeleefd hij is! De vlugge eland is in een tragen beer veranderd! Geef
hem zijne jeugd terug in eene andere wereld, opdat hij weder in staat
zij te jagen als in de dagen van ouds."
De dansende reien wervelden om den grijsaard heen, die met de grootste
bedaardheid zijne pijp bleef rooken.
Eindelijk, toen de calumet was uitgebrand, schudde hij de asch op den
nagel van zijn duim, legde de pijp voor zich neder en hief de oogen
ten hemel.
Op dit oogenblik kleurde de eerste morgenschemering met hare
opaaltinten den uitersten rand des gezichteinders.
De grijsaard richtte zich op; uit zijne doffe oogen, als waren zij
met nieuw leven bezield, straalde een vurige blik.
»Dit is het uur," riep hij met luide en vaste stem, »de Wacondah
roept mij. Vaartwel! Comanchen-krijgslieden; aan u mijn zoon, aan u
is de plicht mij naar den Meester des levens te zenden."
De Eenhoorn maakte de bijl, die aan zijn gordel hing los, zwaaide haar
boven zijn hoofd en hieuw, zonder aarzeling, met een enkelen slag en
sneller dan eene gedachte den grijsaard het hoofd in tweeën terwijl
deze hem met een glimlach op het gelaat aanzag en oogenblikkelijk
zonder een woord te uiten, ontzield nederzeeg.
Hij was dood!
De dans begon weder op nieuw, sneller en wilder dan te voren en de
krijgslieden zongen weder een koorzang:
»Wacondah! Wacondah! ontvang dezen krijgsman! Gij ziet dat hij den
dood niet vreest! Hij weet dat deze niet bestaat, daar hij in uwen
schoot herleven moet.
»Wacondah! Wacondah! ontvang dezen krijgsman.
»Hij was rechtvaardig! Het bloed der Comanchen stroomde rood en
helder in zijn hart! zijne woorden die zijne borst heeft uitgeblazen
waren wijs.
»Wacondah! Wacondah! ontvang dezen krijgsman. Hij was de grootste,
de vermaardste van uwe kinderen de Comanchen.
»Wacondah! Wacondah! ontvang dezen krijgsman. Zie hoevele haarschedels
zijn gordel draagt.
»Wacondah! Wacondah! ontvang dezen krijgsman!"
De zangen en dansen duurden tot de zon was opgegaan. Eerst toen werd
de ronde, op een wenk van den Eenhoorn gestaakt.
»Onze vader is vertrokken," zeide hij, »zijne ziel heeft zijn lichaam
verlaten, daar zij te lang in gewoond had om geen andere woonplaats
te verkiezen; bereiden wij hem een graf, gelijk aan zulk een groot
krijgsman voegt."
De toebereidselen vorderden niet veel tijd.
Het lijk van den Springenden Panther werd eerst gewasschen en met zorg
beschilderd; daarop werd hij met zijne oorlogswapens in het gedolven
graf gelegd; het laatste paard door den overledene bereden, en zijne
honden werden op den rand van den kuil geslacht en toen bij hem in
het graf geplaatst; vervolgens bouwde men een hut van boomschors boven
het graf om het voor de aanranding der wilde dieren te beveiligen.
Boven op de hut plantte men een langen staak, behangen met de
haarschedels die de oude krijgsman veroverd had toen hij nog jong en
krachtvol de Comanchen ten strijde voerde.
De Zwarte-Kat had de roerende bijzonderheden der treurige plechtigheid
met vromen ernst en eerbied bijgewoond, en toen het ceremoniëel der
begrafenis was afgeloopen trad de Eenhoorn naar hem toe.
»Ik zeg mijn broeder dank," zei de Comanch, »voor zijne hulp ons
bij het bewijzen van de laatste eer aan een doorluchtig krijgsman
betoond. Thans ben ik geheel tot mijns broeders dienst, hij spreke
zonder schroom; de ooren van een vriend zijn voor hem geopend en zijn
hart zal de woorden bewaren die de borst zijns broeders uitblaast."
»De Eenhoorn is de eerste krijgsman van zijn volk," antwoordde de
Zwarte-Kat met eene buiging, »de gerechtigheid en goede trouw wonen
in hem; er is eene wolk over mijn hart uitgebreid die het verduistert
en het treuren doet."
»Dat mijn broeder zich vrij aan mij openbare, ik weet wel dat hij een
der meest beroemde hoofden is van zijn stam; de Zwarte-Kat telt de
scalpen niet meer die hij aan zijne vijanden ontrukt heeft; waarom
is hij dan treurig?"
Het Apachenhoofd glimlachte bij deze woorden van den Eenhoorn.
»De vriend van mijn broeder," zeide hij onmiddellijk ter zake komende,
»de groote blanke jager die door zijn stam als zoon werd aangenomen
verkeert op dit oogenblik in ontzettend groot gevaar."
»Ooah!" riep de Sachem, »kan dit waar zijn? Koutonepi vleesch van
mijn gebeente, wie hem aanrandt verwondt mij! Dat mijn broeder zich
nader verklare."
De Zwarte-Kat verhaalde thans aan den Comanch hoe Valentin hem het
leven had gered, hoe de Apachen en andere natiën van het Verre Westen
een verbond tegen de blanken hadden, gesloten en in welke hachelijke
stelling Valentin zich thans bevond zoowel door den invloed dien
de Roode-Ceder op de Indianen bezat als door de macht over welke de
bandiet in deze oogenblikken beschikken kon.
De Eenhoorn schudde bedenkelijk het hoofd.
»Koutonepi is wijs en ondernemend," zeide hij, »zijn hart is vol
edelheid en trouw, maar hij zal het niet kunnen volhouden; hoe zullen
wij hem te hulp komen? Een man, hoe dapper hij ook wezen mag, is niet
bestand tegen honderd."
»Valentin is mijn broeder," antwoordde de Apache; »ik heb gezworen
hem te zullen redden, maar wat vermag ik alleen tegen zoovelen?"
Plotseling verscheen er eene vrouw tusschen de beide Sachems.
Die vrouw was de Zonnestraal.
»Als mijnheer het mij vergunt," zeide zij, met een smeekenden blik
op den Eenhoorn, »ik zal u helpen; eene vrouw vermag veel."
Er volgde een poos stilte.
De beide hoofden keken de jonge vrouw aan, die zwijgend en in
deemoedige houding voor hen stond.
»Mijne zuster is dapper," sprak eindelijk de Zwarte-Kat, »maar
eene vrouw is een zwak schepsel, hare hulp doet weinig af in zulke
moeielijke omstandigheden."
»Misschien meer dan gij denkt," antwoordde zij rondweg.
»Vrouwtje," zei de Eenhoorn haar de hand op den schouder leggende,
»ga gij waar uw hart u roept; red mijn broeder en kwijt u van de
schuld die gij bij hem hebt, mijn oog zal u volgen, op het eerste
signaal kom ik u te hulp!"
»Dank u!" riep de jonge vrouw verheugd, en voor het opperhoofd op de
knieën vallende kuste zij hem eerbiedig de hand.
De Eenhoorn hervatte:
»Ik vertrouw deze vrouw aan mijn broeder; ik weet dat zijn hart groot
is, ik ben gerust; vaarwel."
En met een laatsten groet van zijn gast afscheid nemende, trad hij
zonder omzien in zijn calli en liet het bisonsvel dat voor den ingang
hing achter zich dicht vallen.
De Zonnestraal oogde hem na; toen hij verdwenen was wendde zij zich
tot den Zwarte-Kat.
»Vertrekken wij!" zeide zij, »en redden wij onzen vriend!"
Eenige uren later bevond het Apachenhoofd, vergezeld van de jonge
vrouw zich reeds weder bij zijne stamgenooten aan den oever der Rio
Gila, waar hij hen gekampeerd had achter gelaten.
Hij verzamelde al zijne krijgslieden, en twee dagen daarna stond hij
met zijne legerschaar aan den voet van den Bisonsheuvel.
IX.
DE SAMENKOMST.
Na de voorgaande opheldering, hervatten wij den draad van ons verhaal,
waar wij dien aan het slot van het zevende hoofdstuk gelaten hebben.
Zonder een woord te spreken overhandigde de Zonnestraal aan het
Mexicaansche meisje een blad papier, een houten teekenstift en een
schelp met blauwe verf gevuld.
De Gazelle sprong bijna op van blijdschap.
»O ik begrijp u wel," riep zij.
Het opperhoofd glimlachte.
»De blanken zijn toch zeer geleerd," zeide hij, »er is niets dat zij
niet kennen; mijne dochter gaat zeker een collier (brief) teekenen
voor den bleeken overste."
»Ja," murmelde zij, »maar zou hij mij willen gelooven?"
»Als mijne dochter haar hart slechts op het papier zet, dat zal de
blanke jager dadelijk herkennen."
Het meisje zuchtte.
»Wij zullen zien," zeide zij.
Met zenuwachtige drift nam zij het papier, schreef haastig eenige
woorden en gaf het toen aan de Zonnestraal terug, die nog altijd
onbewegelijk voor haar stond.
De jonge Indiaansche maakte van het papier een rolletje, schoof het
over een pijlstok en zeide:
»Over een uur zal het zijn waar het wezen moet."
Daarop liep zij zoo vlug als een ree het bosch in en was spoedig
verdwenen.
Deze kleine onderhandeling werd in minder tijd volbracht dan wij
noodig hadden om haar te beschrijven.
Zoodra de Zonnestraal, die vooraf reeds door den Zwarte-Kat op hare
taak was voorbereid, vertrokken was, zeide de Indiaan:
»Nu zullen wij zien of wij ze allen kunnen redden; althans hoop ik
dat degenen die ons dierbaar zijn aan het gevaar zullen ontkomen."
»God geve dat gij u niet bedriegt, mijn vader!" antwoordde het meisje.
»Wacondah is groot! Zijne macht is onbegrensd, hij kan alles; laat
mijne dochter slechts hopen," zeide hij.
Nu volgde er tusschen deze twee een langdurig gesprek, ten gevolge
waarvan de Witte-Gazelle ongemerkt het bosch insloop, om zich naar
een bergje te begeven op korten afstand van den post der blanken,
den zoogenaamden Elandsheuvel, dien zij don Pablo voor een mondgesprek
had aangewezen.
De gedachte dat zij zich zoo terstond in de tegenwoordigheid van den
Mexicaan zou bevinden maakte het jeugdige meisje tegen wil en dank
geheel buiten zich zelve.
Haar hart kromp ineen van verlegenheid, en zij beefde schier van top
tot teen.
De herinnering aan hetgeen nog zoo kort geleden tusschen don Pablo en
haar was voorgevallen, bracht hare denkbeelden zoo geheel in de war,
dat zij niet wist hoe zij de voorgenomen taak zou ten uitvoer brengen.
Op dit oogenblik was zij dezelfde ruwe amazone niet meer die wij
vroeger in haar aan onze lezers voorstelden, toen zij van hare
kindsheid af onder de bandieten opgegroeid en aan de ontzettende
tooneelen van het prairieleven gewoon geworden, de grootste gevaren
durfde trotseeren en als kinderspel beschouwde.
Bij den dood van Sandoval met hare afkomst bekend geworden en tot
nadenken gekomen, gevoelde zij dat zij vrouw was; alles in haar wat
naar mannenaard zweemde was op eens verdwenen, om niets anders over
te laten dan het jeugdige schroomvallige, vreesachtige meisje, dat
beefde van angst nu zij tegenover den man zou moeten verschijnen,
dien zij met schrik herdacht zoo gruwzaam te hebben beleedigd en die
misschien als hij haar zag niet met haar tot verklaring zou willen
komen, maar zonder te antwoorden haar den rug zou toekeeren.
Al deze gedachten en nog zoo velen bovendien kruisten zich in haar
brein, terwijl zij zich met verstolen tred naar het aangewezen
punt begaf.
Hoe nader zij er bij kwam hoe levendiger hare vrees werd, terwijl hare
fel bewogen zinnen haar al sterker en sterker haar vroeger gehouden
onwaardig gedrag verweten.
Eindelijk was zij er.
Op den heuvel was alles nog eenzaam en verlaten.
Haar hart klopte een weinig geruster toen zij dit bemerkte; zij
slaakte een zucht van ontspanning en dankte God dat hij haar eenige
minuten tijd van beraad gaf om zich op het plechtig onderhoud te
kunnen voorbereiden daar zij zelf bepaaldelijk om verzocht had.
Maar reeds het volgende oogenblik kwelde haar eene andere ongerustheid;
zij vreesde dat don Pablo zou weigeren aan haar verzoek gevolg te
geven en dus wellicht de eenige kans op behoud die zij hem aanbood
onherroepelijk zou doen verloren gaan.
Met het hoofd voorover gebogen en de oogen onafgewend op de vlakte
gericht, poogde zij de diepte der duisternis te doorboren en zat zij
met klimmenden angst de sekonden te tellen.
Wie heeft nog ooit kunnen berekenen uit hoevele eeuwen eene minuut
bestond voor iemand die zoo zit te wachten?
Intusschen ging de tijd snel voorbij, de maan was bijna achter de
verre bergen verdwenen, en de zon zou binnen een uur verrijzen.
Het meisje begon reeds aan de komst van don Pablo te twijfelen;
doffe wanhoop vermeesterde haar en zij verwenschte de stoffelijke
onmogelijkheid, die haar noodzaakte om werkeloos op hare plaats te
blijven zitten en haar dwong tot machteloos verbeiden.
Laten wij hier in korte woorden vermelden wat er in deze oogenblikken
op den Dolle-Bisonsheuvel voorviel.
Valentin, Curumilla en don Pablo rookten op den top des heuvels in
stilte hunne calumet, ieder op zijne manier nadenkende over de beste
middelen om uit de moeielijke stelling te geraken in welke de kleine
troep zich bevond, toen op eens een scherp gefluit zich hooren deed,
en een lange pijl, snel tusschen de drie mannen doorvliegend, diep
in het gras drong van het bolwerk waar zij tegen leunden.
»Wat is dat?" riep Valentin, die het eerst zijne koelbloedigheid
herkreeg, »por Dios! beginnen de Roodhuiden hun aanval reeds!"
»Laten wij onze vrienden wekken," zei don Pablo.
»Wacht even, vriend!" riep Curumilla, die den pijl reeds uit het gras
had getrokken en hem met aandacht beschouwde.
»Wat meent gij, hoofdman?" vroeg de jager.
»Kijk eens!" antwoordde de Indiaan lakoniek, hem den pijl ter
hand stellend en tevens het papier aanwijzende dat om den stok was
gewikkeld, even boven de vederen waarmede de Apachen gewoonlijk hunne
pijlen voorzien.
»Inderdaad," hervatte Valentin, het papier losmakende, terwijl
Curumilla een vlammend stuk hout uit het vuur nam om hem bij te
lichten.
»Hum!" mompelde don Pablo, »die manier van briefwisselen is slim
genoeg gevonden."
»Wij zullen spoedig zien waar wij ons aan te houden hebben," antwoordde
de jager.
Hij ontvouwde het papier waarop met een soort van blauwen inkt eenige
regels in het Spaansch geschreven stonden, van den volgenden inhoud:
»De bleekgezichten zijn verloren; de Indiaansche stammen, in massa
opgestaan, en geholpen door de roovers der prairie, omringen hen
aan alle kanten. De blanken hebben van niemand hulp te wachten. De
Eenhoorn is te ver af, en de Zoon des Bloeds heeft de handen te vol
met zichzelven te verdedigen om aan anderen te denken of onderstand
te verleenen.