waande dal zijn spoor voor de Apachen verborgen was, en dat hij dus
den noodigen tijd had om alles voor eene krachtige verdediging gereed
te maken.
Hij beijverde zich vooreerst om zijn kamp van genoegzame levensmiddelen
te voorzien, ten einde geen honger en gebrek te lijden wanneer hij,
zooals zich wel liet verwachten, spoedig mocht worden belegerd.
Zijne kameraden hielpen hem dus in het jagen en verzamelden een groot
aantal bisons; naarmate men deze doodde, werd hun vleesch aan zeer
smalle reepen gesneden, en aan gespannen touwen in de zon gehangen
om ze te laten drogen en er dan van te maken wat men in de pampas
charguè noemt.
De keuken werd in eene kleine natuurlijke grot gehouden, die zich
binnen de verschansing bevond. Het viel dus niet moeielijk om vuur
aan te leggen zonder vrees voor ontdekt te worden, daar de rook
zich door een groot aantal kleine spleten ontlastte en dus geheel
onzichtbaar bleef.
Den volgenden nacht hielden de jagers zich bezig met lederen zakken
van bisonshuid te naaien; zij bestreken de naden met vet om te
beletten dat zij vocht doorlieten, en zoo hadden zij in korten tijd
een aanzienlijken voorraad drinkwater.
Met zonsopgang beklom Valentin op nieuw zijn observatorium, en liet de
blikken een geruimen tijd over de vlakte weiden om zich te verzekeren
of de woestijn nog altijd even kalm en eenzaam was.
»Waarom hebt gij ons toch op deze rots als eekhoorns laten
inkooien?" vroeg hem de generaal Ibanez.
Valentin strekte den arm uit.
»Kijk eens!" antwoordde hij, »wat ziet gij daar ginds?"
»Hum, niet veel bijzonders, niets dan een beetje stof naar ik meen,"
riep de generaal luchthartig.
»Goed!" hernam Valentin, »zeer goed, vriend; maar weet gij ook waar
dat stof door ontstaat?"
»Wel neen! hoe zou ik dat weten?"
»Nu, dan zal ik het u zeggen: dat zijn de Apachen."
»Caramba! Vergist gij u niet?"
»Gij zult het spoedig zien."
»Spoedig!" riep de generaal. »Denkt gij dan dat zij hier heen komen?"
»Eer de zon opgaat zijn ze hier."
»Zoo! Dan hebt gij uwe voorzorgen wel in tijds laten nemen, cuerpo
de Christo!" hervatte de generaal, »en dan zullen wij het hard te
verantwoorden hebben, kameraad, met die verwenschte Roodhuiden."
»Wel waarschijnlijk," meesmuilde Valentin glimlachend; en hij klom
weder van den top der graftombe daar hij tot hiertoe op gezeten had.
Zooals de lezer reeds weet had Valentin zich niet vergist. De Apachen
waren werkelijk in aantocht en kwamen tegen den avond dicht genoeg
bij den Bisonsheuvel, daar hunne veldontdekkers het spoor der blanken
bereids hadden uitgevonden.
Naar alle waarschijnlijkheid was er een vreeselijk treffen te
verwachten tusschen de blanken en Roodhuiden, deze twee zoo
verschillende en vijandige rassen, die door een doodelijken haat
verdeeld, elkander in de prairie niet anders ontmoeten dan om elkander
te verdelgen.
Valentin had den spion der Apachen dadelijk bemerkt toen deze den
heuvel was komen verkennen; hij bracht dus zijn mond aan het oor van
den generaal en zeide hem op zijn gewonen schertsenden toon:
»Wel! waarde vriend, gelooft gij nu nog dat ik mij vergist heb?"
»Dat heb ik nooit gezegd," riep de generaal met drift, »de hemel beware
mij, dat ik uw doorzicht zoude betwijfelen. Maar ik wil u wel bekennen
dat ik liever zou wenschen dat gij u vergist hadt; zoo als gij ziet
ben ik volstrekt niet jaloersch op uwe ontdekking; maar ik kan het
niet helpen, om u de waarheid te zeggen, zou ik liever met tien mijner
eigen landgenooten vechten, dan met een van die vervloekte Roodhuiden."
»Ongelukkig voor u," riep Valentin glimlachend, »hebt gij op dit
oogenblik geen andere keus, beste vriend."
»Dat is zoo; maar stel u gerust; hoe weinig het mij ook bevalt,
zal ik mijn plicht weten te doen als soldaat."
»Wie zou daaraan twijfelen, waarde generaal?"
»Caspita! niemand, dat weet ik; doch dat daargelaten, gij zult
het zien."
»Welaan dan, goeden avond," zei Valentin; »zie, dat gij van nacht
eens goed slaapt, want ik beloof u dat wij morgen met zonsopgang
zullen worden aangevallen."
»Carai! wat mij betreft," antwoordde de generaal terwijl hij
zich de kaken bijna uit het lid geeuwde, »hoe eer ik met al dat
bandietengespuis voor goed kan afrekenen, hoe liever het mij zijn zal."
Een uur later lagen al de jagers, behalve Curumilla, die als
schildwacht op den uitkijk stond, in gerusten slaap; van hunnen kant
deden de Indianen hetzelfde.
VII.
DE DOLLE-BISONSHEUVEL.
Een uur ongeveer vóór het opgaan der zon wekte Stanapat zijne
krijgslieden en gaf hun bevel om zich terstond op marsch te begeven.
De Apachen grepen hunne wapenen, formeerden de Indiaansche linie, en
op een teeken van hun chef trokken zij het kreupelbosch in, dat hen
van de rots afscheidde waar de blanke jagers zich verschanst hadden.
Ofschoon de afstand slechts een half uur gaans bedroeg, duurde de
marsch der Apachen meer dan een uur, maar werd hij met zooveel beleid
en omzichtigheid volvoerd, dat de jagers ondanks al hunne waakzaamheid
er niets van bemerkten en in 't minst niet vermoedden dat de vijand
zoo dicht in hunne nabijheid was.
Aan den voet der rots maakten de Apachen halt, en gaf Stanapat bevel
om onmiddellijk een versterkt kamp aan te leggen.
De Indianen, als zij willen, weten hunne liniën zeer goed in te
richten.
Voor dezen keer, daar het hun om een regelmatig beleg te doen was,
verzuimden zij geen enkele voorzorg.
Om den Dolle-Bisonsheuvel geheel in te sluiten, werd er eene gracht
gegraven van drie ellen breed en vier el diep, van welke de naar
achter uitgeworpen aarde tot steun diende voor de hooge paalwerken
en barrikaden, waarachter de Roodhuiden volkomen beschut stonden en
op den vijand konden schieten zonder zich bloot te geven.
Te midden van het kamp richtte men twee hutten of calli's op, de
eene tot verblijf voor de opperhoofden en de andere om als raadhuis
te dienen wanneer de Sachems vergaderden. Voor den ingang der
laatstgenoemde plantte men aan de eene zijde het totem, of zinnebeeld
van den stam, terwijl aan de andere zijde de gewijde calumet werd
opgehangen.
Wij zullen hier in weinige woorden zeggen wat deze twee zinnebeelden
zijn, die door zoovele schrijvers werden vermeld maar nimmer
beschreven, en die men toch noodwendig kennen moet als men de zeden
der Indianen grondig wil verstaan.
Het totem of kukevium is de nationale standaard, het
onderscheidingsteeken van iederen stam.
Gewoonlijk moet het een of ander dier voorstellen, dat de stam zich
tot zinnebeeld gekozen heeft, bijv. een coyote, jaguar, hert, bison
enz., daar iedere stam zijn eigen symbool bezit.
Het zinnebeeld van dezen Apachenstam, stelde een witten bison voor.
Het totem bestaat verder in een langen stok, met vederen van
verschillende kleuren versierd, die er van boven tot beneden
rechtstandig zijn aangehecht.
Deze standaard wordt in den strijd of bij plechtige gelegenheden
gedragen door het opperhoofd van den stam.
De calumet is eene pijp wier steel vier, zes, ja zelfs tien voeten
lengte heeft; soms is deze steel rond, doch meestal is zij plat. Zij
is met dierengestalten beschilderd en met haarvlechten, egelpennen,
en schitterend gekleurde vederen versierd. De kop bestaat gewoonlijk
uit een stuk rood of wit marmer; wanneer zij geen steen kunnen vinden
die helder genoeg is van kleur, wordt hij, eer zij die gebruiken,
zuiver wit geverfd. De calumet is een heilig voorwerp. Volgens de
overlevering werd zij aan de Indianen gegeven door de zon: dit is de
reden waarom zij in geen geval met de aarde in aanraking mag komen.
In de legerkampen plaatst men haar eenige voeten hoog boven den grond,
op twee stokken of staken, die aan het oppereind in een gaffel of
vork uitloopen.
De Indiaan die belast is om de calumet te dragen geldt bij de
Indianen zooveel als bij ons een heraut van wapenen; zijn persoon
is onschendbaar. Gewoonlijk kiest men voor dezen post een beroemd
krijgsman uit den stam, die door een of andere in den oorlog bekomen
wond verminkt, niet meer in staat is de wapens te voeren en mede
te vechten.
Juist op het oogenblik toen de zon uit de kimmen steeg, waren de
Apachen met hunne verschansingen gereed.
De blanken ondanks al hunne dapperheid ging een kille huivering
door de leden toen zij bemerkten hoe nauw zij van alle kanten waren
omsingeld en ingesloten, te meer nog, daar zij bij het opkomende licht
van den dag aan den verren gezichteinder verscheidene andere troepen
Indiaansche krijgslieden van verschillende kanten zagen naderen.
»Hum!" mompelde Valentin hoofdschuddend, »dat zal een harden dobbel
geven."
»Houdt gij onzen toestand voor slecht?" vroeg de generaal.
»Niet alleen voor slecht, maar voor onhoudbaar."
»Canarios! dan zijn we verloren," riep generaal Ibanez, »dan zijn
wij verloren."
»Ja," antwoordde de Franschman, »zoo er geen mirakel gebeurt."
»Caspita! wat gij daar zegt is alles behalve geruststellend, weet gij
dat wel, vriend? Dus bestaat er volgens uwe gedachten geen hoop meer?"
»Ja," hernam Valentin, »nog eene hoop blijft ons over."
»Welke?" riep de generaal met drift.
»De hoop van een gehangene--dat het touw breekt."
De generaal ontroerde zichtbaar.
»Wees maar niet bang dat het breken zal," hervatte de Franschman
altijd sarkastisch, »daar sta ik u borg voor."
»Een schoone troost dien gij mij geeft," riep de generaal half vroolijk
half gebelgd.
»Drommels, wat wilt gij meer? het is de eenige dien ik u op dit
oogenblik geven kan; maar," vervolgde hij op eens van toon veranderend,
»dat zal ons intusschen niet hinderen om te gaan ontbijten, denk ik."
»Integendeel," antwoordde de generaal, »want ik wil u wel bekennen
dat ik honger heb als een wolf, iets dat mij in lang niet gebeurd is,
ik verzeker u."
»Aan tafel dan," riep Valentin lachend, »wij hebben geen oogenblik
te verliezen als wij rustig ons maal willen doen."
»Weet gij dat zeker?"
»Pardi! En bovendien, wat behoeven wij ons in voorraad te bekommeren
over iets wat toch gebeuren moet?"
»Kom, laten wij plaats nemen."
De drie mannen begaven zich nu naar een soort van loofhut tegen de
tombe van den Dolle-Bison opgericht, en ontbeten zoo als zij gezegd
hadden met uitmuntenden eetlust, misschien wel, zooals de generaal
aanmerkte, omdat het gezicht der Apachen hunne magen weder in orde
had gebracht.
Inmiddels had Stanapat, nadat zijn kamp geheel was ingericht,
met allen spoed renboden in iedere richting uitgezonden, om zoodra
mogelijk bericht van zijn bondgenooten te ontvangen.
Laatstgenoemden kwamen weldra opdagen, verzeld van hunne muzikanten
op de chichikouee's en trommen.
Deze krijgslieden waren minstens vijfhonderd man sterk, allen schoon
en welgemaakt, in hun beste oorlogskostuum en in volle wapenrusting,
derwijze dat zij voor de lichtgeloovige oogen der onnoozele menigte
eene inderdaad allerverschrikkelijkste vertooning maakten.
Het opperhoofd dat dezen troep aanbracht en kommandeerde was de
Zwarte-Kat.
Wij zullen hier met een enkel woord de onverwachte komst van dit
opperhoofd en de zijnen in het kamp der Apachen toelichten, eene
komst die wel onverwacht moet schijnen na de rol door den Zwarte-Kat
gespeeld bij den aanval op het kamp van den Squatter.
De Roode-Ceder, zoo als de lezer weet, was midden in den nacht door
de jagers overvallen. Zijn kamp werd in de eerste oogenblikken door
de aanvallers in brand gestoken.
De daarop onmiddellijk gevolgde aardbeving had de omstandigheden ter
goeder ure zoodanig verwikkeld, dat geen der bandieten het verraad
van den Zwarte-Kat had opgemerkt, die van zijnen kant, zoodra hij de
stelling der bandieten had aangewezen, zich bepaalde bij het vooruit
zenden zijner krijgslieden, terwijl hij zelf zich wel wachtte in eigen
persoon aan te vallen, maar integendeel achteraf bleef om zich niet
onnoodig in gevaar te begeven, ten einde wanneer het rechte oogenblik
zou gekomen zijn, zooveel te vrijer partij te kunnen kiezen en zijn
gewicht in de schaal te leggen.
Zijne krijgslist was volkomen geslaagd. De bandieten, aan alle zijden
te gelijk aangegrepen, hadden de handen vol met zich zoo goed mogelijk
te verdedigen, zonder tijd te hebben om in de gelederen des vijands
hunne overgeloopen bondgenooten te herkennen.
Alzoo werd de Zwarte-Kat met open armen ontvangen door Stanapat,
die zich gelukwenschte met de hulp die hij kreeg.
In den loop van den dag kwamen er van lieverlede nog meer troepen in
het kamp aan, zoodat er tegen zonsondergang ongeveer vijftienhonderd
krijgshaftige Roodhuiden aan den voet van de rots vereenigd waren.
De jagers zagen zich dus volkomen ingesloten.
Uit de bewegingen der Indianen konden zij weldra opmaken dat deze
aan geen aftocht zouden denken alvorens hen geheel ten onder te
hebben gebracht.
Intusschen zijn er geen zorgeloozer menschen dan de Indianen, zij
leven als bij den dag en denken weinig of niet aan de toekomst.
Na verloop van twee dagen was er dus in hun kamp reeds gebrek aan
levensmiddelen, en om in dezen staat van zaken te voorzien zou er
eene groote bisonsjacht worden gehouden.
Met het dagen van het eerste morgenrood trok een dertigtal jagers
onder bevel van den Zwarte-Kat het kamp uit en het kreupelbosch door
naar de prairie.
Na een snellen rit van twee uren gingen zij over de Schildpad-rivier,
een kleinen stroom, aan welks boorden zij halt maakten om hunne
paarden te laten uitblazen en tevens zich zelven te verfrisschen,
er werden dus eenige vuren ontstoken van bisonsmest, daar zij hun
ontbijt op braadden, en na den maaltijd gingen zij weder op weg.
Tegen den middag kwamen zij aan een heuvel, dien zij beklommen
om de vlakte in oogenschouw te nemen, die zich aan hunne voeten
uitstrekte. Op vrij verren afstand zagen zij eenige kleine troepen
bisonsbullen ieder van vijf tot zes stuks, vreedzaam grazen.
De geweren werden in gereedheid gehouden, de hanen gespannen en de
jagers daalden in de vlakte af en begonnen een regelmatigen aanval
op de bisons, die hoezeer plomp en log van aard nochtans zeer snel
loopen kunnen.
De jagers lieten zich echter weldra vervoeren om ieder zijn eigen
prooi te bejagen en het dier te vervolgen dat het naast bij hem was.
De Bisons nemen niet zelden eene dreigende houding aan, en vervolgen
dan op hunne beurt de jagers, soms twintig of vijf-en-twintig passen
ver; doch zij zijn gemakkelijk te ontwijken; zoodra zij gezien hebben
dat hunne vervolging nutteloos is nemen zij ijlings de vlucht.
De Indianen en kleurlingen zijn op deze jacht, die gewoonlijk te
paard geschiedt, zoo gevat en geoefend, dat zij zelden meer dan één
schot behoeven te doen om een bison te dooden.
Bij het schieten leggen zij hun geweer niet aan zooals wij zouden doen,
tegen den schouder, maar strekken het met de beide armen voor zich
uit; zoodra zij zich dan op tien of twaalf passen afstand van het dier
bevinden geven zij op deze wijze vuur, en laden daarna terstond weder
hun geweer met onbegrijpelijke snelheid, want zij gebruiken geen prop
maar laten den kogel, waarvan zij er gemeenlijk een zeker aantal in
den mond hebben, onmiddellijk op het kruit zakken, daar de vochtige
kogel zich dadelijk op hecht en dat hem even prompt terug zendt.
Door deze ongemeen gezwinde lading kunnen de Indianen in een kort
tijdbestek een groote slachting onder de bisons aanrichten.
Acht-en-zestig van deze dieren werden thans in minder dan twee uren
tijds gedood.
De Zwarte-Kat alleen had er elf neergelegd.
De geschoten dieren werden gevild en op daartoe afzonderlijk
medegebrachte paarden geladen, en nu namen de jagers vroolijk den
terugtocht aan naar het kamp, in druk en levendig gesprek over de
zonderlinge ontmoetingen en merkwaardigheden der afgeloopene jacht
met al de kleuren der Indiaansche geestigheid.
Dank zij den gelukkigen tocht waren de Apachen thans voor een geruimen
tijd van levensmiddelen voorzien.
Op korten afstand van het kamp genaderd, zagen zij een enkelen ruiter
in vollen ren op hen afkomen.
De Zwarte-Kat liet terstond halt maken en wachtte hem af. Blijkbaar
kon de dus aansnellende ruiter geen ander zijn dan een vriend. Een
vijand toch zou zich op deze wijs immers niet in hunne handen komen
overleveren.
Hunne onzekerheid dienaangaande werd spoedig opgelost.
De Apachen herkenden binnen weinige oogenblikken de Witte-Gazelle. Wij
hebben reeds elders gezegd hoeveel de Indianen van dit meisje
hielden. Zij ontvingen haar op de beleefdste wijze en geleidden haar
naar den Zwarte-Kat, die onbewegelijk stond te wachten tot zij hem
bereikt had.
Het opperhoofd beschouwde haar eene poos met de meeste oplettendheid.
»Mijne dochter is welkom!" zeide hij, »komt zij de gastvrijheid der
Indianen inroepen?"
»Neen, hoofdman," antwoordde zij ronduit, »ik kom mij met hen
vereenigen tegen de Bleekgezichten, gelijk ik dit reeds vroeger deed,
trouwens," liet zij er op volgen, »gij weet dit even goed als ik,
ik behoef het u dus niet te verzekeren."
»Goed," hernam het opperhoofd, »wij zeggen mijne dochter dank; hare
vrienden zijn thans afwezig, maar wij wachten, wellicht binnen weinige
uren reeds, den Roode-Ceder met zijne Langmessen van het Oosten."
Een wolk van weerzin vloog ongemerkt over het gelaat der Gazelle, maar
zij herstelde zich oogenblikkelijk, bracht haar paard op eene lijn met
dat van den Sachem, en vervolgde het gesprek op onverschilligen toon:
»De Roode-Ceder mag terugkomen wanneer hij kan of wil, mij is dit om
het even," zeide zij. »Ik ben immers de vriendin der Apachen?"
»Dat is zoo," antwoordde de Indiaan met eene buiging.
»Wil mijne dochter haar tocht dadelijk voortzetten?"
»Zoodra gij maar wilt, hoofdman."
»Vertrekken wij dan," zei de Zwarte-Kat zijne volgers een wenk gevende.
De troep jagers zette zich terstond in galop.
Een uur daarna reden zij het kamp binnen, waar zij door de
Apachen-krijgslieden met luide vreugdekreten ontvangen werden.
De Zwarte-Kat liet voor de Gazelle eene calli gereed maken; en nadat
hij de posten bezocht en de berichten der veldontdekkers gehoord had,
kwam hij zich nederzetten bij denzelfden boom, waar de Witte-Gazelle
zich had nedergevlijd om over de nieuwe verplichtingen na te denken,
die zij ten gevolge van hare verbintenis met den Zoon des Bloeds en
ter voltooiing van hare wraak had op zich genomen.
Zij zat dus in diepe gepeinzen de plannen te overwegen die zij ter
bereiking van haar doel noodig achtte.
»Mijne dochter is treurig," zei het oude opperhoofd terwijl hij zijne
pijp vulde en toen aanstak, met behulp van een tamelijk lang stokje met
vederen van verschillende kleur versierd, dat hem als talisman diende;
want zekere bijgeloovigheid, die aan sommige Indianen bijzonder eigen
is, gedoogde niet dat hij het vuur met zijne handen of met iets anders
aanvatte, daar hij meende dat hij dan oogenblikkelijk zou sterven.
»Ja," antwoordde het meisje; »mijn hart is treurig en een sombere
wolk heeft zich over mijn geest uitgespreid."
»Mijne dochter zij getroost," hernam de Sachem, »die zij verloren
heeft zal gewroken worden."
»De bleekgezichten zijn sterk," antwoordde zij, hem scherp aanziende.
»Ja," zei het opperhoofd, »de blanken hebben de kracht van den grauwen
beer, maar de Indianen zijn zoo listig als de bever; laat mijne dochter
derhalve gerust zijn, hare vijanden zullen haar niet ontsnappen."
»Weet mijn vader dat zeker?"
»De Zwarte-Kat is een der groote Sachems van zijn volk, niets is
voor hem verborgen. Op dit oogenblik zijn al de natiën der prairie,
bij welke zich ook de kleurlingen van gemengd bloed hebben gevoegd,
in aantocht om de rots te omsingelen en in te sluiten waar de groote
jager der blanken zich heeft genesteld; morgen omstreeks dit uur
van den dag zullen er misschien zesduizend strijders der Roodhuiden
hier vereenigd zijn. Mijne dochter zal dus kunnen zien of hare wraak
verzekerd is, zoo de bleekgezichten zich althans niet op vleugelen
in de lucht kunnen verheffen of in de diepte der wateren neerduiken,
hetgeen wel onmogelijk is, zijn zij stellig verloren."
Het meisje antwoordde niet en zonder zich verder te bekommeren om
den Indiaan, die haar met doordringenden blik aankeek, stond zij op
en begon onrustig op en neder te wandelen.
»Mijn God! hoe moet dat gaan?" zeide zij half hardop, »zij zijn
verloren! O! dat ik slechts eene vrouw ben, dat ik niets voor hen
doen kan! Hoe zal ik hen redden?"
»Wat zegt mijne dochter toch? Heeft de Wacondah haar verstand
verbijsterd?" vroeg de Zwarte-Kat terwijl hij haar de hand op den
schouder legde en haar staande hield.
Het Spaansche meisje keek hem schichtig aan, maar liet het hoofd op
de beide handen zinken en mompelde met eene gesmoorde stem:
»Mijn God! ik word nog krankzinnig!"
De Zwarte-Kat wierp eerst een bespiedenden blik in het rond en boog
zich toen aan het oor van het meisje.
»Dat mijne zuster mij volge," fluisterde hij met een vaste en
nadrukkelijke stem.
De Witte-Gazelle sloeg de oogen op en keek hem strak aan; het
opperhoofd hield zich den vinger voor den mond, als om haar tot
stilzwijgen te nopen en toen zich omkeerende trad hij dieper het
bosch in.
Het meisje volgde hem met onrustige schreden.
Zij stapten eenige minuten voort.
Eindelijk kwamen zij op den top van een kleinen geheel boomloozen
heuvel, vanwaar het oog naar alle kanten kon uitzien en de ruimte
bespieden.
Hier bleef de Zwarte-Kat staan, en wenkte het meisje te naderen.
»Hier kunnen wij samen keuvelen," zeide hij; »dat mijne zuster spreke,
mijne ooren zijn geopend."
»Wat zou ik kunnen zeggen dat mijn vader nog niet weet?" antwoordde
zij met blijkbaar wantrouwen.
»Mijne dochter wenscht hare blanke broeders te redden, niet
waar?" zeide hij.
»O! ja, ja!" riep zij in vervoering. »Om gewichtige redenen die ik
u niet zeggen kan, zijn de lieden die mij eenige dagen geleden nog
hatelijk waren, mij op eens dierbaar geworden, en nu zou ik hen gaarne
willen redden, al was het met opoffering van mijn eigen leven."
»Ja," zei de oude Indiaan, als sprak hij in zich zelven, »zoo zijn
de vrouwen; als de bladeren, die de wind door het luchtruim drijft,
verandert haar gemoed van richting bij het minste geblaas van den
hartstocht."
»Thans weet gij mijn geheim," hervatte zij bepaald; »het bekommert
mij weinig dat ik er u deelgenoot van maakte, handel naar uw eigen
goeddunken, maar reken niet langer op mij."
»Integendeel," hernam de Apache met zijn gewonen spotachtigen lach,
»ik reken meer op u dan ooit."
»Wat wilt gij zeggen?"
»Wel!" vervolgde de Zwarte-Kat met een bespiedenden blik in het rond,
en terwijl hij zijne stem zooveel mogelijk liet dalen, »ook ik wil
hen redden."
»Gij?"
»Ja, ik. Heeft het groote bleeke opperhoofd mij niet laten ontsnappen
toen ik in het dorp der Comanchen niets anders dan den dood te
verwachten had? Heeft hij mij niet als een broeder met het vuurwater
uit zijn kalebas gelaafd, om mij kracht te geven en in staat te stellen
te paard te stijgen en naar de krijgslieden van mijn stam terug te
keeren? De Zwarte-Kat is een groot opperhoofd. Ondankbaarheid is
een ondeugd der blanken. Dankbaarheid is een deugd der Rooden. De
Zwarte-Kat zal zijn broeder redden."
»Ik dank u, hoofdman, ik dank u!" riep het meisje, terwijl zij de ruwe
handen van den ouden Indiaan in hare kleine mollige handen drukte,
»ik dank u voor uwe edele trouw. Maar helaas! de tijd verloopt zoo
snel; binnen weinige uren is het morgen en misschien slagen wij niet."
»De Zwarte-Kat is voorzichtig," antwoordde de Sachem.
»Laat mijne zuster luisteren; maar wacht! misschien zou zij niet
ongaarne hare vrienden gaan verwittigen dat zij voor hen waakt."
De Witte-Gazelle glimlachte, maar antwoordde niet. De Indiaan floot
op eene bijzondere manier.
De Zonnestraal verscheen.
VIII.
DE ZWARTE-KAT EN DE EENHOORN.
De Zwarte-Kat koesterde voor Valentin eene onbegrensde dankbaarheid
wegens de edelmoedige wijs waarop deze hem eenmaal het leven had gered.
Het opperhoofd zocht met alle mogelijke middelen de schuld af te
doen die hij na den aanval van het kamp der bandieten had op zich
genomen, een aanval gedurende welken hij den jager reeds krachtdadig
had ondersteund door zich den snel stroomenden Rio-Gila te laten
afdrijven in de bisonsvellen-prauwen, die hij op raad van Valentin
had samengesteld.