Het meisje opende de oogen weder, viel Stefano om den hals en schreide

van blijdschap.

»O! mijn oom, mijn oom! heb ik dan eindelijk een bloedverwant! mijn

God, ik dank u!"

Het gezicht van den jager werd ernstig.

»Gij hebt gelijk, mijn kind," zeide hij; »dank God, want Hij is het

die gewild heeft dat ik u zou wedervinden op het graf zelf van hen,

die wij beiden sedert zoo lang beweenden."

»Wat bedoelt gij daarmede, oom?" vroeg zij verwonderd.

»Volg mij, mijne dochter," antwoordde de woudlooper, »volg mij en

gij zult alles weten."

De Gazelle stond met moeite op en volgde hem op zijn arm geleund. Aan

den ernst, waarmede don Stefano sprak, had Mercédes wel gehoord dat

haar oom haar iets zeer gewichtigs te verklaren had.

Zij konden tusschen de bouwvallen slechts moeielijk voort, door al

het hooge gras en de warrige struiken en slingerplanten die er waren

opgewassen.

Toen zij bij het kruis kwamen, bleef de Zoon des Bloeds staan.

»Kniel neder, Mercédes!" zeide hij haar met een droevige stem, »het is

hier dat vijftien jaar geleden uw vader en moeder in een dergelijken

nacht als deze door mij begraven werden."

Het meisje zonk zonder een woord te spreken op de knieën; don Stefano

volgde haar voorbeeld.

Beiden baden zeer lang met tranen en snikken. Eindelijk stonden zij

weder op.

Don Stefano gaf de Gazelle een wenk om zich aan den voet van het

kruis neder te zetten, hij nam plaats aan hare zijde, en na zich

met de hand over het voorhoofd te hebben gestreken, als om zijne

gedachten te verzamelen, hervatte hij het gesprek met een doffe stem,

die ondanks zijn vasten wil beefde van aandoening.

»Luister wel toe, mijn kind, want hetgeen gij hooren zult, kan wellicht

dienen om ons, zoo zij nog bestaan, de moordenaars van uw vader en

moeder te doen wedervinden."

»Spreek, oom," antwoordde het meisje met een vaste stem. »Ja, gij hebt

gelijk, het is daarom dat God ons weder zoo gelukkig bij elkander heeft

gebracht; geloof het vrij, Hij zal nooit gedoogen dat de moordenaars

langer ongestraft blijven."

»Amen!" zei don Stefano, »sinds vijftien jaren wacht ik met geduld op

het uur der wraak. Ik hoop dat God mij ondersteunen zal zoolang tot

het slaat; uw vader en ik woonden eens samen op de plaats waar wij ons

thans bevinden. Op dezen heuvel stond eens een uitgestrekte hacienda

die wij er hadden doen bouwen; de omliggende velden behoorden aan ons

en waren door tweehonderd peones ten onzen behoeve, op onze kosten

ontgonnen. God zegende ons werk, zoodat het alleszins voorspoedig

ging; ieder in het land achtte en beminde ons, want ons huis was

altijd open om den ongelukkige of hulpbehoevende te ontvangen."

»Maar ofschoon ook al onze landgenooten ons hoogachtten, en onze

ondernemingen toejuichten, de bewoners eener naburige hacienda

daarentegen hadden ons een onverzoenlijken haat toegezworen. Om welke

reden? Dit heb ik nooit kunnen te weten komen. Was het jaloezie,

laaghartige nijd? wat het ook wezen mocht, zooveel was zeker, die

lieden haatten ons. Zij waren drie in getal, en behoorden niet tot

onzen landaard noch tot het Spaansche ras. Het waren Noord-Amerikanen,

of althans zoover ik weet, want ik heb nooit gemeenzaam genoeg met hen

in betrekking gestaan om mij hiervan te verzekeren; maar ten minste een

van hen was inderdaad een Noord-Amerikaan, met name Wilke. Intusschen,

hoe levendig de haat die ons scheidde ook wezen mocht, hij hield zich

stil en niets deed veronderstellen dat hij eenmaal zoo vreeselijk

zou uitbreken. Onder deze bedrijven werd ik door belangrijke zaken

verplicht eenige dagen op reis te gaan. Uw vader en ik, arm kind,

konden nauwelijks van elkander scheiden, het was alsof een heimelijk

voorgevoel van dreigend onheil ons terughield.

»Ik vertrok. Toen ik terugkwam was de hacienda tot den grond

toe verwoest, ik vond niets dan eenige kale muren en rookende

puinhoopen. Mijn broeder en onze gansche familie zoowel als al onze

bedienden waren vermoord."

Don Stefano hield op.

»Voltooi uw treurig verhaal, oom," zeide het meisje kortaf, »ik moet

alles weten ten einde in uwe wraak voor de helft te kunnen deelen."

»Dat is zoo," antwoordde don Stefano, »maar ik heb bijna niets meer

te zeggen en zal het kort maken. Meer dan eene maand lang zwierf ik

rond tusschen die rookende puinhoopen, de lijken zoekend van hen

die mij dierbaar waren, en toen ik hen eindelijk na ongelooflijke

moeite allen gevonden en zorgvuldig begraven had, zwoer ik op hun

graf dat ik hen zou wreken. Dezen eed heb ik vijftien jaar lang met

nauwgezetheid gehouden; ongelukkigerwijs, hoeveel schuldigen ik ook

moge verslagen hebben, zijn de hoofdaanleggers van het komplot mij

tot dusver steeds ontsnapt, want ondanks al mijne pogingen heb ik hen

niet kunnen achterhalen. Uw vader dien ik stervend op de ruïne vond,

had in mijne armen den laatsten adem uitgeblazen zonder mij zijne

moordenaars te kunnen noemen, en ofschoon ik zware vermoedens heb

om Wilke en zijne kameraden te beschuldigen, is mij nog geen bewijs

in handen gekomen om mijn twijfel tot zekerheid te brengen, en zijn

de namen der schuldigen mij steeds onbekend. Eergisteren slechts,

toen ik dien nietswaardigen Sandoval vallen zag, meende ik eindelijk

een hunner ontdekt te hebben."

»Daarin hebt gij u niet bedrogen, oom, die man was werkelijk

een van onze beroovers," antwoordde Mercédes met eene vaste stem.

»En de anderen?" vroeg don Stefano met drift.

»De anderen, die ken ik, oom!"

Bij deze verklaring gaf don Stefano een schreeuw die naar het brullen

van een wild dier geleek.

»Eindelijk!" riep hij met zulk eene woeste uitbarsting van vreugde

dat de Gazelle er schier van schrikte.

»Mag ik nu zoo vrij zijn u eene vraag te doen, oom," hervatte zij,

»dan zal ik daarna de uwe beantwoorden, zoo gij mij iets mocht te

vragen hebben?"

»Spreek, kind."

»Waarom hebt gij u van mij meester gemaakt en mij herwaarts gebracht?"

»Omdat ik dacht dat gij de dochter waart van Sandoval en ik u daarom

op het graf zijner slachtoffers wilde dooden," antwoordde de Zoon

des Bloeds met eene bevende stem.

»Hebt gij dan niet gehoord wat die man mij gezegd heeft?"

»Neen: toen ik u bij hem gebogen zag, dacht ik dat gij hem in zijne

laatste oogenblikken bijstondt. Uwe bezwijming, die ik aan uwe

droefheid toeschreef, bevestigde mij in mijn vermoeden; dat was de

reden waarom ik naar u toesnelde zoodra ik u vallen zag..."

»Maar die brief, dien gij mij hebt afgenomen, zou u alles hebben

geopenbaard."

»Wel! denkt gij dan, kind, dat ik mij de moeite heb gegeven dien te

lezen? Neen, ik heb u alleen herkend aan den rozenkrans die om uw

hals hing."

»Is 't mogelijk!" riep het meisje op een toon van overtuiging. »Gods

hand is in al deze dingen; Hij was het die alles bestuurde!"

»Noem mij nu op uwe beurt de moordenaars, Mercédes."

»Geef mij eerst den brief terug, oom."

»Ziedaar," zei don Stefano haar den brief overhandigende.

De Gazelle nam dien driftig aan, en scheurde hem in duizend kleine

stukjes.

De Zoon des Bloeds staarde met stomme verbazing op dit koene bedrijf

daar hij niets van begreep; toen het laatste stukje papier op den

adem des winds verdwenen was wendde het meisje zich tot haar oom:

»Gij wilt de namen van mijns vaders moordenaars weten, oom, niet

waar?" zeide zij.

»Ja."

»Gij staat er op dat de wraak die gij zoo lang gezocht hebt, u niet

ontsnappe nu gij op het punt zijt van haar te bereiken?"

»Ja."

»En eindelijk, gij wilt den eed dien gij gezworen hebt ten strengste

volvoeren."

»Ja," antwoordde don Stefano ongeduldig. »Maar waartoe al deze vragen,"

vervolgde hij ongeduldig.

»Ik zal het u zeggen, oom," zeide zij, haar hoofd met zonderlinge

fierheid verheffende, »ook ik heb een eed gezworen dien ik niet

wil breken."

»Welk een eed?"

»Dien van mijn vader en moeder te wreken! en om dien te vervullen

moet ik vrij zijn om naar eigen goedvinden te handelen; derhalve zal

ik u die namen niet openbaren voor dat de tijd daar is; heden kan ik

het nog niet."

Er blonk in het zwarte oog der Gazelle zoo veel vastheid van wil,

dat de Zoon des Bloeds er van afzag om haar tot zijne wenschen over

te halen; hij begreep dat elke aandrang van zijne zijde te vergeefs

zou zijn.

»'t Is goed," zeide hij, »laat het dan zoo zijn, maar zweer gij

mij dan...."

»Dat gij alles weten zult wanneer de tijd daar is!" riep zij de

rechterhand naar het kruis uitstrekkende.

»Dat woord is mij genoeg; maar ik mag toch immers wel weten wat gij

voornemens zijt te doen?"

»Tot op zeker punt, ja."

»Ik hoor u."

»Hebt gij een paard?"

»Het staat aan den voet van den heuvel."

»Breng het mij hier, oom, en laat mij vertrekken, opdat niemand kennis

drage van de banden die ons vereenigen."

»Ik zal stil zijn als het graf."

»Wat gij ook ziet, of hoort, of wat men u van mij vertellen mag, geloof

niets, verwonder u over niets; maar zeg bij u zelven dat ik handel in

het belang van onze gemeenschappelijke wraak, want dat alleen is waar."

Don Stefano schudde het hoofd.

»Gij zijt nog wat jong, kind, voor zulk een zware taak," zeide hij.

»God zal mij helpen, oom," antwoordde zij met een blik vol dwependen

ijver; »mijne taak is rechtvaardig en heilig, want ik wil de

moordenaars van mijn vader straffen."

»Het zij dan zoo, als gij wilt," hernam hij. »Gij hebt naar waarheid

gezegd dat uwe taak rechtvaardig en heilig is, en ik heb het recht

niet om u te beletten haar te volbrengen."

»Ik zeg u dank, oom," riep het meisje met gevoel, »en terwijl ik

nu op mijns vaders graf ga bidden, zult gij mij uw paard brengen,

zoodat ik onverwijld kan vertrekken."

Don Stefano verwijderde zich zonder te antwoorden.

De Witte-Gazelle knielde neder aan den voet van het kruis.

Een half uur later, na vooraf haar oom teeder omhelsd te hebben, steeg

zij te paard en reed weg in galop in de richting van het Verre Westen.

De Zoon des Bloeds oogde haar na zoolang hij in de duisternis iets

van haar zien kon. Toen zij eindelijk verdwenen was, knielde hij op

zijne beurt op het graf en murmelde met eene doffe stem:

»Zal het haar gelukken?.... Wie weet?" vervolgde hij op een toon die

zich niet laat beschrijven.

Hij bad tot de dag aanbrak.

Met de eerste stralen der rijzende zon, keerde don Stefano naar zijne

kameraden terug; ook hij begaf zich naar het Verre Westen.

VI.

DE APACHEN.

Op het knallen van het pistoolschot, waarmede Pedro Sandoval een einde

aan zijn rampzalig leven maakte, waren, zooals wij in ons vorig verhaal

gezegd hebben [3], de Apachen, die zich tot dusver buiten het bereik

zijner stem bevonden, onverwijld toegesneld.

De Roode-Ceder had den Zoon des Bloeds, toen deze hem de Witte-Gazelle

ontvoerde, een poos nagezet, doch zonder vrucht, zoodat hij zich

genoodzaakt zag onverrichter zake naar zijne kameraden terug te keeren.

Deze waren intusschen reeds bezig met het maken der noodige

toebereidselen om den ouden bandiet te begraven, wiens lijk zij niet

wilden blootstellen om door de wilde dieren verscheurd of door de

roofvogels verslonden te worden.

Pedro Sandoval was zeer bemind bij de Apachen, met welke hij lang in

betrekking gestaan had en die in menige omstandigheid zijn moed en

vooral zijne bekwaamheden als strooper hadden leeren op prijs stellen.

Stanapat had nu zijn troep verzameld en bevond zich aan het hoofd

van een aantal onverschrokken krijgslieden.

Hij verdeelde hen in twee detachementen en naderde toen den

Roode-Ceder.

»Wil mijn broeder de woorden van een vriend hooren?" vroeg hij hem.

»Dat mijn vader spreke, al is mijn hart droevig, mijne ooren zijn

geopend," antwoordde de Squatter.

»Goed," hernam de Sachem; »mijn broeder neme een gedeelte van mijne

jongelieden om met hen de Bleekgezichten na te jagen; intusschen

zal ik de noodige lijkplichten aan den dooden blanken krijgsman

wel volbrengen."

»Kan ik aldus een vriend verlaten eer zijn lijk aan de aarde is

teruggegeven?"

»Mijn broeder moet weten wat hem te doen staat, maar de Bleekgezichten

verwijderen zich snel."

»Gij hebt gelijk, hoofdman; ik vertrek, maar ik heb uwe krijgslieden

niet noodig; mijne gezellen zijn voldoende. Waar zal ik u terug

vinden?"

»Aan de teocali van den Zoon des Bloeds."

»Goed; zal mijn broeder daar spoedig zijn?"

»Binnen twee dagen."

»Eer de tweede zon ondergaat ben ik met al mijne krijgslieden bij

den Sachem."

Stanapat boog het hoofd zonder te antwoorden.

De Roode-Ceder trad naar het lijk van Sandoval, bukte en greep de

kille hand van den doode.

»Vaarwel, broeder," zeide hij; »vergeef mij dat ik uwe begrafenis

niet zal bijwonen, maar een belangrijke plicht roept mij elders;

ik ga u wreken. Vaarwel oude kameraad, rust in vrede; uwe vijanden

zullen niet vele dagen meer tellen; vaarwel!"

Na deze lijkrede gaf de Squatter zijne makkers een wenk, groette

Stanapat nog eens en reed weg in galop, door de overige bandieten

gevolgd.

Nadat zij hunne bondgenooten hadden zien verdwijnen, hervatten de

Apachen de aanstalten voor de lijkplechtigheid, die gedurende het

gesprek van hun opperhoofd met den roover gestaakt waren.

Stanapat nam zelf de taak op zich om het lijk te wasschen en het

aangezicht van den overledene met allerlei kleuren te beschilderen,

terwijl de overige Indianen er omheen stonden te jammeren en te

huilen, en sommigen, wier droefheid grooter of meer overdreven was,

zich met een mes in de armen sneden of met een enkelen slag van hun

hartsvanger den top van een der vingers aan de linkerhand afhakten

ten teeken van rouw.

Toen alles gereed was plaatste de Sachem zich aan het hoofd van het

lijk en richtte het woord tot de omstanders in dezer voege:

»Waarom weent gij?" zeide hij, »waarom jammert gij? Gij ziet wel dat ik

niet ween, ik, die zijn oudste en trouwste vriend ben geweest. Hij is

naar het andere land gegaan, de Wacondah heeft hem tot zich geroepen;

ofschoon wij hem niet tot ons kunnen doen wederkeeren, is het onze

plicht hem te wreken! De Bleekmuilen hebben hem gedood, wij zullen

zooveel Bleekgezichten dooden als wij kunnen, om hem een goed geleide

te bezorgen, opdat hij met een talrijken stoet trawanten voor den

Wacondah verschijne, gelijk een beroemd krijgsman voegt! Dood aan

de Bleekgezichten!"

»Dood aan de Bleekgezichten!" herhaalden de Indianen met hunne wapens

zwaaiend.

De Sachem wendde het hoofd af en een verachtelijke glimlach plooide

om zijne bleeke lippen bij deze geestdrijvende uitbarsting.

Doch die glimlach duurde slechts een ondenkbaar oogenblik en terwijl

Stanapat dadelijk zijne Indiaansche gevoelloosheid weder aannam,

begon hij met al de bij dergelijke gevallen gebruikelijke deftigheid,

het lijk op de wijze der Roodhuiden aan te kleeden en te omhullen

met de schoonste mantels en de rijkste dekens die men vinden kon.

Vervolgens werd het lijk in zittende houding in den bereids gedolven

kuil geplaatst, welks bodem en zijwanden vooraf met hout waren belegd;

een stel paardentuig, een zweep, eenige wapenen en andere voorwerpen

werden mede in het graf gelegd; daarop wierp men er de aarde overheen

en bedekte het zorgvuldig met een aantal groote steenen, om te beletten

dat de wolven het lijk zouden opgraven.

Deze plicht volbracht zijnde, stegen de Apachen, op een wenk van hun

opperhoofd, te paard en reden in galop den weg op naar de teocali

van den Zoon des Bloeds, zonder verder aan hun kameraad te denken,

dien zij zoo plechtig ter aarde hadden besteld en daar zij nu van

scheidden alsof hij nooit bestaan had.

De Apachen marcheerden drie dagen achtereen; op den vierden avond,

na eene vermoeiende dagreis door eene zandige vlakte, maakten zij

halt omtrent een mijl ver van de Rio Gila, in een dicht bosch, dat

hen goede gelegenheid gaf om er zich in te verbergen.

Zoodra het kamp was opgericht zond Stanapat naar alle zijden

verspieders uit, om te zien of er ook andere gewapende benden van de

verbondene natiën in de nabijheid waren, en tevens of zij ook sporen

van den Roode-Ceder konden ontdekken.

Nadat de schildwachten waren uitgezet, want in het Verre Westen

houden de verschillende Indianenstammen zorgvuldig de wacht wanneer

zij op het oorlogspad zijn--ging Stanapat al de posten bezoeken en

maakte hij zich gereed om het bericht der veldontdekkers te hooren,

van welke verscheidene reeds waren teruggekeerd.

De drie eersten die hij ondervroeg meldden hem weinig bijzonders,

zij hadden niets verontrustends gezien.

»Goed!" zei het opperhoofd, »de nacht is donker, mijne jonge lieden

hebben mollenoogen; morgen, met het opgaan der zon zullen zij wel

klaarder zien; van nacht kunnen zij gaan slapen. Met het eerste

morgendagen zullen zij weder uitgaan; wellicht dat zij dan iets

ontdekken zullen." En hij wenkte hen met de hand dat zij zich konden

verwijderen.

Zij bogen eerbiedig voor hun opperhoofd en gingen zwijgend heen.

Maar een van hen bleef stil en onbewegelijk staan, als ware het bevel

niet tot hem gericht geweest. Stanapat wendde zich tot hem en na hem

een poos te hebben aangezien zeide hij:

»Mijn zoon de Vlugge-Eland heeft mij zeker niet verstaan, hij ga ook

heen even als zijne kameraden."

»De Vlugge-Eland heeft zijn vader verstaan," antwoordde de Indiaan

onverschrokken.

»Waarom blijft hij dan hier?" zei Stanapat.

»Omdat hij niet gezegd heeft wat hij gezien heeft, en omdat hetgeen

hij zag voor het opperhoofd van gewicht is."

»Ooah!" riep Stanapat. »En wat heeft mijn zoon dan gezien dat zijne

kameraden niet zouden gezien hebben?"

»De andere krijgslieden waren elders aan 't zoeken, daarom hebben

zij het spoor niet gezien dat ik gevonden heb."

»Heeft mijn zoon dan een spoor gevonden?"

De Indiaan boog toestemmend.

»Ik verwacht dat mijn zoon zich nader verklare," hervatte de Sachem.

»De Bleekgezichten zijn slechts twee pijlschoten ver van het kamp

van mijn vader verwijderd," antwoordde de Indiaan lakoniek.

»Ooah!" riep de Sachem twijfelmoedig, »dat schijnt mij te sterk!"

»Wil mijn vader het zien?"

»Ik wil het zien," zei Stanapat opstaande.

»Mijn vader volge mij, en hij zal het dadelijk zien."

»Gaan wij."

De twee Indianen gingen op weg. De Vlugge-Eland leidde den Sachem het

bosch door en toen zij aan den oever der rivier kwamen, wees hij hem

op korten afstand eene rots, wier zwarte gestalte zich zwijgend en

statig aan den somberen oever der Gila verhief.

»Daar zijn zij," zeide hij met de hand naar de rots wijzende.

»Heeft mijn zoon hen gezien?"

»Ik heb hen gezien."

»Dat is de rots van den Dolle-Bison, als ik het wel heb," hervatte

de Sachem.

»Ja," antwoordde de Roodhuid.

»Ooah! die stelling zal moeielijk te nemen zijn," mompelde de Sachem

terwijl hij de rots nauwkeuriger opnam.

Deze plaats heette werkelijk de rots of heuvel van den Dolle-Bison. Om

welke reden men haar dezen naam gaf, dien zij nog draagt, zullen wij

hier kortelijk vermelden.

Omtrent vijftig jaar geleden hadden de Comanchen een beroemd

opperhoofd, die zijn stam tot den krijgshaftigsten en meest geduchten

van alle volken in het Verre Westen verhief. Dit opperhoofd heette

Stomish-Washin-Ghu, of Dolle-Bison, en was niet slechts een groot

krijgsheld maar ook een groot staatsman. Met behulp van zekere

vergiften, en inzonderheid door rottenkruit, dat hij voor pelterijen

van de blanke kooplieden inruilde, gelukte het hem zich van al

zijne tegenstanders te ontdoen, en tevens zijnen onderdanen een aan

bijgeloovige vrees grenzenden eerbied in te boezemen.

Toen hij eindelijk zijn eigen dood voelde naderen en begreep dat zijn

laatste uur weldra slaan zou, wees hij eene bepaalde plaats aan waar

hij verlangde begraven te worden.

Dit was eene kegelvormige rotskolom van graniet en zand, van omtrent

145 ellen hoogte.

Deze natuurlijke kolom bestrijkt tot op verren afstand de rivier, die

haar voet bespoelt en na verscheidene bochten in de vallei gemaakt

te hebben er andermaal dicht voorbij stroomt. De Dolle-Bison beval

dat men zijn graf boven op den top der rots zou stichten, op welks

top hij vaak gewoon was zich neder te zetten.

Zijn laatste wil werd uitgevoerd met al de getrouwheid die de Indianen

in dergelijke gevallen eigen is.

Zijn lijk werd op de kruin van de rots geplaatst alsmede zijn beste

strijdpaard. Beiden werden met zand en steenen bedekt en tot een

kleinen heuvel opgehoopt. In deze ruwe tombe werd een stok geplaatst,

aan welke de banier van den Sachem hing, tegelijk met de tallooze

hoofdschedels die hij gedurende zijn leven op zijne vijanden had

buitgemaakt.

Aldus werd de berg van den Dolle-Bison eene plaats van vereering

voor de Indianen, waar ieder Comanch als hij voor de eerste maal

ten strijde zal trekken, zijn oorlogsmoed komt bekrachtigen door het

aanschouwen van den lagen heuvel waar het skelet van den krijgsman

en zijn paard rust.

Stanapat beschouwde den heuvel met de meeste oplettendheid; het was

inderdaad eene sterke schier onneembare stelling.

De blanken hadden haar bovendien zoo veel mogelijk versterkt door het

omhakken der grootste op het terrein aanwezige boomen en door het

oprichten van zware palissaden, uit scherp gepunte palen bestaande

en over hare geheele lengte beschermd door eene droge gracht van

zes ellen diepte. Aldus gewapend was de heuvel in eene wezenlijke

vesting herschapen, die althans niet zonder een regelmatig beleg kon

genomen worden.

Stanapat trad het bosch weder in, gevolgd door zijn metgezel en keerde

naar zijn kampement terug.

»Is het opperhoofd voldaan over zijn zoon?" vroeg de Indiaan eer hij

zich verwijderde.

»Mijn zoon heeft oogen als een tapir, niets ontgaat hem."

De Vlugge-Eland glimlachte fier en maakte een edele buiging.

»Kent mijn zoon," vervolgde de Sachem op vleienden toon, »de

Bleekgezichten ook, die zich op den Dolle-Bisonsheuvel hebben

verschanst."

»De Vlugge-Eland kent hen," antwoordde de Indiaan.

»Ooah," riep Stanapat. »Zou mijn zoon zich niet vergissen, heeft hij

de voetsporen wel goed herkend?"

»De Vlugge-Eland vergist zich nooit," antwoordde de Indiaan met eene

vaste stem; »het is een vermaard krijgsman."

»Mijn zoon heeft gelijk: hij spreke."

»Het bleeke opperhoofd dat zich van gindschen Dolle-Bisonsberg heeft

meester gemaakt is de groote blanke jager dien de Comanchen als zoon

hebben aangenomen en die den naam draagt van Koutonepi."

Stanapat ontstelde zichtbaar en kon zich niet bedwingen om uit

te roepen:

»Ooah! zou dat mogelijk zijn! weet mijn zoon zeker dat Koutonepi zich

op den Bisonsheuvel heeft verschanst."

»Stellig zeker;" antwoordde de Indiaan zonder aarzelen.

Stanapat gaf den Vlugge-Eland een wenk zich te verwijderen; hij liet

het hoofd op de beide handen zinken en verdiepte zich in ernstige

gepeinzen.

De Apache had wel goed gezien; werkelijk bevonden Valentin en zijne

gezellen zich op de rots.

Na den dood van dona Clara had de Franschman met zijne vrienden den

Roode-Ceder onverwijld nagezet, zonder zelfs in hunnen dorst naar

wraak te wachten tot de aardbeving geheel zou geweken zijn en de

natuur haar gewonen loop zou hebben hervat.

Dank zij zijne veeljarige ondervinding als spoorzoeker had Valentin den

vorigen avond een talrijken troep Apachen in zijne nabijheid ontdekt,

en daar hij uithoofde zijner geringe getalsterkte niet gaarne met

hen in het open veld wilde strijden, was hij den Dolle-Bisonsheuvel

opgeklauterd, vast besloten om er zich hardnekkig te verdedigen, zoo

zij het wagen durfden hem in zijne onneembare vesting aan te tasten.

Op een van zijne veelvuldige tochten door de prairiën had de vlugge

Franschman deze rots opgemerkt en dadelijk gezien dat hare ligging

sterk genoeg was, om het er met goed gevolg tegen een aanzienlijk

getal vijanden vol te houden. Hij had toen het plan reeds gevormd

zich deze rots ten nutte te maken, wanneer de omstandigheden hem

eenmaal mochten noodzaken eene veilige wijkplaats te zoeken.

Zonder verder tijdverlies hadden de jagers er zich versterkt.

Zoodra de verschansingen gereed waren, klom Valentin boven op de

tombe van den Dolle-Bison om van daar over de vlakte uit te zien en

den omtrek te bespieden.

Het was toen omstreeks het midden van den dag. Van de hoogte waar de

Franschman zich bevond kon hij een onbegrensd terrein overzien.

De prairie en de rivier waren verlaten; aan den horizont vertoonde

zich niets, dan hier en daar een troep buffels of bisons, deels

weidende in het dichte gras, deels vadsig op den grond uitgestrekt.

De lynch-wet · 第 3 / 29 段