»Gij ziet het, kind," zeide hij op strengen toon, »gij begint mij
reeds te bedreigen!"
De jongman zonk geheel verslagen op den grond neder.
»O!" riep hij wanhopig, »heb ik nog niet genoeg geleden!"
Valentin beschouwde hem een poos met innig medelijden, toen boog hij
naar hem toe en legde hem de hand op den schouder.
»Luister naar mij, don Pablo," zeide hij met eene zachtzinnige stem.
IV.
EEN BLIK TERUG.
Wij zullen thans ons verhaal hervatten van het punt waar wij het aan
het slot van de Roovers der Prairiën gelaten hebben.
Gedurende een tijdsverloop van zes maanden sedert den dood van dona
Clara, hadden er zekere gebeurtenissen plaats gehad, die de lezer
volstrekt weten moet om hem te doen begrijpen hetgeen volgen zal.
Men herinnert zich zonder twijfel dat de Witte Gazelle, terwijl zij
in bewusteloozen toestand naast het lijk van Sandoval lag, door den
Zoon des Bloeds was opgenomen.
Laatstgenoemde had het meisje dwars voor zich op den hals van zijn
paard geworpen, en was spoorslags met haar weggereden in de richting
der teocali die hem tot verblijf en tevens tot sterkte diende.
Wij zullen thans deze twee gewichtige personages, die wij maar al te
lang verwaarloosd hebben, op hun spoor volgen.
Het was verschrikkelijk om aan te zien, zoo teugelloos snel als de
Zoon des Bloeds voortholde.
In den donkeren nacht, die vormlooze groep, van het paard met zijne
twee menschelijke wezens bevracht, dat de nachtelijke duisternis
gedurig verlichtte door de vonken die het uit de keien op den weg
deed ontspringen.
De forsche hoeven van het voortijlende dier verpletterden alles wat
zij aanraakten, terwijl het met spitsen neus en uitgerekten hals de
lucht doorkliefde.
De ooren achterwaarts gestrekt en uit de opgesperde neusgaten
dampwolken spuitend, die lange witte sporen achter zich lieten, stoof
het voort, hijgend en snuivend, met het gebit tusschen de gesloten
tanden, wit van de schuimvlokken en telkens brieschende van smart,
terwijl zijne flanken onophoudelijk door de felle sporen van zijn
ongeduldigen berijder geteisterd, rookten van zweet en bloed.
Maar hoe meer het zijn loop versnelde, des te meer trachtte de Zoon
des Bloeds het aan te zetten en zijne snelheid te vermeerderen.
Boomen, rotsen, moerassen, heuvels, alles vloog met ongehoorde vaart
aan weerszijden van den weg voorbij.
De Witte Gazelle had zich tot bewustzijn voelen terugbrengen door de
korte en hortende schokken die het rennende paard aan haar lichaam
mededeelde.
Haar ontbonden haren van ongewone lengte sleepten door het stof,
hare ten hemel gerichte oogen zwommen in tranen van wanhoop, verdriet
en onmacht.
Op gevaar af van zich het hoofd tegen de steenen langs den weg te
verpletteren, deed zij vergeefsche pogingen om aan de armen van haren
schaker te ontsnappen.
Doch deze, de woeste blikken vol onmiskenbare vreugd op haar gericht
houdende, scheen niets te gevoelen van den schrik dien hij het jonge
meisje veroorzaakte, of liever hij scheen er een onbeschrijfelijken
wellust in te vinden.
Zijne hardvochtig saamgetrokken lippen lieten van tijd tot tijd
een scherp gefluit hooren, dat dienen moest om de drift van zijn
mustang aan te vuren, die door den aandrang van zijn berijder als
razend geworden, om zoo te zeggen niet meer aan den grond raakte
en de ruimte scheen te verslinden als het spookros uit de Duitsche
ballade van Bürger.
Het meisje gaf een gil.
Maar die kreet ging verloren in de sombere echoos, weggedragen op
den wervelwind van dezen onzinnigen loop.
Het paard rende altijd voort.
Op eens wist de Witte Gazelle, al hare krachten verzamelende, zich
zoo schielijk los te rukken dat hare voeten reeds bijna den grond
raakten; doch de Zoon des Bloeds was op zijne hoede en eer zij nog in
staat was haar evenwicht te herstellen, bukte hij zonder zijn paard
een oogenblik te vertragen en het meisje bij de lange haarvlechten
vattende, hief hij haar op en zette haar weder op hare vorige plaats.
Een snik ontsnapte de borst der teleurgestelde Gazelle en zij viel
weder in flauwte.
»Ha! gij ontsnapt mij niet," riep de Zoon des Bloeds, »niemand op de
wereld zal u aan mijne handen ontrukken."
Intusschen had de nacht plaats gemaakt voor den dag.
De zon verrees in al haren luister uit de kimmen.
Duizenden vogels begroetten met lustig gezang den terugkeer van
het licht.
De natuur was vroolijk ontwaakt en de hemel, van het doorzichtigste
blauw, beloofde een dier schoone dagen, die het gezegende klimaat
dezer gewesten als zijn uitsluitend eigendom schijnt te bezitten.
Eene vruchtbare landstreek vol van de heerlijkste verscheidenheid
breidde zich uit links en rechts van den weg, tot waar zij als in de
verte verdween en met den horizon ineensmolt.
Het schijnbaar levenloos lichaam der Gazelle hing aan weerszijden
van het paard, weerloos te balanceeren op iedere beweging die zijn
galop haar mededeelde.
Het laag afhangend hoofd met doodelijke bleekheid bedekt, de lippen
blauw en half geopend, de tanden gesloten, met ontblooten boezem en
hijgende borst, trilde zij onder de forsche hand van den Zoon des
Bloeds die haar loodzwaar drukte.
Eindelijk bereikten zij een grot, waar een veertigtal Indianen ten
oorlog toegerust, gekampeerd lagen.
Die mannen waren het volk van den Zoon des Bloeds.
Hij gaf hun een wenk, en zij brachten hem een paard.
Het werd tijd: want nauwelijks stond het dier, dat hem tot hiertoe
gedragen had, stil of het zakte ineen en uit zijne neusgaten, mond
en ooren stroomde een zwart branderig bloed.
De ruiter besteeg oogenblikkelijk het versche paard, nam het meisje
weder in zijne armen en reed andermaal voort.
»Naar de Hacienda Quamada!" [2] riep hij.
De Indianen, die blijkbaar alleen op de komst van hun chef hadden
gewacht, volgden hem onmiddellijk.
Weldra ijlde de geheele troep met den Onbekende aan het hoofd in
vliegenden galop voorwaarts, gehuld in een dikke wolk van stof die
zij rondom zich opjoeg.
Na een rit van vijf uren, die in snelheid alle beschrijving
voorbijstreeft, zagen de Indianen in de blauwende verte de hooge
torenspitsen eener stad boven eene massa rook en dampen uitsteken.
De Zoon des Bloeds en zijn troep hadden de grenzen van het Verre
Westen bereikt en waren buiten de woestijn.
De Roodhuiden reden een weinig links af en galoppeerden dwars door
de velden en bouwlanden, met roekeloozen moedwil de rijpe oogsten
vertrappende die ze bedekten.
Na verloop van omtrent een half uur bereikten zij den voet van een
heuvel die zich midden in de vlakte verhief.
»Wacht mij hier," riep de Onbekende, zijn paard inhoudende; »en wat
er ook gebeure, verroert u niet voor dat ik weder bij u kom."
De Indianen bogen ten teeken van gehoorzaamheid en nu zijn paard de
sporen gevende reed hij met gevierden teugel weg.
Deze rit duurde niet lang.
Nauwelijks was de Zoon des Bloeds uit het oog zijner volgers of hij
hield stil en steeg af.
Na zijn paard onttuigd te hebben, om het des te beter en naar hartelust
het hooge en malsche gras op de vlakte te laten afknabbelen, nam
de Onbekende het meisje weder op, dat hij een poos op de zoden had
neergelegd waar zij roerloos was blijven liggen, en maakte zich gereed
om met haar den heuvel te bestijgen.
Het was nu reeds avond, het uur waarop het vogelenkoor zijn laatste
lied aanstemde voor de ondergaande zon, wier vurige schijf juist in
de kimmen zonk en met hare schuinsche stralen geen helder licht meer
verspreidde. De schaduw nam met rassche schreden toe.
Intusschen verhief zich de wind met eene kracht die van minuut tot
minuut aanwies; de hitte was drukkend; dikke zwarte wolken met grijze
randen, door een storm in de bovenlucht voortgestuwd, dreven zwaar
door het uitspansel en schenen steeds lager op de aarde af te dalen.
Kortom, alles verkondigde voor den aanstaanden nacht een dier
ontzettende orkanen zoo als men ze alleen in deze streken ontmoet en
die de kloekhartigste mannen van schrik doen verbleeken.
De Zoon des Bloeds was steeds klimmende, met het meisje in zijne armen,
wier verbleekt hoofd gevoelloos op zijn schouder rustte.
Lauwe regendroppels zoo groot als piasters begonnen bij tusschenpoozen
te vallen en het aardrijk te besprenkelen, dat ze onmiddellijk inzoog.
Een scherpe en doordringende reuk wasemde uit den grond en bezwangerde
den dampkring.
De Zoon des Bloeds klom steeds met denzelfden fermen langzamen stap
met gebukt hoofd en gefronste wenkbrauwen.
Eindelijk had hij den top des heuvels bereikt.
Daar bleef hij eenige sekonden staan om een bespiedenden blik in het
rond te werpen.
Op dit oogenblik scheurde een verblindende bliksemstraal het
laaghangende zwerk en verlichtte het landschap met een blauwen
weerschijn, terwijl het volgende oogenblik een krakende donderslag
losbarstte.
»Ja," mompelde de Onbekende op somberen toon als beantwoordde hij met
luide stem eene inwendige gedachte, »de natuur schijnt zich in harmonie
te stellen met het tooneel dat hier zal plaats vinden, zij wordt de
lijst voor dit tafereel; het onweder daarboven is nog op verre na zoo
vreeselijk niet als hetgeen in mijn binnenste woedt. Welaan! het zij
zoo; die vreeselijke melodie ontbrak er nog aan. Ik ben de Wreker,
ik zal de taak van den daemon volbrengen die ik mij in een nacht van
waanzinnigheid heb opgelegd."
Na deze onheilspellende woorden geuit te hebben, hervatte hij zijn
tocht in de richting van een hoop half verkoolde steenen, die met
zwarte punten niet ver van hem af, door het hooge gras opstaken.
De kruin van den heuvel waar de Zoon des Bloeds zich bevond, droeg
den stempel van onbeschrijfelijke woestheid.
Tusschen de dichte struiken van het hooggepluimde gras zag men
zwartgebrande puinhoopen, stukken van muren, en half ingestorte
gewelven, voorts hier en daar vruchtboomen, wilde dahlia's, ceders
en eene noria of waterput, aan welks langen balansstok nog de lederen
emmer hing waarmede eertijds het water werd opgehaald.
Te midden der ruïnen verhief zich een zwart houten kruis, ter
aanduiding van eene begraafplaats; aan den voet van dat kruis lagen
in afschuwwekkende orde een twintigtal grijnzende doodshoofden
opgestapeld, die door wind en zon geblakerd en gepolijst eene
geelachtige kleur als ivoor hadden gekregen. In den omtrek van dit graf
slopen de slangen en hagedissen, als de eigenaars dezer graftomben,
in stilte tusschen het gras en staarden met hunne kleine, ronde,
schichtige oogen den vreemdeling aan, die hunne eenzaamheid durfde
verstoren.
Niet ver van het graf was een soort van afdak van saamgevlochten
bamboes, dat hier en daar losgewaaid op het instorten stond, maar hoe
bouwvallig het ook wezen mocht, toch een schamele toevlucht bood aan
den reiziger die door het onweder verrast hier eene schuilplaats zocht.
Naar dit afdak richtte thans de Zoon des Bloeds zijne schreden.
Binnen eenige minuten had hij het bereikt en was hij tegen den regen
beschut, die op dit oogenblik, in stroomen begon te vallen.
Het onweder was in zijne volle kracht; het bliksemde onophoudelijk,
de donder klaterde en rommelde als duizend rollende wagens, en de
storm geeselde het geboomte met verdubbelde woede.
De Zoon des Bloeds legde het meisje op een hoop dorre bladeren in
een hoek van de schuur en na haar een poos met aandacht beschouwd te
hebben, kruiste hij de armen op de borst, fronste de wenkbrauwen,
en begon met onrustige schreden op en neder te stappen, met eene
zachte stem, woorden zonder samenhang in zich zelven mompelende.
Telkens als hij het meisje voorbijkwam hield hij op, staarde haar
aan met een onbeschrijfelijken blik, en hervatte hoofdschuddend zijn
onrustige wandeling.
»Neen!" riep hij eindelijk met een doffe stem, »dat duurt hier te
lang, ik moet er een eind aan maken. Is het mogelijk! zulk een kloek
en sterk meisje ligt daar zoo bleek, verslagen en half ontzield! O
dat het de Roode-Ceder eens was en ik hem zoo onder het bereik mijner
hielen had! Maar geduld! zijne beurt zal komen, en dan...!"
Een sardonische glimlach plooide zich op zijne lippen, en hij bukte
naar het meisje.
Hij beurde zachtjes haar hoofd op, nam een flacon uit zijn gordel en
was gereed haar die onder den neus te houden, maar op eens deinsde hij
terug, liet de Gazelle weder op haar bladerbed zinken en verwijderde
zich met een uitroep van schrik en verbazing.
»Neen!" riep hij, »dat is niet mogelijk, ik moet mij bedrogen hebben,
het is eene illusie, een droom!"
Na een poosje aarzelens naderde hij de Gazelle op nieuw, en bukte
bij haar neder.
Ditmaal scheen hij echter geheel van manieren veranderd; zoo barsch
en brutaal als hij vroeger jegens haar geweest was, zoo zachtzinnig
en kiesch ging hij thans met haar te werk.
Door de ruwe schokken namelijk, die de Gazelle gedurende de jongste
gebeurtenissen had moeten doorstaan, waren er een paar diamanten
knoopjes van haar keurs losgesprongen, zoodat haar boezem gedeeltelijk
bloot lag en de Zoon des Bloeds het kleine scapulier van zwart fluweel
had ontdekt, dat aan een gouden kettingje om haar hals hing en waarop
in zilver twee door elkander geslingerde letters geborduurd waren.
Bij het zien van dit geheimzinnig naamcijfer ontstelde de Zoon des
Bloeds zoo hevig, dat hij zich zelven bijna niet meester was.
Hij greep het scapulier met zenuwachtige drift, brak het kettingje en
wachtte tot een nieuwe bliksemflits hem andermaal in de gelegenheid
zou stellen om de letters te bezien en zich te verzekeren dat hij
zich niet bedrogen had.
Hij behoefde niet lang te wachten; nauwelijks eenige sekonden later
werd de heuvel door een schitterenden bliksemstraal verlicht.
Hij bekeek het nader en werd terstond overtuigd: het naamcijfer was
werkelijk wat hij had meenen te zien.
Hij viel plat op den grond, hield zijn hoofd met beide handen vast
en verzonk in diep nadenken.
Er verliep meer dan een half uur eer deze man met zijne ijzeren ziel
van zijne stomme verbazing terugkwam.
Toen hij het hoofd weder ophief liepen er twee groote tranen langs
zijne gebronsde wangen.
»O! die onzekerheid doodt mij!" riep hij, »daar zal ik, het koste wat
het wil, een einde aan maken; ik moet volstrekt weten waaraan ik mij
te houden en wat ik te hopen heb."
Zich fier en in zijne volle lengte oprichtende, trad hij ferm en
stout naar het meisje toe, dat nog altijd onbeweeglijk lag.
Nu begon hij de Gazelle op gelijke wijs te behandelen als hij Shaw
vroeger eens gedaan had, en beproefde aan haar dezelfde krachtige
middelen die hem toen bij den jongman zoo goed waren gelukt.
Maar het arme meisje had sedert de twee laatste dagen zulke harde
stooten moeten doorstaan, dat het leven in haar geheel uitgebluscht
scheen.
Ondanks de ijverige zorgen die hij aan haar besteedde, bleef zij steeds
zoo ongevoelig en stijf als een lijk; al zijne middelen schenen hun
kracht te hebben verloren.
De Onbekende werd wanhopig toen hij zijne pogingen om het meisje te
doen herleven, zag mislukken.
»O!" riep hij telkens, »zij kan niet dood zijn; dat zou God nooit
gedoogen!"
En gedurig begon hij op nieuw met dezelfde middelen, wier
vruchteloosheid hem reeds gebleken was.
Op eens sloeg hij zich woest met de vuist op het voorhoofd. »Ik ben
dwaas!" zeide hij.
En driftig in zijn borst tastende, haalde hij uit een zak in zijn
dolmantel een kristallen fleschje te voorschijn met zeker bleekrood
vocht gevuld; hij deed er haastig de stop af, stak de punt van zijn
dolk tusschen de tanden der Gazelle en goot haar eenige droppels van
het vocht in de keel.
De uitwerking volgde onmiddellijk.
Hare trekken ontspanden zich, een levendig rood kleurde hare wangen,
de Gazelle opende flauw de oogen en murmelde met een gebroken stem:
»Hemel! waar ben ik?"
»Zij is gered!" riep de Zoon des Bloeds met een zucht van blijdschap,
terwijl hij het zweet afwischte dat van zijn voorhoofd gutste.
Om hem heen loeide nog altoos de orkaan in al zijne kracht.
De wind deed het wrakke afdak kraken, de regen stortte bij stroomen
neder en de donder rolde boven hunne hoofden met een geweld dat hemel
en aarde er van daverden.
»Een schoone nacht voor eene herkenning," mompelde de Zoon des Bloeds.
V.
DE HACIENDA QUEMADA.
Het was eene zonderlinge groep, die door dit bekoorlijk meisje en
den ruwen woudlooper gevormd werd op den top van dien woest liggenden
heuvel in het licht van den flikkerenden bliksem en onder het klateren
van den donder.
De Witte-Gazelle was op nieuw verbleekt en in flauwte gevallen.
De Zoon des Bloeds doorboorde met scherpen blik de duisternis van
den nacht en door de stilte vervoerd, bukte hij andermaal bij het
meisje neder.
Bleek, als eene witte lelie door den storm geknakt, en met de oogen
gesloten, scheen de Gazelle niet meer te ademen.
De onbekende nam haar in zijne gespierde armen en droeg haar naar een
half ingestorten muur, aan welks voet hij zijne zarape op den grond
uitspreidde; met de meeste zorg zette hij haar neêr op dit minder harde
leger. Het hoofd der Gazelle rustte gevoelloos tegen zijn schouder.
Toen zat hij haar langen tijd aan te staren.
Droefheid en medelijden stonden op het gelaat van den Zoon des Bloeds
geteekend.
De man, wiens leven tot hiertoe niets dan een eindeloos treurspel was
geweest, zonder geloof of hoop in het hart, onbekend met de zachte
gevoelens en geheimzinnige sympathiën des levens, hij, de wreker
zonder genade, de dooder der Indianen, was bewogen en gevoelde een
nieuwen hartstocht in zijn binnenste ontbranden.
Twee groote tranen vielen op nieuw langs zijne gebronsde wangen.
»O mijn God! zou zij dood zijn," riep hij wanhopig. »O!" vervolgde
hij, »ik ben laag en wreed geweest jegens dit zwakke schepsel, en nu
straft God er mij voor."
Den heiligen naam van het Opperwezen, die hem anders slechts diende
om te vloeken, sprak hij thans met zekeren eerbied uit.
Het was een soort van gebed, eene stem uit zijn hart: de ontembare
man was eindelijk overwonnen, hij geloofde!
»Hoe zal ik haar helpen?" vroeg hij zich zelven.
De regen bleef bij stroomen vallen en het water bereikte eindelijk
het meisje, zoodat zij weder tot zich zelve kwam.
Zij opende de oogen en prevelde met eene gesmoorde stem: »Waar ben
ik? Wat is er toch gebeurd? O! ik dacht dat ik zou sterven."
»Zij spreekt, zij leeft, zij is behouden!" riep de Zoon des Bloeds.
»Wie is daar?" riep zij met verheffing van stem, terwijl zij zich
met moeite oprichtte.
Zoodra zij het bruine gezicht van den partijganger zag, schrikte zij,
sloot de oogen weder en viel bijna in hare onmacht terug.
Zij begon zich het vroeger gebeurde te herinneren.
»Stel u gerust, mijn kind," zeide de onbekende, terwijl hij zooveel
mogelijk den ruwen klank zijner stem poogde te verzachten; »ik ben
uw vriend."
»Mijn vriend, gij!" riep zij uit, »wat beteekent dat in uw mond?"
»O! vergeef mij, ik was dwaas, ik wist niet wat ik deed."
»U vergeven! waarom? Ik ben immers geboren om ongelukkig te zijn."
»Wat moet zij veel geleden hebben!" murmelde de Zoon des Bloeds.
»O ja," vervolgde zij met eene stem alsof zij droomde.
»Ja, ik heb veel geleden. Mijn leven, hoe jong ik wezen mag, is tot
hiertoe niets dan een langdurig lijden geweest. En toch, voorheen,
het is zeer lang geleden, herinner ik mij dat ik gelukkig was. Maar
helaas! het zwaarste leed in deze wereld is de herinnering van verloren
geluk in het ongeluk."
Een zucht ontsnapte aan haar geprangde borst, zij liet het hoofd op
de handen zinken, en schreide.
De Zoon des Bloeds hing als aan hare lippen, staarde haar aan en
luisterde.
Die stem, die trekken, alles wat hij hoorde of zag versterkte de
vermoedens die hij in zijn boezem koesterde en bracht ze allengs
tot zekerheid.
»O! spreek! spreek nog eens," hernam hij met teederen nadruk. »Wat
herinnert gij u van uwe jonge jaren?"
De Gazelle keek hem aan, een bittere glimlach vertrok hare lippen.
»Waarom zou ik in het ongeluk aan verloren vreugde denken?" zeide
zij droevig het hoofd schuddende. »Waartoe zou ik aan u deze dingen
vertellen, aan u inzonderheid die mijn beul hebt willen zijn? Of is
het misschien eene nieuwe foltering die gij mij zoekt aan te doen?"
»O!" riep hij met schrik, »hoe kunt gij dat van mij denken? Helaas! ik
ben schuldig jegens u, dat erken ik, maar vergeef mij. Vergeef mij,
ik smeek, ik bezweer het u! Ik zou mijn leven willen opofferen om uw
lijden te verlichten, om u een verdriet te besparen."
De Witte Gazelle beschouwde met gemengde verbazing en vrees den man,
die bijna voor haar op de knieën zonk en wiens ruwe gezicht men in
zijne tranen had kunnen wasschen; zij begreep niets van hetgeen hij
tot haar sprak, zoo weinig kwam het overeen met de onbarmhartige
wijze waarop hij haar straks behandeld had.
»Helaas!" zuchtte zij, »mijne geschiedenis is die van alle
ongelukkigen; er was een tijd toen ik, als andere kinderen, vogeltjes
had om mij in slaap te zingen, en bloemen, die mij toelachten als
ik ontwaakte; ik had ook eene zuster, die met mij speelde, en eene
moeder die mij beminde en kuste. Dat alles is voor altijd verdwenen."
De onbekende had met behulp van twee staken en eenige dierenvellen
eene kleine tent gespannen om haar tegen de woede van het onweder te
beschutten, dat intusschen allengs begon te bedaren.
Zij had hem hiermede bezig gezien.
»Ik weet niet waarom," zeide zij met zekeren weemoed, »maar ik
gevoel mij geneigd om u meer vertrouwen te schenken, al hebt gij
mij ook zooveel kwaad gedaan! Vanwaar komt dat gevoel dat gij mij
onwillekeurig inboezemt? Ik zou u veeleer moeten haten."
Zij sprak niet verder, maar verborg haar hoofd met beide handen en
snikte overluid.
»'t Is God die het zoo wil, arm kind," antwoordde de onbekende, terwijl
hij de oogen ten hemel sloeg en met allen ijver een kruis maakte.
»Misschien," hervatte zij gedwee. »Welnu, hoor mij dan; ik wil het
wagen mijn hart uit te spreken, wat er ook van kome, dat zal mij
verlichten. Op zekeren dag, jaren geleden, zat ik op moeders knieën
te spelen, mijn vader en mijne zuster waren er ook bij, toen er op
eens voor de poort onzer hacienda een vreeselijk geschreeuw klonk;
het waren de Apachen-Indianen, die ons aanvielen; mijn vader, die
een dapper man was, greep zijne wapenen en vloog naar den muur. Wat
er toen eigenlijk gebeurde zou ik niet kunnen zeggen. Ik was destijds
nauwlijks vijf jaren oud en het schrikkelijk tooneel dat ik destijds
bijwoonde is voor mijn geheugen in een bloedigen sluier gehuld; ik
herinner mij alleen dat mijne moeder, die ons al schreiende omhelsde,
op eens op mijne zuster viel en ons met haar bloed overstroomde; te
vergeefs poogden wij haar door onze liefkozingen te doen herleven;
zij was dood."
Er volgde een poos stilte.
De Zoon des Bloeds scheen hare woorden te verslinden, hij zat met
gespannen aandacht te luisteren, met verbleekt voorhoofd, gefronste
wenkbrauwen, en de hand krampachtig om zijn karabijn geklemd, terwijl
hij nu en dan het zweet afwischte dat langs zijn aangezicht liep.
»Ga voort, kind," mompelde hij.
»Ik kan mij niets duidelijk meer herinneren; mannen als
duivels stormden de hacienda binnen, namen mijne zuster en
mij op, en verwijderden zich zoo snel als hunne paarden loopen
konden. Helaas! sedert dien tijd heb ik het lieve gezicht van mijne
moeder niet meer gezien en de vriendelijke stem van mijn goeden vader
niet meer gehoord; ik was voortaan alleen, te midden van de bandieten
die mij geroofd hadden."
»Maar uwe zuster, kind, uwe zuster, waar is die gebleven?"
»Dat weet ik niet; tusschen onze roovers ontstond een hevige twist,
er werd bloed vergoten. Ten gevolge van dezen twist scheidden zij
van elkander. Mijne zuster werd door de eene partij medegenomen en
ik door de andere; nooit heb ik haar wedergezien."
De Zoon des Bloeds scheen in hevige spanning en staarde het meisje
aan met verteederden blik.
»Mercédes! Mercédes!" riep hij op eens losbarstend, »zoudt gij het
wezenlijk zijn? zou ik u waarlijk na zoo vele jaren hebben terug
gevonden?"
De Witte-Gazelle keek schielijk op.
»Mercédes!" riep zij; »dat is de naam dien mijne moeder mij gaf."
»En ik ben Stefano! Stefano, uw oom, uws vaders broeder!" riep de
Zoon des Bloeds bijna uitzinnig van vreugde, terwijl hij haar in
vervoering aan zijn hart drukte.
»Stefano! mijn oom! Ja, ja! ik herinner het mij! ik weet!..."
En zij zonk bewusteloos in de armen van Stefano.
»Ellendige, die ik ben! ik heb haar gedood.... Mercédes, mijn dierbaar
kind. Kom weder tot u zelve!..."