»'t Is genoeg," zeide hij, »gij zijt sterker dan ik, gij kun

Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed

Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project

Gutenberg

AIMARD'S Indiaansche Verhalen

DE LYNCH-WET

DOOR

GUSTAVE AIMARD

MET 8 ILLUSTRATIËN VAN

CHs. ROCHUSSEN

DERDE DRUK

ROTTERDAM

UITGEVERS-MAATSCHAPPIJ "ELSEVIER"

1884

INHOUD.

Bladz.

1. De jacal 1

2. In de jagershut 7

3. Een gesprek 14

4. Een blik terug 21

5. De hacienda Quemada 27

6. De Apachen 35

7. De Dolle-Bisonsheuvel 42

8. De Zwarte-Kat en de Eenhoorn 50

9. De samenkomst 57

10. Krijgslist 65

11. In een hoek van het bosch 72

12. De zendeling 79

13. Terugkeer tot het leven 86

14. Een oude kennis 93

15. Het herstel 100

16. De medeplichtige 107

17. Moeder en zoon 114

18. De beraadslaging 122

19. De Zoon des Bloeds 130

20. De Roode-Ceder 137

21. Curumilla 145

22. El Mal Paso 151

23. El Rastreador 158

24. Een kamp in de bergen 166

25. Een Hazardspel 173

26. Hoe Nathan zich kweet 179

27. Een spoor in de lucht 186

28. Een grauwe-berenjacht 192

29. Herkenning 199

30. Hoe Nathan voor toovenaar speelt 206

31. De Witte-Gazelle 213

32. Hoe Nathan zich verder gedraagt 221

33. Wie de slimste was 228

34. List tegen list 236

35. De jacht wordt voortgezet 243

36. De laatste schuilhoek 250

37. De cassette 257

38. Een rookzuil in de bergen 264

39. Het wilde zwijn in zijn laatste verschansing 272

40. De Lynch-wet 280

DE LYNCH-WET.

I.

DE JACAL.

Het was omtrent drie ure in den namiddag. Een eenzame ruiter, in

Mexicaansche kleeding, reed in snellen galop langs den oever eener

rivier zonder naam, die zich in de Rio Gila uitstort, en wier grillige

kronkelingen hem noodzaakten om tallooze omwegen te maken.

Deze ruiter, ofschoon steeds met de hand aan den trekker van zijn

geweer en scherp uitkijkende, om op alle onvoorziene gebeurtenissen

dadelijk gereed te zijn, zette zijn paard gedurig aan met teugel en

stem, alsof hij haast had om het doel zijner reis te bereiken.

De wind woei vrij sterk; met dat al was de lucht smoorheet en sjirpten

de onder het lange gras verscholen krekels hun eentonig, wanluidend

gezang. De vogels beschreven groote kringen in de bovenlucht en

slaakten van tijd tot tijd scherpe kreten; zware koperkleurige wolken

dreven gedurig over de zon en onderschepten hare doffe stralen;

kortom, alles voorspelde een geducht onweder.

De reiziger scheen echter hier niet op te letten; op den hals van

zijn paard gebogen, de blikken onafgewend voor zich uit richtende,

versnelde hij onophoudelijk den galop van zijn viervoet, ongeacht den

regen die met groote droppels begon te vallen, en het dof gerommel

van den donder dat zich in de verte liet hooren.

Intusschen zou de jongman, zoo hij gewild had, zich gemakkelijk onder

het schaduwrijke lommer van het eeuwenheugend natuurwoud hebben kunnen

verschuilen, dat hij meer dan een uur aan zijne rechterhand had,

en zoodoende het ergste van het onweder kunnen laten voorbijgaan;

maar sterker aandrang dreef hem ongetwijfeld voort, want terwijl hij

al sneller en sneller doorzette, gaf hij zich zelfs de moeite niet,

zijn ruimen zarape over zijne schouders te slaan en zich zoodoende

tegen den stortregen te dekken; het eenige waarmede hij zich behielp,

was dat hij bij iederen rukwind die boven en rondom hem gierde, de

hand aan zijn hoed bracht om hem dieper op zijn hoofd te drukken,

terwijl hij gedurig met eene hortende stem zijn paard aanzette:

»Voort! voort! Negro!"

Inmiddels werd de rivier, wier boorden hij volgde, van lieverlede

nauwer en op zeker punt waren de beide oevers zoo dicht met boomen,

struiken en ineengevlochten lianen bezet, dat zij geheel onzichtbaar

werd.

Aan dit punt komende, hield de reiziger stil.

Hij steeg af, bespiedde met zorg den omtrek, nam zijn paard bij

den toom en geleidde het naar een dicht kreupelbosch, waar hij het

zorgvuldig verborg en met de lasso aan een boomstam vastmaakte, na

het eerst de bossal (het gebit) te hebben afgedaan om het te vrijer

te laten grazen.

»Blijf gij maar hier, mijn Negro," zeide hij, het moedige dier met

de hand streelende, »en hinnik niet, want de vijand is nabij; ik kom

spoedig weder bij u."

Het schrandere dier scheen te verstaan wat zijn meester hem zeide,

want het strekte den fijnen kop uit en streek den jongman zacht langs

de borst.

»Goed, goed, Negro, tot spoedig!"

De onbekende nam twee pistolen uit de holsters, stak ze in zijn gordel,

wierp zijn karabijn over den schouder en verwijderde zich met haastige

stappen naar den kant der rivier.

Hij drong zonder aarzelen het dichte bosch in, dat den oever der

rivier bedekte en schoof voorzichtig de takken uiteen die hem den

doortocht versperden.

Aan den rand van het water komende, bleef hij een poosje staan, boog

zich voorover en scheen te luisteren; daarna richtte hij zich weder

op en mompelde:

»Nog niemand! hoe is dat?"

Nu waagde hij zich op een warbosch; met andere woorden op eene vlecht

van dicht ineengestrengelde lianen en struiken, die zich van den eenen

oever tot den anderen uitstrekte en hier eene natuurlijke brug vormde

over de rivier.

De brug, hoe licht en onvast zij schijnen mocht, was hecht en sterk,

en ondanks de zwaaiende beweging die de gang van den reiziger haar

mededeelde, kwam hij binnen weinige sekonden aan den overkant.

Nauwelijks had deze den anderen oever bereikt, of een jong meisje

kwam uit het dichte kreupelbosch waar zij verscholen was te voorschijn.

»Eindelijk!" riep zij, hem te gemoet ijlend; »o! ik dacht dat gij

nooit komen zoudt, don Pablo!"

»Ellen!" antwoordde de jongman met een blik daar zijne gansche ziel

in te lezen was, »de dood alleen had het mij kunnen beletten."

Deze reiziger was don Pablo de Zarate; het meisje Ellen, de dochter

van den Roode-Ceder [1].

»Kom!" riep zij.

De Mexicaan volgde haar.

Zij gingen eenige oogenblikken voort zonder een woord samen te

wisselen.

Toen zij de struiken en het kreupelhout door waren dat de rivier

omzoomde, zagen zij kort voor hen uit eene armzalige jacal, die zich

eenzaam en treurig verhief en tegen eene rots gebouwd was.

»Hier woon ik," zeide het meisje met een weemoedigen lach.

Don Pablo zuchtte, maar antwoordde niet.

Zij gingen verder, in de richting der jacal, die zij weldra bereikten.

»Ga zitten, don Pablo," hervatte het meisje, haar gast een taboeret

aanwijzende, daar hij zich onmiddellijk op neervlijde, »ik ben alleen;

mijn vader en mijne twee broeders zijn dezen morgen met zonsopgang

vertrokken."

»Zijt gij niet bang," vroeg don Pablo, »hier zoo alleen in de woestijn,

omringd door duizend gevaren en zoo ver van alle menschelijke hulp?"

»Wat kan ik er aan doen?" antwoordde zij, »ik ben dit leven gewoon,

het gebeurt immers zoo dikwijls."

»Gaat uw vader dan zoo gedurig van huis?"

»Sedert den laatsten tijd slechts; ik weet niet wat hij ducht, maar

zoowel hij als mijne broeders schijnen bijzonder treurig en bezorgd;

zij doen vaak verre tochten, en als zij dan vermoeid en teleurgesteld

te huis komen, hoor ik van hen niets dan ruwe en korte woorden."

»Arm kind," zei don Pablo, »ik zal u wel zeggen wat de reden is van

die verre reizen."

»Denkt gij dan dat ik die niet geraden heb?" hernam zij; »neen! neen,

onze horizont is veel te donker en te dreigend, om niet te

gevoelen dat er een onweder broeit, dat ons weldra overvallen

zal,.... maar!" vervolgde zij, min of meer gedwongen, »laten wij

liever over onze eigene zaken spreken, de tijd is kostbaar; wat hebt

gij uitgericht?"

»Niets," antwoordde de jongman blijkbaar verlegen; »al mijne pogingen

zijn vruchteloos geweest."

»Dat is vreemd," murmelde Ellen, »dat koffertje kan toch niet weg

zijn."

»Dat geloof ik evenmin als gij, Ellen; maar in wiens handen is het

geraakt? dat is het wat ik u niet zou kunnen zeggen."

Het meisje dacht even na.

»Wanneer hebt gij het eerst ontdekt dat het weg was?" hervatte don

Pablo een oogenblik later.

»Nauwelijks een paar minuten na den dood van Henri; verschrikt als

ik was door het rumoer van den strijd en het vreeselijk gedreun der

aardbeving, wist ik bijna niet wat ik dacht of deed; maar toch ik

herinner mij eene enkele omstandigheid, die ons zeker wel op weg

zal helpen."

»Spreek, Ellen, spreek; hoe het ook gaan mag en wat er ook gedaan

moet worden, ik doe het."

Het meisje zag hem aan met een onbeschrijfelijken blik; zij trad

naderbij, legde hem de hand op den arm en zei met eene stem zoo helder

en welluidend als een vogel:

»Don Pablo, eene ronde en vrijmoedige verklaring is tusschen ons

onvermijdelijk."

»Ik begrijp u niet, Ellen," stotterde de jongman de oogen neerslaande.

»Ja," hervatte zij met een weemoedigen glimlach. »Ja, gewis gij

begrijpt mij, don Pablo; maar dat doet niets ter zake, al veinst gij

niet te weten wat ik u zeggen wil, ik zal mij zoo duidelijk verklaren,

dat er tusschen ons geen misverstand meer mogelijk is."

»Spreek, Ellen, al kan ik uw doel nog niet gissen, voorzie ik toch

reeds een ongeluk."

»Ja," zeide zij, »gij hebt gelijk, er schuilt inderdaad een groot

ongeluk onder hetgeen ik u te zeggen heb, zoo gij niet van ganscher

harte bewilligt in hetgeen ik u verzoek."

Don Pablo stond op.

»Waarom nog langer geveinsd?" riep hij, »daar ik u niet kan bewegen

van uw voornemen af te zien, Ellen, is de verklaring die gij van mij

vordert overbodig. Denkt gij dan waarlijk," vervolgde hij terwijl

hij met driftige stappen de jacal op en neder trad, »dat ik niet

duizendmaal de zonderlinge betrekking in welke wij tegenover elkander

staan van alle kanten beschouwd en overwogen heb? De onvermijdelijke

loop der omstandigheden heeft ons te zamen gebracht, op eene wijs

die geen menschelijk doorzicht kan voorzien.

»Ik bemin u, Ellen, ik bemin u van ganscher hart, u, de dochter van

den doodvijand mijner familie, van hem wiens handen nog rooken van het

bloed mijner zuster, dat hij geplengd heeft in den koelbloedigsten

en laaghartigsten moord! Ik weet dit alles; en ik beef als ik aan

mijne liefde denk, die in het oog der oppervlakkig oordeelende wereld

gedrochtelijk moet schijnen. Al wat gij mij kunt zeggen, heb ik mij

zelven zoo dikwijls gezegd; maar eene onweerstaanbare macht sleept

mij voort op deze noodlottige helling. Wil, redeneering en besluit,

alles moet zwichten voor de hoop om u eene minuut te zien en eenige

woorden met u te wisselen.

»Ik bemin u, Ellen, en ik ben in staat om alles, vrienden, verwanten

en betrekkingen, alles te trotseeren, op het oogenblik waarop deze

liefde voor aller oog openbaar wordt en men mij zou willen dwingen

er van af te zien."

De jongman uitte deze verklaring met fonkelenden blik en schelle

klaterende stem, als iemand wiens besluit onherroepelijk vast stond.

Ellen boog het hoofd, twee tranen rolden langs hare verbleekte wangen.

»Schreit gij!" riep hij, »mijn God! heb ik mij dan bedrogen en bemint

gij mij niet?"

»Of ik u bemin, don Pablo!" antwoordde zij met een diepe stem, »ja,

ik bemin u meer dan mij zelve; maar helaas, die liefde zal ons ongeluk

zijn, een onoverkomelijke slagboom scheidt ons van elkander."

»Het kan zijn!" riep hij met vuur; »maar neen, Ellen, gij bedriegt

u, gij zijt niet de dochter van den Roode-Ceder, gij kunt die niet

zijn. O! dat koffertje, als wij dat verwenschte koffertje slechts

hadden, ik zou de helft van den leeftijd dien God mij nog geven zal,

willen missen om het terug te vinden. Ik ben stellig overtuigd dat

in dit koffertje de bewijzen zijn die ik zoek."

»Waartoe zoudt gij u met eene dwaze hoop vleien, don Pablo? Ik

zelf heb te veel gewicht gehecht aan eenige losse woorden tusschen

den Squatter en zijne vrouw gewisseld; mijne kindsche herinneringen

hebben mij bedrogen, dat is helaas maar al te zeker; ik ben er thans

van overtuigd, dat ik werkelijk de dochter ben van dien man."

Don Pablo stampvoette van verontwaardiging.

»Denkt gij dat!" riep hij: »het is onmogelijk, het kan niet zijn;

de valk paart zich niet met de duif, de duivels kunnen geene engelen

gewinnen! Neen! die booswicht kan uw vader niet zijn!..... Hoor eens,

Ellen, bewijzen heb ik er niet voor, integendeel, alles stelt mij in

het ongelijk; de schijn is geheel tegen mij: en toch! hoe dwaas het

ook schijne, toch ben ik zeker dat ik gelijk heb en dat mijn hart

mij niet misleidt als het mij zegt dat die man u vreemd is."

Ellen zuchtte.

Don Pablo hervatte:

»Intusschen, Ellen, moet ik u oogenblikkelijk verlaten. Langer hier

blijven zou uwe veiligheid in de waagschaal stellen; doe mij dus de

noodige verklaring die ik verwacht."

»Waartoe dat!" prevelde zij ontmoedigd, »het koffertje is weg."

»Dat ben ik niet met u eens; integendeel, ik geloof dat het in handen

gekomen is van iemand die er zich van bedienen wil, tot welk oogmerk

weet ik niet, maar ik zal er wel achter komen, stel u deswege gerust."

»Daar gij het eischt, don Pablo, hoor mij dan, ofschoon hetgeen ik

u zeggen zal zeer onbepaald is."

»Elke lichtstraal hoe zwak ook, zal strekken om mij den weg te wijzen

en zal misschien voldoende zijn om het verlorene weder te vinden."

»God geve het!" zuchtte zij. »Ziedaar dan het weinige wat ik zeggen

kan, en nog is het mogelijk dat ik mij bedrieg, want op het oogenblik

toen het gebeurde was ik zoo verschrikt, dat ik niet zeggen kan of

hetgeen ik dacht te zien stellig waar is."

»Maar hoe dan ook......" zei de jongman ongeduldig.

»Toen Harry door een kogel getroffen met den dood lag te worstelen,

waren er twee mannen bij hem, de eene reeds gewond, was de herbergier

Andres Garote, de andere die zich op het zieltogende lijk had geworpen

scheen met drift de zakken te onderzoeken."

»Wie was die laatste?"

»Fray Ambrosio."

»Fray Ambrosio!"

»Ja; ik meen zelfs mij te herinneren dat hij van den armen jager

wegging met kwalijk verborgen zelfvoldoening, terwijl hij iets in

zijn borst wegmoffelde dat ik niet goed zien kon."

»Zonder twijfel heeft hij zich van het koffertje meester gemaakt."

»Zeer waarschijnlijk, maar ik zou het niet kunnen verzekeren, want ik

herhaal u, vriend, dat ik geheel buiten staat was om iets duidelijk

te onderscheiden."

»Maar," vervolgde don Pablo, die zijn eigen idee volhield, »waar is

Fray Ambrosio gebleven?"

»Dat weet ik niet; na de aardbeving zijn mijn vader en zijne

metgezellen in verschillende richtingen verstrooid, daar elk een goed

heenkomen zocht. Mijn vader had meer dan iemand anders er belang bij

om zijn spoor te verbergen. De monnik verliet ons bijna onmiddellijk;

sinds dien tijd heb ik hem niet meer gezien."

»Heeft de Roode-Ceder er niets van gezegd dat gij weet?"

»Nooit."

»Dat is vreemd! maar geen nood, Ellen, ik zweer u dat ik hem vinden

zal, al moest ik hem in de onderwereld zoeken! Niemand anders dan

die ellendeling heeft het koffertje gestolen."

»Don Pablo," zeide het meisje opstaande, »de zon gaat onder, mijn vader

en mijne broeders kunnen ieder oogenblik komen; wij moeten scheiden."

»Gij hebt gelijk, Ellen, ik ga."

»Adieu, don Pablo, het dondert sterk, wie weet of gij wel zonder

ongeluk bij uwe vrienden terugkomt."

»Ik hoop ja, Ellen, maar als gij mij vaarwel toeroept twijfel ik

geenszins of ik zal u wederzien; geloof mij, lief kind, stel uw

vertrouwen op God, Hij alleen kent de harten; zoo Hij wil dat wij

elkander beminnen, is het omdat die liefde ons gelukkig zal maken."

Op dit oogenblik schoot er een bliksemstraal door de wolken en kraakte

er een vreeselijke donderslag.

»Daar is de orkaan!" riep het meisje, »ga, in 's hemels naam ga."

»Tot weerziens, mijn beminde, tot weerziens," zei de jongman de hut

uitstormende, »vertrouw op God en op mij."

»Hemelsche Vader!" riep Ellen, terwijl zij op de knieën zonk; »geef

dat mijne voorgevoelens mij niet bedriegen, want dan zou ik uit

wanhoop sterven."

II.

IN DE JAGERSHUT.

Nadat don Pablo vertrokken was, bleef Ellen nog lang peinzen; zij gaf

geen acht op het al heviger en heviger losbrekend onweder, noch op

het woest gehuil van den storm, die met iederen rukwind de ellendige

jacal deed schudden en dreigde omver te werpen.

Ellen dacht na over haar gehouden gesprek met den Mexicaan; de toekomst

scheen haar somber en treurig en met vele smarten beladen.

Ondanks al hetgeen de jongman haar gezegd had, was de hoop in haar hart

niet doorgedrongen, zij gevoelde zich onwillekeurig als naar den rand

eener steilte gesleept, waar zij onfeilbaar in zou moeten afstorten.

Alles voorspelde haar een onvermijdelijk dreigend ongeluk, dat Gods

hand vreeselijk en onverbiddelijk zou doen wegen op den man wiens

wandaden Zijne gerechtigheid maar al te lang hadden getrotseerd.

Tegen middernacht hoorde zij een gedruisch van paarden dat

langzamerhand naderde en eindelijk hielden er verscheidene personen

voor de hut stil.

Ellen stak een toorts van kaarshout aan en opende de deur.

Er traden drie mannen binnen.

Het was de Roode-Ceder met zijne twee zonen Nathan en Sutter.

Sedert eene maand ongeveer was er in de wijze van doen en spreken

van den Squatter eene onverklaarbare verandering gekomen.

Deze woeste onbeschofte man, wiens dunne lippen zich gedurig tot een

spottenden lach samentrokken, die steeds schampere en harde woorden in

den mond had, die van niets anders droomde dan van moord en plundering

zonder ooit wroeging of berouw te kennen, die man was sedert eenigen

tijd somber en droefgeestig geworden; eene heimelijke onrust scheen hem

te verteren; somwijlen, wanneer hij meende dat niemand op hem lette,

kon hij met onbeschrijfelijk treurigen blik naar Ellen zitten staren en

slaakte hij diepe zuchten, terwijl hij zwaarmoedig het hoofd schudde.

Ellen had deze verandering, daar zij geen voldoende reden voor wist

en die haar ongerustheid niet weinig vermeerderde, niet onopgemerkt

gelaten; want voor zulk eene omkeering in een gemoed zoo krachtig

en weerbarstig als dat van den Roode-Ceder moesten wel zeer ernstige

redenen bestaan.

Doch welke waren die redenen? ziedaar eene vraag die Ellen vruchteloos

poogde op te lossen, daar geen de minste lichtstraal haar geest

verhelderde of hare vermoedens tot klaarheid bracht.

De Squatter, zoo veel zijne verwaarloosde opvoeding dit toeliet,

was betrekkelijk altijd goed voor haar geweest en behandelde haar

met zekere grofsoortige zachtmoedigheid, zooveel mogelijk den ruwen

klank zijner stem verzachtend als hij haar toesprak.

Sedert echter de boven gemelde omkeering bij hem had plaats gegrepen,

was hij jegens Ellen de teederheid zelve geworden.

Hij waakte met de meeste zorg voor haar welzijn en trachtte

onophoudelijk te voorzien in de duizend kleine geriefelijkheden daar

de vrouwen zoo veel prijs op stellen, maar die in de woestijn zoo

moeilijk te bekomen zijn en daarom eene tiendubbele waarde bezitten.

Gelukkig wanneer hij maar een glimlach zag zweven op de lippen van het

arme kind welks lijden hij vermoedde zonder er nochtans de verborgen

oorzaak van te kennen, bespiedde hij haar met des te meer ongerustheid,

wanneer haar bleeke kleur en roode oogen hem blijken gaven van hare

doorwaakte nachten of vergoten tranen gedurende zijne afwezigheid.

De hardvochtige man, bij wien de laatste zweem van teederheid scheen

te zijn verstorven, voelde op eens in zijn hart een ongekende snaar

trillen, welker bestaan tot hiertoe voor hem was verborgen gebleven,

en onwillekeurig zag hij zich als tegen wil en dank met de menschheid

verzoend door de reinste van alle hartstochten: de vaderlijke liefde!

Er was inderdaad iets groots en tegelijk iets schrikbarends in de

genegenheid van dezen man des bloeds voor zulk een zwak en fijngevoelig

meisje als Ellen.

Zijn wilde dierenaard vertoonde zich zelfs in de liefkozingen

waarmede hij haar overlaadde: een zonderling samenstel van moederlijke

teederheid en tijgerachtige jaloezie.

De Roode-Ceder scheen alleen voor zijne dochter en door zijne dochter

te leven. Met de liefde scheen ook de schaamte bij hem teruggekeerd,

terwijl hij namelijk zijn rooversbedrijf onafgebroken voortzette,

hield hij zich voor Ellen alsof hij het geheel had opgegeven om het

eerlijke woudloopers- en jagersbedrijf aan te nemen.

Het meisje liet zich door deze leugen maar half om den tuin leiden.

Doch wat ging het haar aan?

Zij was zoo geheel met hare liefde ingenomen dat alles daar buiten

haar onverschillig werd.

De Squatter en zijne zonen waren verdrietig, zij schenen vol zorg

toen zij de jagershut binnen traden.

Zij gingen zitten zonder een woord te spreken.

Ellen haastte zich om het eten op te disschen, dat zij gedurende

hunne afwezigheid had gereed gemaakt.

»Het avondeten is klaar," zeide zij.

De drie mannen zetten zich stilzwijgend aan tafel.

»Zult gij niet mede eten?" vroeg de Roode-Ceder.

»Ik heb geen honger," antwoordde zij.

De Squatter en zijne beide zoons begonnen te eten.

»Hum!" bromde Nathan, »Ellen is lekker, zij houdt meer van de

Mexicaansche keuken dan van de onze."

Ellen bloosde maar antwoordde niet.

De Roode-Ceder sloeg met de vuist op de tafel en riep toornig:

»Zwijg, zeg ik! wat gaat het u aan of uwe zuster eet of niet, zij is

immers vrij om hier te doen of te laten wat zij verkiest."

»Dat spreek ik niet tegen," bromde Nathan, »maar het is alsof zij

opzettelijk weigert om met ons samen te eten."

»Gij zijt een wolvenkind! ik zeg u nog eens dat uwe zuster hier baas

is en dat niemand recht heeft om haar verwijtingen te doen."

Nathan boog gemelijk het hoofd en at weder voort.

»Kom maar hier, kind," hervatte de Roode-Ceder, zijne ruwe stem

zooveel verzachtende als hij maar kon. »Kom eens hier, ik zal u iets

geven dat ik voor u heb medegebracht."

Het meisje naderde.

De Roode-Ceder haalde een gouden horloge met een langen gouden ketting

er aan uit zijn borstzak.

»Ziedaar," vervolgde hij, het haar om den hals hangende, »ik weet

dat gij sinds lang gewenscht hebt een horloge te bezitten, dit heb

ik voor u gekocht van een reiziger dien wij in de prairie ontmoetten."

Onder het uitspreken dezer woorden voelde de Squatter tegen wil en

dank dat hij rood werd, want hij loog: het horloge was geroofd van

eene vrouw door hem bij het aanranden eener karavaan gedood.

Ellen had gezien dat hij rood werd.

Zij deed het horloge weer af en gaf het aan den Roode-Ceder terug,

zonder iets te zeggen.

»Wat doet gij, kind," zeide hij verwonderd over deze weigering, die

hij voor 't minst niet verwachtte, »waarom neemt gij dit kleinood

niet aan, ik zeg u nog eens dat ik het opzettelijk voor u gekocht heb."

Ellen keek hem strak aan, en antwoordde met eene vaste stem:

»Omdat er bloed aan dat horloge kleeft; het is zeker afkomstig van

een diefstal, misschien van een moord."

De Squatter verbleekte; onwillekeurig bekeek hij het horloge; werkelijk

was er een bloedvlek op de kast.

Nathan schoot in een ruwen schaterenden lach.

»Bravo!" riep hij, »goed gezien, zoo waar als ik leef, dat heeft de

kleine eens knap geraden."

De Roode-Ceder, die bij het verwijt van Ellen de oogen had

neergeslagen, vloog bij dit gezegde op alsof hem een adder gestoken

had.

»Heb ik u niet gezegd dat gij zwijgen zoudt," riep hij woedend terwijl

hij de taboeret daar hij op zat opnam en er zijn zoon mede naar

't hoofd smeet.

Deze ontweek den worp en greep naar zijn mes.

Een gevecht scheen onvermijdelijk.

Sutter stond met den rug tegen den wand der jacal geleund, met de

pijp in den mond en de armen op de borst, en scheen den strijd met

een spotachtigen grijns te zullen aanzien.

Ellen daarentegen wierp zich stoutmoedig tusschen den Squatter en

zijn zoon.

»Houd op!" riep zij, »in 's hemels naam! Nathan, durft gij uw vader

dreigen! en gij, vader, ontziet gij u niet om uw eerstgeborene te

treffen?"

»Laat mijn vader naar den duivel loopen!" antwoordde Nathan; »hij

moet niet denken dat ik een kind ben, of dat mijn hoofd er naar staat

om zijne mishandelingen te verduren. Caramba! zijn we niet allen

bandieten; ons eenige recht is de kracht, wij erkennen geen ander;

laat mijn vader mij verschooning vragen, dan zal ik zien of ik hem

vergeven kan!"

»Verschooning! aan u, rekel!" brulde de Squatter en met een sprong

als een tijger schoot hij op den jongman toe, greep hem bij de keel,

en wierp hem onder zich.

»Ha, wat zegt gij!" vervolgde hij hem de knie op de borst zettende,

»de oude leeuw heeft nog kracht; uw leven is in mijne handen. Wel! wat

zegt gij er van? zult gij nog langer met mij spotten?"

Nathan brulde en kromde zich als een slang, om zich aan den benauwenden

druk te ontwringen.

Eindelijk erkende hij zijn onmacht en verklaarde zich overwonnen.

»'t Is genoeg," zeide hij, »gij zijt sterker dan ik, gij kunt mij

dooden."

»Neen," zeide Ellen, »dat zal niet; sta op vader, laat Nathan los;

en gij broeder, geef hier uw mes; zulk een strijd tusschen vader en

zoon is immers onbestaanbaar?"

Zij bukte om het mes op te rapen, dat de jongman had laten glippen.

De Roode-Ceder stond op.

»Laat u dit een les zijn," zeide hij, »om in 't vervolg voorzichtiger

te wezen."

Onthutst en beschaamd dat hij op den grond had gelegen, stond de

jongman op zonder een woord te spreken en nam weder plaats aan

de tafel.

De Squatter wendde zich op nieuw tot zijne dochter en bood haar het

kostbare juweel voor de tweede maal aan.

»Wilt gij het niet hebben?" vroeg hij.

»Neen," antwoordde zij vast besloten.

»'t Is goed," mompelde hij.

En zonder blijkbare drift liet hij het horloge vallen, zette er zijn

hiel op en trapte het tot gruis.

Het overige van den maaltijd liep zonder ongevallen af. De drie mannen

aten met wolven-vraatzucht zonder een woord te spreken en werden door

Ellen bediend.

Toen de pijpen waren aangestoken wilde het meisje zich verwijderen

naar de afzonderlijke kamer waar zij sliep.

»Blijf hier, kind!" zei de Roode-Ceder, »ik heb iets met u te spreken."

Ellen ging in een hoek der jacal zitten en wachtte.

De drie mannen rookten vrij lang, maar wisselden geen enkel woord.

Daarbuiten woedde het onweder steeds voort.

Eindelijk schudden de jongelieden de asch uit hunne pijpen en

stonden op.

»Zooals we zijn afgesproken dus," vroeg Nathan.

»Zooals we zijn afgesproken," antwoordde de Roode-Ceder.

»Hoe laat zullen ze ons komen halen?" vroeg Sutter.

»Een uur voor zonsopgang."

»'t Is goed."

De twee broeders legden zich op den grond neder, wikkelden zich in

hunne dierenvellen en waren weldra in diepen slaap.

De Roode-Ceder bleef een poos in gedachten verzonken en Ellen zat

altoos onbeweeglijk.

Eindelijk hief zij het hoofd op.

»Kom eens hier, kind," zeide hij.

Zij naderde en bleef voor hem staan.

»Kom naast mij zitten."

»Waarom dat? Spreek maar, vader, ik luister," antwoordde zij.

De Squatter was blijkbaar verlegen, hij wist niet hoe hij het gesprek

zou openen; eindelijk na lang aarzelen begon hij:

»Gij lijdt, Ellen."

Het meisje glimlachte treurig.

»Hebt gij dat van daag voor het eerst opgemerkt, vader?" antwoordde

zij.

»Neen, meisje; uwe droefheid is reeds lang door mij opgemerkt. Gij

zijt niet geschikt voor het leven in de woestijn."

»'t Is waar," antwoordde zij.

»Wij gaan de prairie verlaten," hernam de Roode-Ceder.

Ellen ontroerde zichtbaar.

»Reeds spoedig?" vroeg zij.

»Van daag reeds; binnen weinige uren gaan wij op weg."

Het meisje keek hem aan.

»Dus zullen wij de grenzen der beschaving naderen?" vroeg zij.

»Ja," riep hij min of meer onthutst.

Zij glimlachte treurig.

»Waarom bedriegt gij mij, vader?" zeide zij.

»Wat wilt gij daarmede zeggen?" riep hij. »Ik begrijp u niet."

»Gij begrijpt mij integendeel zeer goed, en het zou beter zijn mij

ronduit uwe meening te verklaren dan mij te willen misleiden aangaande

een doel dat ik niet gissen kan. Helaas!" vervolgde zij met een zucht,

»ben ik niet uwe dochter en zal ik de gevolgen niet moeten ondergaan

van het leven dat gij verkiest te leiden?"

De Squatter fronste de wenkbrauwen.

»Ik geloof dat er in uwe woorden een bedekt verwijt schuilt,"

antwoordde hij. »Het leven begint pas voor u, kind; hoe durft gij

reeds de daden van een man te beoordeelen?"

»Ik beoordeel niets, vader. Zoo als gij wel zegt, begint het leven

eerst voor mij; maar toch, hoe kort tot hiertoe mijn aanzijn wezen mag,

is het niets dan een aaneenschakeling van lijden geweest."

»Dat is waar, mijn arm kind," zei de Squatter meewarig; »vergeef mij,

ik zou u zoo gaarne gelukkig zien. Helaas! God heeft mijne pogingen

niet gezegend, alles wat ik deed was alleen om uwentwil."

»Zeg dat toch niet, vader," riep zij met drift; »maak mij zoodoende

niet zedelijk medeplichtig en verantwoordelijk voor uwe wandaden, die

ik verfoei; of gij zoudt mij naar mijnen dood kunnen doen verlangen?"

»Ellen, Ellen! gij hebt mijne gezegden niet goed begrepen; ik ben

nooit voornemens geweest u....." hier hield hij uit verlegenheid op.

»Breken wij af," hervatte zij; »wij gaan van hier vertrekken, niet

waar, vader! Onze schuilplaats is ontdekt, wij moeten vluchten;

dat hebt gij mij willen mededeelen, niet waar?"

»Ja," riep hij, »dat heb ik, al begrijp ik niet hoe gij het zijt te

weten gekomen."

»Wat doet er dat toe, vader. En welken kant moeten wij uit?"

»Voorloopig trekken wij dieper de bergen in, naar de Sierra de los

Comanches."

»Zeker om voor onze vervolgers ons spoor te verbergen?"

»Ja, daarom, en nog om eene andere reden," vervolgde hij half

binnensmonds.

Maar hoe zacht hij ook mocht gesproken hebben, Ellen had het verstaan.

»Waarom nog meer?" vroeg zij.

»Dat gaat u weinig aan, kind; dat is geheel mijne zaak."

»Gij bedriegt u, vader," hernam zij min of meer stout; »van het

oogenblik af dat ik uw medeplichtige word, moet ik ook kennis dragen

van alles. Wie weet?" vervolgde zij met een weemoedigen glimlach,

»wellicht kan ik u goeden raad geven."

»Daar zal ik geen gebruik van maken."

»Een woord nog."

»Spreek."

»Gij hebt talrijke vijanden, mijn vader."

»Helaas! ja," riep hij op onverschilligen toon.

»Wie zijn het, die u heden dwingen te vluchten?"

»De onverbiddelijkste van allen."

»Zoo!"

»Ja, don Miguel de Zarate."

»Wiens dochter gij zoo laaghartig hebt vermoord."

De Roode-Ceder sloeg woest met de vuist op de tafel.

»Ellen!" riep hij.

»Weet gij er een anderen naam voor, die meer naar waarheid is?" riep

zij streng.

De bandiet liet het hoofd hangen.

»Dus gij gaat vluchten," hervatte zij; »nog verder vluchten, altijd

vluchten."

»Wat anders?" mompelde hij.

Ellen boog zich naar hem toe, legde haar blanke fijngevormde hand op

zijn arm en zag hem strak in de oogen.

»Welke zijn die mannen, die zich over een paar uren met ons zullen

vereenigen?" vroeg zij.

»Fray Ambrosio, Andres Garote, onze oude vrienden, anders niet."

»Dat schijnt wel," prevelde het meisje met een zweem van afschuw;

»het algemeene gevaar verzamelt u. Welnu, vader, gij en uwe vrienden,

gij zijt niets dan laaghartigen."

Bij dezen beleedigenden uitval, hem door zijne dochter koelbloedig naar

het hoofd geworpen, werd de Squatter doodsbleek; hij stond driftig op.

»Zwijg!" riep hij grimmig.

»De tijger die in zijn hol wordt aangevallen verweert zich tegen zijne

jagers," hervatte het meisje, »waarom volgt gij zijn voorbeeld niet?"

Een onheilspellende grijns krulde de lippen van den Squatter.

»Ik weet wel beter," zeide hij op een toon die zich onmogelijk laat

beschrijven.

Het meisje keek hem een poos aan.

»Wees op uwe hoede!" zeide zij met eene diep geroerde stem, »wees op

uwe hoede! Gods hand is over u, zijne gerechtigheid zal vreeselijk

zijn."

Hierop verwijderde zij zich langzaam en ging naar het vertrek dat

voor haar afzonderlijk bestemd was.

De bandiet stond door hare ernstige en dreigende waarschuwing een poos

als verplet; maar spoedig herstelde hij zich, haalde minachtend de

schouders op en terwijl hij zich naast zijne zonen op de tijgervellen

uitstrekte, mompelde hij met een gesmoorde maar spotachtige stem:

»God!.... zou Hij bestaan?"

Weldra hoorde men in de hut niets meer dan het ademhalen der drie

slapende mannen.

Ellen lag in hare kamer geknield te bidden.

Daar buiten woedde het onweder met verdubbelde hevigheid.

III.

EEN GESPREK.

Na zijn vertrek uit de jacal was don Pablo de Zarate de rivier

overgegaan en had hij aan de andere zijde zijn paard in het boschje

teruggevonden, waar hij het bij zijne komst zorgvuldig had vastgemaakt.

Het arme dier, door de felle bliksemstralen en hevige donderslagen

verschrikt, hinnikte van blijdschap toen het zijn meester wederzag.

Zonder een oogenblik te verliezen sprong de jongman in den zadel en

verwijderde zich in galop.

Hij had een langen weg af te leggen om weder bij zijne vrienden te

komen; de nacht, die gedurende zijn gesprek met Ellen gedaald was,

werd van oogenblik tot oogenblik donkerder.

De regen viel bij stroomen neder, de wind huilde door het geboomte,

en de jongman liep ieder oogenblik groot gevaar om te verdwalen, daar

hij als op den tast zijn pad moest zoeken in de onbegrensde wildernis

die zich voor hem uitbreidde en die de duisternis hem belette in al

hare diepte te peilen, zoodat hij nauwelijks wist waar hij zich bevond.

Gelijk alle wakkere lieden die aan een avontuurlijk leven gewoon zijn,

was don Pablo tegen zulk een strijd wel opgewassen; zijn wilskracht

nam toe naarmate de moeielijkheden rondom hem zich opeenstapelden

en wel verre van zich te laten ontmoedigen maakte de nood hem des te

vaster in zijn besluit.

Zoodra hij zich eenmaal een bepaald doel had voorgeschreven, gaf hij

om niets meer en moest hij het bereiken, het kostte wat het wilde.

Zijne liefde voor Ellen--om zoo te zeggen door een bliksemstraal

ontstaan, als gewoonlijk bij jeugdige hartstochtelijke gemoederen,

voor welke het onvoorziene steeds eene groote rol speelt--deze liefde,

zeggen wij, die hem geheel onvoorbereid overrompeld had toen hij er

het minst aan dacht, had bij don Pablo, zonder dat hij het zelf wist,

allengs zulke diepe wortelen geschoten, dat ieder opkomend bezwaar

hoe groot en onverbiddelijk ook haar veeleer deed toenemen.

Ofschoon hij den Roode-Ceder een doodelijken haat toedroeg en

hem bij de eerste gelegenheid de beste, als een wild dier, zonder

aarzelen zou hebben om hals gebracht, was zijne liefde voor Ellen

een dwepende hartstocht, ja eene schier afgodische hulde geworden,

die geen redeneering meer toeliet en waaraan hij zich overgaf met al

de vervoering van een verboden geluksgoed.

Het jonge meisje wederkeerig, dat hare maagdelijke onschuld te midden

van een rooversgezin zoo rein bewaard had, koesterde voor hem eene

onweerstaanbare genegenheid.

In het straks met haar gevoerde gesprek had hij haar gezegd, innig

overtuigd te zijn dat zij de dochter van den Roode-Ceder niet

wezen kon.

En waarom?

Dit zou hij zelf onmogelijk hebben kunnen zeggen, maar met eene

vasthoudendheid van wil die slechts weinige menschen bezitten, zocht

hij onvermoeid naar nieuwe bewijzen voor deze overtuiging die op

niets scheen te steunen, en wat meer is, hij zocht ze met de volle

bewustheid van ze te zullen vinden.

Door een zonderling toeval had hij sedert de laatste vier weken

het toevluchtsoord van den Roode-Ceder ontdekt, welk verblijf zelfs

Valentin, de beroemde Gids der Prairiën, nooit had kunnen raden. Don

Pablo had zich deze gelukkige vondst onmiddellijk ten nutte gemaakt

om zijne beminde weder te zien die hij voor altijd meende uit het

oog verloren te hebben.

Deze onverhoopte uitkomst was hem zoo welkom dat hij iederen namiddag,

zonder iets aan zijne vrienden te zeggen te paard steeg en tien mijlen

ver uitreed om gedurende eenige minuten met Ellen te kunnen spreken.

Voor deze liefde zweeg alle opkomende bedenking; hij liet zijne

vrienden zich in vruchtelooze gissingen verdiepen, en bewaarde

zorgvuldig zijn dierbaar geheim, om ten minste een tijdlang gelukkig te

zijn, daar hij zeer goed begreep dat het verblijf van den Roode-Ceder

weldra zou worden ontdekt.

Inmiddels genoot hij het tegenwoordige.

Zoo gaat het met alle jonge en dwaze verliefden, voor hen is het

toekomende niets en het tegenwoordige alles.

Don Pablo galoppeerde onder het lichten der bliksemstralen en gevoelde

niets van den stortregen die hem overstelpte, noch van den wind die

boven zijn hoofd bulderde.

Vol van zijne liefde, dacht hij alleen aan zijn gehouden gesprek met

Ellen, en herinnerde zich nog eens ieder woord dat hij in het ras

vervlogen uur met haar gewisseld had.

Op eens begon zijn paard, daar hij het allerminst om dacht, luide

te hinniken.

Don Pablo keek onwillekeurig op.

Geen tien passen van hem af, stond een ruiter dwars over den weg.

»Hé daar!" riep de jongman terwijl hij zich in den zadel oprichtte

en zijne pistolen overhaalde. »Gij zijt wel laat op het pad,

kameraad. Laat mij even voorbij, als ik u verzoeken mag."

»Ik ben niet later op het pad dan gij, don Pablo," klonk het gezette

antwoord, »wij ontmoeten immers elkander."

»Is 't mogelijk!" riep de jongman terwijl hij zijne pistolen in rust

bracht en ze weder in de holsters stak, »wat duivel doet gij hier,

don Valentin?"

»Dat ziet gij wel, ik wacht."

»Wacht gij?"

»Ja."

»En wie kunt gij wachten, zoo laat in den avond?"

»U, don Pablo."

»Mij!" riep de Mexicaan verwonderd, »dat vind ik vreemd."

»Niet zoo vreemd als gij denkt, ik verlang een onderhoud met u te

hebben dat niemand hooren mag, en daar dit in het kamp niet gaan

zou, ben ik u hier op weg komen opvangen; dat is dunkt mij al zeer

eenvoudig."

»Inderdaad; maar ik spreek van het uur en de plaats die gij hebt

uitgekozen, vriend."

»Hoezoo dat?"

»Drommels! in zulk een vreeselijk onweder, het dondert en bliksemt

boven en rondom ons, wij hebben geen plaats om ons hoofd te bergen, en

ik zeg u nog eens, wij zijn dichter bij den morgen dan bij den avond."

»Dat is zoo; maar ik had dringende haast en ik kon over geen andere

plaats of uur beschikken."

»Gij maakt mij ongerust, vriend; is er weder iets nieuws gebeurd?"

»Tot nog toe niets dat ik weet; maar weldra zullen wij wat zien,

maak daar rekening op."

De jongman smoorde een zucht en antwoordde niet.

Onder deze snelle woordenwisseling was de jager den Mexicaan genaderd

en stonden zij tegenover elkander.

Valentin begon op nieuw.

»Wil mij eenige minuten volgen. Ik zal u ergens brengen waar wij op

ons gemak kunnen praten, zonder vrees van gestoord te zullen worden."

»Wat gij mij te zeggen hebt moet dan wel zeer gewichtig zijn."

»Gij zult er spoedig zelf over oordeelen."

»En moet gij mij ver weg brengen?"

»Niet meer dan een paar stappen, naar eene grot, die het flikkeren

van den bliksem mij deed ontdekken."

»Kom dan!"

De beide ruiters gaven hunne paarden de sporen en galoppeerden

stilzwijgend naast elkander voort.

Zoo reden zij nauwelijks tien minuten, in de richting van een dicht

kreupelbosch aan den oever der rivier.

»Wij zijn er," zei Valentin terwijl hij zijn paard inhield en afsteeg;

»stijg ook af, maar laat mij vooraan gaan, het zou wel eens kunnen

zijn dat de grot daar wij wezen moeten reeds door iemand anders in

bezit was genomen, die ons ongaarne zijne plaats zou willen inruimen,

het is altoos zaak om voorzichtig te werk te gaan."

»Wat bedoelt gij? Wie denkt gij dat in die grot zou kunnen zijn?"

»Dat ik weet, niemand," antwoordde de luchthartige Franschman; »maar

in ieder geval is het goed om voorzichtig te zijn."

Met deze woorden haalde Valentin van onder zijn zarape twee fakkels te

voorschijn en stak ze aan: de een hield hij voor zich zelven, de andere

gaf hij aan don Pablo en nu gingen beiden, nadat zij vooraf hunne

paarden hadden gekluisterd om te beletten dat zij weg zouden loopen,

dwars door de struiken heen en stapten stoutmoedig naar de grot.

Nauwelijks hadden zij eenige passen gedaan of zij bevonden zich aan

den ingang van een dier prachtige natuurlijke grotten, ontstaan door

de een of andere aardbeving of vulkanische uitbarsting, die in deze

streken zoo veelvuldig zijn.

»Geef wel acht!" mompelde Valentin zacht tegen zijn metgezel.

De onverwachte komst der twee mannen schrikte een zwerm nachtvogels en

vleêrmuizen op, die in de grot huishielden en, onder groot geschreeuw

in alle richtingen wegvlogen.

Valentin vervolgde rustig zijn weg zonder zich om deze spookachtige

gasten te bekreunen, wier maaltijd of nachtrust hij zoo onverhoeds

kwam storen.

Op eens klonk er uit het diepste der grot een rauw en langdurig gebrom.

De beide mannen bleven stokstijf staan.

Zij bevonden zich tegenover een prachtigen zwarten beer, die in de

spelonk zonder twijfel zijn gewone verblijf had gekozen, en thans

op zijn achterste pooten staande met opgesperden muil aan de lastige

indringers die hem zoo onbescheiden in zijn schuilhoek kwamen storen

een rij ivoorwitte tanden liet zien van bijzondere lengte en eene

tong zoo rood als bloed.

Zoo als beren gewoonlijk doen, balanceerde hij zwaarlijvig op de

achterpooten en hield zijne ronde lichtschuwe oogen strak op de

avonturiers gevestigd, met een blik die alles behalve geschikt was

om hen vroolijk te maken.

Gelukkig dat deze geene lieden waren die zich licht of op den langen

duur vervaard lieten maken.

»Zoo!" mompelde Valentin, het ondier in oogenschouw nemende, »dat is

een knaap die lust schijnt te hebben om zijn souper van ons te maken,

of ik heb het mis."

»Wacht even," antwoordde don Pablo lachende, »mijn geweer integendeel

zal eerst een souper met hem zien te doen."

»Pas toch op dat gij hem niet schiet," riep de jager, met drift den

jongman terughoudende die zijn geweer reeds op den beer aanlegde;

»een geweerschot in de spelonk zou zulk een vreeselijken slag geven;

en men kan nooit weten welk volk hier in den omtrek zwerft; wij moeten

ons niet lichtvaardig bloot stellen."

»Dat 's waar!" antwoordde don Pablo. »Wat zullen wij doen?"

»Daar zal ik voor zorgen," hernam Valentin, »neem mijn fakkel en houd

u klaar om mij te helpen."

Hij zette zijn karabijn tegen een der wanden van de grot en ging even

naar buiten, terwijl de Mexicaan den beer gezelschap bleef houden

die door het ongewone fakkellicht verblind onbewegelijk staan bleef,

en geen poot scheen te durven verzetten om nader te komen.

Na verloop van eenige minuten kwam Valentin terug; hij had zijn lasso

gehaald die aan den zadel van zijn paard vast hing.

»Plant nu uwe toortsen in den grond, dan hebt gij de handen ruim,

en houd u gereed."

Don Pablo gehoorzaamde.

De jager maakte zijn lasso met de meeste zorg in orde, liet hem over

zijn hoofd zwaaien en floot op zekere schelle manier.

Op dit onverwacht appèl kwam de logge beer twee stappen vooruit.

Dit was zijn ongeluk.

De lasso snorde Valentin van de hand, de loopende knoop viel het dier

over den hals en de mannen gingen aan 't trekken, deinsden rugwaarts

en sleepten uit al hun macht den beer met de lasso voort.

Het ongelukkige dier, op deze wijze geworgd, hing de tong een voet

ver uit den muil, het wankelde, viel en poogde met zijne lompe klauwen

vergeefs den vervloekten strop los te krabben die hem de keel toekneep.

De jagers lieten zich echter door de hopelooze pogingen van hunnen

geduchten vijand niet vervaard maken, maar trokken des te harder en

vierden de lasso niet voordat de beer eindelijk den laatsten adem

had uitgeblazen.

»Nu moet gij onze paarden maar hier brengen," zei Valentin toen hij

zag dat het dier werkelijk dood was, »dan zal ik onzen vijand de

pooten afsnijden om ze onder de heete asch te braden terwijl wij er

bij zitten te keuvelen."

De jongman gehoorzaamde en toen hij met de beide paarden aan de hand

in de grot terugkwam, vond hij Valentin, die intusschen een goed vuur

had aangelegd, bezig met den beer netjes te villen, wiens pootjes,

zooals hij gezegd had, reeds lagen te braden.

Don Pablo voorzag de paarden van het noodige voeder en kwam toen

naast Valentin bij het vuur zitten.

»Wel," zei deze met een lach, »wat vindt gij er van, kunnen wij hier

niet goed zitten keuvelen?"

»O! opperbest," antwoordde de jongman luchthartig terwijl hij tusschen

zijne vingers eene maïs cigarette rolde met al de behendigheid die

het Spaansche ras eigen schijnt te zijn, »wij zijn hier volkomen op

ons gemak, vertel mij nu maar wat gij mij te zeggen hebt, vriend."

»Daar ben ik dadelijk gereed toe," hernam de jager, die juist met

het villen van den beer klaar was en bedaard zijn jachtmes afveegde

om het weder in zijne laars te steken. »Zeg eens, hoe lang is het nu

geleden dat gij het verblijf van den Roode-Ceder ontdekt hebt?"

Bij deze vraag, die hij volstrekt niet verwachtte en die zoo op den

man af zonder eenige inleiding gedaan werd, ontroerde de jongman,

hij kleurde tot over de ooren en verloor zijne zelfbeheersching,

zoodat hij niet wist wat te antwoorden.

»Maar...." stotterde hij.

»Sedert eene maand misschien, of daar omstreeks?" vervolgde Valentin

onverstoord alsof hij de verlegenheid van zijn vriend niet opmerkte.

»Ja ongeveer," antwoordde de andere, zonder te weten wat hij zeide.

»En sedert eene maand," hervatte de jager onverbiddelijk, »gaat gij

alle nachten bij uw vader de deur uit, om van liefde te gaan praten

met de dochter van hem die uwe zuster heeft vermoord?"

»Wel, vriend!" riep de jongman gemelijk.

»Gij wilt dus zeggen dat het niet waar is?" hervatte de jager

streng, terwijl hij zijn kameraad een blik toewierp die dezen de

oogen deed neerslaan, »verklaar u nader, don Pablo, ik verwacht uwe

terechtwijzing; ik ben verlangend te hooren hoe gij het maken zult,

vriend, om mij te bewijzen dat gij reden hebt zoo te handelen als

gij doet."

Terwijl Valentin dezen langen volzin sprak, had de jongman tijd gehad

om, zoo al niet geheel, dan toch gedeeltelijk zijne tegenwoordigheid

van geest terug te bekomen.

»Gij zijt gestreng," zeide hij; »alvorens mij te beschuldigen hadt

gij ten minste de moeite moeten nemen om de redenen te hooren die ik

voor mijn gedrag te geven heb."

»Wacht eens, vriend," antwoordde Valentin met drift, »wij moeten de

zaak niet verwringen, laten wij ronduit spreken, gij behoeft u de

moeite niet te geven mij de geschiedenis uwer liefde te vertellen,

die ken ik even goed als gij, ik heb die zien ontluiken en opgroeien;

laat ik u met uw welnemen alleen dit zeggen, dat ik ten minste, na

den moord van dona Clara, zeker meende te zijn dat gij die liefde,

die tot hiertoe tegen alles bestand scheen, onherroepelijk zoudt

verbreken. Men kan niet blijven liefhebben waar men minachting en

afgrijzen gevoelt; de dochter van den Roode-Ceder moet thans voor u

omgeven zijn als met een bloedige wolk."

»Don Valentin!" riep de jongman verdrietig, »wilt gij nu een engel

verantwoordelijk stellen voor de wandaden van een booswicht?"

»Ik zal met u niet redetwisten over de beruchte strijdvraag of

de gebreken en misdaden enkel persoonlijk zijn; de gebreken ja,

zijn zulks misschien, maar in de woestijn behoort een geheel gezin

aansprakelijk te worden gesteld voor de misdrijven van het hoofd;

zonder dat bestaat er voor de eerlijke lieden geen veiligheid meer."

»O! hoe kunt gij zoo spreken!"

»Zeer goed! komen wij dan op een ander terrein, als dit u niet bevalt,

daar heb ik niets tegen. Gij zijt bijv. de edelste en trouwste ziel

die ik ken, don Pablo, en gij zult er zeker nooit aan hebben gedacht

om Ellen lichtzinnig te behandelen, niet waar?"

»O!" riep de jongman met levendige drift.

»En zoudt gij haar dan tot uwe vrouw willen maken?" zei Valentin met

snerpenden nadruk, terwijl hij hem strak in 't gezicht keek.

Don Pablo neigde wanhopig het hoofd.

»Ik ben onder de macht van den booze!" riep hij uit.

»Neen!" zei Valentin hem bij den arm grijpende; »gij zijt een

dwaas! Als alle jongelieden, laat gij u door uw hartstocht beheerschen

en wegslepen, gij luistert alleen naar deze en gij veracht de stem der

rede, en daarom begaat gij verkeerdheden die bij de eerste gelegenheid

zonder dat gij het wilt misdaden kunnen worden."

»Spreek toch zoo niet, mijn vriend."

»Nu zijt gij eerst aan de verkeerdheden," vervolgde Valentin

onverbiddelijk, »maar wees op uwe hoede!"

»O! gij lijkt wel dwaas, vriend, dat gij mij zulke dingen zegt. Geloof

mij vrij, hoe groot mijne liefde voor Ellen ook wezen mag, nooit

zal ik de plichten vergeten die de zonderlinge stelling mij oplegt,

in welke wij tegenover elkander geplaatst zijn."

»En gij zijt sedert eene maand met het verblijf van den

onverzoenlijksten vijand uwer familie bekend, terwijl gij dat geheim

in uw diepsten boezem bewaart, om aan de eischen van eenen hartstocht

gehoor te geven, die niet anders dan op oneer voor u kan uitloopen! Gij

ziet ons dagelijks te vergeefs alle mogelijke middelen aanwenden om

het spoor van onzen bittersten vijand terug te vinden en gij verraadt

ons in koelen bloede, ja met voorbedachten rade om dagelijks eenige

woorden te kunnen wisselen met het voorwerp uwer liefde, terwijl gij

ons diets zoekt te maken dat gij even als wij steeds op vruchtelooze

ontdekkingen uitgaat. Welken naam kunt gij aan zulk een gedrag geven,

zoo het niet is die van verraad?"

»Valentin! 't is of gij er op uit zijt om mij te beleedigen; de

vriendschap die tusschen ons bestaat geeft u geen recht om dus te

handelen; wees gewaarschuwd, het geduld heeft zijne grenzen."

De lynch-wet · 第 1 / 29 段