UITGESPROKEN TER GELEGENHEID DER BENOEMING VAN DEN HEER GUSTAAF WAPPERS
TOT BESTIERDER DER KONINKLIJKE ACADEMIE VAN ANTWERPEN, DEN 31^{sten}
JANUARI 1840.
Mijn weldoener, mijn vriend! gelooft gij dat woorden mijne
zielsaandoening kunnen vertalen! Neen, een onuitdrukbaar gevoel ontroert
mij. O, ik zie aan uw voorhoofd de schitterende star, die als een licht
voor België's kunst zal schijnen;--nu omgeeft u eens de zoo lang
verdiende luister!--Ik ontwaar de vreugd in de oogen van al degenen, die
u om uwe grootheid en om uwen edelen moed beminnen ... en ik,--ik, dien
gij zoo liefderijk hebt behandeld,--wien gij uwe vriendschap zoo
onverdiend geschonken hebt,--ik zou niet tot verdwaaldheid toe van
zaligheid doordrongen zijn? Gij kent mijn hart, Gustaaf, en gij weet,
dat daarin aan uwen beminden naam een eeuwig altaar is opgericht.
Oordeel bij u zelven, of de woorden mij niet ontbreken moeten om u mijne
ontroering uit te drukken.
Maar de dankbaarheid, dit heilig gevoel, dat ik met liefde voor u
gevoed heb, dwingt mij tot spreken, hoe ontoereikend de gewone taal ook
zij....
Ik was een dwalend kind der kunst, zonder steun, zonder troost, en mijne
droefheid lag diep verborgen in mijnen boezem. Mij ontbrak grootheid en
waardeering.
Hoe edelmoedig schonkt gij mij die heilvlammen van mijn leven!--Gij hebt
mij met den naam van vriend genoemd, en die naam heeft steeds als een
troostend woord in mijn oor geklonken: het maakte mij zoo sterk, zoo
moedig! Want het scheen mij toe, dat de vriend van Gustaaf Wappers groot
genoeg was, om aan de bevechtingen van het lot te wederstaan. Ook dreef
de rampspoed en het ongeluk ongevoeld boven mijn hoofd: mijne glorie en
mijn onverderfbaar geluk bestonden en rustten in uwe edele ziel, die mij
hare hoogschatting en hare genegenheid geschonken had.
Weet gij niet, Gustaaf, in hoeverre de geest, die in mij leeft, zich aan
u verkleefd heeft, daar een woord van u, zoet of straf, de bestendige
gevoelsmeter van mijn hart was?
Gij hebt dikwijls gezien, hoe mijne oogen van vreugde blonken, wanneer
ik het opgepropt en benepen gevoel van mijnen overladen boezem in den
uwen had mogen uitstorten; en wat droefheid mij het hoofd nederboog,
wanneer het geval mij voor eenen tijd van u scheidde; want alhoewel ik
niet met uw uitstekend vernuft begaafd ben, toch heeft eene geheime
kracht, iets magnetisch, mij onweerstaanbaar tot u gedreven. Niet uit
laag belang, niet op hoop van stoffelijk voordeel, neen! maar gelijk aan
het klimmende veil, dat niet leven kan, tenzij het eenen eikeboom
omhelzen moge, heb ik, ootmoedig doch warm kunstenaar, mijn geluk en
mijn ongeluk aan de wisselingen van het lot gehecht. Hoe zaliglijk
moet ik dan ook in dit plechtig oogenblik niet ontroerd zijn, nu gij als
kunstvorst eenen troon beklimt, die met meer roem en met schooner
stralen omglansd is dan die van de koningen der aarde. Zij heerschen
over de stof, hunne macht steunt op geweld; maar gij heerscht over den
geest en over de ziel, en uwe wapens zijn de onsterfelijke werken uwer
handen.
Begrijpt gij, Gustaaf, wat hooge zending u is gegeven? Opperpriester in
den tempel der Vlaamsche kunsten, zijt gij het, die de geheimen der
glorie van het vaderland moet verkonden; uwe stem moet in het heiligdom
als een mirakel klinken, en België heeft op u de toekomst zijner
schilderschool gevestigd.
Wie kan toch die zending beter dan gij vervullen?--dan gij, die bij de
macht van het scheppende penseel ook de macht van den beseffenden geest
voegt, en die te gelijker tijd de betrekkingen der zichtbare natuur en
de bedekte aandoeningen der zielen meten kunt?
Die verheffing maakt u toch niet grooter in mijn oog; zij kan mijne
bewondering voor u niet vermeerderen,--maar zij doet u rechtvaardigheid,
en zij vervult uwen dankbaren vriend, wiens weldoener gij waart, met
streelende vreugd, omdat zijne gebeden eenen galm gevonden hebben voor
den troon van den God, die eenen straal van zijne scheppende kracht en
den geest van Rubens in uwen schedel heeft gestort.
Hoezeer, Gustaaf, moet uw eigen hart in dit oogenblik van genoegen vol
zijn, wanneer gij in het oog van uwen ouden vader eenen traan van geluk
en teederheid ziet blinken,--in het oog van hem, wiens bloed u door de
aderen stroomt en wiens grijze haren de verheerlijking van zijnen naam
en uwe grootmaking hebben mogen zien.--En de zalige ontroering uwer
liefderijke moeder, wie zou die beschrijven?--van haar, die haar kind,
de vrucht van haren schoot en het voorwerp harer bestendige
moederliefde, tot kunstvorst heeft hooren uitroepen, en die gewis, reeds
bij het hooren van dien roep, hare warme tranen op uwe wangen gesproeid
heeft.--En uw broeder, Gustaaf, die getrouwe vriend uws levens, die met
eene nooit volprezene deugd en edelheid van gemoed uwe verheffing en uwe
glorie als zijn eigen geluk, zonder achterdocht heeft bemind;--begrijpt
gij wat geestontheffing dien goeden broeder tot den hemel der
zielsverrukking opvoert.
O, ja, smaak een welverdiend geluk: verstaal uwen geest tot de
verheerlijking van uw vaderland, drijf den roem der Vlaamsche school tot
aan de palen der bekende wereld: leef lang, zeer lang, en laat eens uwen
onsterfelijken naam aan onze zonen als een erfdeel, waarop zij bij den
vreemdeling roemen mogen--en dat zij dan, na eeuwen tijds, nog met
erkentenis en hoogmoed, als eenen glorierijken roep aanheffen:
GUSTAAF WAPPERS was een Belg!