UITGESPROKEN BIJ HET BEELD VAN RUBENS, OP HET OOGENBLIK DER PLECHTIGE
ONTHULLING (1840).
Zal mijne stem zich verheffen, om u de verdiensten der scheppingen van
Rubens te ontleden? Kan ik eenen lauwer meer in zijne kroon vlechten?
Neen, tweehonderd jaren hebben zijne onsterfelijkheid bevestigd: twee
eeuwen rusten op zijn graf; doch zijn naam, zijn glorierijke naam
straalt nog gelijk de jonge zon des morgens!
Gij allen, die mij hoort, hebt meer dan eens in stille bewondering voor
zijne werken geknield; gij hebt meer dan eens met een ontroerd hart
gestaard op den goddelijken Christus, wiens hemelnatuur Rubens zoo
indrukwekkend in het menschelijk lichaam kon doen doorstralen:--en uwe
ziel heeft dikwijls, voor zijne tooverende tafereelen, deze aarde
verlaten om zich tot den hemel te verheffen. Ja, gij allen voelt de
macht van zijn penseel, gij kent de uitgestrektheid van zijn vernuft en
de breedte van zijnen geest.
Doch gij, afstammelingen van den grooten Rubens, gij zijt het niet
alleen, die zijnen naam als onsterfelijk op de historiebladen hebt
aangeteekend, niet alleen in België is het, dat zijne werken de tempels
der Christenen versieren:--overal blinken de kunstmirakelen van hem,
wiens reuzenbeeld wij tot de nakomelingen overzenden; in alle landen
wordt Rubens met eerbied en opgetogenheid als een wonder van kunst en
wetenschap genoemd.--Vraagt het aan de steden van het kunstrijk Italië,
aan Duitschland, aan Frankrijk, aan Engeland, en gij zult eenen enkelen
roep hooren opgaan, om de glorie van een Vlaamsch schilder te verkonden;
gij zult uw hart van hoogmoed en fierheid voelen opzwellen over den naam
van Belg, dien gij draagt.
Heden hebben wij der nagedachtenis van hem, die ons schoon vaderland met
eenen onvergankelijken luister overlaadde, eene schuld van dankbaarheid
en erkentenis betaald. Dit beeld, dat als eene onwrikbare rots de
stormen der eeuwen moet doorstaan, zal aan onze nakomelingen zeggen,
hoezeer het herboren Belgenland met het vuur der liefde tot de kunst
bezield was; het zal voor de toekomende geslachten getuigen, dat wij,
zonen van den onsterfelijken Rubens, zulken vader waardig waren.... Zijn
beeld worde een vuurbaak in het rijk der kunsten! Dat al degenen, die
zich iets grootsch in den schedel voelen, in welke stad het ook zij,
zich onverdeelbaar rond dit heilige gedenkteeken vereenigen:--want er is
voor ons slechts ééne school,--en dit is de Vlaamsche school. Haar
leidsman is de oude Rubens, haar meester de prachtige natuur, en haar
bewonderaar de wereld.
Wij, Belgen, zijn ootmoedig onder de volkeren, wij roemen niet veel op
de glorie van ons vaderland: wij overstroomen andere landen niet met het
verhaal der daden onzer vaderen ... en nochtans, er is op den aardbodem
geene natie die, in zoo klein getal als wij zijnde, zooveel lichtende
sterren aan den hemel der kunst gehecht heeft, geen grond, die op eene
zoo geringe uitgestrektheid zooveel doorluchtige mannen, als de
dierbare grond van België, dien wij betreden, heeft voortgebracht.
Wij hebben dit niet altijd geweten: er waren tijden dat wij, vreemde
helden roemende, de namen onzer eigene vaderen in den nacht der
vergetelheid begraven lieten;--maar heden, dat wij de oude vrijheid
hebben herwonnen, is ook in onze boezems een inniger gevoel van
eigenwaarde gedaald, en het Belgische volk is met zijnen leeuw uit eenen
langen slaap opgestaan. Heden, o gelukkige dag! hebben wij de eerste
grondzuil onzer jonge nationaliteit gevestigd, ja, de eerste vaste
grondzuil onzer toekomende verheffing.
Er zijn onder ons nog wel beelden opgericht,--maar die zijn toegewijd
aan den roem van eenen oorlogsheld.--Het is in der waarheid eene wijde
wetenschap, honderdduizend man op een slagveld te schikken; het is wel
eene groote daad, zijn vaderland van de verwoesting te redden,--en hij,
die zijne broederen van de verdrukking en de slavernij der vreemden
bevrijdt, is groot!--maar ook, aan wat rampen zijn zijne heldendaden
niet verbonden?
Een onmeetbaar bloedbad is de schouwburg, waarop die wapenfeiten
geschieden; vernieling, armoede, hongersnood zijn hare trouwe gezellen,
terwijl de zoete kunst eene onafscheidbare zuster van den vrede en van
den bloei der volken is.
Zij kost geene tranen, zij; neen, zij streelt de ziel in eene zachte
verrukking; zij scheurt den sluier der blinde natuur af, om ons hare
geheimste schoonheden te laten doorgronden, en is als eene bestendige
lofzang tot den Heer, wiens werken zij verheerlijkt; zij drijft den
geest tot het goede, en, ons in bespiegeling opheffende tot Hem, die ons
geschapen heeft, verkort zij den afstand, die den mensch van zijnen God
scheidt. De kunst is die algemeene taal, welke men zoo lang te vergeefs
gezocht heeft: het is door haar alleen, dat alle volkeren der aarde eens
begrijpen zullen, dat zij broederen en kinderen van éénen enkelen en
machtigen Vader zijn. Het is in haar, dat de luister onzes vaderlands
rust; het is op hem (Rubens), en op diegenen, welke als hij de kroon
versieren, die België tot koningin der natiën maakt.
Ho, indien nog als voorheen de roem der wapens in den moed en de
dapperheid des mans besloten lag, zouden wij gewis ten dezen dage op
dien roem ook nog aanspraak mogen maken:--dit getuigen Jeruzalem en de
Sporenslag! Doch geene dapperheid, geen moed, geen beleid zijn heden
voldoende om, in de schaal der gebeurtenissen, tegen het getal op te
wegen; maar er is iets, dat nimmer tot het getal behooren kan, iets, dat
met het bloed onzes voorgeslachts door onze aderen stroomt en dit, dit
is kunst--de kracht des geestes en het scheppend vermogen der ziel!
Gebeurde het nu nog, o landgenooten, dat iemand met kleinachting van
België dorst spreken, wijs dan op dit reuzenbeeld, op Rubens, wiens
kunstgewrochten de wereld verstommen, en uw antwoord zal hem doen
blozen; en, indien een vreemdeling u de heldendaden zijner vaderen op
duizenderlei wijzen komt verhalen, denk niet, dat hij grooter is dan
gij; o, neen, niemand is groot boven eenen Belg!
Van Dyck! Quellyn! Jordaens! Teniers! en gij allen, doorluchtige Belgen,
staat op uit het verledene; schaart u om het beeld van uwen meester, en
geeft getuigenis der grootheid van uw vaderland!
O, ja, in mijne zielsverrukking zie ik u! Daar staat gij allen met de
onsterfelijke kroon der kunst gesierd!
O, gij, zonen van het oude België, gij, wier roem op dit oogenblik door
duizenden uwer ontroerde broederen wordt uitgeroepen, dat uwe zalige
schimmen zich in onze dankbaarheid verblijden; gij ziet het, wij
verdienden de glorie van uwe namen te hebben geërfd.--Vraagt van den
God, bij wien gij woont, dat Hij het heilig vuur der kunst altijd onder
ons late vlammen; smeekt Hem, dat de stempel, waarmede Hij het geslacht
der Belgen geteekend heeft, nimmer worde uitgevaagd; en wij zullen Hem
eeuwig danken over het kleine plekje gronds, dat Hij ons op deze aarde
heeft geschonken; o, ja, want het is het schoonste, het heerlijkste der
wereld.