REDEVOERING

UITGESPROKEN OP HET GRAF VAN VAN BRÉE, IN ZIJN LEVEN BESTIERDER DER

KONINKLIJKE ACADEMIE VAN ANTWERPEN (1839).

Mijne Heeren!

Het is met een ontroerd hart en met treurnis in de ziel, dat ik hier bij

den boord van het nijdige graf, eenen heiligen plicht kom vervullen;

niet alleen omdat mijne kunstgenooten, door mijne zwakke stem, hunne

laatste hulde van dankbaarheid aan den afgestorven meester willen

bewijzen; niet alleen omdat in mijnen boezem ook een kunstenaarsharte

slaat; maar het is tevens ter gedachtenis van een groot man, dien ik

achtte en beminde; en ik gevoel bij deze plechtigheid zulke diepe

droefheid als bij het eeuwig vaarwel eens vriends,--want hij, Van Brée,

heeft veel bijgedragen tot den roem van mijn vaderland.

Het is hij, wiens levenloos lichaam daar, in den eindeloozen slaap, voor

eeuwig rust, die de schitterende kunstkroon met zijne machtige hand

weder op het hoofd van België vestigde, wanneer deze haar ging

ontvallen. Ja, er was een tijdstip, en dit wel gedurende de laatste

jaren des grooten schilders Herreyns, dat wij onzen voorrang op andere

volkeren der wereld schenen te moeten verliezen. Er leefden nog wel

goede schilders; doch de verrukkende kunst van Rubens was onder ons

verzwakt; de Vlaamsche school verloor haren luister, en wellicht zouden

wij verplicht geworden zijn, van den vreemde de geheimen der kunst te

gaan afleeren.

Maar de werkzame, de krachtvolle Van Brée ontstak opnieuw het bijna

uitgedoofde vuur. Met onvermoeiden arbeid, ja met drift stortte hij zijn

eigen vernuft in jongere harten. De kennis van het verhevene schoon der

oudheid, welke hij zoo diep bezat, deelde hij mildelijk uit; en

waarlijk, hij deed meer dan men van eenen mensch verwachten mag: hij

verzuimde zijne eigene grootheid en faam, om anderen het vuur der kunst

en hare kennis in te drukken.

Ook, hoe heerlijk waren voor het vaderland de vruchten, die hij

aankweekte! Hoe groot zijn nu reeds de namen dergenen, die aan zijne

lessen de geheimen van het echte schoone verschuldigd zijn! Nauwelijks

had zijne stem eenige jaren in de zalen onzes museums weergalmd, of de

roem der Vlaamsche school spreidde zich opnieuw over alle gewesten uit,

en de vreemdeling keerde zijn gezicht weder naar Antwerpen als naar de

bron, waaruit ware kunst en diepe wetenschap te putten waren. Ja,

Italië, die classieke grond van alle beeldende kunsten, stond ons zijne

kroon af, om slechts nog met de werken zijner overledene meesters te

prijken.

Aan hem dus, aan Van Brée de eer van de Antwerpsche school in haren

vollen luister te hebben opgebeurd; aan hem de glorie van het vaderland

te hebben verheerlijkt. En daartoe heeft hij meer gedaan dan iemand in

een ander vak doen kan; want wij, klein in getal, kunnen ons niet door

het lot der wapenen boven andere volkeren verheffen; maar de kunst en

het vernuft hooren ons toe, en het is slechts door den geest, dat wij de

leermeesters van groote natiën kunnen zijn. Welke dankbaarheid zijn wij

dan niet verschuldigd aan hem, die ons den voorrang heeft behouden,

zelfs opnieuw heeft veroverd? Aan den priester, die op onze altaren die

heilige vlammen gevoed heeft, van welker gloed de grootheid en de faam

des vaderlands afhangen?

Nu heeft hij het lot van alle geschapenen ondergaan: de dood heeft hem

geraakt ... doch een man als hij sterft niet.

Het nageslacht zal in de openbare gebouwen de gewrochten zijner

behendige hand en de scheppingen van zijnen machtigen geest blijven

bewonderen, en ze als voorbeelden der strenge en grootsche kunst

bewaren. Niemand teekende met meer wetenschap der menschelijke vormen

dan hij; niemand bezat als hij de kennis der werktuigen, die in ons de

beweging gaande maken; en weinigen kunnen met hem voor de samenstelling

vergeleken worden.

Alhoewel zijn leven, als dat van alle kunstenaars, met veel bitterheid

gemengd was, had hij toch het genoegen zich gewaardeerd te zien:

onderscheidene vorsten begunstigden hem met de teekens hunner achting,

en hij werd om zijne schitterende verdiensten tot ridder en kommandeur

van verscheidene orden verheven. Zijne uitmuntende schilderijen: _Loting

van Athene_, _de Zieken genezen_, _Willem en Hembyze_ en _Rubens' dood_

zijn dáár om hem de onsterfelijkheid te verwerven.

O! wat wil ik meer eenen rechtvaardigen lof bij het stoffelijk

overblijfsel onzes grooten stadsgenoots uitspreken? Zou het noodig zijn,

den rouw en het verdriet met geweld op te wekken, in de tegenwoordigheid

van u allen, die onder zijn bestuur het eerste gevoel der kunst in uwen

boezem hebt voelen ontsteken? Voor u, die zoo dikwijls zijne stem hebt

gehoord, u met liefde onderwijzende, en die zoo menigmaal zijne, nu door

den dood bevrozene hand hebt gevoeld, die uwe nog onkundige hand

bestuurde?

En gij, die nu reeds groot in kunst zijt, gij, schilders, beeldhouwers,

op wie het vaderland zijne hoop op roem en glorie gevestigd heeft,

worden uwe harten niet met doodschen angst benepen, wanneer gij uwen

blik in die gapende aarde vallen laat, en wanneer gij denkt, dat hij,

die om u te onderwijzen, misschien zijne gezondheid gekrenkt heeft,

voor altijd, voor eeuwig aan uwe erkentenis wordt ontrukt? Heeft elke

schup aarde, welke met hollen klank op zijne doodkist nederviel, u niet

tot in het diepste uwer ziel ontroerd? Ja, bij dit laatste vaarwel

tusschen u en uwen meester, tusschen het leven en den dood, voert dit

graf uwen geest gewis naar de tijden terug, toen zijne strenge stem u in

de ooren klonk. Gij ziet hem nog in uwe verbeelding, en uw hart weent

bij die droeve heugenis aan uwen goeden meester.

Helaas! gij zult hem niet meer zien: de aarde bezit zijn lichaam, de

hemel zijne ziel....

Ik zie het, een diep gevoel van rouw en droefheid is in uwen boezem

gezonken; o, geeft eenen traan van dankbaarheid aan hem, die de

herboring der kunst onder u heeft doen ontstaan; geeft eenen traan van

liefde aan den meester, die u den weg tot de onsterfelijkheid heeft

aangewezen en de geheimen zijner ziel zoo mildelijk onder u heeft

uitgestrooid. Gevoelt gij niet, o, warme kunstenaren, dat uit dit graf

een wasem opstijgt, die u met inniger kunstgevoel vervult? Gevoelt gij

niet, dat uit uwe ontsteltenis iets groots kan geboren worden, en dat

gij op dit oogenblik met een machtiger vernuft zijt bezield? Dit gevoel

is uw grootste lof; het bezitte u lang, want het is eene edele

ontroering.

En zoo iemand onzer tot zooverre zijnen plicht vergeten kon, dat hij

ongevoelig bleve bij de droeve nagedachtenis des schilders, dan storte

hij eenen traan over den mensch; want de mensch heeft in hem als een

martelaar geleden, maanden lang met den bitteren dood geworsteld en al

de pijnen doorstaan, die ooit eenen mensch hebben gefolterd. Overweegt

hoe nijpend en hoe drukkend het voor hem moet geweest zijn, al de

krachten der ziel nog in zich te voelen gloeien, de innige vlam tot

kunstbewerking in zich nog te voelen branden, en die dorstige begeerte

niet te hebben kunnen voldoen. Verbeeldt u, wat pijn het hem moest zijn,

de glorie van België's kunst van alle zijden te hooren uitroepen, en

niet meer als te voren zijn deel te kunnen bijbrengen tot de grootmaking

des vaderlands. Gij, die een kunstenaarshart bezit, gij beseft die

foltering; o, zij was ijselijk!

Hij mocht echter gerust en tevreden zijne ziel aan God overgeven, want

van al den lof, dien onze kunstenaren in lang nog zullen verwerven, zal

hem altijd een deel toebehooren, en zijn naam zal nog lang alle

geprezene namen vergezellen.

O, Van Brée! uwe laatste oogenblikken waren pijnlijk; gij hebt veel

geleden; maar gewis heeft meer dan één profetisch gezicht uwen bitteren

doodsstrijd verzoet; gewis hebt gij den engel der toekomst bij uw

hoofdeinde zien zweven. Wellicht zal hij u een blad uit het

onvergankelijk boek der eeuwen getoond hebben, en gij zult daarop uwen

naam tusschen die van Rubens en zijne opvolgers hebben zien blinken. Ja,

gij mocht met die zoete hoop inslapen; want gelijk de Phoenix, die bij

de zon van Arabië uit zijne eigene asch heroprijst, zal uw roem na uwen

dood vergrooten, en uit dit graf zal uw naam bij de zon der

onsterfelijkheid glansrijker opstijgen. Eenmaal, ja, zal het duurzaam

koper ons een groot schilder en den beste der leermeesters wedergeven.

Ontvang dan, o zalige schim, ontvang in den schoot der Godheid het droef

en laatst vaarwel eeniger vrienden van het Vlaamsche vaderland, dat gij

hebt verheerlijkt.--Aan uwe ziel zij de eeuwige rust, aan uwe werken de

eeuwige roem!

Redevoeringen · 第 3 / 18 题