XXIII. VERHAEL.

Vande oprechtigheydt van een Ioodſe Dochter.

Wanneer ick was inde Stadt van Tituan, in het Koninckrijck van Fez

(gelijck ick in het diſcours van mijn Reyſe vertelt hebbe) na dat ick

uyt de Mamore gegaen was, ’t welck een Gevangeniſſe onder de Aerde is,

Monſieur Caloen en een Turck die ons bewaerde, ende ick, namen een

Kamer inde Ioden ſtraet. Onſe Camer was ſonder Meubelen, want na onſe

maniere van leven hadden wy geen Meubelen van doen: Ende wanneer wy

begeerigh waren yets te koopen; diende de Ioden ons voor een kleyn

ſtuck Gelts. Het gebeurde dat ſekere Iodinne ons yets gebracht hadde,

ende ſy koute met my in ’t Portugijs, ende ick antwoorde haer in ’t

Frans, ’t welck ſy heel wel verſtonde, ende ick verſtonde de Portugijſe

ſpraecke. Het was een Dochter van 16. ofte 18. Iaren, ende ſeer

openhertigh, ick vraeghde haer ofſe getrouwt was, ſy antwoorde my neen:

Ick repliceerde: My dunckt dat het een moeyelijcker dingh voor u moet

zijn ſonder Man te leven als u te onthouden van Verken-Vleeſch te eten,

’t welck door de Wet Moyſis ſoo ſcherpelijck verboden is. Waer op ſy my

ſeyde, nadien gy van Huwelijcken ſpreeckt, ſeght my, trouwtmen in u

Landt in het Koninckrijck van Duynkerken ghelijckmen hier doet? Ick

ſeyde ja. Ick vraghe ſeyde ſy, ofte een Man ſoo veel Vrouwen mach

hebben als hyder hebben wil. Ick antwoorde haer; Het trouwen wordt

aldaer heel anders ghedaen, als hier, want een Vrouw mach aldaer ſeven

Mannen hebben, ende de Vrouw heeft het commandement over alle haer

Mans. Sy vraegde my, wie van die ſeven Mannen by de Vrouw ſliep: Ick

antwoorde haer, dat ſulcx by dagen ende Maenden geſchiede, maer dat die

gene welcke ſijn Vrouw beſt diende, aldermeeſt by haer ſliep.

Dit diſcours behaeghde de Iodinne ſoo ſeer datſe my ſeyde: Godt ſegene

een ſoodanigh Landt.

Turckse slavernie · 第 30 / 44 题