XVI. VERHAEL.

De nootſakelijckheydt is de Moeder vande neerſtigheyt ende vande

vernuftigheydt.

Wanneer ick woonde in de Bain van Alli Pegelin, waren wy 550. Chriſten

Slaven, de welcke dagelijcks door vernuftigheyt haer leven ſochten.

Het is een ſaecke verwonderinghs weerdigh, op wat maniere yder een in

ſoodanigen nootſakelijckheydt ſich diende van ſijn vernuftigheyt. De

dieverye is de gemeenſte oeffeninge van deſe School. Daer was inde Bain

een Italiaenſe Slaef, wiens Oorloghs naem was Fontimama: Hy vertroude

ſich ſelfs ſoo ſeer op de konſt van ſtelen, dat hy niet bekommert was

ſijne Cameraets ’s middaghs ten eten te noodighen, want voor die tijdt

ſtal hy ’t gene hy ’s middaghs ſijne Vrienden te eten ſoude geven.

Op een ſeeckeren dagh hadde hy mijn Cameraet Reynier Saldens ten thien

uren genoodight, met conditie dat hy met hem voor den eten een keer

inde Stad ſoude doen. Fontimama brocht Saldens by eenige Joden die

wiſſelaers van Gelt waren, van de welcke vele binnen Argiers waren,

ſijnde op de ſtraten met een kleyne Tafel, op de welcke Aſpren ſijn

dieſe wiſſelen teghens ſtucken van achten, maeckende van deſe

wiſſelinge haer profijt. Fontimama eyſchte Aſpren voor een half ſtuck

van achten, toonende dat het ſtuck goet was: Hy hielp de Jode tellen,

ende rekeningh gemaeckt ſijnde, gaf hy de Jode een valſch ſtuck. De

Jode, die het Gelt ſeer wel kende, joegh Fontimama wech: Maer daer

waren eenige Aſpren ghebleven inde Handen vanden ſubtilen dief: Ende

van daer gingenſe by een andere Jode, ende wiſte eyndelijck ſijn dingen

ſo wel te doen, dat Fontimama ’s middaghs wederom inde Bain quam met

twee Hoenderen, ende noch Gelt ghenoegh om haer Buyck vol Wijn te

drincken.

Op een andere tijdt was hy met de Galeye van onſe Meeſter Pegelin op de

Kuſte van Barbarien, voor een plaets genaemt Terrevechia, ende

Fontimama was met eenighe andere Slaven aen Landt, om dat deſe Slaven

de wacht over de Galeye moſten houden. Terſtont daer na vergaderden

alle de Alarben ronts om deſe Slaven, haer vragende oftſe geen Yſer te

verkoopen hadden (want het Yſer is op die plaetſe dier) ende de Slaven

verkochten Spijckers, ende andere ſoodanige kleyne dinghen. De

Cameraets van Fontimama hebbende haer Coopmanſchap verkocht, brochten

de Koopers tijdinge van hare nabuyren, datſe Yſer ghekocht hadden vande

Slaven vande Galeyen.

Twee Alarben verſtaende datmen aldaer Yſer goet koop verkocht, quamen

na de Zee-Kant om daer van te koopen, ende quamen by Fontimama, die

haer ſeyde, dat hy Yſer aen haer verkoopen ſoude, ende verkocht haer

het Ancker vande Galeye voor vijf ſtucken van achten. Hy ontfingh het

Gelt, ende ſeyde: Vrienden het is onmogelijck dat ghy ſoo veel Gewicht

onder u beyden kont dragen, roept yemandt van u nabuyren, ende ick ſal

u mede helpen. Deſe onnoſele Alarben liepen om hare nabuyren om

aſſiſtentie te hebben. Fontimama gingh ondertuſſchen inde Galeye, ende

leyde terſtont een Pleyſter op een van ſijne Ooge. Deſe twee Coopluyden

quamen wederom met twintig Alarben om het Ancker wech te dragen, ſy

gingen inde Galeye, ende begonnen de Kabels los te maken. De Generael

Alli Pegelin, de welcke inde Kejuyt lagh op een Fluweele Matalas, ſagh

deſe Alarben voor inde Galeye twiſten met de Turckſe Soldaten, want de

Soldaten wouden het Ancker niet laten wegh dragen. Hy vraeghde waerom

de Alarbes ſoo veel gheruchte maeckten. Men vertelde Pegelin de

Hiſtorie dat Fontimama het Ancker verkocht hadde, hy gaf terſtont ordre

aen de Commijs datmen deſe Canaille de Alarben ſoude verdrijven uyt de

Galeyen. De ordre wierde terſtont geexecuteert met eenige ſlagen van

ſtocken, die de Alarben ontfingen in plaets van het Ancker. Wanneer de

Alarben verdreven waren, vraeghde Pegelin aen Fontimama, waerom hy het

Ancker van de Galeye verkocht hadde, nadien het hem niet toe en quam.

Fontimama antwoorde hem: Dat hy meende dat de Galeye beter ſoude

voortgaen, wanneerſe van dat Gewicht ſoude ontlaſt zijn. Alle die vande

Galeye begonnen te lachen over dit antwoort, ende de vijf ſtucken van

achten bleven by Fontimama.

Daer was oock inde Bain een Brabander genaemt Frans de Vos, maer ſijn

Oorloghs naem was Frans de Student: Deſen quam Pegelin niet toe, maer

vvoonde inde Bain door ordre van zijn Patroon ende toelaten van

Pegelin, hebbende een Yſere Keten van hondert ponden Gevvicht aen ſijne

Beenen, ſonder daer te mogen uyt gaen: Alleen om de betalinghe van zijn

rantſoen aen te dringen. Hy vvas als Secretaris van de Duynkerckſe,

Hollandtſe ende Hamburger Slaven, ſchrijvende alle tijdt Brieven ſonder

recompenſie, maer liet toe datmen hem te drincken gaf. Ende alſoo hy

vveghen deſe brieven altoos omcingelt vvas van Vlamingen ende

Hollanders, die by hem quamen, ende voor ſijn moeyte te drincken gaven,

wanneer hy gheſchreven hadde, dede dit ambacht deſen Schrijver leven:

Want de Weerdt alwaer hy ging ſchrijven, gaf hem dien gantſchen dagh te

eten, ter oorſaecke van het profijt ’twelck hy maeckte by het verkoopen

van de Wijn aende Perſonen die hem deden ſchrijven.

Daer was oock een Franſe Ridder, die inde Slavernye ſes Iaren langh

geweeſt hadde, ſonder dat hy een Stuyver uyt zijn Land ontfangen hadde.

Hy was altoos wel gekleedt in qualiteyt van een Slaef: Hy at ende

dronck leckerlijck, ende noodighde menighmael eenighe Cameraets te eten

met hem: Hy hadde groote kenniſſe met Gerenegeerde Franſen die hem Gelt

op Intereſt leenden, het ſelfde wederom ghevende op de geſtelde tijdt;

Maer om te betalen nam hy Gelt op Intereſt van andere Gerenegeerden:

Ende alſoo alle Gerenegeerden Soldaten ſijn, ende in gheduyrighe

Oorlogh, ſoo ter Zee als te Lande, woonde daer altoos yemant van ſijne

Crediteuren. Ende alſoo deſe Crediteuren geen Bloet-Vrinden, noch

Vrouw, noch Kinderen hadden, wierde de ſchult met de Doodt betaelt:

Ende hoewelder eenighe Obligatie in gheſchrift was, alſoo deſen Ridder

een Slaef was, was de ſelfde ſonder eenighe kracht.

Ick hebbe een Spaignaert gekent, die alhier Rodrigo ſal genoemt worden:

Hy was ghelijck een van de Guyten van Parijs, die haer leven ſoecken

door de reputatie van haer Rappier, ſonder datter eenige couragie in

is. Men noemt ſoodanige Luyden in Spaens Vidas. Deſen Rodrigo ſocht

zijn leven met het accorderen der tweedrachten tuſſchen de Slaven, haer

doende te ſamen drincken als de vrede gemaeckt was, ende maeckende

goede ciere met de verſoenden. Maer men moet remarqueren, dat hy by na

altoos de krackeelen tuſſchen de Spaignaerts ſocht, ende dat dede hy om

haer daer na te accorderen, ende teghenwoordigh te zijn als het accoort

ghemaeckt wierde.

Rodrigo liet ſich vinden inde Bain ontrent de Tap-Huyſen, alwaer hy

meende dat de grootſte dronckaerts waren, want ghemenelijck alſmen de

Rekeninge maect, waſſer twiſt tuſſchen de droncke Turcken ende de

Chriſten Waert. Rodrigo accordeerde deſe twiſten met een Spaenſe

graviteyt, ſeggende, Vrienden, het is genoeg dat een Man als ick ben

het ſegghe, ende wanneer de Turcken de Waert van het Tap-Huys niet

wilden betalen, adverteerde Rodrigo de Gardiaen daer van, die terſtont

de Poort van de Bain toe-ſloot, ende wanneer de droncke Turcken hare

Meſſen uyt-trocken, quam Rodrigo van achteren met een Ladder, ende dede

het Hooft vande Turck tuſſchen de ſporten, ende wierp hem ſoo op de

Aerde (’t welck hy mochte doen om haer te ſepareren, want de Chriſten

ſoude een Turck niet derven ſlaen op de boete van zijn leven:) Dan quam

de Gardiaen, die den Turck dede betalen, alwaer hy gagie van hem nam.

Om ſodanige ende diergelijcke dienſten was Rodrigo onder de Tappers

vande Bains geeſtimeert, ontfangende ſijn avontmael voor zijn loon.

Daer was een Moſcoviter tachtigh Iaren oudt, die gheen arbeyt ter

Werelt konde doen weghen ſijne Ouderdom: Deſe reynighde de Secreten

vande Bain, ende ging alle weecken aelmoes eyſſchen vande Slaven vande

Bain voor zijn moeyte, ende eenighe gaven hem wat, ende met dat weynigh

hiel hy zijn leven op.

Ick hebbe mede op de ſelfde plaets een Hamburger Iongen gekent, de

welcke wanneer hy in ’t gevecht genomen wierde, een arm verloren hadde,

wat remedie waſſer om ſijn leven te winnen? De Patroon gaf hem

niemendal: Een van ſijne Lants-Luyden gaf hem een half ſtuck van

achten. Met dit Gelt kocht hy eenighe Keghelen. Hy gingh buyten de

Stadt ende verhuyrde zijne Kegelen aen de Kinderen die daer ſpeelden,

ende won zijn leven ſeer wel. De Spaignaerts die Tap-Huys mochten

houden, leefden als Princen onder de Slaven: Ende wonnen in korten

tijdt haer rantſoen: Want die een Pijp Wijns inde Maendt van September

maecken, die haer ſeſtien ſtucken van achten koſt, wanneerſe die by

kleyne Maet verkoopen, maeckenſe veertigh ofte vijftigh ſtucken van

achten van.

Daer waren oock ſes Chirurgijns die veel Gelts wonnen, want ſy gingen

de Borgers verbinden. Maer gelijckmen ghemeenelijck ſiet dat de goede

tijdt ende het Gelt de Menſchen bederven, ſoo bedorven deſe haer oock

met Vrouwen ende de Wijn.

Daer waren oock andere die Kouſſen breyden, ende andere dinghen deden,

maer de dieverye was het meeſt ghepractiſeerde Ambacht. Alle avonts

verkochtmen ’t geen by daegh geſtolen was, gelijck ick breeder verhaelt

hebbe in het diſcours van mijn Reyſe. De Prieſters leefden vande

Aelmoeſſen vande Chriſten Slaven.

Eyndelijck vondt yeder een van wat Natie dat hy was middel om te leven,

uyt genomen de Engelſchen, de welcke een Natie is die geen armoede en

kan verdraghen als andere, ende het ſchijnt datſe geen medelijden

hebben, ſelfs niet van hare Lants-Luyden. Ick hebbe geſien wanneer ick

inde Winter inde Bain was, datter meer als twintigh van armoede

ſtierven: Oock en zijnſe vande Turcken niet geeſtimeert. Men verkoopt

een Engels Man voor 60. ofte 70. ſtucken van achten, ende een

Spaignaert ofte Italiaen voor 150. ofte 200. ſtucken van achten. Ick

ſegghe wanneer men de waerde eſtimeert na het Lichaem ende niet na het

rantſoen.

Daer waren andere Slaven die haer Huyſen kenden alwaer ſy water

daghelijcks brochten, ende de vuyligheden wegh droegen, ende leefden by

haer loon. Maer gy moet weten, dat alle deſe middelen om het leven te

winnen alleen gedaen wierden wanneer het werck vande Patroon ghedaen

was. Ick hadde ſoodanighen vermaeck wanneer ick conſidereerde ’t ghene

paſſeerde onder de Slaven inde Bain, dat wanneer ick woonde by mijn

Patroon Mahomet Celibi Oiga, ging ick tot mijn vermaeck inde Bain, om

met Frans de Student te kouten, by den welcken nimmermeer eenige

Duynkerckſe Slaven ontbraken, de welcke hare avonturen ende reſcontres

op Zee vertelden: De Hollanders, ’t ghene in Ooſt-Indien, Iapon, ende

China paſſeerde; De Deenen ende Hamburgers van de Viſſcherye der

Walviſſchen in Groen-Landt, in welcke tijde des Iaers de Son in Yſlandt

verſchijnt, ende wanneer de nacht van ſes Maenden begint: Ofte indien

ſoodanige converſatie my niet behaeghde, gingh ick by de Spaignaerts,

de welcke ofte gouverneerden op haer maniere de Staten van haren

Koningh, ofte verhaelden de vermaeckelijckheden van Mexico, ofte de

Rijckdommen van Peru: Ofte gingh ick by de Franſen, hoorde ick haer

ſpreecken van Terreneuf, van Canada, vande Virginie: Want meeſt alle de

Slaven ſijn Zee-Luyden.

Beminde Leſer, ick hebbe u vertoont ’t gene onder de Slaven paſſeerde,

ende de middel waer door veele Perſonen haer leven wonnen, om te doen

blijcken, wat voor een Meeſterſe ſy de nootſaeckelijckheydt, ende

datter gheen beter Univerſiteyt is als de Bain van Argiers, om de

Menſchen te leeren leven.

Turckse slavernie · 第 23 / 44 题