De nootſakelijckheydt is de Moeder vande neerſtigheyt ende vande
vernuftigheydt.
Wanneer ick woonde in de Bain van Alli Pegelin, waren wy 550. Chriſten
Slaven, de welcke dagelijcks door vernuftigheyt haer leven ſochten.
Het is een ſaecke verwonderinghs weerdigh, op wat maniere yder een in
ſoodanigen nootſakelijckheydt ſich diende van ſijn vernuftigheyt. De
dieverye is de gemeenſte oeffeninge van deſe School. Daer was inde Bain
een Italiaenſe Slaef, wiens Oorloghs naem was Fontimama: Hy vertroude
ſich ſelfs ſoo ſeer op de konſt van ſtelen, dat hy niet bekommert was
ſijne Cameraets ’s middaghs ten eten te noodighen, want voor die tijdt
ſtal hy ’t gene hy ’s middaghs ſijne Vrienden te eten ſoude geven.
Op een ſeeckeren dagh hadde hy mijn Cameraet Reynier Saldens ten thien
uren genoodight, met conditie dat hy met hem voor den eten een keer
inde Stad ſoude doen. Fontimama brocht Saldens by eenige Joden die
wiſſelaers van Gelt waren, van de welcke vele binnen Argiers waren,
ſijnde op de ſtraten met een kleyne Tafel, op de welcke Aſpren ſijn
dieſe wiſſelen teghens ſtucken van achten, maeckende van deſe
wiſſelinge haer profijt. Fontimama eyſchte Aſpren voor een half ſtuck
van achten, toonende dat het ſtuck goet was: Hy hielp de Jode tellen,
ende rekeningh gemaeckt ſijnde, gaf hy de Jode een valſch ſtuck. De
Jode, die het Gelt ſeer wel kende, joegh Fontimama wech: Maer daer
waren eenige Aſpren ghebleven inde Handen vanden ſubtilen dief: Ende
van daer gingenſe by een andere Jode, ende wiſte eyndelijck ſijn dingen
ſo wel te doen, dat Fontimama ’s middaghs wederom inde Bain quam met
twee Hoenderen, ende noch Gelt ghenoegh om haer Buyck vol Wijn te
drincken.
Op een andere tijdt was hy met de Galeye van onſe Meeſter Pegelin op de
Kuſte van Barbarien, voor een plaets genaemt Terrevechia, ende
Fontimama was met eenighe andere Slaven aen Landt, om dat deſe Slaven
de wacht over de Galeye moſten houden. Terſtont daer na vergaderden
alle de Alarben ronts om deſe Slaven, haer vragende oftſe geen Yſer te
verkoopen hadden (want het Yſer is op die plaetſe dier) ende de Slaven
verkochten Spijckers, ende andere ſoodanige kleyne dinghen. De
Cameraets van Fontimama hebbende haer Coopmanſchap verkocht, brochten
de Koopers tijdinge van hare nabuyren, datſe Yſer ghekocht hadden vande
Slaven vande Galeyen.
Twee Alarben verſtaende datmen aldaer Yſer goet koop verkocht, quamen
na de Zee-Kant om daer van te koopen, ende quamen by Fontimama, die
haer ſeyde, dat hy Yſer aen haer verkoopen ſoude, ende verkocht haer
het Ancker vande Galeye voor vijf ſtucken van achten. Hy ontfingh het
Gelt, ende ſeyde: Vrienden het is onmogelijck dat ghy ſoo veel Gewicht
onder u beyden kont dragen, roept yemandt van u nabuyren, ende ick ſal
u mede helpen. Deſe onnoſele Alarben liepen om hare nabuyren om
aſſiſtentie te hebben. Fontimama gingh ondertuſſchen inde Galeye, ende
leyde terſtont een Pleyſter op een van ſijne Ooge. Deſe twee Coopluyden
quamen wederom met twintig Alarben om het Ancker wech te dragen, ſy
gingen inde Galeye, ende begonnen de Kabels los te maken. De Generael
Alli Pegelin, de welcke inde Kejuyt lagh op een Fluweele Matalas, ſagh
deſe Alarben voor inde Galeye twiſten met de Turckſe Soldaten, want de
Soldaten wouden het Ancker niet laten wegh dragen. Hy vraeghde waerom
de Alarbes ſoo veel gheruchte maeckten. Men vertelde Pegelin de
Hiſtorie dat Fontimama het Ancker verkocht hadde, hy gaf terſtont ordre
aen de Commijs datmen deſe Canaille de Alarben ſoude verdrijven uyt de
Galeyen. De ordre wierde terſtont geexecuteert met eenige ſlagen van
ſtocken, die de Alarben ontfingen in plaets van het Ancker. Wanneer de
Alarben verdreven waren, vraeghde Pegelin aen Fontimama, waerom hy het
Ancker van de Galeye verkocht hadde, nadien het hem niet toe en quam.
Fontimama antwoorde hem: Dat hy meende dat de Galeye beter ſoude
voortgaen, wanneerſe van dat Gewicht ſoude ontlaſt zijn. Alle die vande
Galeye begonnen te lachen over dit antwoort, ende de vijf ſtucken van
achten bleven by Fontimama.
Daer was oock inde Bain een Brabander genaemt Frans de Vos, maer ſijn
Oorloghs naem was Frans de Student: Deſen quam Pegelin niet toe, maer
vvoonde inde Bain door ordre van zijn Patroon ende toelaten van
Pegelin, hebbende een Yſere Keten van hondert ponden Gevvicht aen ſijne
Beenen, ſonder daer te mogen uyt gaen: Alleen om de betalinghe van zijn
rantſoen aen te dringen. Hy vvas als Secretaris van de Duynkerckſe,
Hollandtſe ende Hamburger Slaven, ſchrijvende alle tijdt Brieven ſonder
recompenſie, maer liet toe datmen hem te drincken gaf. Ende alſoo hy
vveghen deſe brieven altoos omcingelt vvas van Vlamingen ende
Hollanders, die by hem quamen, ende voor ſijn moeyte te drincken gaven,
wanneer hy gheſchreven hadde, dede dit ambacht deſen Schrijver leven:
Want de Weerdt alwaer hy ging ſchrijven, gaf hem dien gantſchen dagh te
eten, ter oorſaecke van het profijt ’twelck hy maeckte by het verkoopen
van de Wijn aende Perſonen die hem deden ſchrijven.
Daer was oock een Franſe Ridder, die inde Slavernye ſes Iaren langh
geweeſt hadde, ſonder dat hy een Stuyver uyt zijn Land ontfangen hadde.
Hy was altoos wel gekleedt in qualiteyt van een Slaef: Hy at ende
dronck leckerlijck, ende noodighde menighmael eenighe Cameraets te eten
met hem: Hy hadde groote kenniſſe met Gerenegeerde Franſen die hem Gelt
op Intereſt leenden, het ſelfde wederom ghevende op de geſtelde tijdt;
Maer om te betalen nam hy Gelt op Intereſt van andere Gerenegeerden:
Ende alſoo alle Gerenegeerden Soldaten ſijn, ende in gheduyrighe
Oorlogh, ſoo ter Zee als te Lande, woonde daer altoos yemant van ſijne
Crediteuren. Ende alſoo deſe Crediteuren geen Bloet-Vrinden, noch
Vrouw, noch Kinderen hadden, wierde de ſchult met de Doodt betaelt:
Ende hoewelder eenighe Obligatie in gheſchrift was, alſoo deſen Ridder
een Slaef was, was de ſelfde ſonder eenighe kracht.
Ick hebbe een Spaignaert gekent, die alhier Rodrigo ſal genoemt worden:
Hy was ghelijck een van de Guyten van Parijs, die haer leven ſoecken
door de reputatie van haer Rappier, ſonder datter eenige couragie in
is. Men noemt ſoodanige Luyden in Spaens Vidas. Deſen Rodrigo ſocht
zijn leven met het accorderen der tweedrachten tuſſchen de Slaven, haer
doende te ſamen drincken als de vrede gemaeckt was, ende maeckende
goede ciere met de verſoenden. Maer men moet remarqueren, dat hy by na
altoos de krackeelen tuſſchen de Spaignaerts ſocht, ende dat dede hy om
haer daer na te accorderen, ende teghenwoordigh te zijn als het accoort
ghemaeckt wierde.
Rodrigo liet ſich vinden inde Bain ontrent de Tap-Huyſen, alwaer hy
meende dat de grootſte dronckaerts waren, want ghemenelijck alſmen de
Rekeninge maect, waſſer twiſt tuſſchen de droncke Turcken ende de
Chriſten Waert. Rodrigo accordeerde deſe twiſten met een Spaenſe
graviteyt, ſeggende, Vrienden, het is genoeg dat een Man als ick ben
het ſegghe, ende wanneer de Turcken de Waert van het Tap-Huys niet
wilden betalen, adverteerde Rodrigo de Gardiaen daer van, die terſtont
de Poort van de Bain toe-ſloot, ende wanneer de droncke Turcken hare
Meſſen uyt-trocken, quam Rodrigo van achteren met een Ladder, ende dede
het Hooft vande Turck tuſſchen de ſporten, ende wierp hem ſoo op de
Aerde (’t welck hy mochte doen om haer te ſepareren, want de Chriſten
ſoude een Turck niet derven ſlaen op de boete van zijn leven:) Dan quam
de Gardiaen, die den Turck dede betalen, alwaer hy gagie van hem nam.
Om ſodanige ende diergelijcke dienſten was Rodrigo onder de Tappers
vande Bains geeſtimeert, ontfangende ſijn avontmael voor zijn loon.
Daer was een Moſcoviter tachtigh Iaren oudt, die gheen arbeyt ter
Werelt konde doen weghen ſijne Ouderdom: Deſe reynighde de Secreten
vande Bain, ende ging alle weecken aelmoes eyſſchen vande Slaven vande
Bain voor zijn moeyte, ende eenighe gaven hem wat, ende met dat weynigh
hiel hy zijn leven op.
Ick hebbe mede op de ſelfde plaets een Hamburger Iongen gekent, de
welcke wanneer hy in ’t gevecht genomen wierde, een arm verloren hadde,
wat remedie waſſer om ſijn leven te winnen? De Patroon gaf hem
niemendal: Een van ſijne Lants-Luyden gaf hem een half ſtuck van
achten. Met dit Gelt kocht hy eenighe Keghelen. Hy gingh buyten de
Stadt ende verhuyrde zijne Kegelen aen de Kinderen die daer ſpeelden,
ende won zijn leven ſeer wel. De Spaignaerts die Tap-Huys mochten
houden, leefden als Princen onder de Slaven: Ende wonnen in korten
tijdt haer rantſoen: Want die een Pijp Wijns inde Maendt van September
maecken, die haer ſeſtien ſtucken van achten koſt, wanneerſe die by
kleyne Maet verkoopen, maeckenſe veertigh ofte vijftigh ſtucken van
achten van.
Daer waren oock ſes Chirurgijns die veel Gelts wonnen, want ſy gingen
de Borgers verbinden. Maer gelijckmen ghemeenelijck ſiet dat de goede
tijdt ende het Gelt de Menſchen bederven, ſoo bedorven deſe haer oock
met Vrouwen ende de Wijn.
Daer waren oock andere die Kouſſen breyden, ende andere dinghen deden,
maer de dieverye was het meeſt ghepractiſeerde Ambacht. Alle avonts
verkochtmen ’t geen by daegh geſtolen was, gelijck ick breeder verhaelt
hebbe in het diſcours van mijn Reyſe. De Prieſters leefden vande
Aelmoeſſen vande Chriſten Slaven.
Eyndelijck vondt yeder een van wat Natie dat hy was middel om te leven,
uyt genomen de Engelſchen, de welcke een Natie is die geen armoede en
kan verdraghen als andere, ende het ſchijnt datſe geen medelijden
hebben, ſelfs niet van hare Lants-Luyden. Ick hebbe geſien wanneer ick
inde Winter inde Bain was, datter meer als twintigh van armoede
ſtierven: Oock en zijnſe vande Turcken niet geeſtimeert. Men verkoopt
een Engels Man voor 60. ofte 70. ſtucken van achten, ende een
Spaignaert ofte Italiaen voor 150. ofte 200. ſtucken van achten. Ick
ſegghe wanneer men de waerde eſtimeert na het Lichaem ende niet na het
rantſoen.
Daer waren andere Slaven die haer Huyſen kenden alwaer ſy water
daghelijcks brochten, ende de vuyligheden wegh droegen, ende leefden by
haer loon. Maer gy moet weten, dat alle deſe middelen om het leven te
winnen alleen gedaen wierden wanneer het werck vande Patroon ghedaen
was. Ick hadde ſoodanighen vermaeck wanneer ick conſidereerde ’t ghene
paſſeerde onder de Slaven inde Bain, dat wanneer ick woonde by mijn
Patroon Mahomet Celibi Oiga, ging ick tot mijn vermaeck inde Bain, om
met Frans de Student te kouten, by den welcken nimmermeer eenige
Duynkerckſe Slaven ontbraken, de welcke hare avonturen ende reſcontres
op Zee vertelden: De Hollanders, ’t ghene in Ooſt-Indien, Iapon, ende
China paſſeerde; De Deenen ende Hamburgers van de Viſſcherye der
Walviſſchen in Groen-Landt, in welcke tijde des Iaers de Son in Yſlandt
verſchijnt, ende wanneer de nacht van ſes Maenden begint: Ofte indien
ſoodanige converſatie my niet behaeghde, gingh ick by de Spaignaerts,
de welcke ofte gouverneerden op haer maniere de Staten van haren
Koningh, ofte verhaelden de vermaeckelijckheden van Mexico, ofte de
Rijckdommen van Peru: Ofte gingh ick by de Franſen, hoorde ick haer
ſpreecken van Terreneuf, van Canada, vande Virginie: Want meeſt alle de
Slaven ſijn Zee-Luyden.
Beminde Leſer, ick hebbe u vertoont ’t gene onder de Slaven paſſeerde,
ende de middel waer door veele Perſonen haer leven wonnen, om te doen
blijcken, wat voor een Meeſterſe ſy de nootſaeckelijckheydt, ende
datter gheen beter Univerſiteyt is als de Bain van Argiers, om de
Menſchen te leeren leven.