Van vijf Turckſe Slaven, die door een wonderlijcke practijck haer
ſalveerden, ende van de reſcontre van een Schip van Duynkercke.
In het jaer 1640. hadden de Duynkerckſe Vrybuyters een Schip ghenomen,
ſijnde mede een vrybuyter van Argiers met ontrent 100. Turcken. Mijn
Ouders neffens de Ouders van Monſieur Caloen mijn Cameraet deden ſoo
veel moeyten, dat de Prins Cardinael ſeven Turcken gaf om een
wiſſelinghe te doen teghens ons drie Chriſtenen. Men ſondt de Turcken
wanneerſe in Spaignen ſijn, om op de Galeyen te roeyen, ende yeder
Reyſe als eenighe ſchepen na Spaignen vertrocken, ſondemen vijf ofte
ſes Turcken daer mede: Ende alſoo dit kleyne getal niet bequaem is om
haer Meeſter van een Oorlogh Schip te maecken, lietmenſe arbeyden met
de Matroſen, ende daerom hier ende daer loopen ſonder achterdencken dat
vijf Turcken haer ſouden konnen ſalveren, ſijnde bewaert in een
Oorlogh-Schip verſien van 150. Mannen. In het jaer 1641. wierden vijf
van deſe Turcken gheſtelt op een Schip van Duynkercke, ende op ſeeckere
Nacht als het ſchip paſſeerde de naeute van Gibralter, ſtiet het ſelfde
Schip tegen een Turckſe Galeye. De Duynkerckers meenden dat de Galeye
maer een Brigantijn vvas, ende de Turcken meenden dat het Oorlogh-ſchip
een Coopvaerdy-ſchip was, daerom begon yeder vier op malkander te
gheven met groot geluyt. Maer na datſe een tijdt lang gevochten hadden,
die van de Galeye ende die van het voorſz ſchip conſidererende, datter
geen buyt te hopen vvas, ſcheyden van malkander, ende yeder gingh ſijn
weg. Ondertuſſchen geduyrende de confuſie van het gevecht, hebben de
vijf Turcken die op het ſchip vvaren, haer inde Galeye gevvorpen, maer
op vvat maniere, kan ick niet begrijpen, ende dat meer is, ick ſoude
het noyt gelooven, indien ick geen Oog getuyge daer van vvare
ghevveeſt. Wanneer de Galeye inde Haven quam, liep de geruchte door de
gantſche Stadt van Argiers, dat vijf Turcken, die tot Duynkerke Slaven
hadden gevveeſt, haer op de Galeye geſalveert hadden: Ende gelijck ick
geſeyt hebbe in het diſcours van mijn Reyſe, vvas mijn Cameraet Saldens
van Argiers vertrocken om vijf Turcken tot Ceuta te brengen, om tegens
ons gewiſſelt te worden, ick was ſeer bekommert dat die geſalveert
waren de vijf niet en waren daer mijn Compagnon laſt toe hadde, ick
liep terſtont na de Zee-kant toe, ende vonde by geluck een vande vijf
geſalveerde Turcken; ick vraeghde hem ofte hy een van de vijf Turcken
was die tegen drie Duynkerckers ſouden verloſt worden. Hy ſeyde my
neen, maer dat die vijf Turcken in Engelandt waren in de bewaringe van
mijn Cameraet Saldens, ende dat het Schip noch eenighe ladingh moſte
in-nemen, ende dat hy gheloofde, datſe wel haeſt in Spaignen ſouden
ſijn. Deſe vijf Turcken hadden haer wel gedient van de occaſie van het
geveght van het ſchip ende vande Galeye.