Deſe goede Vrouwe dede my alle daegs veele curieuſe vraghen: ſy was

langh, ſchoon van aenſicht ende vet, waer in de ſchoonheyt van een

Vrouwe, na de opinie van de Africanen, beſtaet.

Alle daeghs, wanneer ick het Peert gevoert, Water gedragen, de

Marct-gangh gedaen, ende andere dingen gedaen hadde, vraeghde ick mijn

Patroneſſe oorlof na de Miſſe te gaen in de Bain van Alli Pegelin: het

welcke ſy my altoos toeſtonde. Aengaende Mahomet Celibi Oiga, hy was

een ſeer wel ghemaeckt Man van Lichaem, ſeer wel op-gebracht, ende ſeer

ſober in ſijn eten ende drincken; want hy dronck anders niet als Water.

Hy was ſeer devoot in ſijn Religie ofte Secte, hy was curieux in nieuwe

dinghen van verre Landen te weten ende hooren, hy vraegde my na de

maniere van leven vande Spaignaerts ende van de Nederlanders, ende of

de Nederlanders Papiſten Chriſten waren, willende met dat Woort te

kennen geven Catholijcken, om dat de Catholijcken onder de Paus ſijn.

Hy verſtonde eenighſints de Coſmographie, hy vraeghde my waerom de

Koningh van Spaignen ſoo machtigh ſijnde, met ſijn macht van het

Koninckrijck van Duynkercke, dat is met de Provintien van Nederlant, de

Flamencos niet koſte onder-brengen, verſtaende by de Flamencos de

Hollanders? Ick verhaelde hem dat die Landen voor deſen aen de Kroone

van Spaignen waren geweeſt, maer datſe gerevolteert waren.

Mijn Cameraet Monſieur Caloen was by de Groot-Moeder van Moſtafa

Iugles, alwaer hy ſeer qualijck getracteert wierde: want in het Huys

ſijnde woonde hy in een Kamer, met tachtigh Ponden Yſer aen ſijn Been,

ende ſomwijlen was hy in haer Huys van plaiſier drie uyren buyten de

Stadt, alwaer hy niet etens genoegh en kreegh.

De Ouders van Moſtafa Iugles, die ſoo veel Gelts gegeven hadden voor

Monſieur Caloen, begonnen te murmureren, om datſe gantſch geen

tijdinghe van Moſtafa hoorden, ende ſeyden daerom dat den Koningh van

Vranckrijck het Koninckrijck van Duynkercke ghenomen hadde: Ende

dreyghden hem ſijn rantſoen te doen betalen, indienſe binnen vier

Maenden van hem niet en hoorden, ende alſoo de dingen van de Zee

periculeux, ende duyſent fortuynen onderwerpen ſijn, ende mijn Cameraet

Saldens doen op de wegh moſte ſijn met de vijf Turcken, taſte my de

vreeſe menighmael aen van eenigh ongeluck datter ſoude mogen overkomen.

Maer alſoo Godt de Medicine geeft om de Siecken te geneſen, ſoo

gebeurde het wanner ick van melancholie overwonnen was: want mijn

Patroneſſe vertrooſte my met goede woorden. Ick hadde ſes maenden in

dat Huys gewoont, wanneer ick de eerſte tydinghe van mijn Cameraet

Saldens kreegh door een brief van hem gheſchreven uyt Ceuta, waerin hy

my adviſeerde dat hy met de vijf Turcken aldaer ghearriveert was, ende

dat wy met den eerſten ſouden komen inde Stadt van Tituan, in het

Koninckrijck van Fez, om de verwiſſelinge te effectueren volghens het

accoort tot Argiers met de twee Turcken gemaeckt. Hy ſchreef mede

aengaende de 700. ſtucken van achten die de Ouders van Moſtafa

pretendeerden van Monſieur Caloen, dat ſijn Vader geſeydt hadde dat hy

hem liever ſoude laten berſten op de Galeyen, als die te betalen, maer

aen de kant was gheſchreven in Latijn, hæc propter bene ſtare, welcke

woorden wy uyt deden, ende gaven de Brief aende Moeder van Moſtafa, op

datſe die ſoude laten leſen ende uytlegghen door een van haer

Nederlandtſe Slaven, het welcke ſy dede, ende alſoo de Brief alleen

mentie maeckte van vijf Turcken, ſonder de ſelfde by hare namen

particulierlijck te ſpecificeren, begon deſe Vrouwe te ſegghen dat haer

Soon tot Ceuta niet en was, ende dat Monſieur Caloen haer Soon ſoude

moeten leveren, ofte datſe hem ſoude verbranden, ofte dat hy ſes

duyſent ſtucken van achten voor ſijn rantſoen ſoude betalen. Maer ſy

ontfingh op den ſelfden dagh een Brief van haer Soon uyt Ceuta, waer

over de Moeder te vrede gheſtelt was, ende wy ſeer blijde, hopende dat

ſy volkome ſatisfactie ſoude hebben.

Maer alſoo diſplaiſir ende gemenelijck altoos de ſchaduwe na het

contentement volght, hadde ſy nauwelijcks de voorſz Brief geleſen, ofte

ſy dede hondert Pont Yſer vaſt maken aen de Been van Monſieur Caloen,

ſeggende dat hy oorſake was dat ſijn Vader niet hadde willen betalen de

voorſz 700. ſtucken van achten: maer niet tegen ſtaende deſe

difficulteyt ende tegenſpoet hadden wy goede couragie, tot dat wy een

Schip ſagen, ’twelck alleen na de Windt wachte om na Tituan te ſeylen,

ſijnde de plaets gedeſtineert om de Verwiſſelinghe met de Turcken die

tot Ceuta waren, te doen: Ende ’t gene ons dede vreeſen was, dat indien

het ſelfde Schip ſonder ons ſoude vertrecken, wy noch wel vier ofte

vijf Maenden ſouden moeten wachten, eer wy ſouden konnen imbarqueren.

Daerom vonden wy goede raedt te vraghen aen een Renegado ghereformeerde

Maiſtre de Camp, ghenaemt Saban Gallan Agade, die onder de Turcken ende

Chriſtenen ge-eſtimeert was voor een eerlijck, rechtveerdigh ende Wijs

Man, ende om de waerheydt te ſegghen, het was een man van morale

deughden, ghelijck ghy ſien kondt in mijn 14. Relatie. Ick gingh hem

ſpreecken ende ſeyde hem: De goede naem van uwe deughden, ſoo onder de

Turcken als Slaven, heeft my hier doen komen, om u raet te vragen in

mijn miſerie. Hy vraeghde wie ick was? Ick ſeyde hem, ick ben Emanuel

de Aranda, van Vlaenderen geboren, een van de drie Chriſtenen die

verwiſſelt moeten ſijn voor de vijf Turcken die genomen ſijn op de

Caravelle van Barbar Aſſan, ende volgens ſeker Contract ’twelck wy

gemaeckt hebben over ſes maenden in Argiers, is een van onſe Cameraets

na Vlaenderen vertrocken, ende is nu wederom gekomen tot Ceuta, alwaer

hy neffens de vijf Turcken ons verwacht, ende volgens dat Contract

moeten ſy ons tot Tituan leveren, om de voorſz Verwiſſelinge te doen

effectueren, maer ſy doen recht contrarie: want na dat men ſoo groote

ende exceſſive koſten van de Reyſe van onſe derde Cameraet, door

Italien ende Vranckrijck gedaen heeft, die de voorſz vijf Turcken over

Engelant in Spaignen gebracht heeft, nu ſy tot Ceuta ſijn, als geſeyt

is, in plaets van ons daer te ſenden, heeft de Oude Vrouw de

Groot-Moeder van Moſtafa Jugles de Yſers doen leggen aen de Beenen van

mijn Cameraet Ian Baptiſta Caloen, eyſſchende 700. ſtucken van achten.

Sy begeert verder dat de vijf Turcken hier tot Argiers komen, ’twelck

is directelijck tegens ons Contract.

Saban Gallan hebbende dit mijn verhael verſtaen, ſeyde my: ick ſal my

informeren van uwe ſaecke, komt morghen op deſe uyre, ick ſal u

antwoort ende raet gheven: ’s Anderen daeghs gingh ick op de uyre als

hy gheſeyt hadde in ſijn Huys, ende vraeghde hem met de beſte gratie

als my moghelijck was, ofte hy om my ghedocht hadde: Hy antwoorde my,

ick hebbe my gheinformeert van uwe ſaecke, ende ghy moet weten dat de

Moeder ende Groot-Moeder van Moſtafa, dat anders niet en doen, als om

te ſien ofte ſy gheen Gelt van Ian Baptiſta Caloen ſouden konnen

krijgen: Daerom wacht u wel yets te belooven, ende weeſt geruſt: Gy

ſult ſonder faute met het Schip dat in de Haven is vertrecken, ende

hoewel de Groot-Moeder van Moſtafa u dreygt, dat is niemendal: Want ſy

ſoude voor geen dingh vande Werelt u alhier derven houden, noch oock

Monſieur Caloen, want de twee Turcken ende de Vrienden van de andere

Turcken ſouden klagen aende Baſſa. Ick bedanckte hem ſeer ootmoedelijck

van ſijn goeden raet, in vergeldinge van de welcke gaf ick hem een

obligatie van mijn hant, waer mede ick my obligeerde hem te betalen 25.

ſtucken van achten, vvanneer ick tot Tituan ſoude ſijn, het vvelcke ick

ghedaen hebbe volgens mijn belofte.

Ick ging Monſieur Caloen rapport doen van dit antvvoort. Hy vvas in een

kleyne kelder met een keten aen ſijn Been, ende hebbende verſtaen dat

vvy met het voorſz Schip ſouden vertrecken, het vvelcke hy vviſt dat

inde Haven ghereet vvas, vermeerderde ſijn couragie ſeer, ende over ’t

gene dat vvy niet een ſtuyver ſouden betalen. Tervvijl ick met Monſieur

Caloen ſprack, quam de Groot-moeder van Moſtafa hem voor ſtellen, ofte

hy de 700. ſtucken van achten niet en vvilde betalen? maer Monſieur

Caloen ſpotte met haer: Het vvelcke haer dede vermoeden, dat ick hem

eenigh advijs gegeven hadde, gelijck vvaer vvas, vvaer over ſy op my

ſeer verſtoort was: Ende ſy quam ’s anderendaeghs mijn Patroneſſe

ſpreken, ſeggende, waerom doet ghy de Yſers niet aende Beenen van uwe

Duynkerckſe Slaef, op dat hy geen meer quaden raet aen ſijn Cameraet

kome geven? mijn Patroneſſe antwoorde, waerom ſoude ick dat doen? mijn

Duynkerckſe Slaef dient my trouwelijck, ende daerom hebbe ick geen

reden de Yſers aen ſijn voeten te doen.

Dien ſelfden na-middagh gaende Gerſt voor het Paert ſoecken, was by

gevalle mijn Patroon niet t’huys, ende mijn Patroneſſe hadde tijt my te

vertellen alles wat gepaſſeert was met de Groot-moeder van Moſtafa. ’s

Anderen daegs gingh ick wederom Monſieur Caloen beſoecken, ende als ick

doende was te vertellen ’tgene de Groot-moeder van Moſtafa aen mijn

Patroneſſe geſeyt hadde, quam de voorſz Oude Vrouw, ende ſeyde my: Doen

ick laetſt-mael ten Huyſe van u Patroon was, heb ick uwe Patroneſſe

geſproocken, de welcke ſonder mijne interceſſie hondert Ponden Yſers

aen uwe Voeten ſoude geleydt hebben. Ick bedanckte haer van haer goede

wille, haer gevende kort antwoort, dat ick wel geinformeert was van de

recommandatie dieſe mijnen’t wege gedaen hadde. Op dit woort wiertſe

verſtoort, ende ſondt den ſelfden dagh een Turck aen mijn Patroon, om

haer klachten te doen van dat ick de oorſake was dat mijn Cameraet de

700. ſtucken van achten niet wilde betalen volgens haer pretenſie, ende

badt hem dat hy my een Keten aen’t Been wilde leggen, ofte ten minſten

dat mijn Patroon my in haer Huys ſoude ſenden, om geleyt te worden aen

de Keten met mijn Cameraet: het welcke gedaen wierde ſonder weten van

mijn Patroneſſe: want ick wierde in de Straet opgenomen, ende gebracht

in het Huys van de Groot-moeder van Moſtafa, alwaerſe my neffens

Monſieur Caloen aen een Keten van honderdt Ponden Gewicht vaſt

maeckten, ende men dede ons gaen in een kleyne Kelder, alwaer wy niet

en wiſten vvat eynde deſe ſaecken nemen ſouden: Want vvy vreeſden dat

men ons ſoude doen beloven eenigh gelt met ſlagen met ſtocken.

Na dat vvy op die Plaets drie ofte vier uyren gevveeſt vvaren, quam een

Chriſten Slaef genaemt Gregorio ons beſoecken, die van mijn Patroneſſe

geſonden vvas, my latende vveten door die Slaef, datſe ſeer droevigh

vvas, ende datſe van die ſake gantſch niet gevveten hadde, ende indien

ick eten van noode hadde, datſe my het ſenden ſoude, ende dat ick goede

couragie ſoude nemen, ende dat my geen quaet ſoude over-komen; dat dit

alles maer gedaen vvas door de Groot-moeder van Moſtafa om ons gelt te

hebben. Deſe bootſchap van Gregorio verquickte ons ſeer, ende vvy

ſonden de ſelfde Gregorio met een Billet inde Bain van Alli Pegelin by

een Tapper, by vvien vvy credijt hadden, om een Vleſſche met Wijn met

een Schotel Spijſe: Het vvelcke gedaen vvierde, ende alſoo de voorſz

Gregorio van mijn Patroneſſe geſonden vvas, dorſte de oude Vrouvve hem

niet refuſeren te komen daer vvy vvaren.

Wanneer den Nacht ghekomen was, quam de oude Vrouwe met de Sleutels van

de Kelder ons ſien, ende ſeyde ons: Siet toe, ſiet toe, wat ghy doet,

het is nu de laetſte Nacht, ende morgen ſal het Schip na Tituan

vertrecken, daerom indien ghy begheerigh ſijt uwe vrydom te hebben,

geeft 700. ſtucken van achten, anderſints ſal ick u hier laten berſten

als Honden. Monſieur Caloen antwoorde: Nadien mijn Vader niemendal

geven wil, ende gy de Brief geſien hebt, ſoo veel my aengaet, ghy weet

wel dat ick niet te geven hebbe, daerom hanght my ſoo het u goet

dunckt: maer gedenckt dat uwen Moſtafa in de handen ende macht van mijn

Cameraet is. Gy kent hem, ende dat hy niet lijden ſal een ongelijck het

welck aen ſijne Vrinden ende Cameraets gedaen wort. De oude gerimpelde

Vrouwe dat hoorende wierde haeſt raſende ende uyt haer ſinnen, ende

gebruyckende hare gewoonelijcke dreygementen, retireerde ſy haer,

ſluytende de Kelder achter haer toe.

’s Anderen daegs (ſijnde S. Andries dag) was het noch geen dagh, datſe

ons quam ſeggen: De Wint is Ooſt, ende het Schip ſal op huyden

vertrecken, daerom haeſt u te reſolveren oft ghy begeerte hebt vry te

gaen. Wy antwoorden, ſent ons wegh, indien ghy begeerigh ſijt uwen

Moſtafa te ſien, indien niet, ſullen wy Slaven blijven. Op de middagh

quamen ons beſoecken twee ofte drie Chriſten Slaven, die met het voorſz

Schip moſten vertrecken, (wy haddenſe uyt-ghemaeckt) om malkander adieu

te ſeggen. Sy verſochten de oude Vrouw te ſpreken, ende ſeyden haer:

Juffrouw, wy hebben verſtaen van onſe Lants-luyden, deſe twee Slaven,

dat u Soon tot Ceuta is: Wy vertrecken binnen een half uyr met het

Schip na Tituan, ende van daer na Ceuta: Indien het u belieft ons yet

te bevelen, wy ſullen niet nalaten u bevel te executeren. De Oude Vrouw

hoorende dat het Schip gingh vertrecken, begon te roepen ende als een

ſottinne uyt te donderen: Hamers, Vijlen, om de Ketens af te nemen, op

dat mijn Moſtafa wederom kome, ô Chriſtenen om Gods wille helpt ons de

Yſers van deſe twee Chriſtenen af-nemen: Sy luyden wel wetende datter

noch geen apparentie was van ſoo haeſt te vertrecken, hielden haer als

oft ſy het niet en hoorden: Ende ſeyden ons, Adieu Lants-luyden, wy

ſullen rapport doen aen uwe Cameraet Saldens vande ſtaet waer in wy u

gelaten hebben, ende daer mede gingen ſy wegh.

Sy als deſperaet ſijnde riep hare Slavinnen, die met de Hamer niet

koſten omgaen. Sy riep een van haer Na-buyrs, die ſterck arbeyde om de

Keten los te maken: ondertuſſchen murmureerden wy, ſeggende, door uwe

onverſadelijcke gierigheyt ſult gy oorſake ſijn dat wy miſſchien noch

ſes maenden alhier ſullen blijven, ende u Neef even ſoo veel tijt tot

Ceuta, neffens de vier andere Turcken, wiens Vrinden u duyſent ende

duyſent mael den Duyvel ſullen toe-wenſchen, om dat ghy aldus haer

miſerie verlanght. Terwijl wy dus ſpraken, wierde de Keten geopent. Sy

ſeyde my, loopt ras na het Huys van u Patroon, ende ſeght hem van

mijnen’t wegen dat hy de Schipper wil ſpreken. Ick wiſte wel datter

noch tijts genoegh was, ende dat mijn Patroon op deſe ſtont in de

Meſkite (dat is de Kerck) was. Ick toonde haeſt te hebben, ende gingh

recht na Huys mijn Patroneſſe bedancken voor de groote ſorge dieſe over

my gehadt hadde. Sy ſeyde my datſe ſeer blijde was over mijn

verloſſinge, ende dat ick mijn Been uyt het Yſer hadde, ende dat ick in

hope was mijn volkomen vryheyt haeſt te hebben.

Het was juyſt de uyre ende tijdt dat de Hala (dat is te ſeggen het

Gebedt van de Turcken) moſte eyndigen. Ick gingh na de deure van de

Meſkite mijn Patroon verwachten, ende wy gingen te gelijck de Schipper

ſpreken, die ſeyde datter geen apparentie was van dien dagh te

vertrecken, maer dat hy ſoude vertrecken met de eerſte goede Wint. Ick

keerde met mijn Patroon na Huys, doende mijn beſte om yetwes te hebben

om op Zee te eten: want ick wiſte wel dat wy anders niet als oude

Beſcuyt ſouden hebben om te eten. Mijn Patroneſſe gaf my een halve

Majorckſe Kaes, ende twaelf ofte vijfthien ponden Wit Biſcuit. Monſieur

Caloen ontfingh van de Moeder van Moſtafa mede wat. Wanneer wy gereet

waren om te vertrecken, quam’er een andere difficulteyt, te weten

datter een Turck met ons ſoude gaen na Tituan, die voor ſijn moeyte 50.

ſtucken van achten ſoude hebben, welcke ſomme ſy ons wilden doen

betalen. Maer daer wierde beſloten dat wy de helft daer af ſouden

betalen, ende ſy de andere helft.

Het was den 8. December, onſe Lieve Vrouwen dagh des jaers 1641.

wanneer de Wint ons gantſch favorabel was. Ick ſeyde mijn Patroon ende

Patroneſſe Adieu, die my duyſent goede toe-wenſchinghen gaf. Daer na

ging ick met Monſieur Caloen Scheep. Wy vonden in het Schip eenige

Chriſten Slaven die na Tituan toe gingen om haer vrydom aldaer te

negotieren met eenige Jootſche ende Moorſche Koopluyden. Als wy alle

Scheep waren, ſchoot men een Stuck Geſchut af tot een teecken dat de

Pachters van de Tol het Schip ſouden komen viſiteren, ende

voornementlijck om te ſien oft de Chriſtenen die af gekocht waren, het

recht betaelt hadden: vvant hoevvel de Patroon voldaen is, moet een

Chriſten al eer hy mach vertrecken een ſekere taxt betalen. Na dat het

Schip geviſiteert vvas, keerden ſy met de Boot vvederom na de Stadt,

van vvaer ſy een teecken gaven dat het Schip ſoude vertrecken, vvant ſy

mogen in de Stadt niet komen tot dat het Schip in Zee ſy: ende dat

vvort gedaen op datſe geen Slaven ſouden ontſtelen.

Wy beginnen dan de reyſe met een ſeer goede wint, tot de ongeluckige

plaetſe toe, die ghenaemt wordt Cabo de Tenes, gelegen ſijnde drie

mijlen van Argiers. Ick noeme deſe plaets ongeluckigh, om dat de Keyſer

Carolus de vijfde in het Iaer 1541. den 27. October aldaer door een

tempeeſt verloor een goede ghedeelte van ſijn Galeyen ende Schepen: het

welcke geſchiede wanneer de entreprinſe van Argiers manqueerde. Hier

wierde de wint gantſch contrarie, ’twelck ons wederom dede keeren ter

plaetſe van vvaer vvy gekomen waren: ende vvy quamen ’s anderen daeghs

ſeer droevigh tot Argiers. Ick gingh vvederom by mijn Patroon Mahomet,

die neffens mijn Patroneſſe my vvelkom heten. Wy vvaren daer noch

eenige dagen eer de vvint goet vvierde. Ende vvy gingen voor de tvveede

mael Scheep. De vvint vvas ons ſeer favorabel, ſoo dat vvy in drie

dagen paſſeerden de Eylanden van Frumentera ende Ivica, ende vvy ſagen

de Kuſte van Valencien; maer te vergeefs: vvant ten eynde van acht

dagen vvaren vvy vvel geluckigh dat vvy vvederom tot Argiers koſten

komen, alvvaer vvy arriveerden den 29. December.

Die van de Stadt ſiende het Schip vvederom komen, meenden dat het ſijn

Reyſe volbracht hadde, ende vvederom gekomen vvas: maer ſy vvaren

bedrogen. Ick vvas van deſe reyſe ſeer vermoeyt, ende vande Zee ſeer

onluſtig gemaeckt, om dat vvy met ons ſeſtien Chriſtenen in het

kamertje voor in ’t Schip negen voet lang ende ſeven voeten breet acht

daghen ende acht nachten beſloten vvaren ghevveeſt. Onder deſe ſeſtien

Chriſtenen vvarender eenighe ſieck die ons ſeer incommodeerden: Ende

alles vvel gheconſidereert ſijnde, ick vervvonderde my dat vvy alle

niet ſieck ghevvorden ſijn, om dat gheduyrende de voorſz acht daghen de

tempeeſt niet op en hiel: Soo dat niemant van ons ſeſtien in alle dien

tijdt op den overloop ging om ſich te reynighen vande Luyſen ofte ſich

te waſſchen, maer wy bleven in ons Kamertje als Honden in haer neſt.

Soo haeſt als het Ancker ghevallen was, gingh ick aen Landt, ende gingh

wederom na mijn Patroon, die verwondert was my wederom te ſien. Ick

vertelde hem de miſerie waer in wy acht dagen geweeſt waren. Ick was

ſeer droevigh dat wy onſe reyſe niet hadden konnen vervorderen: Maer de

ververſchinghe op ’t Landt verquickte my wat. Ick was oock ſeer blijde

te ſien de ſolemniteyten die de Turcken doen wanneer ſy Paeſſchen

houden, dieſe noemen Paeſſchen van Ramedan: want ſy hebben verſcheyde

Paeſſchen. Ende het jaer te voren dat ick in Argiers was, hadde ick van

alle de ſolemniteyten niet gheſien: Want inde tyt van het Paeſſchen was

ick ghearreſteert, in het Paleys vande Baſſa, van waer ick niet konde

uyt gaen als vooren gheſeydt is. Deſe Feeſt duyrt acht daghen. En wordt

met groote pracht ende vreuchde gecelebreert: Men doet alle daghen

buyten de Stadt exercitien, ende ſpelen te Peerde diemen in Spaingen

noemt juego de canas: Ende de Kinderen vande Turcken doen haer trecken

in kleyne Triomph-wagens: Ende de Chriſten Slaven dienen in plaets van

Peerden die haer loon weten. Ende daer warender eenighe die in deſe

acht daghen wonnen vijftien ofte ſeſtien ſtucken van achten. De andere

Chriſten Slaven verkochten aende kinderen poppegoet, ghelijck men in

Neerlandt inde Kermiſſen doet. Andere hadden haer kleyne tafel om te

dobbelen, waer mede ſy oock Gelt van de kinderen wiſten te krijghen,

ende alle daeghs warender worſtel ſpelen, waer in ick eenige Mooren

ſeer eerdigh vondt, ende het meeſtendeel celebreerde het Paeſſchen met

droncken drincken (hoewel directelijck teghens het bevel vanden Alcoran

is, eenighe Wijn ende Brande-Wijn te drincken) maeckende goede cier met

ſeer groote appetijt: Want ſy vaſten een maendt voor Paeſſchen, waer

toe ſy alleen by dage ſubject ſijn.

Deſe vaſten tijdt wordt ſoo rigoureuſelijck gheobſerveert, dat ſoo

yemandt bekent wordt by daegh een beet ghegeten te hebben, ſoudemen hem

ghegoten loot in ſijn Mont gieten, volghens hare wetten: Maer by nacht

is het haer toeghelaten te eten: Ende om haer te laten weeten datſe

behoorde te eten, doenſe langhs alle de ſtraten een Trommel-Slagher de

gantſche nacht door marcheren ende ſlaen. Dit Paeſſchen is de

Chriſtenen mede ſeer aenghenaem: Want ghelijckmen in Nederlant op

nieuwe-jaers-dagh aen de dienſt-boden yetwes geeft, ſoo gheven de

Turcken oock op den dagh van Ramedans Paeſſchen eenighe danckbaerheydt;

ende de eerſte drye ofte vier daghen doetmen gheen Slaven wercken.

Na dat ick alle deſe ſolemniteyten gheſien hadde, bleef de windt noch

contrarie tot den 14. Ianuary 1642. als wanneer wy ons voor de derde

mael imbarqueerden. Wy hadden de Haven naeuwelijcks verlaten, ofte de

windt wierde wederom contrarie. Maer om dat wy tweemael wederom

ghekomen waren, ende eenighe Turcken onſen Schipper beſpot hadden,

ſegghende dat hy ſijn Ambacht niet en kende, hem noemende onwetende

ende bottert, onſe Schipper dat verwijten niet konnende verdraghen,

ſwoer dat wanneer hy noch eenmael geimbarqueert ſoude ſijn, hy niet

meer tot Argiers ſoude komen, ſonder dat hy ſijn reyſe volbracht ſoude

hebben, al ſoude hy een Iaer op Zee blijven. De windt was ons ’t

eenemael contrarie, ſoo dat wy gheſeyt ende gheoordeelt ſouden hebben

dat Neptunus jalours ende nijdigh was over onſe ſchijnelijcke

liberteyt: Evenwel laveerden wy, hopende op een goede windt. Den

achtſten dagh waren wy voor Oran, ’t welck is ontrent veertich mijlen

van Argiers.

Deſen ſelfden nacht, ontdeckten de Turcken die de wacht op het Schip

hielen, twee andere Schepen, die het onſe continuerlijck volghden. De

Schipper van ons Schip ende ſijn volck vreeſden dat deſe twee Schepen

Chriſtenen waren. Maer den dagh ghekomen ſijnde, vernamen ende wierde

bekent dat het twee vrybuyters van Argiers waren: Het eene was de

Admirael ghenaemt Amet Arrais gheboren van Duynkercke. Onſe Schipper

vraeghde oftſe geen Chriſten Schepen gheſien hadden. Wanneer wy

verſtonden van neen, vervorderden wy onſe wegh: Ende na vier dagen

lieten wy het Ancker vallen voor Tremeſen, alwaer wy eenighe

Coopmanſchappen ontladen: Eenighe Coopluyden bleven oock aen Landt: Te

weten Joden ende Moren, die in ons Schip ghekomen waren. Tremeſen plagh

in voorgaende tijden een machtigh Koninckrijck te ſijn, ende de Koningh

van Argiers ſijn tributaris, ende de Baſſa van Argiers ſtelt tot

Tremeſen ſijn Caja (dat is ſijn Lieutenant.) Dit Koninckrijck is vande

laetſte palen vanden Grooten Heere: Want alhier begint het Koninckrijck

van Maroc ende Fez. Den Grooten Heere is gheconfedereert met deſe

Koninghen: Maer niet teghenſtaende deſe confederatie doen de Koninghen

van Fez ende Maroc menighmael den Oorlogh aen die van Argiers, ſonder

nochtans de confederatie te violeren: Gelijck die van Argiers

menighmael oock den Oorlogh doen aen die van Tunes, ſonder dat den

Grooten Heere ſich moeyt met het gene dat de Baſſas doen: Ende deſe

twee Koninckrijcken komen hem toe. Sy en achten niemendal den Oorlogh

te doen wanneermen gheen plaets van importantie neemt.

Na dat wy drie daghen voor Tremeſen op Ancker gheleghen hadden, quam de

windt uyt den Ooſten die wy van noode hadden: Wy begonnen onſe reyſe te

vervorderen ſeylende in volle Zee met de windt van achteren, ſoo dat wy

in weynigh uyren verre van Tremeſen raeckten: Ende alſooder vele Jootſe

ende Moorſe Coopluyden tot Tremeſen ghebleven waren, waren wy by nae

ſoo veel Chriſtenen als Mooren ende Turcken: Ende alſoo onder ons

Slaven, voor dat wy de derde mael imbarkeerden, tot Argiers

ghereſolveert was ons meeſter van het Schip te maecken, ende alle de

Turcken doot te ſlaen, indien de occaſie ſoude preſenteren, tot welcken

eynde wy alle de circumſtantien beſpiet hadden, doen wy tweemael

geimbarqueert waren gheweeſt: Siende deſe ſchoone occaſie, reſolveerden

wy onſe entrepriſe te effectueren. Wy hadden oock daer toe eenighe

preparatien. Den aennemer was een Spaingaert, die op den overloop ſliep

met ſeven andere Chriſten Slaven, ende wy ſeſtien ſliepen in het kleyne

Kamertje voor in ’t Schip, gelijck ick te vooren gheſeydt hebbe, maer

hoewel dat wy gheſloten waren, koſten wy met hulpe van onſe Cameraets

die op den overloop waren, het luyckje ſecretelijck opdoen, ſonder dat

het de Turcken vernamen: Maer in de ſelve nacht dat wy meenden onſe

entrepriſe in ’t werck te ſtellen, verſuymde ſich den Aen-nemer die het

teken moſt gheven, ofte hy hadde gheen ſtoutigheydt ghenoegh: Ende de

entrepriſe kreegh gheen effect, ghelijck ick breeder ſegghe in mijn 33.

Relatie: Na dien nacht, hadden wy geen occaſie meer, want te nader wy

aende kuſt van Spaignen quamen, te grooter vreeſe hadden de Turcken van

het Schip te verlieſen, ende te meerder ſorge om de wacht te

verſtercken.

Het was den 9. February 1642. ende wy waren op de hooghte van Malaga,

’s anderen-daeghs ontrent ten 7. uyren ſaghen wy twee Schepen die met

volle Zeylen op ons aen quamen, ende onſe Schipper ende de Turcken

groote vreeſe gaven, want ons Schip konde niet excuſeren onder haer

Geſchut te paſſeeren. Onſe Maſt was gheſpleten, ſoo dat wy met volle

Zeylen niet koſten varen om de Zee te winnen, ſy quamen ſoo na datmen

haer Hollantſe Vlaggen ſagh. De Schipper van ons Schip beval dat alle

de Chriſtenen ſich ſouden nae beneden retireren, om ons op te ſluyten,

daer na dede hy de boot ghereet maecken om ſijn Schip te abandonneren,

ende met de voornaemſte Turcken na de kuſt van Barbarien te vluchten,

ghelijck my daer na vertrocken heeft de Turck die over Monſieur Caloen,

ende my ſorghe hadden, maer die twee Schepen alſooſe Coopvaerdy Schepen

waren (ghelijck wy twee daghen daer na verſtonden) hadden gheen laſt te

vechten ſonder daer toe ghedwonghen te worden. Onſe Patroon was ſeer

blijde ſiende dat de twee ſchepen paſſeerden ſonder ons aen te taſten.

Daeghs daer nae op de ſelfde uyre ſaghen wy een vrybuyter van Salé, die

ons quam vraghen ofte wy gheen tydinghe hadden van eenighe Chriſten

Schepen, ons informerende dat de twee Hollantſche Schepen die wy daeghs

te voren geſien hadden, Koopvaerdy Schepen waren, die na de Kuſt van

Barbaryen toe-gewent waren.

Wy hadden de Wint noch goet, ſoo dat wy den 12. February 1642. tegens

den Avont het Ancker lieten vallen in een Bay anderhalf Mijle van de

Stadt van Tituan af gelegen. Aldaer is een Riviere die in de Zee loopt,

de Mont van dewelcke plach te dienen tot een Haven voor de Schepen die

daer quamen om de Koopmanſchappen van Tituan te laden ende loſſen. Maer

de Groot-Vader van de tegenwoordige Marquis van Sancta Cruz ſijnde

Generael van de Galeyen van Spaignen, maeckte deſe Riviere onvruchtbaer

door eenige oude Indiſche Gallioenen geladen met Steenen ende Aerde,

die hy op de gront dede worpen, ende dat wierde gedaen om te

verhinderen de Vry-buyterſe Schepen die de Havens ende Kuſten van

Spaignen t’eenemael incommodeerden. Sijnde hier ten Ancker meenden wy

alle de perijckelen die de Fortune ons ſoude konnen bereyden, te boven

te ſijn gekomen, ende hoopten den ſelven Nacht op het vaſte Lant te

ſlapen, maer dat was ſoo men ſeyt ſonder ſijn Weert te rekenen, want de

Zee ſijnde ſeer bewogen wegens den Ooſten Wint die de Middellantſche

Zee in de Oceaen drijft, wilde onſe Schipper niet toe-laten dat men de

Boot in Zee ſoude ſtellen, vreſende voor eenigh ongeluck. Want ghy moet

weten dat deſe plaets by na tuſſchen twee Zeen is, het welcke grooter

alteratie in Zee veroorſaeckte.

Wy waren derhalven genootſaeckt noch twee Anckers in Zee te laten

vallen, ende het grootſte quaet van allen was dat wy de Zee niet koſten

bevaren, wegen de groote Wint, dat de ſelfde Bay is gelijck een halve

Mane van Aerde, ende dat de Wint die uyt der Zee quam uyt der maten

groot was: boven dat het Onweder ende de Tempeeſt alle uyren

vermeerderde, ſoo dat het ’s anderendaeghs onmogelijck was aen Lant te

gaen. De Schipper ende de Turcken waren in grooten angſt: Ende ſiende

dat het Onweder grooter wierde, wiſten ſy geen remedie meer, vreeſende

dat de Kabels mochten breken, ende het Schip tegens een Klippe raken,

ende in duyſent ſtucken breken, ſonder eenige hope van yemant te

ſalveren die in het Schip waren.

De Schipper deſpererende van remedie dede uyt de plaets daer wy

ſeſthien Chriſtenen waren (verwachtende alle oogenblick de

Schip-braeck) roepen een Chriſten Slaef van Noorwegen geboren, genaemt

Hans Maurus, een Man in de Navigatie ſeer ervaren. Hy vraeghde hem oft

hy geen remedie wiſt om dit groot perijckel te ontgaen? De Slaef

antwoorde, indien ghy mijnen raet wilt volgen, ſie ick met de hulpe

Gods een middel om ons leven te ſalveren ſoo veel als wy ſijn, maer het

Schip moet breecken. De Schipper vraeghde, wat moet men doen om ons

leven te ſalveren? Men moet het Voor-zeyl gereet maken, op dat men die

op een oogenblick aen de Wint mach ſtellen: Ende men moet het Schip

wenden, om met volle Zeyl op het zant te varen, toonende het Lant

ontrent een Muſquet-ſchoot van ons, anders ſal de Windt ons tegens de

Klippen in ſtucken werpen. Dien raet wierde goet gevonden, ende men

maeckte het zeyl gereet gelijck geordonneert was.

Het was tegens de Middagh dat ſulcx geſchiede, ende de Tempeeſt

continueerde noch: ’t Welck de Turcken ſiende, alſooſe ſeer

ſuperſtitieux ſijn, deden ſy haer Sala met de gewoonlijcke Ceremonien,

doende beloften datſe Aelmoeſſen ſouden gheven wanneerſe aen Lant

ſouden komen: maer alſooſe geen Miracul ſagen, reſolveerden ſy een

Offerhande te doen aen haer Propheet Mahomet, het welcke de laetſte

toevlucht van de Turcken is wanneerſe op Zee in perijckel ſijn: Ende

wort aldus gedaen: Sy nemen een levendigh Schaep (om welcke oorſaecke

de Schepen altoos voorſien ſijn van levendige Schapen om haer daer van

in ſoodanige occaſien te dienen) ende indien by geval yemant onder haer

is die tot Meca geweeſt is om te ſien de plaets waer het Lichaem van

haer Propheet leyt, die ſnijt met veel belachelijcke Gebeden ende

ſolemniteyten het Beeſt in vier ſtucken, ende worpt die quartieren op

de vier ſijden van het Schip in Zee. Onder ons Chriſtenen

recommandeerden wy ons aen Gods barmhertigheyt.

Hans Maurus waer van ick te voren geſeyt hebbe, ſeyde ons, dat de

Tempeeſt ſoude grooter worden tot de midder-nacht toe, ende dat de

Kabels dan ſouden breken. Hy oordeelde dat door de groote ervarentheyt

die hy van de Zee hadde. Den Nacht quam aen, ende de Turck die de ſorge

hadde het Luyckje van het Kamertje daer wy waren te ſluyten, quam na

gewoonte, ende wy baden hem, dat indien het Schip ſoude moeten door

gaen op de genade van de Golven, hy het Luyckje ſoude willen open doen,

op dat yder een ſich mochte ſalveren ende ſijn leven verlengen het

beſte hem mogelijck ſoude ſijn, ’t ſy met ſwemmen ofte anderſints,

’twelck de Turck ons beloofde te doen. Ter Midder-nacht ſijnde juyſt

Volle Maen, brack de Kabel van ons Ancker, ende de twee andere Anckers,

door dienſe maer 15. Vamen Kabels hadden, ende door het bewegen van het

Schip, hielden niet langer, maer wierden voort geſleept: Doen meenden

wy alle ſonder aſſiſtentie te ſterven in het Kamertje daer wy geſloten

waren, maer de Turck hiel ons ſijn belofte. Hy dede het Luyckje open;

ſeggende, Chriſtenen komt alle boven, wy moeten alle te gelijck

ſterven: Men konde maer een teffens door het Luyckje paſſeren het

welcke een groote confuſie veroorſaeckte, want yder wilde eerſt

uyt-gaen.

Komende op den Overloop ſagh ick daer een ware af beeldinge van het

laetſte Oordeel: want de Turcken waren alle achter op het Schip,

roepende met open Kelen, om hulpe van haren Propheet Mahomet. Rontom de

groote Maſt waren eenige Joden, die Abraham, Iſaac ende Moyſes

aenriepen; ende wy Catholijcke Chriſtenen addreſſeerden onſe Gebeden

aen Jeſus Chriſtus ende aen ſijn Heylige Moeder. De andere

Gereformeerde ende Schiſmatijcke Chriſtenen baden Godt mede aen op haer

wijſe uyt een goet herte: ick verſekere u dat de arghſte van den hoop

ſeer devoot was. Wy waren in deſe miſerie ende confuſie een goeden

tijt: Ende ſiende dat de twee andere Anckers het Schip niet vaſt en

hielden, maer langs de gront geduyrigh voort ſleepten, braken de

Kabels. Terſtont ſtelde men het Voor-zeyl aen de Wint, ende het Schip

wende met een ongelooflijcke raſſigheydt ende kracht met het voorſte na

het Lant. Hans Maurus riep in’t Nederduyts, wacht u van de Maſt, ick

vreeſe datſe vallen ſal. Maer daer en brack niemendal; maer thien ofte

twaelf Turcken vielender van den Overloop in Zee: Ende alſoo de Wint de

Zee met ſoo grooten kracht op het Lant wierp, wierdenſe terſtont met

hulpe van de Zee op het Lant geworpen. Dat alles geſchiede in een

oogenblick tijts, ende het Schip, rakende het Lant, borſte, ende by na

alle dieder op waren, ſprongen in de Zee, vreſende dat het Schip ſoude

ſplijten: Alſoo ick ſagh dat het Schip na het Lant toe helde aen de

zijde daerſe alle in Zee ſprongen, vreeſde ick dat het door het

geſtadigh bewegen om ſoude vallen, door de groote Wint, ſoo dat ick

niet langer op den Overloop dorſte blijven, maer ſprongh mede in Zee,

alwaer ick by geluck gront voelde, ende over eynde bleef ſtaen, maer

geen langen tijt, want de Zee bewogen ende gedreven ſijnde door de

groote Wint ſmeet my elcke oogenblick ter neder; ſoo dat ick

genootſaeckt was drie ofte vier Vamen lang te ſwemmen, ende daer mede

wierde ick op ’t Lant geworpen.

Ick danckte Godt uyt goeder herte; ſoeckende terſtont mijn Cameraet

Monſieur Caloen, want hoewel dat ick hem in Zee hadde ſien ſpringhen,

wiſte ick nochtans niet oft hy het Landt gekreghen hadde ofte niet. Hy

hadde oock die ſorghe over my: Na dat wy malkander ghevonden hadden,

danckten wy Godt dat wy van dat perijckel ontkomen waren. Daer na ging

ick ſoecken den Turck die met ons van Argiers gekomen was, om ſorghe

voor ons te hebben. Ick vonde hem in een Troup van Chriſten Slaven,

Turcken, ende Joden, die haer dicht by malkander hielden als Schapen,

om haer te verwarmen: Want alſoo wy ’t eenemael nat waren, ſtierven wy

by na van koude. Men telde het ghetal van die geſalveert waren, ende

bevonden datter meer als twintigh ontbraken. Maer korts daer na

quamenſe alle by de groote Troup, uyt-genomen twee, te weten een

Joodſche Jonghe die verdroncken was, ende een Turck die half ſot was.

God danck wy waren uyt het pericul van de Zee, maer niet uyt het

pericul van de Barbaren, die haer reſidentie houden langhs de Kuſt in

groot getal: Ende indienſe ons ongeluck geweten hadden, ende dat het

Schip tegens het Landt geſtrant was, ſy ſouden ſonder twijffel met

groote menichte toe-gelopen hebben, om te nemen alles wat wy hadden,

ende ons doodt te ſlaen ſonder eenige barmhertigheyt: maer onſe

Schipper ſont terſtont twee Turcken, die de Wegh na Tituan wiſten,

ſijnde anderhalf Mijl van daer, die de Gouverneur adverteerden van ons

ongeluck, ende verſochten eenige aſſiſtentie tegens de Barbaren.

Dit alles geſchiede inde midnacht, ſijnde nat ende ſtervende van koude.

Maer by gheluck waſſer een Turck die een Yſer Dooſje ende een

Vier-Slagh hadde, waer mede wy terſtont Vier hadden, ende aenſtaken ’t

gene wy by de handt vonden, ſtocken, Tonnen, ende andere dingen die de

Zee aen Landt geworpen hadde. Wy paſſeerden den nacht ſoo wy beſt

konden. Met het aenkomen vanden dagh quamen de Barbaren van verre ſien

ofter niet te ſtelen was: Maer alſoo wy 70. Perſoonen waren, dorſten ſy

niet nader komen: Buyten dat die van de Stade terſtont met een goede

parthye Peerden quamen om de Coopmanſchap die wy geſalveert hadden wegh

te voeren. De Gouverneur van Tituan quam in Perſoon met een Compagnie

van twintigh Gewapende Peerden op ſijn Africaens, met langhe Lancien.

De Turck die ſorghe over ons hadde, huerde een Peert voor hem ende voor

ſijn bagagie, wel verſtaende de reſt die hy gheberght hadde. Want alſoo

de Tempeeſt teghens het aenkomen vanden dagh begon op te houden,

ontlade men de bagagie vande Paſſagiers: Ende her meeſte deel vande

Coopmanſchap wierde geberght, maer nat ende bedorven. Wanneer men ’s

Morgens in het Schip quam om de Coopmanſchappen te ſalveren, als

gheſeydt is, vont men de Turck Alli, die wy meenden dat verdroncken

was. Hy was in de Hutte boven de Kajuyt, alwaer hy een Vleſſche met

Brande-wijn van de Capiteyn gevonden hadde, ende daer hadde hy ſich

droncken gemaeckt gelijck een Beeſt, ſonder eenige kenniſſe te hebben

van het pericul dat gepaſſeert was.

Monſieur Caloen ende ick huyrden onder ons tween een Peert, ende reden

beyde daer op, d’eene achter, ende quamen ontrent de Middagh tot

Tituan. De Jode die met ons was, dede ons een Logement hebben voor ons

Gelt in het Joden Quartier, alwaer alle de Joden woonen. Na dat wy twee

dagen tot Tituan geweeſt vvaren, ginger een Cafila (dat is een troupe

Volcks die te ſamen marcheren) met de vvelcke mede twee Moren

vertrocken, ſijnde Perſoonen van conditie, die na Ceuta gingen om

aldaer te blijven als Pand-Luyden, op dat de Paters verloſſers (die na

Ceuta toe gingen) met meerder verſekertheyt na Tituan mocht komen, om

met de Gouverneur te tracteren over het af koopen van de Chriſten

Slaven. Wy waren ſeer blijde dat wy die occaſie hadden, om aen onſe

Cameraet Saldens te ſchrijven, die ſoo wy dachten tot Ceuta moſte ſijn

met de vijf Turcken: Want het gebeurt ſomwijlen, dat wanneerder eenigh

verſchil is tuſſchen de twee Gouverneurs van deſe twee plaetſen, ſy met

malkander geen communicatie hebben twee ofte drye maenden langh.

Wy ſchreven met deſe Cafila na Ceuta (gelovende dat onſe Cameraet

Saldens daer was, want hy hadde uyt die plaets aen ons geſchreven) ende

twee dagen daer na quam de Cafila wederom met twee Paters-verloſſers

vande Heylige Drievuldicheydt. Haer komſte veroorſaeckte groote

blijſchap, ſoo onder de Chriſten Slaven, als onder de Borgers. Want de

eenen hoopten haer vrydom te krijgen, ende de anderen Gelt. Wy ginghen

terſtont de Paters verloſſers groeten die ons een Brief gaven, die uyt

Ceuta geſchreven was van een Spaenſe Edelman genaemt Don Martin de

Penaloſa: Den inhoudt van deſe Brief was dus, Uwen Cameraet Reynier

Saldens, verdrietende hier tot Ceuta te ſijn, is na Gibralter ghegaen,

om ſich wat te vermaken: Maer hy heeft my ordre gelaten u te voorſien

van het ghene dat ghy van noode ſoudt mogen hebben: Ende alſoo ick ſie

by u Brief dat ghy verſoeckt te hebben 200. ſtucken van achten, ſende

ick u hier neffens ordre aen een Moorſe Coopman, genaemt Alli Tigarino,

om u die Somme te tellen, ende de ſelfde Coopman ſal Borghe voor u

ſijn, dat ghy inde Stadt ſult moghen blijven ſonder verobligeert te

ſijn te gaen inde Mamore (welcke een Gevangeniſſe is onder de Aerde)

ende ick ſal terſtont aen Reynier Saldens ſchrijven dat hy hier kome om

de wiſſelinge vande vijf Turcken (die Godt Lof wel te paſſe ſijn) te

effectueren voor u tvveen.

Deſe tijdinghe gaf ons groot contentement: Maer wy hadden alreede

vergeten dat droefheyt na vreughde komt. De vijf Turcken wandelden over

de Straten van Ceuta, ende dat op Borge van twee Moorſe Koopluyden die

ordinaris tot Ceuta reſideren. Ende alſoo onſe Cameraet Saldens tot

Gibralter was, Moſtafa Iugles geloovende dat hy vvederom na Vlaenderen

vvas ghegaen, ofte na een plaetſe in Spaignen verre van daer, ſchreef

een Brief tot Tituan aen de Turck die ons bewaerde, dat Reynier Saldens

doen hy in Vlaenderen was belooft hadde 700. Stucken van achten te

contribueren tot de af-koopinge die ſijn Ouders betaelt hadden voor

Monſieur Caloen, ende dat men ons in de Mamore ſoude ſtellen, tot dat

wy de voorſz ſomme ſouden belooft hebben te betalen. Den inventeur hier

van was Tubram Arrais een van de vijf Turcken die tot Ceuta uyt-gaf dat

Monſieur Caloen ende ick voor ons vertreck tot Argiers belooft hadden

700. Stucken van achten te betalen. De Turck die ons bewaerde hebbende

die Brief ontfangen, communiceerde die met de correſpondenten van de

Ouders van Moſtafa Iugles, die goet-vonden ons in de Mamore te ſtellen,

ſoo om te ſien oft ſy de 700. ſtucken van achten konden krijgen, als om

te toonen acte van devoir aen de Ouders van Moſtafa. De Turck die ons

bewaerde rapporteerde ’tgene ſy gereſolveert hadden, ende ſeyde dat hy

gheen ſchult daer in hadde, ende bracht ons in de Mamore.

Het is een Verwelfſel dertigh Voeten onder de Aerde, verdeelt in drie

parthyen. Het grootſte ghedeelte mach ontrent 28. Voeten langh ende 24.

Voeten breet ſijn, de twee andere ghedeelten ſijn kleynder: Ende daer

vvierden ordinaris 170. Chriſten Slaven vaſt gehouden. Deſe

Gevangeniſſe heeft geen ander licht als drie Tralien die om hoogh ſijn

in’t midden van de Straet, ende aen yder Tralie is een Haecke met een

Touvv, ende vvanneer eenige Chriſtenen by daegh daer voor by paſſeren,

brengen ſy door barmhertigheydt Water aen de arme Slaven, ofte indienſe

Gelt hebben, koopenſe vvat voor haer: ende dat Touvv met die Haeck

dient om vveder te halen ’tgene men de armen geven vvil. De Cipier van

deſe Gevangeniſſe laet niemant daer binnen komen, ſonder yets te geven.

In deſe Gevangeniſſe iſſer geen Privaet, maer de Gevangens ende de

Slaven die daer ſijn, moeten haer dienen van Potten op de Spaenſche

maniere: Die Potten hanghen rontom de Muyren, ’twelck dient voor

Tapiſſerie ende Wieroock te gelijck; want ick ſweer u voorwaer dat wy

alle Morgens wel genoegh geparfumeert waren. Daer en boven is het niet

gheoorlooft die ledich te maecken als ’s Avonts, ende dan opent de

Gevangens-Bewaerder een gantſche Tralie, ende men trecktſe met de Haeck

om hoogh: Ende yder Pot moet aende Concerge betalen een Borbe (ſijnde

ſoo veel als een Duyt in Nederlandt) het welcke my dunckt een groote

wreetheyt te ſijn, ende alle die gene welcke in deſe miſerable

Gevangeniſſe ſijn, moeten op de Vloer ſlapen, ten ware dat men haer

toe-liet tegens de Muyren Touwen te ſcheeren, gelijck men in de Schepen

doet. Maer daer is ſoo veel Volcx, ende de plaets is ſoo kleyn, als ick

geſeyt hebbe, dat die arme Slaven ſlapen gepackt gelijck Haringen: Het

welcke (voornamentlijck in de Somer door de Hette) ſoo veel Luyſen ende

andere ellenden veroorſaeckt, dat men eſtimeert dat het ſoo moeyelijck

is daer te ſijn als op de Galeye te roeyen. Wy waren daer in de Winter.

Maer het gene dat ons meeſt incommodeerde, was by Nacht wanneer yeder

een gerangeert was in ſijn plaets om te ſlapen: Want eenige

ſchelmachtige Iongens Mooren, om de arme Chriſtenen te incommoderen,

quamen by Nacht vuyligheyt, Steenen, Water ende andere dingen werpen

door de Tralien; ende dat gebeurde eenige Nachten drie ofte vier malen,

welcke alarme obligeerde allen den genen die daer ontrent ſliepen, op

te ſtaen: vvant alſooſe alle op de Aerde ſliepen, die terſtont niet op

ſtont, vvas in pericul van ſijn Cameraets met Voeten getreden te

vvorden, de Vloer ſijnde bedeckt van Lichamen.

Monſieur Caloen ende ick ſliepen in een Hol, alvvaer vvy niet

ghenootſaeckt vvaren op te ſtaen om die allarme, ende dat door de

faveur die ons dede een Ridder van S. Jacob genaemt Don Hieronimo de

Figuroa, een Spaignaert geboren van Cordua, mede Slaef, die ons groot

playſier dede. Hy ſeyde ons dat hy ſijn Tafel inde Mamore koft met vier

andere Slaven voor 10. enckele Realen ter maendt. Monſieur Caloen ende

ick verſochten vande Partye te ſijn. Wy vvierden daer ontfanghen,

betalende gelijck de andere, ende vvy vvaren ſeer vvel getracteert in

qualiteyt van Slaven, ende hadden ſoo veel te eten als de nature van

noode hadde aen een gedeckte Tafel: Onſe Waert vvas een Spaignaert, die

derthien Iaren aen malkander in deſe Gevangeniſſe gevveeſt vvas,

vvinnende ſijn leven op die maniere, ende onder deſe 170. Slaven

vvarender maer vijf, die de middel hadden ſoo vvel getracteert te

vvorden.

Sijnde in deſe miſerie, quam onſe Cameraet Reynier Saldens wederom tot

Ceuta, alwaer hy mijn Brief ontfingh, daer in ick hem adviſeerde alles

watter paſſeerde, ende dat wy in de Mamore waren, waer van de oorſake

waren de vijf Turcken die tot Ceuta waren, om datſe aen de Turck die

ons bewaerde ordre hadden gegeven ons in de Mamore te ſetten, tot dat

vvy de 700. ſtucken van achten, die hy in Vlaenderen ſijnde, ſoo de

ſelfde Turcken ſeyden, belooft ſoude hebben. Ende om te toonen dat

Monſieur Caloen ende ick niemendal belooft hadden aengaende de voorſz

ſomme, gelijckſe tot Ceuta voor-gaven, ſonde ick oock een Brief in

Turcks geſchreven van de Turck die ons bewaerde, daer in hy ſeyde dat

wy niet anders belooft hadden als 25 Stucken van Achten voor hem, ende

de Vracht van onſe Perſonen op het Schip van Argiers op Tituan. Maer

hoewel de Turck ſeyde dat hy geſchreven hadde als voorſz, ende hy my de

Brief open ghegeven hadde, ſchreef ick nochtans aen Saldens aldus:

Laetſe leſen ende uyt-leggen, ende indien ghy het goet vint,

addreſſeertſe, maer laet niet de vijf Turcken aen Ketenen te leggen,

ende doetſe in de Mamore van Ceuta gaen, die noch moeyelijcker is als

die van Tituan: vvant ſy is onder een Oven, de vvelcke een

onverdragelijcke Hette veroorſaeckt.

De Paters-verloſſers, vande welcke ick gheſproken hebbe hier te vooren,

quamen wederom tot Ceuta, ſonder datſe een Chriſten afgekocht hadden:

Ende dat was om datſe met den Gouverneur van Tituan niet hadden konnen

accorderen: Want ſy accorderen gemeenelijck op deſe maniere: Datſe een

derden deel in Gelt ſullen betalen, ende de twee derde parten in

ſoodanighe Coopmanſchappen naer advenant, ſoo veel het Pont, ofte Mate,

ofte ghetal, tonende een monſter van alle de ſoorten. Ende het verſchil

was dat de Gouverneur de Coopmanſchappen niet wilde ontfanghen tot

ſoodanighen prijs als de Paters die eſtimeerden. Ende daer en boven

wilde hy de Paters obligeren eerſt dertich Slaven die hem toe quamen af

te koopen, voor de ſomme van twee hondert Ducaten yder. Waer toe de

Paters gheenſints wilden verſtaen, ende de Paters ſeyden (niet ſonder

reden) dat ſoo langh alſer Spaenſe Slaven ſijn, konnen wy geen Slaven

van andere Natie af kopen, om dat de aelmoeſen die wy brengen,

ghegheven ſijn in Spaingen om Spaignaerts af te koopen, ende dat is de

reden waerom de Paters verloſſers haer retireerden ſonder yets uyt te

rechten.

Ick gaf mijn Brief aen een Chriſten die vry was, welcke ging in

Compagnie van die Paters na Ceuta, hem recommanderende deſelfde te

gheven in eyghen handen van Saldens, ’t welck hy dede, ſeggende dat hy

ons daeghs te vooren ghelaten hadde inde Mamore van Tituan: Het welcke

Saldens verſtaen hebbende, wierde ſeer verſtoort: Ende alſoo hy ſeer

rou ende haeſtich was, hebbende de confirmatie daer van by mijn Brief

verſtaen, dede hy terſtont de vijf Turcken inde Mamore van Ceuta komen:

Ende ſijnde voor het inkomen der ſelfde, ſeyde hy aende Capiteyn,

Hibraim Arrais (de welcke was een vande vijf) Pilla Baſſo, dat is te

ſeggen in Franco, leght hem op de Aerde, ende laet de vier hem de Armen

ende Beenen houden om met Stocken op fijn Rugge ende Billen geſlaghen

te worden: Want Saldens hadde de Stock in ſijn Handt, hebbende die

forme van Iuſtitie gheleert wanneer hy met ons tot Argiers was. Hibraim

Arrais begon ſich te ontkleeden al ſchreyende met veele ſchoone

woorden, ende de andere vier Turcken beefden ghelijck een Bladt op een

Boom door vreeſe datſe de ſelfde wegh ſouden paſſeeren. Alle die voor

by ginghen (want dat gheſchieden op de ſtraet) bleven ſtaen om het

eynde van deſe Tragedie te ſien. Onder andere kijckers paſſeerden daer

mede twee Turckſe Coopluyden, die tot Ceuta om haer Negotie waren, die

tot Saldens ſeyden, wat vvilt ghy doen met deſe Slaven, ſijnſe niet

ongheluckigh ghenoech Slaven te ſijn ſonder geſlagen te ſijn? Saldens

antvvoorde met een vvreet gelaet, ick vvil tvvee ofte drie van die

ondanckbare Verraders met ſtocken Doodt ſlaen, ick hebſe hier vry door

de Stadt laten vvandelen, ende niet tegenſtaende deſe courtoiſie,

hebbenſe mijn Cameraet inde Mamore van Tituan doen ſetten, hoevvelſe

goede borge gheſtelt hebben, alvvaerſe noch ſijn in duyſent meſerien,

ende deſe Honden vvandelen hier door de Stadt op haer ghemack, ende

hebben duyſent ende duyſent Logens tot Tituan geſchreven om ons Gelt

door haer booſe practijcken tegens alle maniere van Iuſtitie af te

perſſen.

Doen ſpraecken de tvvee Coopluyden met de vijf Turcken in haer

ſpraecke. Daer na ſeyden ſy aen Saldens. Slaet deſe Slaven niet, vvy

ſullen hier Borge ſtellen dat uvve Cameraets uyt de Mamore ſullen gaen,

ende hier komen met de eerſte Cafila: Wy ſullen morghen ſchrijven dat

men haer uyt de Mamore laet gaen. Saldens thoonde daer mede niet te

vreden te ſijn, maer dat hy ſe ſlaen vvilde: Nochtans door tuſſchen

ſpreecken van eenighe Capiteynen van het Garniſoen liet hy ſich

ſpreecken om met de tvvee Turckſe Coopluyden by de Gouverneur te gaen,

de vvelcke doen vvas de Marquis de Miranda, ende Saldens ende de tvvee

Turcken ſeyden haer redenen. Na dat hy de tvvee partyen gehoort hadden,

hebbende haer ten laetſten doen accorderen, ſchreef hy een brief aen

den Gouverneur van Tituan van deſen Inhout. Sendt my met de eerſten

Cafila tvvee Chriſtenen ghenaemt Ian Baptiſta Caloen ende Emanuel de

Aranda, u beloovende op de trouvve van een Chriſten ende Ridder, dat

ſoo haeſt als de Chriſtenen hier ſullen ſijn, ick liberteyt ſal geven

aen de vijf Turcken genaemt Moſtafa Iugles, Hibraim Arrais, Alli

Tigarino, Rodes Moſtafa, ende Moſtafa Oiga.

Ende alſoo, ghelijck ick te vooren gheſeyt hebbe, de Paters verloſſers

wederom na Ceuta gekeert waren, om datſe eenighe difficulteyt met de

Gouverneur van Tituan hadden, ende tot Ceuta een Jode woonde van groote

reputatie wegen ſijn rijckdom, die ſich moeyde met het verſchil

tuſſchen de Paters verloſſers ende de Gouverneur te vergelijcken (ofte

beyde zyden te bedriegen) ende hy ’s anderendaeghs moſte vertrecken,

gafmen hem de brief vande Marquis, met ordre die in eygen handen vanden

Gouverneur van Tituan te leveren, het welck hy den volghenden dach als

hy daer gekomen was, dede: Ende men liet ons dien ſelfden avondt uyt de

Mamore gaen, met permiſſie door de Stad ende buyten te wandelen,

wanneer het ons ſoude believen. Wy gingen terſtont in het Joden

quartier na onſe Camer, die in onſe abſentie ingenomen was vande Turck

die ſorge over ons hadde. Wat de reſt aengaet wat inde Mamore paſſeerde

ſoo langh als wy daer in geſloten waren, ſult ghy konnen ſien in mijn

7. ende 13. Relatie.

Wy wandelden binnen ende buyten de Stadt met de Turck die ons bewaerde,

verwachtende de Cafila om na Ceuta te gaen. Monſieur Caloen ende ick

koſten yder een witte Mantel, ghenaemt inde Moorſe ſprake een Albornos,

ende een roode Muts, ſijnde de dracht die de Chriſtenen draghen vvelcke

haer vryheyt verkreghen hebben. Alle de Chriſten Slaven, die vvilden,

gaven ons Brieven om aen hare Vrienden ende Ouders te addreſſeren. Ende

ghelijcker niet inde Werelt is dat ſijn beginſel ende eynde niet en

heeft, vvilde de goede Godt een eynde van onſe ſlavernye maecken. De

Jode die mediateur vvas tuſſchen de Paters Verloſſers ende de

Gouverneur van Tituan, hebbende het verſchil vergeleecken (ofte om

beter te ſegghen, beyde bedrogen) maeckte ſtaet den naeſten dag te

vertrecken, vvelcke vvas den 23. Maert 1642. Yder uyre ſcheen ons een

Iaer te ſijn, vvy namen tvvee huyr-Peerden van een Moor die met de

ſelfde Cafila moſt na Ceuta vertrecken. Wy deden tvvee Jonghe hoenderen

accommoderen met Sout ende Peper, om op den vvegh te eeten, ende een

groote Kanne met goede Wijn.

Wy vertrocken uyt de Stadt van Tituan, vergheſelſchapt van de Ridder

Philips de Cherf, ende eenige andre Chriſten Slaven onſe Vrienden, tot

op ontrent een Vierendeel mijls uyt de Stadt, alvvaer vergaederden alle

die met den voorſz Cafila moſten vertrecken. Wy gingen ſeer blijde te

Peerde ſitten, ſeggende adieu aen die ons accompagneerden, de vvelcke

droevig vvaren datſe noch moſten blijven in die miſerable ſtaet van

ſlavernie. Sy keerden vveder na de Stadt, ende vvy vervorderden dien

avont onſe reyſe ontrent tvvee mijlen op een Landt vvelckers Aerde tot

Ceuta toe niet beboomt noch bevvoont vvordt; Maer t’ eenemael vvoeſt,

hoevvel dat het Landt ſeer goet ende Vruchtbaer is. Wy traden van ’t

Peerdt af ende ontladende onſe Muylen, hieuvven drie ofte vier Turcken

met haer Houvvers een goet deel Houts, ende maeckten Vier. Want in dat

Landt ghelijck mede in Spaignen is het by Nacht ſeer kout. Yder een

voegde ſich ronts om het Vier, ende al ’t gene hy mede ghebrocht hadde.

Wy noodigden eenige voornaemſte Turcken vanden hoop om met ons te eten,

vvaer van ſy haer excuſeerden, ſegghende, dat de Hoenderen van

Chriſtenen gedoot vvaren, ende daerom moghten ſy daer van niet eten.

Ick ſvvoer dat een Turck die ghedoot hadde, ghelijck vvaer vvas: Want

vvy droegen die Hoenderen om haer op de Wegh te tracteren, ende ick

kenne haer grimmagie, voornementlijck van de Turckſe Koopluyden:

Indienſe Vrybuyters van Argiers gevveeſt vvaren, ſouden ſy ſoo

ſcrupuleux niet gevveeſt ſijn: Na dat vvy vvel gegeten hadden, ſliepen

vvy by het Vier.

Den volghende dagh een uyre voor het rijſen vande Sonne vertrocken vvy

na Ceuta, ende van het Velt alvvaer vvy gheſlapen hadden tot Ceuta toe

vonden vvy niet een Menſch, noch eenigh voet-ſtap dat eenighe Menſchen

oyt daer ghewoont hadden, als de Ruinen van een Huys: Op de Wegh ſchoot

een Turck te Peerde ſittende met ſijn Roer een Wildt Vercken, maer

alſoo de Turcken daer van niet mogen eten, beloofde Monſieur Caloen

haer twee ſtucken van achten indienſe het voor ons wilden tot aen de

Stadt brenghen; Het welcke ſy ſeer geerne deden, het ſelfde ſnydende in

vier Quartieren, die men op de Muylen leyde. Wanneer de Cafila ontrent

een Mijl af by de Stadt begon te naderen, moetmen ſeeckere Wegh nemen

om van de ſchilt-wacht van Ceuta te moghen ontdeckt worden. Ende

wanneermen door die Wegh komt, dat beteeckent Vrienden. Wanneer wy

ontrent twee Muſquet ſchooten van de Stadt af approcheerden, ſeyde

ſekere Moor aen Monſieur Caloen ende my: Chriſtenen blijft hier, ick

hebbe ordre u alhier te houden tot dat de vijf Turcken alhier ſijn: Men

hadde niet te repliceren; Ick gaf mijn gety-Boeck aen een Jode die inde

Stadt ging, om aen Monſieur Saldens te dienen voor een teecken, wel

wetende dat hy mijn Gety-Boeck wel kende, ende dat wy aldaer waren, op

dat wy inde Stadt ſouden moghen komen. Deſe dingen geſchieden ontrent

ten 9. uyren voor middagh, ende wy bleven daer tot drie uyren na

middag, ſonder een menſch te ſien als de Moor die ons bewaerde,

verwachtende met goede devotie de vijf Turcken. Wy konden niet

imagineren waerom datmen ons ſoo langhen tijt dede wachten. Maer

tuſſchen drie ende vier uyren na-middagh ſagen wy de Poort openen ende

de Val-brugghe neder vallen, met eenen komende een Compagnie van

dertigh Peerden ligt gewapent op ſijn Moors, voor aen met lancien ende

leere ſchilden, diemen in Spaens noemt Adarga, ende een van die troup

wel ghemonteert liep een ſtuck Geſchuts ſchoot af om het Veldt te

ontdecken. Doen ſtelde hy ſijn Muts op ſijn Lancie tot een teecken

datter geen embuſcaden vvaren. Die vande troup dat teecken geſien

hebbende ſepareerden haer, ſich ſtellende op eenige avenuen. De

Capiteyn van deſe Troup vvenſte ons geluck met onſe vryheydt, ende

ſeyde ons, uvve cameraet ſpreeckt met de Gouverneur vande Stadt om u te

laten inkomen. Terwijl ick met de Capiteyn ſprack, ſag ick uyt de Stadt

komen een troupe voet-volck van ontrent hondert ende vijftig mannen,

vvelcke troupe formeerde een kleyn ſlach-orde tuſſchen de peerden ende

de Stad. Daer na ſagh ick noch ontrendt honderdt Turckſe ende Moorſe

ſlaven uyt komen, yder geladen met tvvee ſvvare yſere ketenen, met een

groote pot op haer rugge, ende ſy quamen tuſſchen de ſlagh-ordre van ’t

Voet-Volck ende de Stadt Fonteyn-vvater in haer Potten ſoecken: ende

dat vvierde ghedaen tvvee ofte driemael ter vveecke met de ſelfde

neerſticheyt, ſoo door vreeſe datſe vande Barbaren mogten overvallen

vvorden, als van haer ſlaven te verlieſen.

Hebbende geſien alles watter paſſeerde, vvaren vvy ſeer vervvondert hoe

het quam dat Saldens ſoo langh vertoefde te komen. De reden vvas dat de

Gouverneur van de Stadt van Ceuta door ſijn voornoemde brief aen de

Gouverneur, van Tituan belooft hadde de vryheyt te geven aen de vijf

Turcken ſoo haeſt als vvy tot Ceuta ſouden gearriveert ſijn: ’t vvelck

hy op die tijdt niet konde doen, om datmen openbaer vviſt dat men

aldaer een ſchip van Tanger vvas vervvachtende: Ende indien de voorſz

vijf Turcken, doen na Tituan vertrocken hadden, ſoudenſe ſonder

tvvijffel daer van advijs gegeven hebben aen de Vry-buyters van die

Stadt, ende daerom ſoude het ſelfde Schip in groot perijckel ghevveeſt

ſijn van genomen te vvorden. Daer en boven vvaren vvy in ſeer groot

perijckel ende hazardt, om genootſaeckt te ſijn vvederom na Tituan te

gaen, van vvaer vvy gekomen vvaren, ofte buyten de Stadt in groot

perijckel vande Barbaren te blijven, de vvelcke menighmael komen onder

het Geſchut vande Stad: maer onſe Cameraet Saldens vviſte met hulpe van

Don Martin Penaloſa ſijne ſaken ſoo vvel te doen, dat de Gouverneur de

vijf Turcken riep ende haer ſeyde, het is vvaer dat ick mijn vvoordt

aende Gouverneur van Tituan geingageert hebbe, dat ick vijf Turcken vry

ſoude ſtellen, ſo haeſt als de tvvee Chriſtenen hier aende poort ſouden

ſijn, ende nu ſy ghearriveert ſijn, en derve noch en mach ick u vryheyt

niet geven volgens mijn belofte, om dat gy vveet dat men hier een Schip

rijckelijck gheladen van Tanger verwacht: Maer om te toonen dat ick een

Ridder van mijn woordt ben, ſullen de twee Chriſtenen wederom na Tituan

gaen, ofte ſy ſullen daer buyten blijven tot dat het voorſz Schip ſal

gearriveert ſijn: Maer indien ghy te vreden ſijt dat de twee Chriſtenen

inde Stadt komen, belove ick u als een Ridder, dat ſoo haeſt als het

ſelfde Schip hier gearriveert ſal ſijn, ick u vry ſal laten gaen, ende

ondertuſſchen ſal ick u van deſe tijt voor vry verklaren.

De Turcken accepteerden deſe conditie, haer vertrouwende op de beloften

van de Gouverneur, makende nochtans een ſchrift daer van, ’t welck

Saldens ons ’s avonts ontrent vier uyren liet weten, ende dat hy by ons

ſoude komen, maer dat hy noch eerſt met de Gouverneur moſt ſpreecken.

Ende hy quam een halve uyre daer na by ons vergheſelſchapt met Don

Martin de Penaloſa, dewelcke door courtoſie hem in alle ſijne affairen

aſſiſteerde. Het is onmoghelijck uyt te drucken het contentement ende

blijſchap die wy ontfinghen, ſiende onſe Cameraet in goede geſontheyt,

na wiens tegenwoordigheydt wy ſoo menighmael verſmacht waren. Hy was

aende andere zijde niet minder verblijdt. Na dat wy malkander omhelſt

hadden, wenſten ons alle de genen die daer teghenwoordigh waren gheluck

voor onſe liberteyt. Ende wy ginghen alle te ghelijck inde Stadt van

Ceuta, meer verheucht als de Keyſers van Romen wanneerſe triumpherende

binnen de Stadt van Romen quamen: Wy ginghen den Gouverneur de Handen

kuſſen, hem preſenterende het hooft van het Wilt Vercken, hier voren

ghementioneert, ende wanneer wy uyt ſijn Paleys ginghen, quamen de vijf

Turcken ons wellekom heten, ons gheluck wenſchende voor onſe vrydom. Sy

quamen met ons in onſe Herberghe alwaer wy haer deden drincken. Sy

vraeghden ons nieuws van hare Vrienden tot Argiers, ende wy vertelden

malkander onſe fortuynen die ghepaſſeert waren. Het was doen dat wy

onder ons drien het meeſte contentement ende grootſte plaiſier hadden

dat wy oyt gehadt hadden, ende ons leven langh ſullen hebben.

Maer gelijck ick menighmael gheſeydt hebbe, dat blijſchap ende

contentement altoos voor ſchaduw van haer Lichamen hebben yets

moeyelijcks ende verdrietigh, begon onſe Cameraet Saldens ons te

vertrecken dat wanneer een van de Turcken tot Brugge in Gevangeniſſe

was, Chriſten geworden was. Wy raet-ſlaeghden de ſake onder ons, wat wy

daer in doen ſouden: Want indien wy ſeyden dat hy Chriſten geworden

was, mochte de Gouverneur hem niet laten gaen; ende alſoo hy ſijn

woordt aende Gouverneur van Tituan geingageert hadde, ſoude hy ons

ſonder twijfel wederom gheſonden hebben. Want het was een Ridder die

ſijn ſaecke wel verſtonde aengaende ’t ghene waer toe hy verobligeert

was wanneer hy ſijn woordt aen een Mahometanſe Gouverneur ghegeven

hadde, ende belachte den ghenen die leeren datmen niet ghehouden is

ſijn Woordt te houden aen een eenig Volck dat van een andere Religie

ofte Secte is. Hem te laten gaen, wetende dat hy een Chriſten was, was

teghens onſe couſcientie. Wy vraeghden raet, aen een oude Ridder, die

het Naturel van de Turcken beter verſtonde, dan die ghene welcke met

een goeden yver ſonder Wijſheydt, den Turck bekeert hadden. Sijn advijs

was dat Saldens met den Turck alleen ſoude ſpreecken, op deſe wijſe,

Alli (ſoo was hy genaemt) gy weet dat gy in Vlaenderen Chriſten

gheworden ſijt, wat is nu uwe meeninge? Indien hy ſeydt, ick ben

Chriſten, ende ick wil in de Chriſtelijcke Apoſtoliſe ende Roomſe

Religie blijven, dan ſal Saldens ſegghen: Gaet by de Gouverneur, ende

ſeght hem dat ghy Chriſten ſijt, ende dat ghy hier blijven wilt, ende

gaet dat aen uwe vier Cameraets ſeggen: Dan ſal de Gouverneur in

preſentie van ſijn Cameraets hem vragen ofte hy na ſijn Vaderlandt wil

gaen: Indien hy ſeydt neen: Ende dat hy Chriſten is, ſal hy blijven,

ende de Gouverneur ſal daer van ontlaſt ſijn. Saldens ſtelde dit advijs

te werck; Maer Alli antwoorde dat hy wederom na ſijn Vaderlandt wilde

gaen: Waeromme wy na dit ons devoor deſe ſaecke verlieten ſonder ons

meer daer mede te moeyen.

Den 24. Marty 1642. was den dagh van onſe volkomen vryheydt, waer op

een ſeecker Vrind van my deſe twee Chronijck-ſchriften ghemaeckt heeft,

het eene van de welcke thoont den dagh van mijne Gevangheniſſe, ende

het andere van mijn Verloſſinghe.

Chronijck-ſchrift van mijn Gevangeniſſe.

MensIs aVgVstI DIe XXII CaptVs.

Chronijck-ſchrift van mijn verloſſinghe.

MartII XXIIII. reDVCtVs fVIt.

’s Anderendaeghs na ons arrivement ginghen wy alle drye inde groote

Kerck van Ceuta onſe devotie doen: Deſelfde Kerck is genaemt de Kerck

van onſe Lieve Vrouwe van Africa, ende is de Metropolitane Kerck. Wy

kuſten de handen van den Biſſchop, die een oude Heylighe man was, ende

alle ſijnen treyn beſtonde in een ſwarte Slaef. Hy vreeſde ons ofte wy

Chriſtenen waren (hy wilde ſeggen, Catholijcken.) Wy antwoorden hem,

dat wy Apoſtoliſche, Roomſe Catholijcke waren, ende ghetrouwe

onderdanen van ſijn Majeſteyt den Koningh. Op dit antwoordt gaf de

goede Biſſchop ons de Zegeningh, blijvende tot Ceuta acht daghen om na

Gibralter te gaen met een wel gewapende Brigantijn, want die paſſagie

is ſeer periculeux. Deſe Brigantijn was van vier Bancken, ende op yder

Banck waren twee ſoldaten om te roeyen, die haer Wapenen ghereet

hadden. Wy paſſeerden in vier uyren van Africa in Europa, niet ſonder

groote vreeſe van noch eens vande Turcken genomen te worden: Want ick

kende deſe ſoldaten ſoo goede Zee-luyden te ſijn, als de Engelſche

Schipper wanneer vvy genomen vvierden ſich een manhaftich ſoldaet

thoonde.

Maer vvy quamen door Godts ghenade tot Gibralter. Wy bleven daer drye

dagen onſe devotie doen in een Capelle, een quartier uyrs buyten de

Stadt gelegen, ende juyſt vvaer de minſte diſtantie is tuſſchen Africa

ende Europa, ghenaemt de Capelle van onſe Lieve Vrouvve van Europa,

ſeer gefrequenteert van alle de ghenen die hare Ouders ende Vrienden in

Slavernye hebben. Wy vertrocken van Gibralter te Peerde na Cadix, de

vvelcke tvvee dagh reyſen ſijn, Monſieur Caloen ende Ick met onſe

vvitte Mantels ende roode Mutſen; Waer door alle de perſonen die eenige

van haer Vrinden in ſlavernie hadden, op de Wegh ende inde Dorpen vvaer

vvy een voet op ’t Landt ſetten, by ons quamen om te weten ofte wy geen

Brieven ofte ten minſten eenige tijdinge hadden van hare Ouders ofte

Vrienden. Tot Cadix ſijnde maeckten wy Chriſten klederen, ende

vertrocken van daer na Madrid, alwaer wy alle drye twee Maenden te

ſamen bleven.

Weynich daghen daer na vertrock Saldens met ſijn oude Meeſter de

Marquis van Salero na het Legher in Catalogne, ende Monſieur Caloen

ende ick quamen tot S. Sebaſtiaen in Biſcajen, ende paſſeerden ſonder

paſpoort door gants Vranckrijck, ons vertrouwende op de atteſtatie

vande Paters Verloſſers dat wy uyt de ſlavernye quamen. Maer wy noemden

ons Hollanders, ſonder atteſtatie te thoonen. Wanneer wy tot Parijs

waren, wierden wy gheinformeert, dat de Gouverneur tot Diepen ende

Calis de Paſſagiers ſcherp examineerden, wanneerſe na Engelandt willen

vertrecken: Ende om onſe examinatie niet onderworpen te ſijn, gingen wy

tot Rouan in een Hamburger Schip dat na Schotlandt toe gingh. Wanneer

wy in Zee waren, ſeyden wy de Schipper dat wy wel in Engelandt wilden

ſijn, doet ons by Douvre aen Landt ſetten, wy ſullen de Boots-Geſellen

die roeyen ſullen yets tot Drinck-Gelt geven. De Boot wierde in Zee

gheſet, ende men brocht ons na ons begeren aen Landt een half Mijl van

Douvre, alwaer wy te voet gingen. Ende daeghs daer aen vertrocken wy

van daer met het Packet Boot na Duynkercke.

Soo quam ick dan na verſcheyde Fortuynen ende avonturen tot Duynkercke,

in mijn ghedachten overleggende de moeyelijckheden, perijckelen,

ſchoone eſchaperinghen, ydele hopen, voorſpoeden, tegenſpoeden, ende

duyſendt andere reſcontres die ick ghehadt hadde alle de tijdt van deſe

mijn Reyſe, aengaende mijn Lichaem geworpen als een Bal, maer veel meer

aengaende mijn Geeſt: Ende my repreſenterende de dinghen die

ghepaſſeert waren, was ick ſoo ſeer niet gedreven als bewogen gelijck

de Golven van de Zee na dat de Zee ſtil gheworden is, op een

ooghenblick niet konnen ſtil worden. Soo was ick dan ſeer blijde de

Klocken van mijn Lieve Vaderlandt te ſien, waer na ick duyſendt ende

duyſendt mael mijn wenſchen ende ſuchten gheſonden hadde, my

repreſenterende het ſoete gheſicht van mijne Lieve Vrienden, ende van

mijn beminde ende goede Moeder, aen wien tot die tijdt toe mijn

Broeders ende Suſters om importante redenen mijn Gevangheniſſe ende

andere ongelucken verborghen hadden ghehouden, haer ſomwijlen doende

ghelooven dat ick ſieckelijck was, ſomwijlen andere dinghen die niet

waer waren, maer ten minſten de waerheydt ghelijck: Ende my

onderhoudende met ſoodanighe ende diergelijcke ghedachten, quam ick den

20. Auguſti 1642. inde Stadt van Brugge, ghevende duyſendt dancken aen

de Goddelijcke goetheydt ende Bermhertigheydt, die in ſoo veel

periculen ſoo ter Zee als te Lande my gheleydt hadde tot de Poort vande

Stadt van mijn Geboorte, in goede gheſonde diſpoſitie, alwaer ick vonde

mijn Moeder, Broeders ende Suſters. Ick ſoude wel groote moeyte moeten

doen om uyt te drucken het playſier ende blijdtſchap die wy hadden als

wy malkander in goede geſontheyt vonden: Niet wetende aen wat ſijde die

meeſt ghevoelijck was: Maer ghelijck ghy verſtaen hebt by de loop van

mijn Reyſe, dat droefheyt ende rouwe de ſchaduwen ſijn die blijtſchap

ende contentement volghen, kont ghy het ſelfde noch hier ſien; want

weynigh daghen na mijn weder-komſte ſtorven mijn Lieve Moeder ende

ſchoon-Broeder, die ick de eeuwighe ruſte toe vvenſche, latende oock

mijn penne ruſten, u bedanckende lieve Leſer van uvve patientie.

PARTICULIERE VERHALINGEN

Van

Emanuel d’Aranda.

Van verſcheyde dingen die geſchiet ſijn

terwijl hy in Slavernye is geweeſt.

Turckse slavernie · 第 6 / 44 题