REGISTER

Vande particuliere VERHALINGEN.

I. Verhael. Hiſtorie van een Spaenſe Geeſtelijcke Perſoon, die

tot Argiers Slaaf was. 117

II. Vande Manhaftigheydt van een Hollantſe Capiteyn,

die ſich defendeerde alleen tegens vijf Turckſe

Galeyen, ende twee Brigantijns, ende haer verſtroyde. 124

III. De volſtandigheydt van een Chriſten Slavinne, om in

haer Gheloof te blijven. 132

IV. De onwetende Lieden imagineren haer ſelven in vreemde

dingen. 134

V. Van vijf Turckſe Slaven, die door een wonderlijcke

practijck haer ſalveerden, ende vande reſcontre van

een Schip van Duynkercke. 137

VI. Een wonderlijck effect van een vervloeckte Liefde. 139

VII. Van twee ongeluckige Slaven, die inde Mamore van

Tituan gheſteldt wierden. 141

VIII. Van een Portugijſe Edelman, die gevanghen wierde

ende tot Argiers gebracht. 146

IX. Een nieuwe Slaef moet ſich van een yeder miſvertrouwen. 153

X. Van twee nieuwe getrouden, die vande Turcken ghenomen,

ende tot Argiers tot Slaven ghebracht wierden. 157

XI. Vande ondanckbaerheydt van een Portugijſe Slaef. 160

XII. De maniere vande Dooden tot Argiers te begraven. 164

XIII. Van den onbedachten yver, ende van den voorſichtigen

yver. 166

XIV. Twee exempelen van mildadigheydt ende erkenteniſſe. 169

XV. Vande maniere van Trouwen tot Argiers. 174

XVI. De nootſaeckelijckheydt is de Moeder vande

neerſtigheydt ende vande vernuftigheydt. 178

XVII. Van een Pater Carmelijt die Slaef was, ende van

Alli Pegelin. 183

XVIII. Het gebruyck van Vergift is ſeer gemeen in Africa. 193

XIX. De Turcken houden haer woordt. 197

XX. De Vrouwen ende de Wijn bedriegen de looſte die

der ſijn. 202

XXI. De maniere om de Pocken tot Argiers ſonder Chirurgijn

te geneſen. 207

XXII. Van een Fransman die ſich Turcx wilde maecken, ende

een Chriſten bleef tegen ſijn danck. 209

XXIII. Vande openhertigheyt van een Ioodſe Dochter. 211

XXIV. Van het wijs retireren van een Zee-Roover. 213

XXV. Godt geleydt door ſijn voorſienigheyt den ghenen

die een goede intentie hebben. 216

XXVI. De openhertigheyt van een Duynkerckſe Slaef. 220

XXVII. Kluchtighe reſcontren vande Fortuyne der Slaven. 222

XXVIII. Een Slaef dient ſich van alles om te leven. 230

XXIX. Vande getrouwigheyt van een Man, ende vande

ontrouwigheydt van ſijn Vrouw. 233

XXX. Krackeel tuſſchen Spaenſe ende Portugijſe Slaven. 238

XXXI. Een Slaef moet niet al te ſeer betrouwen op de al

te groote courtoiſie van ſijn Patroon. 241

XXXII. Van een Religieus die ſijn Geloof door ſwackheydt

verſaeckte wanneer hy binnen Argiers Slaef was, ende

die door ſijn betrouw een Martelaer wierde. 244

XXXIII. Van het voornemen dat wy gheformeert hadden, om ons

Meeſter te maecken van het Schip ’t welck ons na

Tituan brocht. 251

XXXIV. De curieuſheydt wordt voldaen met de tijdt ende

patientie. 256

XXXV. De onnoſele beſchuldight. 263

XXXVI. Ghetrouwigheydt, ſtantvaſtigheydt, vergeldinghe ende

danckbaerheydt. 267

XXXVII. Schip-braeck in de Haven. 270

TURCKSE SLAVERNIE,

GELEDEN EN BESCHREVEN

DOOR

EMANUEL D’ AIRANDA.

Na dat ick een Iaer in Spaignen gewoont hadde, ende eenigſints

vergenoegt was in het voornemen ’twelck ick hadde dat Koninckrijck te

ſien, ende de ſprake te leeren, maeckte ick rekeninge wederom na

Nederlandt te vertrecken, ende om dat ick van Engelant af gevaren

ſijnde, tot S. Lucar de Barameda aen Lant gekomen was, in welcke reyſe

ick in groot perijckel was geweeſt van de Turcken genomen te worden,

dachte ick dienſtigher te ſijn over S. Sebaſtiaen weder te keeren, om

ſoo grooten Zee, ende voornamentlijck het perijckel van de Turcken te

ontgaen, de welcke by na altoos op de kuſte van Spaignen ende Portugael

ſijn; als mede om Caſtilla la vieja, ende Biſcayen te ſien. Ick ben van

Madrid vertrocken den 1. Auguſti 1640. hebbende tot geſelſchap een van

mijn Lants luyden genaemt Reynier Saldens, ende ick ben den 13. Auguſti

tot S. Sebaſtiaen gekomen, alwaer ick vonde Monſieur Ian Baptiſta

Caloen ende de Ridder Philips de Cherf, die voor genomen hadden Scheep

te gaen in een van twee Engelſe Schepen dit in de Haven lagen, gereet

om ’t zeyl te gaen als de wint goet ſoude ſijn: even den ſelfden Nacht

wierde de windt goet: ’s anderen daeghs gingh ick Scheep met de

voornoemde drie Vrienden, ende met die goede wint raeckten wy in volle

Zee, de welcke na twee uyren tijts ofte daerontrent dat wy uyt de Haven

vertrocken waren, heel ſtil wierde, ende dien ſelfden nacht gantſch

contrary, waer door wy genootſaeckt waren te laveren, hopende op een

goede windt. Na dat wy ontrent vier dagen op die maniere gheſeylt

hadden, quamen wy op de hooghte van Rochel in Vranckrijck, alwaer wy

een Rochelſe Vry-buyters Fregat reſcontreerden, die ons quam verſpien,

ende ſiende dat wy Engelſche Schepen waren, quam deſelfde Fregat nader

by ons, ende de Capiteyn ſont met ſijn Boot vier Soldaten aen ons

Boort, om het Paſpoort van onſe Schipper te ſien, die de Schipper

terſtont toonde, gevende een ſtuck gelts aen de Soldaten van de Fregat;

ende ſoo keerden de ſelfde wederom na haer Schip, rapporterende aen

haer Capiteyn datſe ons Paſpoort gheſien hadden. Doe quam de Rochelſe

Capiteyn achter op ſijn Fregat, onſen Schipper toe-roepende, weeſt wel

op u hoede, ſoo het u goet dunckt, want daer ſijn vijf Turckſe

Vry-buyters in het inkomen van de Canael, met de Zeylen aen de windt.

Maer onſen onhervaren Schipper vertoonde dat de Oorlogh Schepen van den

Koningh van Engelant, die ſomwijlen buyten de voorſz Canael quamen,

deſe kuſte tegens de Turcken ſouden bewaren, ende hiel de ſpot met het

perijckel, ſonder te conſidereren de kleyne macht die hy hadde om ſijne

vyanden te reſiſteren, ende vervorderde ſijn reyſe, meenende dat het

onmogelijck was dat de Turckſe Vry buyters ſoo veer ſouden komen,

alwaer oock de Duynkerckſe ende Hollantſe vry-buyters daghelijcks de

zee kruyſſen. Hebbende de windt geſtadigh contrary, het was ſeven dagen

dat wy van S. Sebaſtiaen vertrocken waren, ende niet verder ghekomen

als op de kuſte van Bretaignen in Vranckrijck.

Den ſelfde dagh ontrent ten twee uyren na middag, ſagen wy veer van ons

af twee Schepen, die wy oordeelden Koopvaerdy Schepen te ſijn, ende een

weynigh daer na ſaghen wy der maer een, te weten het kleynſte, dat met

volle Zeylen op ons aen quam, ende wanneer het ons naderde, ſagen wy

dat het een Caravelle was. Onſe Schipper liet de Mars-zeylen neer

halen, voor reden daer toe ghevende, dat het de Enghelſe maniere niet

en was op Zee te vlughten. Ende onſe Mars-zeylen ſoo neerghehaelt

ſijnde, ende het Schip dat ons volghde met volle Zeylen aenkomende, was

het by na onder ons Geſchut ſonder een Vlagge te laten uythanghen: waer

door lichtelijck te oordeelen was dat het ſelfde Schip een Zee-rover

ofte Vrybuyter was. Maer onſen onhervaren Schipper liet de Boot in Zee

ſetten, om te vraghen wat volck het was, meenende dat het een Franſe

ofte Duynkerckſe Vrybuyter was. De Turcken die inde Caravelle waren

(gelijck ick daer na verſtonde als ick ghevanghen ghenomen was) ſiende

dat men ons in wachtede met de Mars-zeylen neer gehaelt, ende dat men

de Boot in Zee geſet hadde, ende voorts alles gedaen ’twelck men

ghewoon is te doen, wanneermen vechten wil, beduyden deſe daet te

procederen van een kleyne ervarentheyt van onſe Schipper, ende dat hy

ſigh wilde defenderen. De Capiteyn vande Caravelle liet mede ſijne

Mars-zeylen neer halen, willende niet nader by ons komen. Ondertuſſchen

overviel de nacht, ende de Caravelle bleef geſtadigh in ons geſight,

met een Lanteerne achter aen, om ſijn Cameraets een teecken te geven:

het welcke wy Paſſagiers wel dachten, maer de Schipper lachte ons uyt:

Alle het gene dat wy met goede woorden van hem konden verkrijgen, was,

ons Schip gereet te maken om ons te weeren. Dus ghereet gemaeckt

ſijnde, paſſeerden wy de nacht, ende van vier ſtucken geſchut die ons

Schip op hadde, waſſer maer een dat dienſt konde doen. Dit alles

geſchiede met neergehaelde Mars-zeylen, ſoo dat wy weynigh wegh

vervorderden, noch de Caravelle oock niet.

Wy in deſe ſtaet malkander aenſiende, paſſeerde de nacht, ende ontrent

ten vijf uyren ’s morghens den 22. Auguſty, ſagen wy twee groote

Schepen, die met volle Seylen op ons aen quamen. Daerom baden wy de

Schipper dat hy zeyl wilde maecken, maer hy bleef eyghenſinnigh: yder

ſeyde ſijne redenen, ende de Schipper die geen reden hadde, wilde oock

geen verſtaen. Ontrent ten thien uyren voor middagh voeghden de twee

Schepen haer by de Caravelle, alle noch ſonder Vlagge. Doen wonnen ſy

op een ooghenblick met volle Seylen de wint van ons, een Musket ſchoot

af. Op het achterſte van het grootſte Schip ſtondt een Turck, die een

toegeſlagen Vlagge in ſijn armen hadde, ende een Chriſten ſlaef, die

riep, ſtrijckt voor Argiers. Op dit gheroep liet die ghene die de

Vlagghe hiel, de ſelfde uytwayen. Sy was groen, met ſilvere halve manen

in de ſelfde. Hoe aenghenaem ons die Vlagge was, ende te ſien ons na

Argiers brengen, kanmen lichtelijck dencken. Derhalven ſtelden wy onſen

Schipper voor dat hy ſoude parlementeren op conditie datſe ons aen het

eerſte Landt vande Chriſtenen aen Landt ſouden ſetten, ende dat wy haer

twee ende dertig duyſent ſtucken van achten ſouden geven, welck gelt in

ons Schip was: want het ghebeurt ſomwijlen dat wanneer de Turcken

eenigh Schip met accoort nemen, ſy haer woort houden, ende de

gevanghens aen lant vande Chriſtenen ſetten ſoo haeſt als het haer

moghelijck is. Maer onſe goede Schipper in plaets van parlementeren,

vraeghde offer quartier was: men antwoorde uyt de Turckſe Schepen, Ia,

Ia, goet quartier. Deſen manhaftighen Schipper meenende dat hy ghenoegh

gedaen hadde, liet de Ree op de overloop nederhalen, ende de vlagge van

achter af nemen, ende verliet met drie ofte vier van ſijn Boots-volck

ſijn Schip, ende roeyde met de Boot na de Turckſe Schepen toe, ende gaf

ſich over in handen van ſijne vyanden.

De Turckſe Soldaten begerigh ſijnde te plonderen ende buyt te maecken,

quamen terſtont thien ofte twaelf met de Boot aen ons Boort, onder het

geleyt van een Capiteyn, die de eerſte was die in ons Schip quam. Hy

was een Engelsman, maer een Renegado, ende alſoo ick als doen op den

overloop was, vraegde hy my van wat Natie ick was, ende of ick een

Koopman was, ick antwoorde, ick ben van Duynkercken ende een ſoldaet

van mijn profeſſie: waer op hy repliceerde in Nederduyts, Broeder

patientie, het is de Fortuyne vanden Oorlogh, huyden voor u ende morgen

voor my. Ick gaf hem het gelt dat ick by my hadde; ende terſtont ſtack

een andere Turck ſijn hant in mijn dye-ſack, nemende mijn Buſſe,

Neuſdoeck, Pater noſter ende Gety-boeck; het welcke hy my wederom gaf

met de Neuſdoeck, maer het Pater-noſter ende de Buſſe behiel hy, om de

welcke hy ſeyde dat ick een Barbier was.

Na datſe geplondert hadden die op den overloop ende inde Kayuyt waren,

brachten ſy ons met de Boot aen Boort van een van haer Schepen, latende

in ons Schip dat genomen was twaelf Turcken om het ſelfde te

gouverneren: ende alſoo de wint Ooſt was, wenden ſy de ſchepen na de

Spaenſe kuſt, ende in twee dagen quamen wy te ſien de Caep van

Galicien, die men noemt le Caep del Mort.

Ick was tot hiertoe als in een droom, inde welcke men ſiet vreemde

ſpoocken, de welcke veroorſaken vreeſe, verwonderinge, ende

curioſiteyt: acht nemende op verſcheyden ſpraecken (want men ſprack ’er

Turcks, Arabiſch, Franco, Spaens, Frans, Nederduyts ende Enghels) op

vreemde kleedingen, ende verſcheyde maniere van wapenen, mitſgaders op

de beuſelachtige ceremonien wanneerſe bidden, u verſekerende dat dit

alles my ſtoſſe gaf om vlytigh acht te nemen: maer na dien de

verwonderinge, vreeſe, curioſiteyt, ende melancolie my niet te eten

gaven, ende dat mijn maegh ſulckx begeerde wegen den honger, ſchickte

ick my by vier Chriſten Slaven, de welcke hoewelſe voor haer portie

anders niet als Biſcuyt en ontfingen, nochtans ſomtijdts potage van

rijſt maeckten, ofte van eenig dingh dat ſy van Landt mede gebracht

hadden: Ende men moet weten dat de voorſz Slaven gekomen waren met een

van de ſchepen van Argiers: want de Turcken imployeren op Zee de

Chriſten ſlaven voor Boots-gheſellen. De windt was nogh goet. Het was

den elfſten dag van onſe ghevangheniſſe, ende wy waren inde naeute van

Gibralter, in het paſſeren vande welcke de Turcken gemeenelijck vele

ſuperſtitieuſe ceremonien maecken: onder andre werpenſe inde Zee een

pot vol olye, ende gheloven dat die pot na een gheberghte gaet, die van

het zee varende volck ghenaemt wort den Bergh van Teeckens. Want de

Turcken ſegghen dat aldaer een glorieuſe Heylige Man woont die (na ſy

ſeggen) ſich voet met deſe Olye die in de Zee geworpen wort. Sy ſtellen

oock kleyne brandende Keerſen op de ſtucken Geſchutſ ende laten die

branden ſoo langh tot datſe gepaſſeert ſijn, voornementlijck warneerſe

by nacht paſſeren. Alle deſe ſuperſtitien worden met vele gebeden ende

andere ceremonien gedaen.

Den derden dagh na dat wy de voorſz naeute gepaſſeert waren, quamen wy

met het op-gaen van de Sonne voor Argiers, ende de Capiteyn dede een

ſalvo ſchieten. Op dit geluyt quamen alle curieuſe perſonen van de

Stadt aen de Zee-kant, ende alſoo ick by derthien andere Chriſtenen

ſliep, yder een yſere keten aen ſijn voeten, hadde men het Ancker

alreede laten vallen, al eer de ketens van ons genomen werden. Hebbende

de voeten vry gingh ick op den overloop, alwaer ick de Zee-kant vol

Alarbes vont. Ick vraeghde de Capiteyn (die een beleeft man was) wat

volck dat was, want ſy hadden anders geen kleederen aen als drie ofte

vier ellen Laecken ronts om haer lichaem ghewonden, ſonder dat eenigh

Snijder de hant daer aen gehadt hadde: hy ſeyde my, het ſijn arme

luyden ende Boeren van het Lant.

Hier begint onſe Tragedie: De Reders van de Schepen die ons genomen

hadden, deden ons aen Lant ende op de marct gaen, alwaer de Chriſtenen

verkocht worden, om te ſien offer yemant was die ons kende, van daer

bracht men ons in het Paleys van de Baſſa (dat is de Gouverneur, die

ſommige Koningh noemen, maer hy is maer een Onder Koningh) om dat hy

ſijn gedeelte moet hebben van de nieuwe ſlaven, te weten van acht

eenen. Hy was in de Zael van audientie geſeten met de Beenen gekruyſt,

gelijck de Snijders hier te Lande doen wanneerſe wercken, op een breede

Banck met blau Tapijt bedeckt. Hy hadde in ſijn hant een Wayer van

Pluymen, ſijn kledinge was een lange Rock van roode zijde, ende hadde

op ſijn Hooft een groote Turban ſeer curieux bewrocht, met de Beenen

naeckt. Het was een Man van goet ende reſpectijf aenſien: maer al eer

wy aen hem geſonden waren, was hy geinformeert dat de Ridder Philips de

Cherf een Edel Ridder was, ende nam hem voor ſijn achtſte part.

Na dat de Baſſa ſijn recht ontfanghen hadde, bracht men ons in het Huys

van een eerweerdigen Turck, die een van de Reeders was van de Schepen

die ons ghenomen hadden: Ende als wy in ſijn Huys quamen, vraeghde hy

ons in de Italiaenſe ſprake, of wy dien dagh gegeten hadden? Wy

antwoorden, neen. Doe beval hy een van ſijn Chriſten ſlaven, ons een

korf met Raſijnen ende Broot te gheven. Het Huys was op ſijn Italiaens

gebouwt, de Gallerien waren van Wit Marber, ſoo wel de vloer als de

Pilaren, ende de Boghen ſeer wel gheproportioneert na de Gebou konſt.

Wy moſten den nacht paſſeren in de ſelfde Galeryen op de vloer, u

verſekerende, dat ick liever in een ſtal op ſtroo ſoude hebben willen

ſlapen: Want nadien vvy niet gevvoon vvaren ſoodanigh ongemack te

lijden, vvaren vvy ’s morghens verſtijft, ende als vertreden aen armen

ende beenen. Wy en mochten uyt dat Huys niet gaen totdat vvy verkocht

vvaren. Wy vvaren daer ſeven dagen, vvachtende tot dat ſommighe

Chriſten ſlaven, die voor ons genomen vvaren, verkocht ſouden ſijn.

Ondertuſſchen quam dien Chriſten Meeſter-Verrader, vvaer van ick in

mijn 9. Verhael mentie maecke, ons beſoecken ende vertrooſten, maer vvy

vvaren alreede gevvaerſchout dat hy een Verrader vvas. De Generael Alli

Pegelin ende eenighe van de voornaemſte Turcken quamen ons beſoecken,

ende beſien om ons te koopen. Sy vraeghden ons of vvy niet en hadden om

ons rantſoen te betalen, ende datſe ons goede paſſagie ſouden geven? Wy

antvvoorden alle eendrachtig, dat vvy gheen gelt en hadden, maer dat

vvy hoopten dat het goede Volck van ons Landt ons ſouden trachten te

helpen met Aelmoeſſen.

Het was even den 12. September dat de voornoemde Slaven verkoft ſijnde,

wy op de merckt gebracht wierden, alwaer men gewoon is de Chriſtenen te

verkoopen. Een oudt opveyler hoog bejaert hebbende een ſtock inde

handt, nam my by de arm, ende leyde my menighmael over de marct, ende

die luſt hadden my te koopen, vraegden na myn Vaderlandt, mijn naem,

ende mijn profeſſie: Op het welcke ick antwoorde met voorbedachte

logens, dat ick gebooren was in het Landt van Duynkercke (in plaets van

te ſeggen van Vlaenderen) inde Stadt van Damme, ende een Soldaet was

van profeſſie: ſy voelden my de handen oftſe hert ende be-eelt van

werken waren, ſy deden my oock de mondt open doen om mijn tanden te

ſien, oftſe bequaem waren om biſcuyt op de galeyen te bijten. Daer na

deden ſy ons alle neder ſitten, ende dien ouden Op-veyler nam de eerſte

in de rye by de arm, marcherende met hem drye ofte vier malen over de

marckt roepende Arrache, arrache, het welcke te ſegghen is, wie bieter

meer voor? Den eerſten verkoft ſijnde, ſteldemen hem aen d’andere zijde

vande merct, beginnende een nieuwe rye te maecken.

Terwijl men de eerſte van onſe rye verkoft, was ick even gheſeten

tuſſchen mijn cameraets Monſieur Caloen ende Reynier Saldens: de welcke

niet teghenſtaende deſe tragediſche actie daer wy in waren, ſeyde met

een groot ſuchten: Het is van daeg kermis in ons Dorp in Vlaenderen,

indien wy daer waren, ſouden wy goede Wijn drincken, ende Wafelen eten

met de goede Vrienden: ick antwoorde hem, wy ſijn nu in een fraeyen

kermis: Het welcke ick naeuwelijcx gheſeyt hadde, ofte den ouden

Op-veyler nam my by de arm, my doende marcheren, ghelijck hy de andere

gedaen hadde, ende riep, Arrache, arrache. Ick hoorde verſcheyde

perſoonen gelt bieden, ſonder dat ick nochtans verſtonde wat ſy ſeyden.

Ick vraeghde een oude Slaef, hoe veel ſy booden: hy ſeyde my: die bied

190. ſtucken van achten, die 200. ende eyndelijck wierde de koop

gemaeckt voor 200. ſtucken van achten.

Die my gekoft hadde, was een Ronegado ghenaemt Sadan Gallan: Maer alſoo

de Baſſa het recht van herkoopinghe heeft, wierden wy noch eenmael voor

de Baſſa ghebracht, dragende de teeckenen op ons hoedt in Cijffer voor

hoe veel dat wy verkoft waren, preſenterende aende Baſſa het recht van

herkoopingh, die ons alle drye nam, te weten Monſieur Caloen, Reynier

Saldens, ende my. Hy ſeyde dat hy wel gheinformeert was dat wy rijck

ende Ridders waren: maer niet teghenſtaende deſe qualiteyt die hy ons

gaf, bracht men ons inde ſtal van ſijn Paleys, alwaer wy 250. Slaven

vonden, ſijnde Roeyers van ſijn Galeye. Wy waren in die ſtaet een ende

twintig dagen: alwaer vvy voor ons portie alle daeghs twee brooden

ontfingen.

Het vvas doen het eynde van September, ende de tijt dat de Galeyen haer

laetſte reyſe van het jaer doen. De ſlaven die met ons vvaren, packten

haer goetje om ſcheep te gaen. Men gaf door ordre vande Baſſa aen yder

ſlaef vijf ellen Lyvvaet om een Hemde ende een Galeye-Broeck te

maecken. Ick kreegh mijn deel als andere: Het vvelcke my ſeer vvel te

paſſe quam: Want ick hadde maer een vuyl geſcheurt Hemde, vol Luyſen.

Op den dagh vvanneer de ſlaven ſouden ſcheep gaen, quamen in onſe ſtal

vijf ofte ſes barbiers leer-jonghens, die de ſlaven, Roeyers vande

Galeyen, begonnen het hayr ende Baert te ſcheren. Wanneerſe alle

geſchoren ende toe-gheſtelt waren, quamen de Capiteynen vande Galeyen,

ende de Hof-meeſter vande Baſſa inde Stal, ende deden alle de ſlaven

uyt die plaets gaen in een open plaets ofte Thuyn met een billet, ende

begonnen de officien op de Galeyen te diſtribueren.

Ende wanneerſe haer getal vol hadden, waren wy noch tvvintigh ſlaven

overigh: Het vvelck de Capiteyn ſiende, ſeyde aen de Hof-meeſter

paſſerende voor by ons, laet ons deſe Canaille aen Landt laten, vvant

ſy ſijn noch vvildt. Ick verſekere u dat dit onghelijck voor die reyſe

ons ſeer aengenaem vvas.

De Galeye vande Baſſa vertrock op de ſelfde tijt in compagnie van drye

andere Galeyen. Ondertuſſchen bleven vvy inde Stal met de ſiecke

ſlaven, die onbequaem ende overigh vvaren. Van het lyvvaet dat ick

ontfanghen hadde, maeckte ick een Hemde vvel genoegh geſneden om my van

te dienen: maer aengaende de Broeck, vviſte ick niet vvaer te beginnen:

Het vvelcke een Portugijſche Ridder, mede een Slaef, ſiende, ſeyde my,

Vrient, ick ſie vvel dat gy geen Snijder van u Ambacht ſijt: dat

ſeggende, gaf hy drye ofte vier Aſpren (ſijnde kleyn Geldt van dat

Landt) aen een andere Slaef, die mijn Broeck ſnede ende maeckte.

De Baſſa ſijnde gheinformeert dat vvy gheen Ridders, noch rijck waren,

ghelijck men ſeyde, te vveten vvy drye, Monſieur Caloen, Reynier

Saldens, ende ick, dede ons inde Zael van audientie gaen, alvvaer de

Generael Alli Pegelin preſent vvas, die ons ſeyde, Chriſtenen, ick

hebbe u ghekoft vande Baſſa, maer ſeer dier. Van daer ſondt hy ons na

ſijn Logijs, alvvaer tvvintig Chriſten ſlaven vvaren om het Huys te

dienen, ende veertigh vvaren van neghen tot vijftien jaren, die uyt het

Huys niet moſten gaen, door vreeſe van ghedebaucheert te vvorden vande

Turcken: Want aengaende Alli Pegelin onſe Patroon, hadde de reputatie

van een Vyandt te ſijn vande vervloeckelijcke ſonde: Ende hy hiel die

Iongens tot pracht, ghelijck onder de Chriſtenen de Groote Heeren de

Pages ende Lackeyen houden.

Van daer vvierden vvy ghebracht na de Bain van onſen nieuvven Meeſter,

vvelcke een plaetſe is gedeſtineert om de ſlaven vande Galeye te

logeren ende laten vvoonen. De voorſz Bain vvas een ſtraet van ſijn

Huys, de qualiteyt ende gheleghentheyt van de vvelcke ick u in ’t korte

ſal beſchrijven. Eerſtelijck hadſe een naeu inkomen, ende men quam in

een groot vervvelfſel, dat ſijn licht ſoo veel als het vvas ontfingh

door eenighe tralien van boven, maer ſoo weynig, dat men op vollen dag

ende ’s middaghs in eenighe tap-plaetſen van de ſelfde Bain Lampen

moſte aen-ſteken. De Tappers ſijn Chriſten ſlaven van de ſelfde Bain,

ende die daer komen om te drincken, ſijn Turckſe Vry-buyters ende

ſoldaten, die haer tijt door brengen met drincken ende vervloeckelijcke

ſonden te doen: Boven iſſer een vierkante plaets tuſſchen de Galeryen

van tvvee verdiepingen hoogh, ende tuſſchen deſe Galeryen vvarender

oock tap-plaetſen, ende een Kerck van Chriſtenen, daer 300. Perſonen in

konden ſijn om Miſſe te hooren. Het opperſte is plat op de Spaenſe

maniere. Wy vvaren daer vijf hondert Chriſten ſlaven, alle

toe-behoorende onſen Patroon Alli Pegelin, ſonder dat hy nochtans

yemant eenigh eten gaf: De eenighſte vertrooſtinge die vvy hadden, vvas

dat vvy alle daeghs mochten drie ofte vier uyren onſe levens middelen

gaen ſoecken; ſoo dat yder een ſich diende van ſijn vernuft, gelijck

ghy klaer ſien kont in mijn 16. Verhael, alvvaer ick ſal toonen dat de

noot de moeder van de neerſtigheyt is.

My refererende aen het ſelfde Verhael ſal ick alleen vertellen het

ghene my den eerſten Nacht dat ick in dat nieu Logement vvas voorviel.

Ick vviſte niet vvaer ick my ſoude ſchicken om te ſlapen, ende alſoo

ick niemant kende, gingh ick ’s avonts met een deckſel ’tvvelck ick in

het logement van de Baſſa ontfangen hadde, boven op het plat van de

Bain. Welcke plaets my docht de bequaemſte te ſijn ſonder yemant te

incommoderen, vvant ick hadde geen kenniſſe.

Zijnde gereet om te gaen ſlapen, een ſlaef van de Bain, ſijnde een

Ridder van Maltha, ende ſijn Cameraet een Fransman, begonden my te

vragen vvat nieus dat’er in het Chriſtenrijck vvas: Ende alſoo ick

beſich vvas haer vvat nieus te vertellen, hoorde ick om laegh in de

open plaets van de Bain een Gardiaen (gy moet weten dat de Gardiaens

ſijn die gene welcke ſorghe hebben van het gene de Chriſtenen doen) die

over luyt riep, dat morgen ſoodanigen getal van Slaven met het aenkomen

van den dagh moet gaen wercken, ende daer mede gingh de Gardiaen wegh

ſluytende de Bain. Soo haeſt als de poort geſloten was, ſagh ick een

oude vos van een Slaef, een Italiaen, met een groot pack van Linne ende

Wolle Kleederen, Hembden, een Kopere Pot, ende ſoodanige andere

meubelen, ende begon te roepen, Arrache, arrache. Ick vraeghde de

voorſz Ridder wat dat beduyde? Hy antwoorde my: Alſoo onſe Patroon ſijn

Slaven geen eten geeft, leeft het meeſtendeel van het ghene dat ſy

ſtelen, ende alle avonts verkoopt men den Buyt die men dien dagh

gekregen heeft.

’s Anderendaeghs was de Sonne noch niet gereſen, wanneer de Gardiaen

komende in de Bain, begon te roepen, Surſa cani, à baſo canalla, rijſt

ghy Honden, komt af gy canaillen, (dat was den goeden dagh) terſtont

dede hy ons marcheren na een Voorſtadt genaemt Baboloet, alwaer wy

gereetſchap vonden om Touwen te maken, ende ſonder te vragen, of wy het

Ambacht konden, moſten wy arbeyden. Mijn Cameraet Reynier Saldens ende

ick moſten het Radt drayen, het welcke wy met groote kracht ende

raſſigheydt deden, om dat de Gardiaen geſtadigh riep Forti, forti, ende

wy meenden dat het beteeckende, ſterck: ende in Franco (’twelck een

gemeene ſpraeck onder de Slaven ende de Turcken is, ende oock onder de

Slaven van d’een Natie aen een andere; ſijnde een Spraeck gemenght van

Italiaens, Spaens, Frans ende Portugijs, anderſints ſoude het

onmogelijck ſijn hare Slaven te commanderen: want in onſe Bain, onder

550. Slaven ſprack men twee ende twintigh byſondere Spraken) is Forti

te ſegghen ſoetjes, ende alſoo hy door ſijn roepen niet verkreegh

’tgene hy begeerde, quam hy met groote ſlagen met ſtocken ons wijſen

wat Forti te ſeggen was. Wy deden dat Ambacht vijf ofte ſes dagen, ende

alſoo ick niet gewoon was ſoodanighen werck te doen, weder keerende na

de Bain, gingh ick vermoeyt ſlapen om hoogh op het plat. De twee Franſe

Ridders voornoemt, bewogen ſijnde ſoo van barmhertigheyt (ſiende dat

ick ſoo opgeſchickt was) als van hare naturelijcke courtoiſie,

vraeghden my oft ick plaetſe begheerde in haer Kamertje om bedeckt te

mogen ſlapen: ’twelck ick uyt ſeer goeder herte aen nam, ende ick ſliep

van die tijt af in haer Kamertje, ofte om beter te ſeggen, vertreck.

Ende ick maeckte my een Velt-bedde van vier Stocken dienende voor

Stijlen, met eenighe Touwen tuſſchen de ſelfde geſchoren op de maniere

van Tralien.

Na dat de Touwen gemaeckt waren, dede men ons een ander Ambacht leeren,

maer veel moeyelijcker voor die tot het wercken niet gewoon ſijn: te

weten Kooren in een Steene Mortier te ſtampen. Ick dede dat Ambacht met

een ongelooffelijcken arbeyt, ende weynigh avancement, van wegen mijne

kleyne kracht: ’twelck de Gardiaen ſiende, ſeyde my, gy hont die gy

ſijt, laet dat werck ſtaen, ghy ſijt noch al te wilt. Wanneer het

Kooren geſtampt was, dede men het in de Sacken, ende door ongeluck,

vielder wat Koren op de aerde, het welck de Gardiaen ſiende, ſeyde my,

Pilla eſſo cani, neemt dat op ghy hont: maer alſoo ick ſijn Spraecke

niet verſtont, noch wat pilla te ſeggen was, gaf hy my drie ofte vier

ſoo harde ſlagen met een ſtock op mijn rugge dat het bloet het teecken

daer van was, want ick was in ’t Hembde. Het Kooren inde ſack ſijnde,

dede hy yder een ſack op ſijn hooft legghen, maer ick was naeuwelijcks

vier ofte vijf paſſen voort getreden ſoo gheladen ſijnde, ofte de ſack

begon door ghebreck van kracht van mijn hooft af te glyen, ende de

Gardiaen holp my de ſack wederom op leggen, ende tot betalinghe van

ſijn hulp, gaf hy my drye ofte vier ſlaghen met vuyſten in mijn

aenſicht, ſoo hert, dat het bloedt my uyt de Mont ende Neus quam. Het

welcke my vernootſaeckte (niet tegenſtaende de onmoghelijckheydt) mijn

laſt te draghen. Maer het ongheluck was, dat wanneer ick noch eenige

treden voort ghegaen was, door de kragt die ick dede brack de

Neſtelingh van mijn Broeck, ende ick viel neffens de ſack op de Aerde.

Siende my doen in ſoodanighen extremiteyt, ende vreeſende de ſlaghen,

accommodeerde ick de Neſtelingh ſoo wel als ick konde, ende met de

gunſt ende aſſiſtentie van het goede volck dat voor by paſſeerde, ſette

ick de ſack wederom op mijn hooft, marcherende na het Huys van onſe

Patroon Alli Pegelin: aldaer ghekomen ſijnde, viel ick noch eens op de

Aerde, ſijnde ſoo moede vanden arbeydt, dat ick my naeuwelijcks koſte

roeren.

Maer wat remedie, den grootſten arbeyt begon maer, door dien men de

ſacken veertich trappen hoogh boven op de Koorenſolder moſte draghen,

het welcke my t’ eenemael onmoghelijck was: Maer Godt wetende de

krachten der menſchen, liet toe dat mijn Cameraet Reynier Saldens, die

veel ſtercker ende robuſter was als ick, ſijn ſack ontladen hebbende,

ende de trappen af komende, my vondt op de voet vande trappen in een

ſoberen ſtaet, te weten op de Aerde, ſeer bebloet, beſweet, ende vol

ſtof, ende eyndelijck by na doodt; ende de Gardiaen dreygde my dapper.

Deſen Reynier Saldens een ſeer gereſolveert man, ſeyde tot de Gardiaen;

Siet ghy niet dat deſe Slaef ſieckelijck is? Ende daer mede nam hy mijn

ſack, ende brochtſe boven. Hoe aengenaem my dat werck van vrientſchap

ende barmherticheydt was, kan men lichtelijck conſidereren.

Het werck was voor dien dagh volbracht, ende ick gingh ſeer

miſtrooſtigh na de Bain, neffens Reynier Saldens, die om my te

vertrooſten, my bracht in een tap-plaetſe vande Bain. Want ghy moet

weten dat de voorſz Reynier Saldens, wanneer wy ghenomen wierden, vijf

ofte ſes Piſtoletten verborghen hadde. Hy liet een Vleſſe met Wijn

tappen, ende Eten brenghen, het welck niemendal koſt, want de Wijn

betalende rekent men niet meer. Ende terwijl wy doende waren met eten

ende drincken om my wat te verquicken, quam daer mijn Cameraet Monſieur

Caloen: Hy hadde den gantſchen dach een muyl met Beſcuyt geladen

gheleydt van het logijs vande Patroon na de Zee-kant, ende alſoo de

ſtraten van Argiers ſeer naeu ende vuyl ſijn, ende de maniere is dat

wanneer men met eenige gheladen Muyl ofte Cameel paſſeert, men roept

belec, dat is, wacht u, was het ghebeurt dat onſen nieuwen Muyl-Leyder

de maniere niet wetende, een Turck op de vuyle ſtrate dede neder

vallen, den Turck op ryſende, ende ten hooghſten verſtoort ſijnde,

trock ſijn mes uyt (want de Turcken draghen inde Steden langhe meſſen,

ghelijckmen hier de rappieren doet) maer by gheluck warender eenige

Turcken die voor Monſieur Caloen ſpraken, ſegghende tot den Turck die

ghevallen was: wat wilt ghy doen, ſiet gy niet dat deſen Chriſten noch

wildt is, ende dat hy de maniere noch niet en weet? Sy noemden hem

wildt, om dat hy noch ſijne Chriſten kleederen op ſijn Spaens hadde,

ende die kleedinghe paſt de Slaven niet wel, om datmen daer door

oordeelt dat hy onlanghs daer ghekomen is.

Wy paſſeerden dien avont, vertellende d’een den anderen de avonturen

die ons dien dagh over ghekomen waren, ende ſiende dat wy daghelijcx

moſten wercken ſonder een ſtuck Broods van de Patroon te krijghen, ende

dat wy om te ſtelen, geen ſtoutigheydt noch gaeuwigheydt hadden; want

dat ambacht heeft practijcke van doen, ende voornementlijck in een

plaetſe waermen ſoo veel Dieven vint, ’twelck de oorſake is dat yder

een op ſijn hoede is: De Ridder Philips de Cherf, wien de Baſſa aen

onſen Patroon verkocht hadde, Monſieur Caloen, Reynier Saldens ende

ick, reſolveerden by een Italiaenſe Coopman te gaen, ghenaemt Franciſco

Capati, ſijnde Reſident tot Argiers, ende hem te eyſſchen 75. ſtucken

van achten, op conditie dat wy hem hondert tot Antwerpen ſouden doen

betalen: ’s anderen daegs ſtelden wy onſe reſolutie ter executie: waer

in de Coopman te vreden was, mits dat wy d’ een voor d’ ander ende een

voor alle in’t gheheel borghe ſouden blijven: Ende wy ontfinghen op

goede rekeninghe elckx vier ſtucken van achten.

’s Anderen daeghs moſten wy het Wijngaert-velt op het Plaiſier-Huys

vande Patroon gaen delven, het welcke een grooten arbeyt is, ende als

ick wederom na de Stadt gingh, maeckte ick een kleyn diſcours met de

Gardiaen, hem ſegghende, dat ick ſieckelijck ende ſwack was, ende

indien hy my voortaen wilde imployeren in eenigh werck dat ſoo ſwaer

niet en was, dat ick tot vergeldinghe van die courtoiſie hem vier

Realen ter maent ſoude gheven, het welcke hy my toeſtonde, mits dat ick

hem een maendt contant ſoude gheven, het welck ick heel geerne dede. Hy

ſeyde my, ghy ſult voortaen vier groote potten met Fonteyn-water

brenghen in het Huys vande Gardiaen Baſſa, dat is te ſegghen, de

Opper-Gardiaen: Want alſoo wy 550. Slaven waren eenen Meeſter

toebehorende, warender vijf ofte ſes Gardiaens. Ick was ſeer blijde

over dat nieuw Officie. De Vrou van die Gardiaen was een Swartinne,

maer heel goet: Sy gaf my ſomwijlen Broodt ofte een Schotel potagie:

maer dat was wanneerſe waſſchen moſte, ofte wanneer ick Broodt na den

Oven brachte: dat was een vergeldingh voor mijn extraordinariſe

dienſten. Ick dede dat Officie eenighe daghen langh ſeer ghemackelijck:

Maer alſoo het de jonckheydt ſeer ſwaer valt de goede daghen ende de

ledigheydt te verdragen ſonder haer te debaucheren, ghebeurde het een

dagh dat ick mijn ordinariſe Pot met Water droegh, ende als ick ’t

ghegoten hadt in een groote Aerde Pot daermen de proviſie van het Water

voor de Huys-houdinge in bewaert, quam een Turckſe Vrouwe met een

Chriſten ſlavinne van Enghelſe Natie in het Huys; Ick vraeghde haer,

ofte ſy een dronck Spaenſe Wijn met my wilde drincken, ick weet niet

ofte de vrou vande Gardiaen dat merckte ofte hoorde: ’s Anderen daegs

wierde ick gereformeert ende moſte van dien dagh af neffens de andere

Slaven wercken, onder de welcke mijn Ambacht was de Metſelaer de

dienen.

Ick wierde allenskens ghewent tot dat leven. Het was doen inden maent

van December wanneer de Turckſe Vry-buyters haer houden op de kuſt van

Spaignen, ſeer wel wetende dat de Wijnen ende vrugten alſdan

ghetranſporteert worden vande Engelſe ende Hamburgſe Schepen. Het

ghebeurde dat op de ſelfde tijdt de Turckſe Vry-buyters genomen hadden

een Fregat die tot Duynkercke ghemaeckt was ghenaemt de Peerel, komende

van Malaga. Ick dorſte na de Zee-kant niet gaen, om dat ick tot Malaga

ende Duynkercke gheweeſt was, vreeſende bekent te worden. Den ſelfden

Avont als de Prijs ofte buyt arriveerde, quam een Slaef van Antwerpen

by my, die my by mijn eyghen naem kende, doordien hy op ons Schip was

wanneer wy ghenomen wierden, ende ſeyde my, dat met deſe laetſte Prijs

ende buyt van Duynkercke, een jonghman ghekomen was die hem ghevraeght

hadde ofte hy niet en kende twee Vlaemſe Slaven, d’ een ghenaemt

Monſieur Caloen, ende d’andere Monſieur de Aranda: Waer op ick hem badt

ende waerſchoude dat hy onder die namen na haer niet ſoude vraghen, om

dat de ſelfde Perſonen haer namen verandert hadden, ende hier bekent

ende genaemt waren onder de Slaven Jan Evertſz ende Jacob van Zeveren.

Ick gingh terſtondt (niet ſonder vreeſe van bekent te worden) deſe

tydinghe communiceren aen mijn Cameraets de Ridder Philip de Cherf,

Monſieur Caloen, ende Reynier Saldens, ende wy reſolveerden onſen

Patroon te gaen ſpreecken aengaende onſe verloſſinghe, aleer wy ſouden

moghen bekent worden: Want onſe Patroon Alli Pegelin dachte altoos dat

de Ridder Philips de Cherf een Prins was: Maer wy vonden goet aleer wy

onſen Patroon ſouden ſpreken, ons te informeren van dien nieuwen Slaef,

ofte men eenighe devoiren in Spaengien dede om ons te verloſſen, ende

hem oock te recommanderen dat hy niemant van ons, noch van onſe

qualiteyt ſoude ſpreecken.

Eenighe daghen daer na wierde die nieuwe Slaef aen onſen Patroon

verkoft, ende neffens andere jongens in ſijn Huys ghebracht, want hy

was noch maer ſeſtien jaren oudt, ende ſeer ſchoon. Ick dede hem

ſegghen door Mathias Perez, dat hy ’s anderen daeghs ten neghen uyren

voor middagh op het plat vande Bain ſoude komen, onder pretext van ter

Miſſe te gaen: Want ghelijck ick gheſeyt hebbe, de jongens moſten niet

uyt den Huys gaen. Op den gheſtelden dagh ende uyre vonde ick die

nieuwe Slaef op het plat van de Bain, de welcke my ſiende, ſeyde,

Monſieur ick ben droevigh dat ick u in deſe ſtaet ſie. Ick antwoorde

hem, Lenaert, (want ſoo was hy ghenoemt) ick bidde u noemt my geen

Monſieur: Mijn naem is Jacob van Zevere: Doe begoſt hy my te vertellen,

dat men in Spaignen onder de Vrienden alreede wiſte het ongheluck dat

ons over ghekomen was: ende dat het maer vijftien daghen waren dat

eenighe Nederlanders mijne Vrienden tot Malaga ghedroncken hadden op de

gheſontheydt vande Landts-Luyden die op de Galeyen van Argiers ſouden

moghen ſijn. Voorts recommandeerde ick hem dat hy niet ſoude openbaren

wie wy waren, hem belovende dat ick hem ſoude helpen ſoo veel my

mogelijck ſoude ſijn. Maer alſoo hy wiſte dat ick ſelfs aſſiſtentie van

doen hadde, gaf hy my drye Juweelen die hy gheſalveert hadde, in

Spaignen ghenoemt Canafeas, in alles weerdigh ontrent thien ofte twaelf

Kroonen, my ſegghende, dat ick die ſoude verkoopen ofte verpanden na

mijn welbehaghen om my in mijn miſerie te helpen.

Het welcke ick dede, de ſelfde verpandende voor thien Kroonen, het

welcke het meeſte was datſe weerdigh waren. Dit ghelt quam ons ſeer wel

te paſſe, want de 75. ſtucken van achten die wy van de Italiaenſe

Coopman ontfanghen hadden, waren op ghegheten, ende de Coopman hadde

noch gheen advijs dat de wiſſel-brief tot Antwerpen betaelt was: Maer

dit nieuwe ghelt vermeerderde onſe couragie ſeer, als mede ons credijt

inde Tap-plaetſen vande Bain, alwaer goede Spaenſe Wijn was van de

laetſte buyt die de Turcken ghenomen hadden, waer over onſe Bain

dagelijcks vol Turckſe Dronckaerts ende Chriſten Slaven was, wel

verſtaende die ghelt hadden. Het was alle daeghs, ghelijck Theofilus

ſeydt, een Kermis van Nederlandt. Daer wierden duyſent ſoorten van

onbehoorlijckheden gepleegt die door de Dronckenſchap veroorſaeckt

wierden. Ende alſoo onſe Patroon een reeder was van de Vry-buyterſe

Schepen die deſe twee Scheepen van Malaga komende, met de voorſz Wijn

geladen, ghenomen hadden, imployeerde men 32. Slaven van ſijn Bain om

de Wijn uyt de ſelfde Schepen te loſſen, ende tot haer loon haddenſe

vande Chriſten Tappers, die de Wijn kochten een ſtuck van achten voor

yder pijp: Want de Turken moghen gheen wijn verkopen noch drincken: Het

drincken wordt getolereert, maer niet het verkopen.

De voorſz 32. Slaven waren uyt gekoren, ende men imployeerdenſe tot de

ſwaerſte wercken. Het waren altemael roeyers ende Deugnieten. Deſe

troup is genaemt de Caravane, van de vvelcke de helſt te vveten

ſeſtien, vvaren Ruſſen ofte Moſcoviters, ende de andere Spangiaerts

ofte Italianen. Sy hadden eenighe dagen gearbeydt om deſe tvvee Schepen

te loſſen, ende hebbende een goet ſtuck Ghelts ghevvonnen, quamenſe ’s

avonts inde Bain heel Droncken ende ſat als Beeſten. De ſeſtien Ruſſen

maeckten krackeel met de Spaignaerts ende Italianen, ende ſonder meer

te conteſteren, begonnenſe malkander te ſlaen ſoo furieus dat de

Gardiaen die altoos aen de Poort is, het hoorde, die terſtont het

krackeel met groote ſlaghen met ſtocken eyndighde, ſoo dat de vechters

genootſaeckt waren ſich te retireren. Het was laet, ende de Gardiaen

quam wederom ſien, ofte alle de Slaven in de Bain waren, ſtellende met

eenen ordre teghen ’s anderen daeghs na ghevvoonte. Dat gedaen ſijnde

retireerde hy ſich, ſluytende de deure achter hem toe. Ick wandelde by

gevalle op het plat van de Bain, ende ſoo haeſt als de Poort geſloten

was, vergaderden de voorſz Spaignaerts ende Italianen op de

Marct-plaetſe, ende een van haer gingh na de Vertreck plaetſe ofte

Kamertje van de Ruſſen ende Moſcoviters, haer groetende met deſe

ſprake: Honden, Ketters, Wilden, Vyanden Godts, de Bain is nu geſloten,

ende de Gardiaen laet ſegghen, indien ghy de courage hebt te vechten,

komt uyt u hol, ende wy ſullen in het ſpel ſien wie een ſchoon liefje

hebben ſal. Hy hadde nauwelijck deſe ſprake ge-eyndight wanneer de

ſeſthien Ruſſen ende Moſcoviters op de Plaets quamen, beginnende

terſtont de Spaignaerts ende Italianen op hare Ambaſſade te antwoorden

met Stock-ſlagen, want ſy hadden anders gheen Wapenen als haer handen,

maer gelijck men ſeyt furor arma miniſtrat, eenighe Bancken ende Tafels

voor de Tap-plaetſen ſijnde, ende eenige Ladders dieſe voor de hant

vonden, wierden verandert in Wapenen, Rappiers, Pijcken ende

Muſquetten, haer mannelijck defenderende. Dit gevecht veroorſaeckte,

voornementlijck in den avondt, ſoo vreeſſelijcken geluyt dat ghy geſeyt

ſoudt hebben datter twee Legers waren, die in een groot ende open Velt

tegens malkander vochten. De avantagie van het gevecht ſcheen ghelijck

te ſijn, als mede de gequetſten die in het midden van de plaets lagen,

die ick meende dat doot waren. Sy bleven in die ſtaet tot dat den

doncker de overhant nam, nochtans toonden beyde de parthyen datſe de

plaets niet wilden verlaten: eyndelijck quam een Prieſter die inde Bain

woonde, ende van allen wel bemint was, met een Waſſe Keerſſe in ſijn

hant op de plaets van het ghevecht, ſijn beſte doende haer te verſoenen

ende ſcheyden, haer ſeggende datſe alle Chriſtenen waren, hoewel van

verſcheyde Religien, ende indien de Patroon dit doen quame te weten,

datter geen ſlagen met ſtocken gebreck ſouden ſijn. Met deſe vermaninge

hiel het gevecht op, ende men riep terſtont de Chirurgijns, want daer

warender vijf ofte ſes inde Bain die de Patroon toe behoorden, de

welcke de gequetſten terſtont begonnen te verbinden. Men meende dat

alles ſoude paſſeren, ſonder dat de Patroon de tijdinghe daer van ſoude

krijgen: maer alſoo het gevecht langen tijdt geduyrt, ende groot geluyt

gemaeckt hadde, de Patroon het ſelfde in ſijn Huys gehoort hebbende,

quam terſtont in de Bain met Toortſen ende Lanteernen vergeſelſchapt

met vier ofte vijf Gardiaens met Stocken voorſien. Doen begon hy ſich

te informeren van het ghene gepaſſeert was: maer die ghene welcke als

Leeuwen ghevochten hadden, verborgen haer als Voſſen. Dies niet

tegenſtaende attrapeerde de Patroon door ſijne goede onderſoeckingh een

van de Spaenſche parthye, ende dede hem heel naeckt ontkleeden, hem

doende houden van vier Slaven, te weten de handen ende de voeten, de

Buyck tegens de aerde, ende dede hem op de rugge ende billen hondert

ſlagen met ſtocken geven: waer mede de gramſchap van de Patroon

paſſeerde. De andere Vechters verborghen haer noch meer als te voren,

vreſende te ſeer de brocken van het convent van onſe voornoemde

Patroon.

Het waren nu ſes maenden gheleden dat wy tot Argiers gheweeſt waren,

tydt ghenoegh om antwoordt te hebben van Vlaenderen: Monſieur Caloen,

Reynier Saldens, ende Ick ginghen na het Huys van de Patroon, wy kuſten

hem ſijn Rock ofte de Mouwe van ſijn Hembde (welcke een Turckſe

reverentie is) ende nemende het woordt ſeyde ick hem, dat het ſoo

langhen tijdt gheleden was dat wy tot Argiers waren gheweeſt,

ghelovende dat hy gheinformeert was van onſe armoeden, ende dat wy

verſtaen hadden dat hy een accoort ghemaeckt hadde met eenighe van

ſijne Slaven aengaende hare verloſſinghe, op conditie datſe in een

Schip van Livorne ſouden gaen, het welcke inde Haven ghereet was om

derwaerts te zeylen, ende datſe aldaer ſouden blijven inde

Gevangheniſſe, tot dat haer rantſoen ſoude betaelt ſijn, want den

Grooten Hertogh liet doen ſoodanighe dinghen toe. Wy vraeghden hem wat

hem gheliefde te hebben, hy antwoorde, hoe veel wilt ghy geven? Ick

repliceerde, het ſal uwe Signorie believen te eyſſchen: want het kan

ſijn dat uwe Signorie ons ſoo veel eſtimeert, datter geen apparentie is

van eenig accoort. Doen ſeyde hy, na dat hy ſich wat bedacht hadde,

gheeft twee duyſent ſtucken van achten tot Livorne, ofte vijfthien

hondert alhier: Dat was my onmogelijck, ſeyde ick, want ick ben een

arme Soldaet, daerom wil ick liever een Slaef binnen Argiers blijven,

als in de gevangheniſſe tot Livorne berſten. Het meeſte dat ick ſoude

konnen geven, ſoude ſijn vijf hondert ſtucken van achten tot Livorne.

Waer op hy my antwoorde, ghy preſenteert te weynigh: Ick moet

tegenwoordigh uyt de Stadt gaen voor eenighe dagen (gelijck het in der

daet waer vvas, vvant ſijn Peert ſtont gereet) vvy ſullen daer van

ſpreken als ick vvederom ſal gekomen ſijn. Deſe vvoorden gaven my een

groote vertrooſtinghe, vvant my docht dat onſe Patroon mijn preſentatie

niet vreemt docht. Met dit antvvoordt keerden vvy vvederom na de Bain:

Ende onſe Patroon vertrock met de Slaven van de Caravane om haer Hout

te laten afhouvven om toekomende Iaer een nieuvve Galeye te maken: op

de ſelfde tijdt moſten vvy vvercken aen een Huys dat onſe Patroon dede

bouvven op het hooghſte van de Stadt: vvant gy moet vveten dat de

voorſz Stadt van Argiers gebout is op het hangen van een hooge

Geberchte, ende de plaets alvvaer men dit Huys boude, vvas ſoo

moeyelijck dat gheen gheladen Muyl eenigſints daer op konde gaen: vvaer

over men met de Armen alle de Materialen om hoogh moſte brengen: het

vvas doen den 18. February van het Jaer 1641. De Gardiaen brocht ons te

vverck na gevvoonte, maer voor dat ick uyt de Bain ging, hadde ick de

Ridder Philips de Cherf gerecommandeert dat hy ſorge ſoude draghen ons

eenige Potagie te maecken tegens dat vvy vvederom ſouden komen; men

moet verſtaen dat deſen Ridder geexcuſeert was vanden arbeyt, om dat hy

gebreckelijck van leden vvas: tervvijl vvy vvrochten, quamen tvvee

Turcken in de Bain, ende vraeghden na drie Slaven van Duynkercken,

genaemt Ian Baptiſta Caloen, Emanuel de Aranda, ende Reynier Saldens,

maer daer vvas niemant die deſe Slaven kende. Sy toonden een Atteſtatie

in’t Latijn, ende alſoo de Spaenſche Slaven gemeenelijck Bootſgeſellen

ſijn, ſeyden ſy dat de Atteſtatie in’t Nederduyts vvas, de Franſche

Slaven ſeyden dat het Engelſch vvas. De tvvee Turcken begoſten

moeyelijck te vvorden, ende ſeyden, roept een Papas (dat is te ſeggen

een Prieſter ofte een Edelman) vvant in het Lant van Duynkercken

ſpreken de Papas ende Edel-luyden gemeenelijck deſe ſprake, ende niet

de Canaille als ghy luyden. Derhalven oordeelden de Spaenſche ende

Franſche Slaven dat de voorſz Atteſtatie in ’t Latijn gheſchreven was.

Doen riepenſe terſtont een Brabantſche ſlaef genaemt François de

Student, vvant hy hadde tot Leuven geſtudeert. Hy ſchreef Brieven voor

de Duynkerckſe ſlaven, gelijck ghy ſult ſien in mijn 16. Relatie, hy

las de Atteſtatie, ende hoevvel vvy onſe Namen verandert hadden,

nochtans oordeelde hy terſtont door de tekens van den tijt ende van het

ſchip vvaer in vvy genomen vvaren, dat vvy die drie Chriſten ſlaven

moſten ſijn die de Turcken ſochten. Daerom antwoorde hy haer, dat hy

ons ſeer wel kende, ende dat wy ſlaven in de Bain waren, maer dat wy te

werck waren. Monſieur Caloen, ende Reynier Saldens, alſoo ſy de ſlagen

ſoo ſeer niet en vreeſden als ick, waren uyt het Werck geloopen, ende

hadden haer verborgen in een hoeck van de Bain, ende paſſeerden daer

den tijt met de Kaert te ſpelen. De voorſz François de Student vont

haer, ende ſeyde haer, datter twee Turcken beneden waren die van

Duynkercken quamen, ende dat men Brieven voor haer hadde. Monſieur

Caloen ende Saldens liepen terſtont beneden, alwaer ſy de twee Turcken

vonden, die haer de Brief preſenteerde, die van de Vader van Monſieur

Caloen was. Hy was uyt der maten blijde, gelijck mede de Turcken waren,

om datſe ons alle in Argiers vonden: want het contract ’twelck de

voorſz Turcken met onſe Ouders gemaeckt hadden, was op die forme

ghemaeckt, datſe ons moſten leveren in wat Quartier van Barbaryen dat

wy waren. Daer na brochten ſy Monſieur Caloen ende Reynier Saldens in

het Huys van een Turck Barber Aſſan, ſijnde Schoon-Vader van Moſtafa

Iugles, die tot Brugge neffens vier andere in Gevangeniſſe was, om

teghens ons verloſt te worden. De Moeder ende Groot-Moeder van Moſtafa

waren ſeer blijde te verſtaen dat hy noch in’t leven was, ende dat hy

wel haeſt in ſijn Vaderlant ſoude moghen komen. Tot noch toe wiſte ick

gantſch niet van dit alles; want ick bleef arbeyden tot dat de Gardiaen

permiſſie gaf dat yeder een ſijn leven ſoude ſien te winnen. Ick hadde

goede appetijt, want het vvas na de middagh; derhalven hopende eenighe

Potagie by de Ridder te vinden, volgens ons accoort als geſeyt is,

gaende uyt het Werck liep ick recht na de Bain toe, ende aldaer komende

reſcontreerde ick François de Student voornoemt, die my ſeyde, Iacob

ick hebbe goede tijdinghe voor u, vvelcke is dat gy geen Slaef meer en

ſijt: vvant daer ſijn tvvee Turcken van Duynkercken gekomen, ende

Monſieur Caloen ende Saldens ſijn met haer uyt-gegaen. Hebbende

ſoodanige ende ſoo aengename tijdingen, ende ſoo onvoorſiens,

ghebrack’er vveynigh of dat ick niet van mijn ſelven viel, u

verſekerende dat ick geen honger meer en hadde: ick gingh terſtont mijn

twee Cameraets met de Turken ſoecken, die ick alle vier op de ſtraet

vonde. Soo haeſt als Monſieur Caloen my vernam, ſeyde hy tot de Turck,

ſiet daer onſe derde Cameraet Emanuel de Aranda. Ick vraeghde terſtont

de Turcken hoe mijn Ouders al voeren? Sy ſeyden my dat mijn Moeder van

mijn ongeluck noch niet vviſte, ende dat mijn Broeder vvel te paſſe

vvas. Sy quamen met ons in de Bain, ende ſeyden de Gardiaen, dat hy ons

niet meer ſoude laten arbeyden, door dien vvy vry vvaren.

Wy paſſeerden de reſt van dien dagh door met groote blijtſchap ende

vrolijckheydt, drinckende met de Cameraets op de goede tijdingen: Maer

wy dachten op het ſpreeckwoordt niet: Vreughde in Huys, droefheydt

aende deure: ’s Anderen daegs waren wy gereſolveert den dagh te

continueren in plaiſier ende vrolijckheydt. Maer ontrent de middagh

quam een Jode in de Bain, door ordre van de Vrouw van Alli Pegelin (de

welcke wiſte alles watter paſſeerde) om ons te ſegghen, dat de Baſſa

ons wilde ſpreecken: Men brocht ons voor hem: Hy beval ons in een kleyn

Vertreck van het Paleys te gaen, alvvaer eenighe Chriſten Jonghens ende

Slaven vvaren: vvy vvaren op die plaets ontrent tvvee uyren ſonder te

vveten vvaerom, noch vvat de Baſſa hebben vvilde: Ten laetſten ſaghen

vvy komen de Hof-Meeſter met een ſtock inde Handt, ſeer ſtraf ſeggende,

Honden, vvie van u heeft na u landt geſchreven om Turcken te hebben?

vvaer op vvy antvvoorden, dat niemandt dervvaerts gheſchreven hadde,

maer dat onſe Ouders dat ghedaen hadden ſonder dat vvy het geweten

hebben: Over vvelck antwoordt hy ſeer verſtoort vvierde, ende gaf aen

Monſieur Caloen ende my eenige ſeer herde ſlagen met de ſtock,

ſeggende: Ick ſal deſe nacht noch komen u de Neus ende ooren af

ſnijden, vvaer op Saldens antvvoorde, patientie, ende om dat antvvoort

kreeg hy eenige ſlagen met de ſtock ſoo vvel als vvy, ende ſeyde ons:

Gy ſult ſoo niet eſchapperen als gy meent, ghy ſijt gheen Slaven van

Alli Pegelin, maer vande Baſſa, ende gy ſijt aen Alli Pegelin maer

geleent, ende de Baſſa en begheert geen Turcken voor u rantſoen. maer

daer moet gelt vveſen.

Dat vvas een queſtie op ſijn Hooghduyts geſocht, als men ſeyt,

gepractiſeert door de booſheyt vande Vrou van Alli Pegelin in abſentie

van haer Man: want daer is een generale Wet over het ganſche Lant

’twelck is onder de gehoorſaemheyt van den Grooten Heere, dat yeder

Turck, van wat conditie hy ſoude mogen ſijn, ſoo hy een Soldaet is, een

Chriſten wat hy ſoude mogen ſijn, mach vry maken, mits dat hy betale

’tgene hy gekoſt heeft, ſweerende by het Hooft van den Grooten Heere,

dat het is om een andere Turck die een Slaef by de Chriſtenen is, te

verloſſen. Maer de Baſſa gaf voor exceptie op die Wet, dat het ſelfde

niet moet verſtaen worden op ſijne Slaven, om dat hy den Grooten Heere

repreſenteerde, die ſoodanige Wetten niet onderworpen is. Een dagh daer

na ſchreven wy een Brief aen de Groot-Moeder van Moſtafa in Spaenſch

(want ſy was een Morinne met de Moren in de tijt van de Koning

Philippus de derde verjaeght) door welcke Brief wy haer deden in’t

lange verſtaen ’tgene in deſe nieuwe gevangeniſſe was gepaſſeert, ende

datſe ſoude ghedencken dat haer Neef in handen van onſe Ouders was,

ende dat men op hem revengie ſoude nemen, van het ongelijck dat men ons

dede. Deſe Brief brachte de oude Vrou in groote bekommerniſſe. Sy quam

terſtont de Vrouw van de Baſſa ſpreken, haer ernſtigh biddende datſe

niet wilde toe-laten dat men ons ſoude qualijck tracteren: waer van de

Vrouwe van de Baſſa haer verſeeckerde, van ’t welcke de oude Vrouwe ons

dede advijs geven, op dat wy niet ſouden bekommert ſijn, ende oock door

vreeſe dieſe hadde dat wy na Vlaenderen ſouden ſchrijven om de Turcken

die daer gevanghen waren qualijck te tracteren.

Alli Pegelin was van ſijn reyſe noch niet wederom ghekomen, ende

ondertuſſchen waren wy in het Paleys vande Baſſa geſloten, ſonder dat

yemant van buyten by ons mochte komen, het welck nochtans eenigſints

geſchiede: Men gaf ons alle daegs voor onſe portie twee kleyne Brooden,

maer wy hadden het geluck dat de Spijs-bewaerder van de Baſſa een

Franſche Renegado was, die Lackey geweeſt was van Monſieur Chamois, die

een Ridder van Maltha was als voren geſeyt is, ende om dat deſe

Spijs-bewaerder wiſte dat ick groote kenniſſe hadde met de voorſz

Monſieur Chamois in de Bain van Alli Pegelin, ende dat wy eenige

Maenden in een ſelfde Vertreck gheſlapen hadden, gaf hy ons alle daeghs

yetwes, te weten Olye, Vijghen, Toback ofte yets anders om te eten. Ick

kan u verſekeren dat wy hier leden de grootſte ellende van alle onſe

Slavernye, want ghelijck ick geſeyt hebbe, wy ſliepen in een kleyn

Kamertje met thien ofte twaelf Iongens die vol Luyſen waren, ende

hoewel wy dien gantſchen dagh employeerden om ons te reynighen, waren

wy nochtans een uyre daer na ſoo wel verſien als te voren.

De Hof-meeſter van de Baſſa wandelde noch met de ſtock in ſijn hant,

ende daer moſte altoos yemant weſen die geſlagen moſte ſijn voor ſijn

plaiſier. Het eenigſte plaiſier dat wy hadden was dat alle de Slaven,

die de Baſſa alle daeghs voor ſijn ghedeelte hadde, (te weten het

achtſte part, als geſeyt is) den eerſten nacht by ons quamen ſlapen,

voor al eer menſe in de Bain van de Baſſa bracht, ende alſoo der

dagelijcks veel Prijſen waren, ende conſequentelijck veel Slaven,

wiſten wy alles watter paſſeerde in het gantſche Chriſtenrijck.

Na dat wy thien dagen in deſe miſerie geweeſt waren, quam onſe Patroon

Alli Pegelin inde Stadt van Argiers. De twee Turcken die gekomen waren

ons in vryheyt te ſtellen, ginghen hem terſtondt groeten, ende toonden

hem als dat ſy ſeven Turcken waren die verwiſſelt waren teghens ons

drye Chriſtenen, dewelcke betalen ſouden ’t gene wy ghekoſt hadden.

Waer op Pegelin antwoorde, Ick hebbe mijn Slaven gekocht om te winnen,

ende niet om die te verwiſſelen teghens Turcken: waer op ſy ſeyden, wy

ſijn arme Soldaten; daer en boven weet gy wel onſe Privilegien in

conformiteyt van de Wetten, daerom bidden wy u dat gy ons verſoeck wilt

toeſtaen. Alli Pegelin verſtaende haer redenen, ſeyde haer: Ick wete de

Privilegien ende Wetten ſeer wel: maer een van u is rijck, ende die

behoort de Privilegie niet te genieten, want hy is geen Turck, maer een

Moor, ende in Argiers geboren: Ende die in de voornoemde tijdt in de

Stadt van Argiers gheboren is, kan geen Soldaet ſijn. Want ghy moet

weten dat de Turcken de Burgers van Argiers voor Onderſaten houden,

hebbende de ſelfde door gewelt onder gebracht, om datſe hebben willen

revolteren: Daerom en neemt menſe niet aen voor Soldaten, ende ſy en

konnen de Privilegie niet genieten: Maer indien gy mijn advijs wilt

volgen, gy ſult de drie Chriſtenen hebben, ſonder dat het u veel ſal

koſten, ende ick ſal ſatiſfactie hebben. Dien raet behaeghde de twee

Turcken wel. Daerom gaf Alli Pegelin voor een expedient, dat deſe twee

Turcken in de Naem van haer vier Cameraets die in Vlaenderen ghevangen

ſijn, ſouden accorderen met de Moeder ende Groot-Moeder van Moſtafa

Iugles, (dat was een Morinne van Argiers geboren, die de Privilegie

niet konde genieten) dat ſy onder haer ſeſſen de twee Chriſtenen ſouden

koopen, te weten Emanuel de Arande, ende Reynier Saldens: Ende dat de

Moeder ende Groot-Moeder van Moſtafa ſouden Ian Baptiſta Caloen koopen.

Deſen raedt wierde van de Turcken voor goet gevonden. Sy ginghen by de

Groot-Moeder van Moſtafa, ende ſeyden haer datſe alle arm waren;

nochtans datſe te vreden waren onder haer ſeſſen de twee Chriſtenen te

koopen, ende dat ſy om datſe rijck was haer ſoude obligeren de derde,

te weten Ian Baptiſta Caloen te koopen. De Groot-Moeder van Moſtafa

accepteerde deſe conditie, makende daer van een kleyn contract

beveſtight op haer Turckſche maniere. Sy gingen Alli Pegelin adverteren

datſe de voorſz conditie accepteerden, ende vraeghden hem wat hy wilde

hebben voor Emanuel de Aranda ende Reynier Saldens. Sy accordeerden op

500. ſtucken van achten voor haer tween. De Groot-Moeder van Moſtafa

gingh den ſelfden dagh by Pegelin, ende vertelde hem het ongheluck van

haer Neef die een Slaef van de Chriſtenen was, ende dat hy gheen andere

middel hadde om ſich te verloſſen, als een Duynkerckſe Slaef in

wiſſelingh te geven, ende daerom quamſe hem bidden om een van de

Duynkerckſe Slaven te hebben mits daer voor betalende: Pegelin

antwoorde, indien ghy een Duynkerckſe Slaef wilt hebben, ick ſalder u

een gheven om u te obligeren: Sy antwoorde, ick wil hem wel betalen:

Maer het moet ſijn een die ghenoemt is Ian Baptiſta Caloen. Pegelin

antwoorde (thoonende ofte hy verſchrickt was) Ian Baptiſta Caloen! die

is een na Bloet-Vriendt van de Koningh van Duynkercke, ende daerom moet

hy ſes duyſent ſtucken van achten koſten. De oude Vrouwe wierde op dat

antwoordt ſeer verbaeſt, ende keerde ſonder repliceren na haer Huys,

ons latende weten dat Alli Pegelin eyſchte ſes duyſendt ſtucken van

achten, ende datſe ſoo veel ghelts niet en hadde: derhalven ſy gheen

middel ſagh om onſe vryheydt te verkrijghen, ten ware dat wy tot die

ſomme wilden contribueren: waer op wy met de ſelfde bode antwoorden,

dat wy niet een Reael daer toe wilden contribueren, ende ſooſe ons niet

wilde af-koopen, datſe ons laet berſten, maer datſe gedencken ſoude dat

haer Neef in Vlaenderen mede ſoude berſten, ſijnde in de macht van onſe

Ouders.

Terwijl deſe ſake ſich accommodeerde, paſſerende negen weken ende drie

dagen dat wy in het Paleys vande Baſſa in groote miſerie, vreeſe ende

ongheruſtheyt waren: Op ’t laetſte accordeerde de Moeder van Moſtafa

met Alli Pegelin aengaende het af-koopen van Monſieur Caloen voor 1400.

ſtucken van achten, met conditie dat het ſelfde gelt betaelt ſoude

worden voor dat Ian Baptiſta Caloen uyt Argiers ſoude vertrecken. Met

dit Accoort gingen wy uyt het Paleys van de Baſſa. Wanneer ick op de

Straten mochte wandelen, dachte ick dat ick mijn liberteyt hadde na ſoo

veel verdriets, ſoo veel vreeſe van qualijck getracteert te worden,

ende ſoo veel miſerien.

De eerſte nacht gingh Monſieur Caloen logeren by de Groot-Moeder van

Moſtafa Iugles; Reynier Saldens ende ick gingen logeren in het logijs

van een van de Turcken die ons gekocht hadde, genaemt Cataborne

Moſtafa. Hy woonde in een Funducke (ſijnde een groot Huys alwaer veele

Soldaten by malkander woonen) deſe Funducke was een ſchoon Gebouw met

ſijn vier Galeryen in’t vier-kant, ende vier Verdiepingen hoogh, ende

yeder Soldaet hadde daer ſijn Kamertje net onderhouden van de Jongens.

Want by na alle de Soldaten hebben een Jonge, ſijnde een Chriſten ofte

Renegado Slaef om te dienen. Onſen nieuwen Patroon Cataborne Moſtafa

tracteerde ons dien avont ſeer wel na de gelegentheyt van ſijn Beurs,

ende dede ons ſijne excuſen, dat hy gheen oorſake was dat wy ſoo langen

tijt in het Paleys vande Baſſa geweeſt waren. ’s Anderen daegs gingh

Reynier Saldens ſijn woonplaetſe nemen by een voornaemſte Turck

ghenaemt Mahomet Celibi Oiga, wiens Neve was een vande vijf Turcken die

wy ſouden verwiſſelen.

De Moeder ende Groot-Moeder van Moſtafa Iugles beklaeghden het Ghelt ’t

welck ſy betaeldt hadden voor Monſieur Caloen, hem daghelijcks

quellende met quade woorden, om hem te dwinghen de helft vande 1400.

ſtucken van achten te betalen. Ende aen d’ andere ſijde drongen wy de

Turcken hert aen ſoo veel als ons moghelijck was om onſe vrydom te

krijghen, volghens het accoort in Vlaenderen ghemaeckt. Waer op ſy

ſeyden (ende niet ſonder reden) dat het ſelfde ſoude ſijn haer in

perijckel te ſtellen van haer gelt te verlieſen, ende in haſard dat

haer Cameraets niet wederom ſouden komen: want het contract het welck

ſy in Vlaenderen met onſe Ouders gemaeckt hadden, was van deſen inhout,

dat de Turcken ons met den eerſten in het landt vande Chriſtenen ſouden

ſenden, na datſe ons gevonden ſouden hebben: Derhalven wy ghenootſaeckt

waren een nieu accoort met haer te maecken, datſe aen een van ons dryen

vrydom ſouden gheven, die ſich verbinden ſoude de vijf Turcken die noch

in Vlaenderen waren, te brenghen tot Ceuta ofte Aran in Africa, welcke

Steden ſijn die den Koningh van Spaignen toe-komen, ende de twee andere

ſouden tot pant-ſluyten blijven.

Dat ghedaen ſijnde wierde gereſolveert, dat Ick na Vlaenderen ſoude

gaen, ende dat men my ſenden ſoude met de Vry-buyterſe Galeyen van

Argiers, die my op de Kuſt van Spaignen aen Lant ſouden ſetten. Maer

mijn ongheluck wilde dat een Barbariſche Koningh ghenaemt Bennali,

ſijnde Tributaris van het Koninckrijck van Argiers, rebelleerde, ende

eenen inlantſen Oorlogh veroorſaeckte, dat de Baſſa om het Landt te

defenderen, de Galeyen ſelfs van noode hadde, ſoo datſe die Somer op de

Kuſte van Spaignen niet mochten loopen volgens ghewoonte: Op de ſelfde

tijdt waſſer een Schip van Livorne, ghereet om weder te keeren ende

zeyl te maecken: Ende onſe Cameraet Saldens immers ſoo begeerigh ſijnde

als ick om ſijn vryheydt te hebben, wiſte by de Turcken ſoo veel te

weghe te brenghen, als mede by Monſieur Caloen, dat hy verkoren wierde

na Nederlandt te gaen: ende gingh in het voorſz Schip van Livorne. Ick

was ten hooghſten bedroeft wanneer ick hem ſagh vertrecken, ende dat

ick noch moſte blijven, maer de groote beloften die hy dede, dat hy

korts wederom ſoude komen, ende de vijf Turcken mede brengen, dienden

my tot vertrooſtinghe: het welcke hy op ſijn tijdt dede, gelijck ick

hier na ſal ſeggen.

Ende wy ſullen hem laten zeylen op de barmhertigheyt Godts ende van de

Golven na het begeerde Vaderlandt. Soo veel als my aengaet, ick bleef

by mijn nieuwen Patroon Cataborne Moſtafa: Ende hoewel hy een arme

Soldaet was, hadde ick goede dagen by hem: want hy ſyde my menighmael,

Emanuel weeſt niet melancholijck, denckt by u ſelven, dat ghy de

Patroon ſijt, ende ick u Slaef. Ick at met hem ende van de ſelfde

Schotel, ſijnde aen ſijn ſijde geſeten de Beenen over malkander

ghekruyſt op de Turckſe maniere. Hy maeckte geerne goede cier, ende

ſeyde my menighmael, Emanuel, hebbe ick geen reden goede cier te maken,

hebbende geen Vrouw noch Kinderen, ende wanneer ick ſal komen te

ſterven, ſal de Baſſa mijn Erfgenaem ſijn, volgens de maniere van dit

Lant? Ick ſeyde, ja, ghy doet als een wijs Man, ende hebt groote reden

op u gemack te leven: want ick konde anders niet ſeggen om dat ick met

hem at ende dronck. Maer deſe woorden behaeghden gantſch niet ſekere

Ionghen, Renegado, die hem diende, het Gelt bewaerde, waſſchende het

Lywaet, ende eyndelijck dede het Ampt van een Vrouwe in de

Huyſhoudinge, ende hy murmureerde geſtadigh, ſeggende, Gy verteert het

alles, ende daer ſijn noch ſoo veel dagen eer de betalinge komt,

voorwaer ghy behoort van ſchaemte root te worden, dat ghy u dagelijcks

droncken maeckt, het is gheen leven van een ware Turck. Maer evenwel

liet de Patroon niet af alle daegs ſich droncken te drincken.

Op ſekeren tijde ſijnde ſat na gewoonte, hadde hy krackeel met een

Bulcebas (dat is te ſeggen Capiteyn van Voet-volck) ende onder andere

quade woorden, noemde hy hem een Chriſten. De Bulcebas dede daer op

ſijne klachten, ende men ſtelde mijn Patroon in de Gevangeniſſe, ende

in d’eerſte Vergaderinge van de Duwane, welcke in het Lant van de

Chriſtenen is den Raet, ofte gelijck de Hooghduytſers ſeggen de

Guemine, wierde mijn Patroon gecondemneert hondert ſlagen met ſtocken

op ſijn Billen te hebben, ende daer en boven te gaen dienen in het

Leger tegens den Koningh Bennali de tijdt van ſes Maenden. Ick was over

het ongheluck van mijn Patroon ſeer bedroeft, die my ſeyde, ghy ſult

van nu af gaen woonen by Mahomet Celibi Oiga: Ick hope met Godts hulpe

dat ghy voor mijn wederkomſte u vrydom ſult hebben, ende indien ick

Gelt hadde, wy ſouden het onder ons tween deelen. Ick antwoorde hem,

Patroon, ick kenne u goet herte ende armoede, ick kuſſe u de handen, u

bedanckende ſoo veel my mogelijck is, van het goet tractement dat ick

in u Huys ontfangen hebbe. Hy ſeyde my, wanneer ghy in Vlaenderen ſult

ſijn, groet van mijnen’t weghen uwe Ouders, ende voornamentlijck u

Couſijn tot Duynkercken, want hy heeſt my menighmael goet Bier te

drincken gegeven.

Na het vertreck van mijn Patroon gingh ick na het Huys vande voorſz

Mahomet Celibi Oiga, ende hem groetende ſeyde ick: Cataborne Moſtafa is

na het Leger vertrocken, ende heeft my hier geſonden om te logeren.

Waer op Mahomet my ſeyde: Ick ſoude het gheerne doen, maer ick hebbe

geen plaets in mijn Huys. Hy ſeyde dat, om dat mijn Cameraet Saldens,

wanneer hy by hem logeerde al te familiaer met de Vrou van de voorſz

Mahomet geſproken hadde, ſijnde een ſekere oorſake waerom hy jalours

daer over hadde geweeſt. Ick badt hem met groote inſtantie, ſegghende

dat ick niet en wiſte waer ick gaen ſoude. Eyndelijck was hy te vreden,

ende toonde my een kleyn Kamertje boven de Stal: ſijnde die Stal ende

dat Kamertje ’t eenemael van het Huys geſepareert.

d’ Eerſte daghen was ick ſeer verwondert dat de Patroneſſe my niet aen

en ſprack: Want ſy koſte de Spaenſe ſprake ſeer wel, ende mede Franco,

ende de Vrouwen van dat Landt ſoecken ghemenelijck occaſie met de

Chriſtenen te diſcoureren. Ick gingh daghelijckx fonteyn water ſoecken

voor de Huys-houdinghe, doende het ſelfde ſonder bevel, ende won

allenskens de goede gratie van mijn Patroneſſe. ’s Morghens gingh ick

met mijn Patroon inde Vleeſch-Halle, van daer ſonde hy my na Huys met

het Vleeſch dat hy ghekocht hadde. De Patroneſſe dede my oock Vruchten

ende Kruyden voor de Huys-houdinghe koopen: Doen begoſt de Mondt van

mijn Patroneſſe ſich te openen, ende met my te kouten ſoo veel ende ſoo

meenighmael, dat ick vreeſe hadde dat het mijn Patroon eenighe

quellinge in ’t Hooſt ſoude geven. Eenmael ſeyde ſy my onder andere

dingen: Chriſten, Godt geve u uwe liberteyt, ick bidde u ſeght my, ſijt

ghy arm in u Lant? Ick antwoorde haer: Ick ben een arme Soldaet. Sy

repliceerde, ghy meugt ſeggen wat ghy wilt, ghy ſijt nochtans niet

ghelijck Gregorio: die was een andere Slaef van het Huys: Hy was

geboren van Galicien in Spaignen, ende een Viſſcher in ſijn Lant, ende

hy was doen een Thuynman van een Thuyn, mijn Patroon buyten de Stadt

toe-komende. Deſe Slaef hadde een bequaem Lichaem om te wercken, ende

na ſijn qualiteyt was hy wel genoegh op-gebracht.

Turckse slavernie · 第 5 / 44 题