IV „MAMA!”

Mevrouw Canneheuvel had, kort na den hevigen influenza-aanval, dien zij

eenige jaren geleden ternauwernood te boven was gekomen, wel gemerkt,

dat haar linkeroog daardoor geleden had, want ze kon er niet meer zoo

goed mede zien als vroeger. Dit was langen tijd zoo gebleven, en mama

meende, dat ’t niet verergeren zou. Doch den laatsten tijd bleek dit

wel ’t geval, en in zoo hooge mate, dat vooral papa zich ernstig

ongerust begon te maken, en den dokter liet komen. Deze onderzocht

mama’s oogen zeer nauwkeurig, en raadde haar aan, te Utrecht professor

Snellen te raadplegen.

En nu waren papa en mama zoo even uit Utrecht thuis gekomen. Nel had

best gezien, dat vader alles behalve opgewekt keek, toen hij naar boven

ging, en haar met mama alleen liet. Mama trok Nel naast zich op den

divan, en Nel streelde zachtjes haar hand, doch ze durfde mama niet

aankijken, want ze had moeite haar tranen te bedwingen.

„Luister nu eens, kind,” sprak mama met haar vriendelijke, opgewekte

stem, „nu moet je niet zoo wanhopig doen en zoo erg bedroefd zijn, want

daar is in ’t geheel geen reden toe. Wat denk je toch eigenlijk, Nel?”

„Nou,” antwoordde Nel, terwijl ze moeite deed het beven van haar stem

te bedwingen, „als dokter toch zegt, dat U vreeselijk voorzichtig moet

zijn, en U voor alles in acht moet nemen, omdat U anders... omdat Uw

andere oog anders...”

Gevoelige Nel kon zich niet langer goedhouden, en snikte ’t uit,

terwijl zij haar hoofd tegen mamp’s schouder drukte.

Doch mamp hief Nel’s gebogen hoofd op, en keek haar vast in de oogen.

„Niet zóó Nel, kalm toch, m’n lieve kind... Hoe kan ik met je praten,

als je je zelf zoo toegeeft? Kom! kom! vroeger hielp ik jou met alles

voort, nu moet ik een steuntje krijgen van mijn oudste dochter, is dat

nou zoo erg?”

Nel veegde haar tranen af, en gaf mama’s hand een extra drukje.

„Vertel U mij alles uitvoerig wat de professor gezegd heeft, wil U?”

verzocht ze. „U heeft gelijk, ik ben echt kinderachtig, let U er als ’t

U belieft maar niet op.”

„Je bent mijn eigen, hartelijke Nel... Wel kind, professor was ’t in

hoofdzaak met onzen dokter eens, maar hij zag ’t geval toch lichter in.

Volgens hem kan ik, net als ieder ander mensch, goed blijven zien met

mijn rechteroog als ik voorzichtig ben, alle opwinding vermijd, en mij,

ook lichamelijk, zeer in acht neem. „U moogt nooit meer op een stoel

klimmen of boven Uw macht reiken, moet heel langzaam en voorzichtig

trappen loopen, en U vooral nooit en met niets overhaasten... Als U

zich aan dien raad houdt, kan U het licht in Uw gezonde oog even lang

behouden als anders ’t geval geweest zou zijn...” Zie je wel, Nel, dat

’t lang zoo erg niet is als je dacht? Er zijn honderden menschen, die

maar met één oog zien. ’t Moet verbazend gauw wennen met lezen,

handwerken en zoo.”

„Kan U niets meer zien met uw ééne oog, mampie?” vroeg Nel bekommerd.

„Zoo goed als niets, lieverd; van verre alles en iedereen slechts in

wazige omtrekken, en dichtbij niet veel beter.”

„Maar ik zie in ’t geheel geen verschil tusschen uw oogen. Ze zijn

allebei even helder en... Kunnen die geleerde heeren zich niet

vergissen? ’t Is misschien iets tijdelijks, iets...”

„Neen Nel; als ’k dat geloofde zou ik mij met ijdele hoop vleien. Ik

zal precies leven als de professor mij heeft aangeraden. En nou gaat

moeder eens ernstig met je overleggen, kind.

„Hoe veel ’t mij ook kost, ik moet de zorg voor ’t huishouden zoo goed

als geheel uit handen geven. Je weet wel, Nel, hoe graag ik tot nu toe

alles zelf deed, en ’t is dus wel een groote beproeving voor me niet

meer voor jullie en in mijn huishouden bezig te kunnen zijn... Maar ’k

zal mijn best doen daar niet over te tobben, en mij op mijn wenken

laten bedienen voortaan, zooals papa dat wenscht.”

„Was papoes niet vreeselijk bedroefd, toen hij ’t hoorde?” viel Nel in.

„’k Geloof, dat vader ’t veel erger vond dan ik zelf, kind, maar nu we

de zaak eens van alle kanten bekeken hebben, doet papa ook zijn best ’t

vele goede, dat overblijft, niet voorbij te zien. ’k Behoef niet

hulpbehoevend te worden, Nel, als... ik heel voorzichtig ben.”

Nel begon weer te huilen. Drukke, bedrijvige mamp, die ’t gezin altijd

zoo verwende met haar aan alles denken, voor alles zorgen...

„O mampie, ik kan mij U niet voorstellen stil in een hoekje,” snikte

Nel.

„Maar kindje lief, ik ben heelemaal niet van plan stil in een hoekje te

zitten,” glimlachte mama. „’k Zal nu tijd hebben voor allerlei prettige

dingen: veel met vader wandelen, arme tante Sjarlotje gezelschap

houden, dan volop lezen en... weet je wat ik bedacht heb, poes: ik ga

weer aan ’t pianospelen, jij ook Nel. Dan broddelen we samen zoo’n

beetje makkelijke quatre-mains. Maar alleen als er geen schepsel in

huis is, want vader en Frits zouden zich van wanhoop de ooren

dichthouden, en dat mogen wij hun niet aandoen.”

Nu moest Nel toch lachen, en mamp lachte mee. „Maar,” vervolgde mevrouw

Canneheuvel, „er moet nu natuurlijk iemand zijn, die mijn werk

overneemt. Als papa maar niet zoo’n hekel had aan juffrouwen. Papa

vergeet, hoeveel brave, degelijke juffrouwen er zijn, omdat hij ’t er

in der tijd zelf zoo slecht mee heeft getroffen.”

„En òf,” viel op dit oogenblik Frits, die de laatste woorden gehoord

had, met nadruk in.

Mama en Nel hadden hem op ’t dikke tapijt niet aanhooren komen.

„Mag ik blijven, mamp, of heeft U met Nel wat apart te bepraten?” vroeg

Frits bescheiden, en haastig voegde hij er bij: „wat heeft de prof

gezegd?”

„Kom maar eens mee overleggen, Frits,” antwoordde mamp, en trok haar

jongen in de breede vensterbank naast zich.

Nu vertelde zij hem in enkele woorden, zoo blijmoedig mogelijk, wat zij

zoo even aan Nel had meegedeeld. Frits zat heel stil en ernstig toe te

luisteren, en wisselde veelzeggende blikken met Nel.

Toen mama zweeg, sloeg hij zijn arm om haar schouder, en kuste haar op

beide wangen. Want Frits schaamde zich nog evenmin als vroeger om te

toonen wat hij voelde, en zijn opgewekten kijk op de dingen had hij

gelukkig ook niet verloren. „We zullen U er wel door helpen, mamp,”

verzekerde hij hoopvol, „en dat gezonde oogje van U dubbel in eere

houden. Natuurlijk zullen we nu aan zoo’n juffrouw voor ’t huishouden

moeten gelooven.”

Daar richtte onze Nel zich flink rechtop, en sprak met vastberaden

stem: „Als U ’t mij durft toevertrouwen, wil ik dol graag uw plaats

vervullen, mamp. ’k Weet wel, dat ik ’t niet zoo goed zal kunnen, maar

ik wil zoo graag, en ik zou ’t zoo nàar vinden als er een vreemde in

huis moest komen, en...”

Mama en Frits zagen elkaar beduusd aan. Ja, natuurlijk, een meisje van

een en twintig is volwassen, doch in de oogen van al de haren was Nel

dat eigenlijk alleen in jaren. Frits keek haar een beetje verwonderd

aan, maar uit zijn blik sprak ook stille trots: „wat een lieve, flinke

meid was Nel toch.”

En wat mamp wel bij zich zelf dacht?...

„’k Vind je voorstel echt lief en zelfopofferend Nel,” sprak zij

eindelijk. „Maar kindje, ik ben een beetje bang het aan te nemen. Wat

in ’t huishouden meehelpen als je er juist zin in hebt, is zoo heel

anders dan aan ’t hoofd er van staan, en er al je tijd en denken aan te

geven. Er zijn naast de groote zoo veel kleine plichten voor de

huisvrouw. ’k Ben bang dat je een beetje overdrijven zal, en daardoor

menig pleziertje opofferen, dat je als jong meisje toekomt, en dat papa

en ik je zoo van harte gunnen. Bovendien denk je er immers nog altijd

over om naar Leiden te gaan, en aan de studie te beginnen?”

„Och, moezepoes, daar krijg ik hoe langer hoe minder zin in, en vader

zei laatst, dat U en hij mij graag thuishouden als ik dit liever doe.”

„Natuurlijk vrouwtje, als ’t je er heusch ernst mee is,” meende mama,

en Frits verklaarde wijs: „’t Is tegenwoordig zoo’n modetje onder de

meisjes om, met de jongelui mee, aan ’t studeeren te gaan; ik ben blij,

dat Nel er niet aan mee wil doen.”

„Nou Frits, ook daar is, als bij alle andere zaken, veel vóór en tegen

te zeggen,” oordeelde mama. „Maar, daar zullen we ’t later nog wel eens

over hebben. Zooals ik al zei, Nel, we laten je geheel vrij, lieve

kind, maar ik wil niet, dat je een deftige huismusch zult worden,

terwijl je nog een jonge spring-in-’t-veld bent. Je moet gewoon je

jongemeisjespleziertjes aanhouden en...”

„Nou ja, ik kan toch ook wel wat mee helpen als Nel tennissen gaat, of

uit wil,” viel Frits in. „Ik kan best thee zetten en schenken ook. U

zal eens zien, hoe lekker ik voor de koffietafel zorg, als ik er op mag

zetten wat lekker is...”

„Neen maar,” lachte mama, „als alles nou niet op rolletjes gaat, weet

ik ’t niet...

„We moesten Nel’s plan dan maar eens probeeren, en zien, of we ’t

kunnen stellen zonder een juffrouw, die natuurlijk steeds in den

huiselijken kring zou moeten zijn. In de eerste plaats, omdat vader ’t

niet best kan hebben een vreemde op mijn plaats te zien. Maar een

kleine verandering moet er toch komen. Nu heb ik gedacht ’t zóó

ongeveer in te richten. Nel wordt, zooals we afspraken, moeders

rechter- en linkerhand, en leent mij ook haar vlugge voeten als ’t

noodig is.

„’k Heb er al lang over gedacht een vaste verzorgster voor tante

Sjarlotje te nemen, want eigenlijk moest tante voortdurend iemand bij

zich hebben, nu ze steeds hulpbehoevender wordt. Maar tante wil ook al

niet van vreemde hulp weten. Ik mag haar nu niet meer helpen bij ’t

aan- en uitkleeden, en wil Kee voorstellen tante’s pleegzuster te

worden. Tante mag Kee heel graag, en ’t is Kee nooit te veel iets voor

tante te doen. ’k Neem er dan een aankomend meisje bij om Betje beneden

te helpen. Wat zeggen jullie daarvan, jongens? Mij dunkt, zoo zal alles

zoo goed mogelijk geschikt wezen, en vader zal maar wàt in zijn schik

zijn, dat we, binnen, onder ons blijven.”

„En als tante Sjarlotje slaapt, wat ze hoe langer hoe meer doet,”

merkte Frits aan—„want midden op den dag hoor ik erg verdachte geluiden

uit haar kamer komen—kan Kee toch ook wel meehelpen, hé mamp?”

„Juist, mijn practische zoon,” stemde mama toe. „En nou ga ik papa

opzoeken om de nieuwe regeling verder met hem te bespreken.”

„Dank u vreeselijk, mamp, dat u mij uw werk wil toevertrouwen,” zei

Nel, „en als ik ’t niet goed doe, dan neemt u mijn partij, en laten we

de anderen mopperen, hé?”

„Behalve als je de thee te slap zet, want thee zetten moet je nog

leeren, of als je mijn goed vergeet na te kijken, met de knoopen en

zóó,” vond Frits noodig op te merken.

„Ja,” gaf Nel toe, „ik zal zeker nog al eens wat vergeten, maar je moet

mij ook niet met mamp vergelijken. Die denkt altijd aan alles.”

„We zullen voor Frits een „jonggezellenvriend” koopen,” plaagde mama,

„dan kan hij zijn knoopen zelf aanzetten.” En toen mama Frits had

uitgelegd, dat dit een soort knoop was, die je, zonder naald of draad

te gebruiken, aan je kleeren kon bevestigen, toonde het jongmensch zich

hoogelijk ingenomen met deze practische uitvinding.

„Ik houd mij aanbevolen voor zoo’n „vriend”,” zei Frits, „mijn schoenen

onderhoud ik toch ook zelf, en heb daardoor altijd piekfijne voeten.”

Toen mama weg was bleven Nel en Frits nog lang ná praten over ’t

ongeluk, dat die lieve mamp getroffen had, en hoe „eenig” zij het

droeg.

„Er is geen tweede vrouw op de heele wereld, geloof ik, als onze mamp,”

verklaarde Nel. „Zij houdt zich natuurlijk zoo flink voor pa en voor

ons. Mamp denkt nou letterlijk nooit aan zich zelf.”

„Daarom moeten wij ’t, nu vooral, des te meer doen,” vond Frits. „Al

was ’t alleen maar omdat we alles aan mamp te danken hebben, zouden we

haar nooit in den steek kunnen laten. ’t Is echt flink van je, Nel, de

nieuwe „Juf” hier in huis te willen worden.”

„Ja, plaag maar, leelijkerd,” lachte Nel, „ik ben onderwijl maar blij,

dat dat studeeren van mij nu voorgoed van de baan is. ’k Had er hoe

langer hoe minder lust in, en ’t huishouden besturen lijkt mij echt

leuk. Jullie zult een veel strengere huismoeder aan mij hebben dan aan

mamp, dàt waarschuw ik vooruit.”

„Als je maar begrijpt,” deelde Frits haar kalm mee, „dat je over mij

geen steek te zeggen krijgt. Je zult je moeten vergenoegen met de

gehoorzaamheid van de kinderkamer, en je moogt Puck, Lientien, Socrates

en Waldi naar hartelust bedrillen.”

„Hoor mij zoo’n verwaande jongen eens aan!” riep Nel verontwaardigd.

„Je bent en blijft zes jaar jonger dan ik, ventje, en behoort, ook nog

drie kwart tot de kinderkamer.”

„Dat denk je maar, mejuffrouw. Een Hoogere Burger, die volgend jaar

eindexamen hoopt te doen, staat minstens gelijk met een meisje van

twintig.”

„Eén en twintig, als je belieft.”

„Pas geworden, en je ziet er uit, of je nog geen zeventien bent. In de

winkels zeggen ze meest altijd „jongejuffrouw” tegen je.”

„Zóó, ouwe heer.”

„Ja, en hoe jij ’t er af zal brengen om Bet’s en Kee’s werk na te gaan,

en in alles mamp te vervangen... nou, ik heb er een zwaar hoofd in....”

Nel wist wel, dat Frits haar maar zoo’n beetje plaagde, en trok zich

dus niets aan van zijn laatste woorden.

Frits had verbazend veel op met zijn zuster, en vond eigenlijk alles

goed en best wat Nel deed omdat.... zij het deed. Al waren ze nu te

groot om nog „parkieten” te heeten, ze bleven dezelfde trouwe kameraden

als in hun kinderjaren, en hingen elkander veel meer aan dan de andere

kinderen onderling.

Nu de groote jongens ’t huis uit waren, voelde Frits zich eigenlijk

gelijk op met Nel. Met ieder jaar werd ’t verschil in leeftijd tusschen

hen kleiner, redeneerde hij. En Nel zag er heusch uit als een meisje

van zeventien, wàs ’t eigenlijk ook nog wat graag. Ze speelde en

schaterde tusschenbeide met de kinderkamer mee, of ze zelf nog een kind

was.

Een groot geluk, dacht Frits wijs, dat zijn lievelingszuster zoo in ’t

geheel geen nuf of nest was. Hij kende er genoeg op de H. B. S.: van

die vervelende, aanstellerige wichten met een verbeelding en een idee

van zich zelf!.... Omdat een meisje één zat in hun klas (en dat was nog

de aardigste en eenvoudigste van allemaal), dachten de andere meisjes,

dat ze veel vlugger waren dan de jongens, maar dat zàt nog.... De

meesten van die meisjes wilden naderhand gaan studeeren, net of dit van

zelf sprak. Echt prettig, dat hun Nel gezellig thuis bleef. En, in zijn

behoefte zijn zuster iets hartelijks te zeggen, sprak Frits: „Zooals je

weet, Nel, zorg ik voor je als papa en ma ’t niet meer kunnen doen. Dat

heb ik mij vast voorgenomen. Maak je dus maar niet ongerust, dat je

niet altijd een boterham (en met wat er op ook) hebben zult.”

„Heerlijk, lieverd, daar vertrouw ik vast op,” antwoordde Nel.

Ze zwegen even, toen hervatte Frits: „Weet je wat vader verleden aan

mij vroeg? Of ik er nog niet eens over had nagedacht, wat ik later zou

willen worden. Ik kon nog heelemaal niet tot een besluit komen, maar

nou weet ik het, Nel. Ik wil dokter worden naderhand oogarts. En ik ga

mij met hart en ziel op de „oogen” toeleggen. Misschien is ’t toch

mogelijk, dat ik iets ontdek, dat mamp kan genezen. ’k Zeg ’t alleen

maar tegen jou, Nel, want ’t klinkt natuurlijk reuzen-pedant, terwijl

er zulke knappe oogendokters zijn als professor Snellen bijvoorbeeld.”

„’k Weet wel, vent,” zei Nel, „dat je ’t heelemaal niet uit

verwaandheid zegt.”

„Nee, natuurlijk niet; ’k zou bij toeval een geneesmethode kunnen

ontdekken, zie je, en dat kan natuurlijk alleen als je er in gestudeerd

hebt, en wat meer weet van de zaak dan een ander.... ’k Hoop wel, dat

ik niet pedant ben,” vervolgde Frits, „maar ik gooi me zelf toch ook

niet weg, hoor! Naar Indië ga ik vast niet, dan leuteren ze me daar

altijd om me ooren: „Is U soms de broer van den knappen dokter

Canneheuvel?” Dan zou ik zeker den een of anderen keer nog eens

antwoorden: „Neen, die knappe is een broer van mij! of zoo iets.”

„Misschien word jij ook reuzen-knap, Frits.”

„Naast Dolf zal ik altijd àfvallen, dat is vast. En Lous overdrijft

niet in haar brieven, ik hoor telkens over Dolf, en dat hij zoo

prachtig opereert, en de Chineezen er om vechten door hem geholpen te

worden.”

„Ja,” zei Nel, „Lous is dan ook maar wat trotsch op haar man.”

„Misschien,” hoopte Frits, „kan jij ’t naderhand een beetje op mij

zijn. In elk geval blijf ik in Holland en word oogarts en anders niet.

Maar voorloopig, Nel, blijft dit tusschen ons, vooral de „kinderkamer”

heeft met mijn plannen voor later geen steek te maken.”

Puck · 第 7 / 21 题