Zaterdag was eigenlijk de prettigste dag van de week, vonden Puck en
Lientien. Dan had je den heelen Zondag in ’t vooruitzicht, en lagen de
schoolzorgen nog ver weg.
Op de vrije middagen moest op last van „Meester” eerst natuurlijk ’t
schoolwerk worden afgedaan. Lientien hield zich hier stipt aan, want ze
had nog steeds groot ontzag voor „Meester”. Bij Puck liet dit wel wat
te wenschen over, en Lientien moest altijd wéér vragen en zeuren: „hè
Puck, begin nou toch! Ik ben al half klaar; begin dan toch, teuterd.”
Dezen Zaterdag had Puck ook vlug voortgemaakt, en, terwijl Lientien
opruimde, was ze al vast vooruit naar den tuin gegaan. Puck kon altijd
grappige spelletjes bedenken, en had telkens nieuwe invallen.
Nu vond Lientien, toen zij in den tuin kwam, Puck druk bezig met een
grooten bezem door de lucht te vegen.
„Wat doe je kind?” vroeg ze stom verbaasd.
„Kijk maar goed,” schreeuwde Puck haar toe, „ik heb al de wolken in een
hoek gejaagd. Die zitten zich nou erg te vervelen, want ze houden niks
van stilzitten. Daarom kijken ze ook zoo donker, maar zich verroeren
durven ze niet, want ze zijn bang voor mijn bezem.”
Lientien ging heelemaal op Pucks verbeeldingsspel in. „O Puck,” riep ze
even later, „dáár beweegt zich er één, kijk maar, die kleine witte wil
weg...”
Puck dreigde woedend met haar bezemsteel, maar eer ze aan ’t vegen toe
was, zeilde het wolkje vroolijk heen aan den blauwen Aprilhemel. Een
groote zette het achterna, doch nu begon Puck zoo verwoed haar bezem te
zwaaien, dat de wolk achteruitkrabbelde, al dunner en dunner werd, en
eindelijk geheel scheen opgelost.
„Ziezoo,” riep Puck weltevreden, „die doet geen kwaad meer, en nou is
de regen voor vandaag al vast naar huis gestuurd.”
Lientien vond ’t eenig. „Vertel nog eens wat van de wolken, Puck,”
verzocht ze.
„Nou ja,” zei Puck, „tusschenbeide zijn zij mij de baas, dan kan ik ze
niet aan met den bezem. Dat zijn van die groote zwarte, zie je, die
worden alleen door hun moeder uitgestuurd als ’t thuis niet meer met
hen is uit te houden. Dan jaagt de moeder hen de deur uit, en dan
krijgen we lekker weertje; storm is er niks bij. Die zwarte kan je uren
achtereen hooren brommen en grommen. Ze moeten van hun moeder net zoo
lang de zakken met regen blijven dragen tot ze zijn uitgeraasd. En
telkens steekt de moeder een lichtje aan om te zien of de zakken nog
wel vol zijn. Die lichtjes noemen de domme menschen: „bliksemstralen”.
Maar eindelijk, dan mogen de zakken los. Nou, en dan regent ’t
pijpestelen soms uren en uren lang. De zwarte wolken zie je dan niet
meer, moeder heeft den wind uitgestuurd, en die mag ze naar huis
terugdrijven.”
„Waar wonen ze, Puck?”
„O, zoo ver weg, achter de verste bergen,... en nog veel verder. In
reuzengroote holen, en ieder heeft zijn vaste plaats. Moeder zit in ’t
midden met „den wind” naast zich. Die is haar trouwe knecht, en die
doet alles wat ze zegt. Vandaag was de knecht er niet, en kon de wolken
dus niet naar huis drijven. Misschien heeft hij ook wel gezien, dat ik
ze met mijn bezem voortjoeg. Ze hebben altijd ruzie, de wolken en de
wind. De wind heeft altijd haast, en de wolken plagen hem expres door
maar te blijven hangen in plaats van voort te maken... Maar kijk de
hemel nou eens mooi blauw zijn! Al de wolken zijn stellig thuis bij
moeder in de reuzengrot en moeten slapen... Zeg Lientien, zullen we nu
eens gaan kijken, hoe de familie „Snater” ’t maakt in hun nieuwe huis?”
„Wie zijn dat, en waar wonen ze?” vroeg Lientien nieuwsgierig.
„In ’t voorjaar moeten alle vogels toch huisjes gaan huren?” vertelde
Puck. „De beste zijn natuurlijk ’t eerste weg, en de teutebollen kunnen
niks goeds meer krijgen. Mijnheer en juffrouw Snater, die aldoor maar
pret hebben gemaakt, lieten den goeden tijd voorbijgaan, en konden
daarom geen onderdak meer vinden. Nou moet je weten, dat een ouwe,
slimme spreeuw net gedaan heeft, of onze dakgoot, bij de logeerkamer,
van hem was. Voor veel geld heeft hij ’t ondereind van de pijp aan de
familie Snater verhuurd, en die heeft er dadelijk een nestje in
gemaakt.”
„Maar Puck,” viel Lientien in, „wat heeft zoo’n ouwe spreeuw nou aan
geld?”
„Bij de vogels is geld: eten,” verklaarde Puck wijs. „De Snaters moeten
mijnheer „Geelsnuit” onderhouden. Ga maar mee, dan kan je zelf zien, of
’t niet waar is.” Puck wees den weg naar ’t balcon van de logeerkamer.
Op haar teenen slopen de meisjes voorzichtig naderbij, en bogen zich
over den rand van ’t balcon. En ja wel! daar zat half blinde Geelsnuit
vlak naast ’t uiteinde van de dakgootpijp, trouw op post. Vader en
moeder Snater vlogen af en aan met allerlei lekkere beetjes voor hun
kinderen. Maar vast twee keer van de vier, snapte Geelsnuit een vet
brokje voor hun begeerige open snaveltjes weg, en stopte dit in zijn
eigen steeds hongerige maag.
„Nou zie je ’t zelf,” riep Puck triomfantelijk.
„Heb je ooit!” kwam Lientien heelemaal beduusd. „O Puck, hoe heb je dat
ontdekt? Zit die inhalige, ouwe Geelsnuit altijd naast ’t nest?”
„Om dezen tijd ten minste...”
„Ik ga Nel en Frits halen,” riep Lientien, „die moeten zoo iets eenigs
ook zien.”
Ook Nel en Frits waren één en al verbazing, doch Nel bedacht dadelijk,
dat de jonge muschjes er met een harde regenbui treurig aan toe zouden
zijn.
„Dat heeft die leelijke Geelsnuit natuurlijk verzwegen bij ’t verhuren
van het huis,” lachte Lientien. „Wat zullen we nou toch doen?”
„’k Geloof,” zei Frits, en hij hield zich zoo ernstig als bij ’t geval
te pas kwam, „dat ik wel een huisje heb voor de familie Schater of
Snater, hoe heet ze ook? Tegen den zijmuur bij de regenton is nog een
leege bloempot: je reinste musschenhuis.”
„Wat een geluk!” riepen de meisjes.
Nu kwamen Frits’ lange armen toch maar goed van pas. Heel voorzichtig
haalde hij ’t nestje uit de pijp (er zaten vijf Snatertjes in) terwijl
de piepende ouders op den dakrand een beetje angstig toekeken. Maar òf
ze een kwartiertje later ook in hun schik waren, en dien leelijken
Geelsnuit uitlachten! Die moest nu voortaan zelf voor zijn muggen- en
wurmenpasteitjes zorgen.
„’t Is geen wonder, dat jij altijd zulke mooie opstellen maakt,” zei
Lientien tegen Puck, nadat zij zich nog een poosje over Geelsnuit
hadden vroolijk gemaakt, „jij weet altijd weer wat nieuws.”
„Ik wil naderhand schrijfster worden,” verklaarde Puck pedant. „En als
ik verbazend beroemd ben, zal ik toch altijd met jou willen omgaan,
hoor!”
„Maar dan willen wij misschien niks meer met jou te maken hebben,
nest,” klonk een stem van boven, waar Frits uit ’t open raam hing. „Wat
een verbeelding van zoo’n uk! Denk liever eens aan apen, die hoog
klimmen willen...”
„Je bent zelf een aap,” schreeuwde Puck verwoed tegen een dicht raam,
want Frits had dit juist gesloten.
„Ik vind ’t toch zoo naar, dat Frits en jij eeuwig kibbelen,” zuchtte
Lientien; „dat leelijke gescheld altijd! mamp wil ’t niet hebben.”
„Wie begint?” vroeg Puck heftig. „Is „nest” soms geen schelden?”
„Nest is lang zoo leelijk niet als: aap,” vond Lientien. „Als Frits
weer „nest” tegen je zegt, moet je vragen: „hoeveel eitjes liggen er
in?” dan kijkt hij vast op zijn neus.”
„Flauw,” vond Puck, waarop Lientien met een driftig kleurtje beweerde:
„Iedereen kan ook niet zoo knap en geleerd zijn als Johanna van
Vorden.”
Puck schudde boos haar zwarte krullen, en liep hard weg, terwijl
„Meester” tegen Lientien zeide: „Foei, schaam je wat, om zoo uit te
vallen. Na ’t eten ga je dadelijk je kastje opruimen, hoor!”
Lientien wist niet, dat zij zich, nog veel erger dan nu, over haar
drift zou hebben te schamen, eer de avond gevallen was.
Dadelijk nadat ze van tafel was opgestaan, had Lientien den lust
weerstaan met Puck den tuin in te loopen, en zat nu op den grond vóór
haar half leeg gehaald speelgoedkastje met al de schatten om zich heen
verspreid. Juist bedacht ze, of ze daar maar niet eens een flinke
opruiming onder zou houden, en er arme kinderen gelukkig mee maken,
toen Puck de kamer binnenstoof.
„Lien, Lientien,” riep ze, nog half buiten de deur, „compliment van
tante, en of je vreeselijk gauw voort wil maken. Je moet je blauwe jurk
aantrekken en je mooie hoed maar op, want zoo dadelijk komt ’t rijtuig,
en gaan we eerst toeren, en dan aan de „Witte Brug” theedrinken... Ik
moet me ook gauw verkleeden...”
„O Hemel!” riep Lientien, haastig opstaand, „waarom zoo op eens? Nou
moet ik mijn haar ook nog over doen en...”
„Ja, gauw maar, ’t is een plannetje van oom, juist echt, zoo op eens,”
vond Puck.
Lientien bedacht niet, dat ’t een wel wat vreemd plan was nu nog uit
rijden te gaan, terwijl het al vrij frischjes was buiten bovendien.
Argeloos liep ze in de val, die Puck wijd voor haar had opengezet. Dit
juffertje liep weg, quasie om haar jurk uit de kast op den overloop te
halen, en Lientien lette niet op, dat ze vergat terug te komen. Zij
haastte zich wat ze kon, en rende tien minuten later keurig uitgedost
de trap af, de huiskamer binnen. Daar zat de heele familie rustig thee
te drinken, en keek zeer verbaasd, toen ze Lientien daar op eens in
groot toilet zag verschijnen.
„Maar prul,” riep Frits, „hoe kom je zoo laat nog in je mooie spullen?
Waar wou je heen, poes?”
Lientien keek beduusd: „Maar gaan we dan niet uit rijden? Puck zei, dat
papoes...”
Daar vloog de kamerdeur wijd open en in de gang stond Puck te dansen
van pleizier over haar goed gelukte Aprilgrap, terwijl ze met een hoog
stemmetje zong: „Eén April, één April, mag je foppen wie je wil.
Lekker! lekker! Lientien, sliep uit!”
Verbijsterd keek Lientien rond. Haar groote blauwe oogen gingen, meelij
smeekend, van den één naar den ander. Maar niemand nam ’t voor Lientien
op. Nel, papoes, Frits, zelfs mampie, allen zaten te lachen, en lieten
Lientien alleen met haar verdriet en teleurstelling. En daartusschen
klonk Puck’s sarrende stem: „gefopt, gefopt.” Lientien werd hoog rood,
ze beefde van boosheid, en wilde niet luisteren naar de waarschuwende
stem van „Meester”. Vóór ze ’t zelf wist, was ze op Puck toegevlogen,
en gaf haar een klinkende oorvijg, dien ze dadelijk met interest terug
ontving.
„Foei kinderen, schaamt je wat!” riep mamp, en Frits had ’t vechtend
tweetal in een oogenblik uiteen.
Lientien liep op vader toe en borg haar beschaamd gezichtje tegen zijn
schouder. Doch vader trok haar op zijn knie, en zei: „Ziezoo, nou ben
je echt een klein, stout schootkindje. Maar Lienepien, hoe kan je een
onschuldig grapje nou toch zoo hoog opnemen? En je houdt zelf zooveel
van een fop. Wie kaatst moet den bal verwachten, kleintje.”
„Ja maar, ik was al zoo moe,” snikte Lientien, „en toen dat gejacht en
gerep, en dat U mij allemaal ook uitlachte, dat was nog ’t ergste.”
„Zeker,” suste mamp, „dat was ook wel een beetje erg. Maar, Lientien,
je bent toch een echt gansje om te denken, dat we, nu ’t nog zoo koud
is en vroeg donker ook, uit rijden zouden gaan.”
„’k Was zeker zoo suf door al dat vervelende opruimen en uitzoeken van
’t speelgoed,” zuchtte Lientien.
„Kom,” sprak vader, „zoen mekaar nou maar gauw áf, en ga je daagsche
jurk aantrekken, Lientien, dan wil vader nog een eindje met jullie
wandelen, en brengen we wat lekkers mee voor bij ’t tweede kopje thee.”
Daartoe was Lientien dadelijk bereid, en Puck niet minder.
In haar hart vond zijn kleine dochter gearmd met vader wandelen haast
nog echter dan uit rijden gaan. Vader wist zoo eenig leuk te vertellen
van vroeger, uit zijn eigen kinderjaren. Je kon dan onder ’t
toeluisteren uren achtereen loopen zonder moe te worden. Dit keer
vertelde vader, dat hij in zijn jeugd ook verbazend driftig was, en
daar veel ergernis en verdriet door had gehad.
„Hoe hebt u dat dan afgeleerd, papoes?” vroeg Lientien.
„Misschien wel door al de draaien om mijn ooren, die ik er voor kreeg,”
lachte vader. „Want ik was op kostschool en dat is nog wat anders dan
thuis. Bovendien vonden de opvoeders in mijn jeugd, dat ’t een jongen
toekwam zoo af en toe een pak te krijgen. ’t Hoofd van de kostschool,
dien wij jongens „de baas” noemden, was een van de beste, braafste
menschen, dien ik ooit gekend heb; de goeie man is nu al jaren dood.
Wij, jongens, zouden voor hem door ’t vuur zijn geloopen, want we
wisten allen, dat hij streng, maar ook stipt rechtvaardig was.
„De baas kon veel van ons verdragen, omdat hij van kinderen hield en,
behalve geniepige, gemeene streken, zag hij bijna alles door de
vingers. Wanneer hij een jongen met zijn groote, doordringende oogen
aanzag, moest je de waarheid zeggen, al was ’t nog zoo moeilijk. Maar,
had je eerlijk bekend, en vergiffenis gevraagd, dan werd hij net als
een vader voor je, en bij je zelf dacht je: „Ellendig toch, dat ik den
baas verdriet heb aangedaan.”
„Nou, vader was een echte driftkop, zooals ik jullie al vertelde, en
tegen een vechtpartijtje zag hij ook niet op. Vechten was op school
verboden, en de baas had me al eens een paar keer gewaarschuwd: „Carel,
daar komt nog eens hommeles van, als je dat opstuiven niet kunt laten;
vecht je weer, dan krijg je een pak.”
„En zoo kreeg ik trouw een draai om mijn ooren, als ’k aan ’t razen
was, en heb ook menig pak gehad. Maar ik geloof, dat de ernstige,
vriendelijke woorden van den baas, na afloop van de straf, mij veel
meer geholpen hebben om die leelijke fout er langzamerhand onder te
krijgen, dan de klappen.”
„Je voelt ’t toch altijd aankomen, hé vader, als je wat verkeerds wil
doen,” sprak Lientien peinzend, „dan word je gewaarschuwd.”
„Door „Meester”,” spotte Puck.
„Juist Puck, en jij zult ook heel verstandig doen met zooveel mogelijk
naar „Meester” te luisteren,” meende oom. „En hier heb je nou net een
lekkeren banketbakkerswinkel. Wat zullen we nu eens voor thuis
meebrengen?”
Puck vond: lekker-lekkerkoekjes, en Lientien: roomsoezen. Ze wilden
natuurlijk zelven de zakken dragen, als vader de porte-monnaie maar
open deed. Waartoe vader onmiddellijk overging; hij wist nu eenmaal:
„als je met meisjes uit bent, moet je niet op een dubbeltje zien.”
Puck’s Aprilgrap had dus nog een lekker, zoet gevolg, en er was
zooveel, dat iedereen volop smullen kon.
Toen Lientien dien avond naar boven ging, en er met schrik aan dacht,
wat een rommel er nog op den grond van haar kamer lag, vond ze daar
alles keurig opgeruimd.
Dat had Nel natuurlijk gedaan, en Lientien bedacht met een dankbaar
hart, hoe lief dat van haar was.
Hoe heerlijk toch om een tehuis te hebben als zij had, met zulke lieve
ouders, die nooit draaien om de ooren gaven, maar alleen met geduld en
liefde te werk gingen.
En daarom hield ze ook nog duizendmaal meer van vader en mampie, dacht
Lientien, terwijl ze haar handjes vouwde, en God bad haar te helpen een
goed kind te zijn.