’t Was de kinderkamer niet verteld, waarom papa en mama naar Utrecht
gingen, want papa was bang, dat de kleintjes het mama lastig zouden
maken met hun vragen, beklag, en van alles willen weten. Socrates en
Waldi zouden hun mond hebben gehouden, en bleven er dan ook doodkalm
onder, dat ze onkundig werden gelaten van de reden, waarom de groote
baas en vrouw op reis gingen. Lientien daarentegen was verbazend
nieuwsgierig, en Puck vond ’t onuitstaanbaar, dat groote menschen van
alles geheimen maken. Ze vroeg er Frits naar, maar die was natuurlijk
weer onuitstaanbaar vervelend met zijn: „kleine meisjes moeten haar
beurt afwachten en niet vragen.”
„Misschien zijn mamp en vader presentjes gaan koopen voor mijn
jaardag,” bedacht Lientien. Waarop Puck niet overbeleefd informeerde,
of Lientien bij geval mal was? In Den Haag kon je immers alles veel
mooier krijgen dan in dat duffe Utrecht?
„Nou ja...,” zei Lientien een beetje verlegen,... „maar we zullen ’t
toch wel gauw hooren als ’t wat prettigs is,” besloot ze hoopvol.
„Dat is ’t vast niet,” wist Puck, vinnig. „Nel wou ’t niet laten
merken, maar ik heb best gezien, dat ze huilde, toen oom en tante
wegreden.”
„O hemel!” zuchtte Lientien. „Zou Nel ’t ons niet willen vertellen?”
„Kan je denken,” lachte Puck schamper, „wij zijn immers maar kinderen,
die mogen per sé nooit wat weten.”
„Wat beteekent dat, per sé?” vroeg Lientien ongeduldig. „Je zegt
tegenwoordig altijd van die gekke woorden. Zeker van je vriendinnen
geleerd.”
„Iedereen weet, dat „per sé” „natuurlijk” beteekent,” verklaarde Puck
wijs.
„Nou,” meende Lientien, „dan zou ik ook maar „natuurlijk” zeggen, dat
begrijpt iedereen, en ik doe ’t ook.”
De meisjes zaten samen in den tuin onder de „Vorstin”, een prachtige
rooden beuk.
Met haar beidjes hadden ze alle boomen en planten namen gegeven, en
maakten daar grappige geheimpjes van.
De jasmijn heette „Tante Lotje”, omdat Sjarlotje zoo dol was op den
geur van de sterk riekende bloemen. De La-France rozenstruik werd
„mamp” gedoopt, dat was de mooiste plant uit den tuin. De stammargariet
heette „Puck” en de rose spiréa „Lientien”. Maar de witte meidoorn
moest en zou Frits tot peetvader hebben, had Puck bedacht, omdat hij
vol stekels zat. „Neen,” zei Lientien, „omdat de dunne takken bovenaan
op Frits’ armen lijken.” De Glycine, met haar volle paarse trossen, die
al hooger tegen den muur opklom, en zoo hoogmoedig op ’t kleine goed
aan haar voeten neerzag, was: „de trotsche fee”, en de gouden regen er
naast: „de schitterende edelknaap”.
De twee grappenmaaksters hadden de grootste pret, wanneer niemand
begreep, wat ze bedoelden, als ze ’t tegen elkaar bejammerden, dat „de
vorstin” al zoo „kaal” werd, of dat „de schitterende edelknaap” op
springen stond. Als Puck beweerde, dat „Rosa Fluweeltje” (een prachtige
licht roode begonia) erg geleden had door den regen, dacht Nel, dat de
kinderen ’t over een van de poppen hadden, en begreep niet, waarover de
twee schaterden van de pret, als zij knorde: „Waarom laten jullie je
poppen dan ook in ’t gras liggen?”
Als ze zoo samen waren, dacht Lientien dikwijls, kon Puck toch zoo echt
aardig zijn, en allerlei leuke dingen verzinnen.
Nu had ze ’t over „Frits”, die volgens haar maar eens flink gesnoeid
moest worden. „Hij groeit al maar in de lengte,” merkte zij op, „kijk
die lange takken eens bovenaan, je ziet haast geen blaadjes, alleen
stekels. Net jouw broer, die heeft ook zooveel praatjes en kale
drukte.”
„Frits heeft heelemaal geen kale drukte,” riep Lientien verontwaardigd,
„jij hebt altijd wat op Frits aan te merken.”
„Ja,” gaf Puck toe, „omdat hij ’t verdient.”
Lientien had geen lust om te kibbelen en stelde voor „Mama” te gaan
bekijken. Die had gisteren twee dikke knoppen, misschien was er wel een
uit.
Met de armen om elkaar heen, drentelden de meisjes den tuin door tot ze
’t rijtuig voor de deur hoorden stilhouden, en naar binnen vlogen. Doch
papa stuurde de kinderen weg, mamp had wat met Nel te bepraten, en ze
moesten nu niet hinderen.
Lientien ging gehoorzaam naar boven, Puck bleef zoo’n beetje
rondslenteren; ze had een plannetje bedacht. Jongejuffrouw
„Nieuwsgierigheid” kan ’t niet langer harden, en nauwelijks was de kust
vrij, of ze ging ’t uitvoeren. Ze moest weten wat die geheimzinnigheid
beduidde. De ramen van de huiskamer stonden open, dus sloop Puck weer
naar den tuin. Als ze voorzichtig in gebukte houding onder ’t venster
bleef staan, kon ze elk woord verstaan.
Lientien zat haar lessen nog eens ná te kijken en repeteerde net
hardop: „1625–dood van Maurits, 1647–...”
Daar werd de deur met een ruk opengegooid, en wild snikkend vloog Puck
binnen.
„O Lientien, ’t is vreeselijk! tante... je ma... ik heb ’t door ’t raam
gehoord. Nel huilt zoo, en ik geloof, dat je ma blind moet worden; de
professor heeft gezegd....” verder kwam ze niet. Want Lientien werd
doodsbleek, ze kon geen geluid voortbrengen, en stond Puck, verstijfd
van schrik, aan te staren, met zulke groote, angstige oogen, dat Puck
nog harder begon te huilen.
„Mampie blind, mampie blind!” stamelde Lientien radeloos... dat kon
toch niet... dat mocht niet... Pas als vader ’t ook zei, wou Lientien
dat vreeselijke gelooven.
Ze duwde Puck op zij, en geheel ontsteld, bevend van schrik, ging zij
papa opzoeken.
Vader zat op zijn kamer, stil voor ’t raam in den tuin te kijken, en
streelde Socrates, die op zijn knieën lag, zachtjes over den rug.
Nog even zag Lientien, dat papa bedrukt keek, maar er lang niet zoo
bedroefd uitzag, als zij verwachtte. Toen gaf ze Socrates een duwtje,
zoodat poes met een verontwaardigden „mauw” van papa’s schoot sprong,
en nestelde zich aan vaders borst, sloeg haar armen om zijn hals.
„Maar Lientien, m’n kindje, wat scheelt er aan?” suste vader het heftig
weenen van zijn dochtertje. Hij verstond nauwelijks haar gefluisterd:
„Is ’t waar, dat mampie...?” raadde tegelijkertijd de waarheid... En o!
wat was ’t toen zalig voor kleine Lientien door haar lieven vader zoo
heerlijk gerustgesteld en bemoedigd te worden.
’t Was nog wel náár zooals ’t was, doch gelukkig lang zoo erg niet als
Puck had gemeend. Lientien schreide allen angst en leed weg aan vaders
hart, beloofde hem een groot, verstandig meisje te zijn, en het mama
niet lastig te maken door overdreven beklag, en ’t haar voortdurend
laten merken, dat ze zich ontzien moest.
„’k Zal er mijn uiterste best voor doen,” zei Lientien ernstig, „en er
Puck ook aan herinneren, dat we net als anders tegen mamp moeten
wezen.”
„Wie heeft ’t Puck verteld?” vroeg papa, „ik had jullie toch gezegd
naar boven te gaan.”
Lientien kleurde. Klikken mocht ze niet van „Meester”. Dus zei ze met
een hangend hoofdje: „ze heeft ’t gehoord.”
„Zeker aan de deur geluisterd,” knorde papa, „en toen wist die stoute
meid niets beters te doen dan jou aan ’t schrikken te maken. Puck wordt
àl ongehoorzamer en...”
Maar daar kwam mama binnen. Die hoefde maar even naar Lientien te
kijken, en zonder vragen, trok ze ’t kind zoo innig naar zich toe, en
kuste zoo warm haar beschreid gezichtje, dat Lientien haar verdriet
vergat, en haar belofte aan vader indachtig, mampie toelachte.
Onderwijl vertelde ze, hoe ze eerst geschrikt was, omdat ze de zaak
verkeerd had begrepen. Maar nu vader haar alles had uitgelegd, was ze
toch zoo blij, dat lieve mamp altijd goed zou kunnen blijven zien,
wanneer ze maar deed wat de professor had aangeraden.—
Voor dit keer werd Pucks ongehoorzaamheid door de vingers gezien. Mama
had niet eens een goed woordje voor haar hoeven te spreken bij papa,
want ’t kind, dat in den eersten schrik half en slecht geluisterd had,
was zóó ontdaan en bedroefd, dat oom alle lust tot knorren verging,
toen zij berouwvol voor hem stond. Met een punt van haar schortje
veegde zij telkens haar dik behuilde oogen af, terwijl ze snikte: „Ik
kon ’t niet helpen, ik moest ’t Lientien vertellen, omdat ik toch zoo
vreeselijk geschrokken was. Want ik houd zoo veel van tante en nou
dacht ik, dat tante bl... blind zou worden, en dat...”
„Kom,” zei oom, „we zullen er dan maar niet verder over praten, dat je
zoo ongehoorzaam bent geweest. Ga maar gauw naar Lientien, en kus het
àf.”—
’t Ontroerde vader, dat Puck dan toch wel heel veel van mama scheen te
houden. En om die reden zou hij haar heel wat ergers dan zij nu had
uitgehaald, gauw en gemakkelijk vergeven hebben.—