V HOE VOORBARIG PUCK, EN HOE BEDROEFD LIENTIEN WAS.

’t Was de kinderkamer niet verteld, waarom papa en mama naar Utrecht

gingen, want papa was bang, dat de kleintjes het mama lastig zouden

maken met hun vragen, beklag, en van alles willen weten. Socrates en

Waldi zouden hun mond hebben gehouden, en bleven er dan ook doodkalm

onder, dat ze onkundig werden gelaten van de reden, waarom de groote

baas en vrouw op reis gingen. Lientien daarentegen was verbazend

nieuwsgierig, en Puck vond ’t onuitstaanbaar, dat groote menschen van

alles geheimen maken. Ze vroeg er Frits naar, maar die was natuurlijk

weer onuitstaanbaar vervelend met zijn: „kleine meisjes moeten haar

beurt afwachten en niet vragen.”

„Misschien zijn mamp en vader presentjes gaan koopen voor mijn

jaardag,” bedacht Lientien. Waarop Puck niet overbeleefd informeerde,

of Lientien bij geval mal was? In Den Haag kon je immers alles veel

mooier krijgen dan in dat duffe Utrecht?

„Nou ja...,” zei Lientien een beetje verlegen,... „maar we zullen ’t

toch wel gauw hooren als ’t wat prettigs is,” besloot ze hoopvol.

„Dat is ’t vast niet,” wist Puck, vinnig. „Nel wou ’t niet laten

merken, maar ik heb best gezien, dat ze huilde, toen oom en tante

wegreden.”

„O hemel!” zuchtte Lientien. „Zou Nel ’t ons niet willen vertellen?”

„Kan je denken,” lachte Puck schamper, „wij zijn immers maar kinderen,

die mogen per sé nooit wat weten.”

„Wat beteekent dat, per sé?” vroeg Lientien ongeduldig. „Je zegt

tegenwoordig altijd van die gekke woorden. Zeker van je vriendinnen

geleerd.”

„Iedereen weet, dat „per sé” „natuurlijk” beteekent,” verklaarde Puck

wijs.

„Nou,” meende Lientien, „dan zou ik ook maar „natuurlijk” zeggen, dat

begrijpt iedereen, en ik doe ’t ook.”

De meisjes zaten samen in den tuin onder de „Vorstin”, een prachtige

rooden beuk.

Met haar beidjes hadden ze alle boomen en planten namen gegeven, en

maakten daar grappige geheimpjes van.

De jasmijn heette „Tante Lotje”, omdat Sjarlotje zoo dol was op den

geur van de sterk riekende bloemen. De La-France rozenstruik werd

„mamp” gedoopt, dat was de mooiste plant uit den tuin. De stammargariet

heette „Puck” en de rose spiréa „Lientien”. Maar de witte meidoorn

moest en zou Frits tot peetvader hebben, had Puck bedacht, omdat hij

vol stekels zat. „Neen,” zei Lientien, „omdat de dunne takken bovenaan

op Frits’ armen lijken.” De Glycine, met haar volle paarse trossen, die

al hooger tegen den muur opklom, en zoo hoogmoedig op ’t kleine goed

aan haar voeten neerzag, was: „de trotsche fee”, en de gouden regen er

naast: „de schitterende edelknaap”.

De twee grappenmaaksters hadden de grootste pret, wanneer niemand

begreep, wat ze bedoelden, als ze ’t tegen elkaar bejammerden, dat „de

vorstin” al zoo „kaal” werd, of dat „de schitterende edelknaap” op

springen stond. Als Puck beweerde, dat „Rosa Fluweeltje” (een prachtige

licht roode begonia) erg geleden had door den regen, dacht Nel, dat de

kinderen ’t over een van de poppen hadden, en begreep niet, waarover de

twee schaterden van de pret, als zij knorde: „Waarom laten jullie je

poppen dan ook in ’t gras liggen?”

Als ze zoo samen waren, dacht Lientien dikwijls, kon Puck toch zoo echt

aardig zijn, en allerlei leuke dingen verzinnen.

Nu had ze ’t over „Frits”, die volgens haar maar eens flink gesnoeid

moest worden. „Hij groeit al maar in de lengte,” merkte zij op, „kijk

die lange takken eens bovenaan, je ziet haast geen blaadjes, alleen

stekels. Net jouw broer, die heeft ook zooveel praatjes en kale

drukte.”

„Frits heeft heelemaal geen kale drukte,” riep Lientien verontwaardigd,

„jij hebt altijd wat op Frits aan te merken.”

„Ja,” gaf Puck toe, „omdat hij ’t verdient.”

Lientien had geen lust om te kibbelen en stelde voor „Mama” te gaan

bekijken. Die had gisteren twee dikke knoppen, misschien was er wel een

uit.

Met de armen om elkaar heen, drentelden de meisjes den tuin door tot ze

’t rijtuig voor de deur hoorden stilhouden, en naar binnen vlogen. Doch

papa stuurde de kinderen weg, mamp had wat met Nel te bepraten, en ze

moesten nu niet hinderen.

Lientien ging gehoorzaam naar boven, Puck bleef zoo’n beetje

rondslenteren; ze had een plannetje bedacht. Jongejuffrouw

„Nieuwsgierigheid” kan ’t niet langer harden, en nauwelijks was de kust

vrij, of ze ging ’t uitvoeren. Ze moest weten wat die geheimzinnigheid

beduidde. De ramen van de huiskamer stonden open, dus sloop Puck weer

naar den tuin. Als ze voorzichtig in gebukte houding onder ’t venster

bleef staan, kon ze elk woord verstaan.

Lientien zat haar lessen nog eens ná te kijken en repeteerde net

hardop: „1625–dood van Maurits, 1647–...”

Daar werd de deur met een ruk opengegooid, en wild snikkend vloog Puck

binnen.

„O Lientien, ’t is vreeselijk! tante... je ma... ik heb ’t door ’t raam

gehoord. Nel huilt zoo, en ik geloof, dat je ma blind moet worden; de

professor heeft gezegd....” verder kwam ze niet. Want Lientien werd

doodsbleek, ze kon geen geluid voortbrengen, en stond Puck, verstijfd

van schrik, aan te staren, met zulke groote, angstige oogen, dat Puck

nog harder begon te huilen.

„Mampie blind, mampie blind!” stamelde Lientien radeloos... dat kon

toch niet... dat mocht niet... Pas als vader ’t ook zei, wou Lientien

dat vreeselijke gelooven.

Ze duwde Puck op zij, en geheel ontsteld, bevend van schrik, ging zij

papa opzoeken.

Vader zat op zijn kamer, stil voor ’t raam in den tuin te kijken, en

streelde Socrates, die op zijn knieën lag, zachtjes over den rug.

Nog even zag Lientien, dat papa bedrukt keek, maar er lang niet zoo

bedroefd uitzag, als zij verwachtte. Toen gaf ze Socrates een duwtje,

zoodat poes met een verontwaardigden „mauw” van papa’s schoot sprong,

en nestelde zich aan vaders borst, sloeg haar armen om zijn hals.

„Maar Lientien, m’n kindje, wat scheelt er aan?” suste vader het heftig

weenen van zijn dochtertje. Hij verstond nauwelijks haar gefluisterd:

„Is ’t waar, dat mampie...?” raadde tegelijkertijd de waarheid... En o!

wat was ’t toen zalig voor kleine Lientien door haar lieven vader zoo

heerlijk gerustgesteld en bemoedigd te worden.

’t Was nog wel náár zooals ’t was, doch gelukkig lang zoo erg niet als

Puck had gemeend. Lientien schreide allen angst en leed weg aan vaders

hart, beloofde hem een groot, verstandig meisje te zijn, en het mama

niet lastig te maken door overdreven beklag, en ’t haar voortdurend

laten merken, dat ze zich ontzien moest.

„’k Zal er mijn uiterste best voor doen,” zei Lientien ernstig, „en er

Puck ook aan herinneren, dat we net als anders tegen mamp moeten

wezen.”

„Wie heeft ’t Puck verteld?” vroeg papa, „ik had jullie toch gezegd

naar boven te gaan.”

Lientien kleurde. Klikken mocht ze niet van „Meester”. Dus zei ze met

een hangend hoofdje: „ze heeft ’t gehoord.”

„Zeker aan de deur geluisterd,” knorde papa, „en toen wist die stoute

meid niets beters te doen dan jou aan ’t schrikken te maken. Puck wordt

àl ongehoorzamer en...”

Maar daar kwam mama binnen. Die hoefde maar even naar Lientien te

kijken, en zonder vragen, trok ze ’t kind zoo innig naar zich toe, en

kuste zoo warm haar beschreid gezichtje, dat Lientien haar verdriet

vergat, en haar belofte aan vader indachtig, mampie toelachte.

Onderwijl vertelde ze, hoe ze eerst geschrikt was, omdat ze de zaak

verkeerd had begrepen. Maar nu vader haar alles had uitgelegd, was ze

toch zoo blij, dat lieve mamp altijd goed zou kunnen blijven zien,

wanneer ze maar deed wat de professor had aangeraden.—

Voor dit keer werd Pucks ongehoorzaamheid door de vingers gezien. Mama

had niet eens een goed woordje voor haar hoeven te spreken bij papa,

want ’t kind, dat in den eersten schrik half en slecht geluisterd had,

was zóó ontdaan en bedroefd, dat oom alle lust tot knorren verging,

toen zij berouwvol voor hem stond. Met een punt van haar schortje

veegde zij telkens haar dik behuilde oogen af, terwijl ze snikte: „Ik

kon ’t niet helpen, ik moest ’t Lientien vertellen, omdat ik toch zoo

vreeselijk geschrokken was. Want ik houd zoo veel van tante en nou

dacht ik, dat tante bl... blind zou worden, en dat...”

„Kom,” zei oom, „we zullen er dan maar niet verder over praten, dat je

zoo ongehoorzaam bent geweest. Ga maar gauw naar Lientien, en kus het

àf.”—

’t Ontroerde vader, dat Puck dan toch wel heel veel van mama scheen te

houden. En om die reden zou hij haar heel wat ergers dan zij nu had

uitgehaald, gauw en gemakkelijk vergeven hebben.—

Puck · 第 8 / 21 题