Zooals uit ’t vorige hoofdstuk blijkt, zou hij, die de familie
Canneheuvel nog in Utrecht wilde zoeken, verkeerd uitkomen. Om
verschillende redenen hadden de Heer en Mevrouw Canneheuvel besloten
naar Den Haag te verhuizen, kort ná het huwelijk van hun oudsten zoon,
Dolf, met Nel’s vriendin Loes (die omstreeks dienzelfden tijd naar
Indië waren vertrokken). Jan, de tweede zoon, die de Haagsche
Handelsschool bezocht, behoefde dan niet langer spoorstudent te zijn.
Voor tante Sjarlotje, die steeds erger aan rheumatiek begon te
sukkelen, en voor Nel, die nog al eens last van malaria had, was ’t
veel beter op duingrond te wonen. Toen vader en mama een geschikt huis
hadden gevonden, in Duinoord, werd het plan dan ook ten uitvoer
gebracht. De geheele familie was al gauw erg ingenomen met de
verandering van woonplaats. De heer en mevrouw Canneheuvel vonden er
verscheidene oude vrienden uit Indië terug; de kinderen genoten
oneindig meer van het heerlijk buiten wandelen en onderzoekingstochten
ondernemen nu duinen, bosch en zee zoo dicht bij huis te vinden waren.
Van Dolf en Lous kwamen voortdurend de beste berichten uit Semarang
(waar Dolf zich als dokter had gevestigd) en Jan maakte zich gereed hun
weldra de groeten van de geheele familie te gaan overbrengen. Op ’t
oogenblik was hij nog in ’t buitenland, om vreemde talen te leeren,
zooals vader en hij indertijd hadden afgesproken. Jan verbeeldde zich,
dat hij al aardig wat van de wereld had gezien. Hij vond het reizen
bizonder naar zijn smaak, en zou wel graag ontdekkingsreiziger zijn
geworden, als het maken van ontdekkingsreizen niet zulk een onzeker en
gevaarlijk bestaan had opgeleverd. Nel, nu de oudste thuis van de
kinderen Canneheuvel, was kort geleden één en twintig jaar geworden, en
een allerliefst jong meisje, kinderlijk in uiterlijk en manieren en nog
geheel de oude, hartelijke Nel van vroeger. Van hare studieplannen was
tot dusver niet veel gekomen. Eigenlijk vond zij ’t veel prettiger in
het huishouden bezig te zijn, en Nel was op weg, om, onder mama’s
leiding, een flinke huishoudster te worden.
Frits, de jongste van de jongens Canneheuvel, ging steeds met mooie
cijfers over op de H. B. S., en hoopte ’t volgend jaar eindexamen te
kunnen doen. Hij beloofde een slanke, flinke jonge man te worden, maar
in zijn lange armen en beenen was hij nog niet geheel gegroeid. Frits
kwam altijd tijd te kort, want hij had ’t heel druk op school, en
studeerde bovendien meer dan ooit viool, nu hij les kreeg van een
uitstekenden meester, en lid was geworden van een muziekclub.
Ja, dat de Canneheuveltjes groot werden, dat kon je ook best merken aan
Lientien, het Benjaminnetje in het gezin. Doch, al was Lientien al
negen jaar, ze werd nog wat graag als schootkindje behandeld, en voor
een vertrouwelijk praatje klom ze altijd bij vader op schoot. Papoes
zei dan, dat zoo’n groote meid zich wat schamen moest, haar voeten
reikten immers tot den grond als ze op vaders knie zat? Maar wie kon
lieve, aanhalige Lientien ooit iets weigeren? Ze keek altijd even
snoezig uit haar groote blauwe oogen en, met haar zijïg goudblond haar
en teer, fijn figuurtje, leek ze net een sprookjes-prinsesje, zei
Frits, als Lientien ’t niet hooren kon, want hij vond ’t in het geheel
niet goed kleine meisjes ijdel te maken. Aan Puck viel in dit opzicht
niet veel te bederven. Die keek voortdurend in den spiegel, en deed dan
erg aanstellerig, met haar hoofd op zij, om haar krullen goed in ’t oog
te krijgen.
Op een keer had Frits in Puck’s kamertje een grooten badhanddoek voor
den toiletspiegel gehangen, en al de kleine spiegeltjes, die hij vinden
kon, met lapjes bedekt. Frits’ goede bedoeling werd geheel miskend,
want Puck had groote en kleine lappen verwoed weggesmeten, en Frits
gevraagd wat hij zich wel verbeeldde? Hoe durfde hij op haar kamertje
en aan haar goed komen? Als hij ’t weer deed, ging ze net zoo lang op
zijn viool krassen tot al de snaren kapot waren. Dat hield Frits zich
voor gezegd, en zekerheidshalve hield hij voortaan zijn viool achter
slot in de kast, en den sleutel goed weggestopt. Met die Puck moest je
op alles verdacht zijn.—Nee, Puckie werd er lang niet liever op, en
Frits geloofde, net als Lientien, dat ’t allemaal van die vriendinnen
kwam. Want dat waren me je echte nuffen, met een hoop verbeelding! om
van te gieren. Laatst, toen hij Puck en die kinderen was tegengekomen,
had hij hen met zijn hand „bonjour” toegewuifd. En verbeeld je! Puck
was er woedend over uitgevaren naderhand, en had hem verweten: „Je hebt
geen manieren, Frits Canneheuvel; Ellen en Grace vonden ’t vreeselijk
onbeleefd, dat je je pet niet afnam, toen je groette. Dat doen de
andere jongens allemaal, maar jij weet niet hoe het hoort.” „O, neem
mij niet kwalijk, mejuffrouw,” had Frits toen gespot, „een volgende
maal zal ’t niet meer gebeuren.” En, om haar te plagen, zwaaide Frits
voortaan zijn pet bijna tegen den grond, als hij de meisjes tegenkwam,
maar keek haar daarbij zoo ondeugend spottend aan, dat ze best
begrepen, hoe Frits haar voor den mal hield.
Als Lientien alles had willen vertellen wat zij alzoo merkte en hoorde
van Puck, Grace en Ellen, zou mevrouw Canneheuvel al lang een stokje
hebben gestoken voor die innige vriendschap tusschen Puck en haar
vriendinnen. Maar de Canneheuveltjes hielden niet van klikken, en
bovendien begreep onschuldige Lientien lang niet alles, en liet zich
door Puck veel wijsmaken.
Alleen aan tante Sjarlotje vertelde Lientien nog wel eens een en ander
over Ellen en Grace als die bizonder onuitstaanbaar waren geweest. Doch
tante suste steeds: „dat moet je je maar niet aantrekken, Lientien,”
of: „ze hebben dat zeker zoo niet bedoeld.”—Tante Sjarlotje was altijd
voor den vrede. Ze naderde nu zoo zachtjes aan de zeventig en, hoe
kalmer ’t om haar heen was, hoe liever of ze ’t had. Handen en voeten
wilden niet best meer mee, gezwollen en stijf als zij waren door de
rheumatiek, en tante bleef dan ook meest altijd boven, in haar mooie,
ruime zitkamer, die mama erg gezellig en geheel naar Sjarlotjes smaak,
had ingericht. Zelfs ’s zomers werd daar op koude dagen gestookt, en ’t
moest al verbazend heet zijn, als tante haar warme stoof of handkruikje
wilde missen. Bij ’t opstaan en naar bed gaan werd zij stéeds geholpen,
meestal door mevrouw Canneheuvel. Kee (het tweede meisje), die veel van
tante Sjarlotje hield, kwam uit zich zelf telkens eens kijken, of ’t de
oude dame aan niets ontbrak. „Was de waterstoof nog wel warm genoeg,
tochtte ’t niet bij ’t raam, zou ze den stoel van de Juffrouw wat meer
in ’t zonnetje schuiven?” Dan bleef ze nog even wat babbelen, want
tante hield dol van een praatje, en haar hoofd was nog even helder als
twintig jaar geleden. Ze vond ’t heerlijk als de kinderen uit school
kwamen om haar hun schoolnieuws te vertellen. Wanneer Nel een heelen
middag bij haar kwam zitten naaien was ’t bepaald een feestdag voor
tante, en Frits maakte tijd, om voor tante Sjarlotje viool te spelen,
want een verrukter, dankbaarder toehoorster bestond er op heel de
wereld niet. Dikwijls kwam papa zijn zuster wat voorlezen, maar
voorlezen was voor tante bepaald een slaapmiddeltje. Daar dutte ze zoo
heerlijkjes bij in, dat ’t een genot was om te zien. Zelf lezen deed ze
nog graag: ouderwetsche boeken uit haar jeugd, die in keurige, kleurige
bandjes in het boekenkastje stonden. Die las en herlas ze. En als Nel
dan met een nieuw uitgekomen boek aankwam, dat ze prachtig vond, en
tante wou laten meegenieten, weerde Sjarlotje zachtjes àf. „Dankje
lieverd, maar ik lees liever „Het Heideprinsesje” nog eens over. Dat is
toch zulk een prachtig verhaal, dat ik ’t nooit genoeg kan lezen.”
Van al de huisgenooten was Lientien ’t meest en ’t liefst bij tante.
Die twee waren kinderen samen. Lientien maakte bij Sjarlotje haar
schoolwerk, en naaide, onder tantes toezicht, de kleeren voor haar
poppen, en intusschen had ze altijd wat te babbelen en te vertellen,
waarin tante verbazend veel belang stelde. Lientien werd ’t ook nooit
moe te luisteren naar de bekende verhalen uit tante’s jeugd.
„Komt mijn Lienepien daar weer?” riep tante vroolijk, als ’t kleintje
haar hoofdje om de kamerdeur stak. En Lientien: „Nou moet je toch
hooren tante Sjarlotje...” En Lientien stortte haar overvol hart uit,
want niemand in huis luisterde zoo geduldig en vond alles wat Lientien
vertelde zóó gewichtig als tante Sjarlotje.
„U is eigenlijk net zoo goed een vriendin van mij als Annie en Wimpie,
hè Sjarlottepotje?” kon Lientien zoo hartelijk zeggen, terwijl ze, net
als vroeger, met haar hoofdje op zij, tante vleiend aankeek.
Tante vergat, dat zij bijna zeventig en Lientien nog geen tien was, en
knikte blij: „Natuurlijk, Lienepien, wat dacht je anders?” En ’t oude
en ’t jonge kind pakten elkaar eens terdege.
Op een Woensdagmiddag kwam Lientien tante vertellen, dat de jurk voor
Francine moest blijven liggen, want ze ging met Frits en Puck naar
„stad”.
Frits zou voor mamp verschillende soorten postzegels gaan koopen aan ’t
groote postkantoor, en de kleine meisjes gingen mee, want Waldi was ook
van de partij, en die mocht niet naar binnen in ’t postkantoor. Dus zou
Lientien hem zoolang aan de lijn houden. Daarna zou de verrassing komen
(voor Puck), want Frits had Lientien in ’t geheim beloofd, dat ze
poffertjes zouden gaan eten in de Prinsestraat. En met ’t oog daarop
had Lientien, om twaalf uur, verdacht weinig eetlust voorgewend.
Even half drie stapte ’t drietal er al op uit. Gelukkig, dat Lientien
en Puckie met haar beiden waren, want ’t bleek een heele toer Waldi
vast te houden, toen Frits ’t postkantoor binnen ging.
Waldi had namelijk een van zijn dolle buien, en wou Frits met geweld
volgen. Als een razende trok hij aan de lijn, en slaakte de snijdenste
gilletjes. Vier kleine stevige handen waren bijna niet genoeg om den
stouterd terug te houden. Als iemand ’t kantoor binnen ging, wou en zou
Waldi hem achterna om baasje Frits te zoeken. Lientien zag rood van
inspanning, Puckie schold op Waldi, en schopte naar hem; raken kon zij
den vluggerd niet... Waar bleef Frits toch! „’t Duurde zeker zoo lang,”
dacht Lientien, „omdat hij zoo veel verschillende soorten van
postzegels hebben moest.”
Er kwam een hoopje menschen om de meisjes heen staan, en een oude
juffrouw onderzocht met strenge stem, of dat hondje haar wel toehoorde.
Zijn eigen vrouwtjes moest dat stomme beest toch beter kennen.
Puck vroeg, of ’t soms een gewoonte van de juffrouw was om zich met
eens anders zaken te bemoeien, maar Lientien legde het geval uit met
een zacht, verzoenend stemmetje, waarop de juffrouw verklaarde, dat zij
een lieverdje was, en vroeg, of ze ook helpen zou. Doch daar kwam Frits
gelukkig aan.
Kalmpjes liet hij Puck’s stroom van verwijten over zich heen gaan, en
kalmeerde Waldi’s uitbundige liefdesverklaringen, terwijl hij hem van
de lijn los maakte.
„Komt nou maar kinderen,” „vaderde” hij wijs, „nog even voor pa sigaren
bestellen, en dan... de verrassing.”
Lientien, zielsvergenoegd, haakte bij Frits in, en pakte aan den
anderen kant Puck beet. „Weet je wat de verrassing is, Puck?” vroeg
ze... „Frits wil ons op poffertjes trakteeren. We mogen ieder twee
bordjes, dol hé?”
„Dol!” kwam de echo van Puck. „Mag Waldi los mee?”
„Als er geen andere honden binnen zijn,” besliste Frits, „en hij krijgt
ook een poffer, maar zonder boter en suiker.”
„Die lik ik er wel àf,” beloofde Lientien.
’t Was leeg in het poffertjes salonnetje, toen Frits er met de meisjes
binnen kwam.
Hij deed heel deftig, en bestelde groote-heerachtig, maar in zijn hart
verheugde hij zich niet minder op ’t festijn dan Lientien en Puck, want
hij was ook dol op poffertjes.
Al gauw zat ’t drietal voor de smakelijk toebereide bordjes. Waldi
wachtte vrij geduldig zijn beurt àf, hij zat op een stoel naast Frits,
die hem zekerheidshalve aan de lijn had gehouden. En dat was maar goed
ook, want met een vaart sprong Waldi op eens van den stoel, en wilde
luid jankend op een grooten patrijshond af, die (gevolgd door een dame
en twee meisjes) het salonnetje binnenstoof.
„O hemel! daar heb je „Avanti” en daar komen Ellen en Grace met hun
mama,” riep Puck. Ze kreeg een kleur van pleizier, terwijl Avanti tegen
haar opsprong.
„Dop dan toch, Frits,” riep ze driftig.
Frits had echter maar moeite Waldi in bedwang te houden. Hij groette
onhandig, zoodat zijn pet op den grond viel.
Puck was intusschen opgevlogen, en begroette haar vriendinnen
hartelijk, al deed ze ’t wel wat druk en lacherig. Nu, dat was in orde,
doch ’t geen nu volgde in ’t geheel niet.
In plaats van bij Frits, Lientien, Waldi en haar, half leeg gegeten
bordje terug te komen, schoof Puck naast haar vriendinnen aan een
tafeltje verderop, en keek niet meer om naar de anderen. Mevrouw
bestelde ook voor haar, en daar bleef me dat kind warempel bij die
„vreemden” zitten. Lientien keek eerst verbaasd, maar toen echt boos
naar trouwelooze Puck. Doch Frits, rood van ergernis, stond eensklaps
op, en ging vastberaden naar ’t andere tafeltje toe.
Hij vond Puck’s gedrag verbazend onaardig en onbeleefd; daar hij
bovendien een hekel had aan haar omgang met die malle nuffen van Van
Bergen, nam hij de zaak dubbel hoog op.
„Neem mij niet kwalijk mevrouw,” zei hij, een beetje haperend (want hij
verbeeldde zich dat de nesten spottend naar hem keken), „ik kom Puck
even halen, ze heeft haar poffertjes nog niet eens op, en ze is met ons
uit.”
„Ooo...” antwoordde mevrouw Van Bergen, „nou, net als Puck wil... Ellen
en Grace vonden ’t juist zoo prettig, dat ze haar hier troffen en...”
„Ik blijf hier ook veel liever,” vulde Puck aan, terwijl ze Frits’
woedende blikken met woeker terug gaf.
Even keek Frits verbluft, toen groette hij mevrouw zeer stijfjes,
verwaardigde de nesten met geen blik, en keerde naar Lientien terug.
Wat kon hij anders doen? ’t Ging toch niet aan, om Puck mee te sleuren.
Met opzet verschoof hij zijn stoel, zoodat hij met den rug naar ’t
tafeltje van de anderen kwam te zitten, at zijn tweede bordje en
presenteerde Lientien heel edelmoedig een derde portie. Maar zusje
bedankte uit den grond van haar hart, want ze had met moeite haar
bordje leeg gegeten, en Waldi veel meer toegestopt dan goed voor hem
was. Neen, door Puck’s schuld was ’t aardig plannetje eigenlijk
mislukt. Lientien vond ’t dan ook geheel in orde, dat Frits, bij ’t
weggaan, in ’t geheel geen notitie meer nam van Puck en die „Van
Bergens”.
Terwijl ze vlug voortstapten, voelde Lientien zich echter toch wel
bezwaard over Puck en ze vroeg: „Wachten we niet op Puck, Frits? Moet
ze nou alleen naar huis? Mevrouw Van Bergen woont een heel anderen kant
uit...”
„Kan me niet schelen,” betuigde Frits, „al liep ze in zeven sloten
tegelijk, dat nare wurm!...”
Maar aan ’t eind van de Prinsestraat bleef hij toch staan en
omkijken... Geen spoor van Puck. ’t Was al laat. Ze moesten aanstappen,
wilden ze op etenstijd thuis zijn.
Over half zeven kwam Puck pas haastig aanvliegen. Mevrouw Van Bergen at
heel laat, en Puck had onder ’t drukke babbelen den tijd geheel
vergeten. Erg verschrikt, toen ze hoorde hoe laat ’t al was, had ze
zich verbazend gerept, stoof Geertje, die haar opendeed, met een vaart
voorbij, en kwam met een vuurrood gezicht binnen. Kee was al bezig àf
te nemen, en Nel spoelde de glazen aan het buffet.
„Dag Nel,” zei Puck ontdaan. „Is ’t al zoo laat? Ik dacht...”
„Je moest je schamen, Puck,” knorde Nel, „pa en ma zijn heel boos op
je. Ik moet zeggen, jij houdt er nette manieren op na. Wij zouden ’t
geen van allen in ons hoofd krijgen over etenstijd thuis te komen.”
Puck keek op de klok: „Anders zijn we nooit om kwart vóór zeven al
heelemaal klaar,” pruttelde ze, „waarom?...”
„Vader moest uit, en mamp kwam niet aan tafel, omdat ze zoo’n hoofdpijn
kreeg en naar bed ging,” verklaarde Nel. „Je begrijpt, dat we geen lust
hadden op jou te blijven wachten... je vindt dan ook den hond in den
pot, meisje.”
„Nou, dat was ’t minste,” dacht Puck. Mevrouw Van Bergen had haar
zooveel poffertjes opgedrongen, dat ze daar vooreerst haar bekomst van
had. En toen dat gejacht en gevlieg! Ze was aan ’t huilen toe van
overspanning en zenuwachtigheid.
Puck voelde ook best aan ’t kloppertje van binnen, dat „Meester” haar
gedrag streng afkeurde, en nu kreeg ze zeker straf en iedereen was
kwaad op haar.
Natuurlijk, omdat ze een kind was, een groot mensch kon doen wat hij
wou, maar haar werd alles kwalijk genomen.
Dit leek dit keer dan wel heel erg ’t geval te zijn. Puck kreeg dien
avond nog van oom zulk een ernstige vermaning, dat ze tranen met tuiten
schreide. Te meer omdat oom er bijvoegde, dat hij er hard over dacht,
haar den verderen omgang met Ellen en Grace te verbieden. Die meisjes
schenen al een heel verkeerden invloed op Puck uit te oefenen, en dat
mocht zoo niet langer. Tante was er niet om een verzachtend woordje mee
te spreken, en Puck mocht haar geen „goedennacht” gaan zeggen. Lientien
en Nel zaten boven bij tante Sjarlotje, maar Puck durfde er niet
heengaan, nu niemand haar kwam roepen. Ze had een treurigen, eenzamen
avond, geen ziel keek naar haar om.
Toen Puck naar bed ging was ze zoo boos en verdrietig, dat ze lust had
om iedereen te stompen. Nu deed ze het haar kussen maar, en lag nog
lang te brommen en te foeteren. Ze had een hekel aan alle menschen en
aan alles, ’t meest nog aan poffertjes, want ze had er veel te veel van
gegeten en nu bezwaarden ze haar.