mijn zoon Jack! Wat ben ik blij, nu ik je weer zie, Jack--wezenlijk
heel blij," vervolgde de oude man en greep beide zijn handen--"heel
blij dat je thuis gekomen bent. Ik verlangde zoo naar je; ik heb je
hulp noodig bij de uitvoering van mijn grootsch en roemrijk plan,
dat nu, den hemel zij dank, met spoed zijn voltooiing nadert. Weldra
zullen de gelijkheid en de rechten van den mensch overal afgekondigd
worden. De drang van buitenaf is ontzaglijk, en de bolwerken onzer
belachelijke maatschappelijk en staatkundige inrichting zullen
vallen. Spoedig zal de gouden eeuw aanbreken, het ware duizendjarig
rijk--en niet dat, waarover je moeder het altijd had. Ik sta aan het
hoofd van negen-en-twintig vereenigingen, en als mijn gezondheid mij
bijblijft, zul je zien wat ik tot stand breng, nu ik ook op jouw hulp
rekenen kan, Jack." En meneer Rustig's oogen begonnen te glinsteren,
als die van een overspannen krankzinnige.
Jack zuchtte en om het gesprek een andere wending te geven merkte
hij op:
"Wat heeft hier een groote verandering plaats gehad, vader! Waar
dient dat alles voor? Is dat soms een werktuig om er de gelijkheid
en de rechten van den mensch mee af te meten?"
"Mijn waarde zoon," hernam meneer Rustig, terwijl hij op zijn gemak
ging zitten en de beenen over elkaar sloeg--"ja, zie je, mijn waarde
zoon, dat is 't eigenlijk niet precies, maar toch verraadt uw gissing
eenig helder inzicht, want als mijn uitvinding bijval vindt (en daar
twijfel ik geen oogenblik aan), zal ik de groote kunst ontdekt hebben
om alle onvolkomenheden van de natuur te verhelpen en aan het gansche
menschengeslacht een gelijkheid van organisatie te bezorgen, door het
aanbrengen der edeler organen van menschelijkheid en het vernietigen
der lagere. 't Is een prachtige uitvinding, Jack, allerprachtigst. Ze
spreken wel van Gall en Spurzheim, en dergelijken, maar wat hebben
die gedaan? Niets anders dan de hersenmassa afgedeeld, de organen
tot klassen gebracht en aangewezen waar ze hun zetel hebben; maar wat
heeft dat alles geholpen? De moordenaar van nature is een moordenaar
gebleven, de goedhartige goedhartig; van verandering van inborst was
geen sprake, en het middel daartoe heb ik nu juist gevonden."
"Maar, vader, het orgaan der goedhartigheid zult ge toch stellig niet
willen wijzigen?"
"Zeker wel, Jack. Ikzelf, bijvoorbeeld, lijd aan te sterke ontwikkeling
van dat orgaan; heb ik 't maar eerst wat beperkt, dan zal ik in staat
zijn tot groote dingen, dan zal ik me niet meer laten afschrikken door
moeilijkheden, zal alle bezwaren weten te overwinnen en enkel het
oog gericht houden op het groote vraagstuk der algemeene gelijkheid
en der hoogste rechten van den mensch. De laatste drie maanden stop
ik mijn hoofd elken morgen twee uren lang in de machine, en ik kan
goed merken dat 't dagelijks al beter met me wordt."
"Zou u me die buitengewone uitvinding niet eens wilien uitleggen,
vader?" zei onze held.
"Welzeker, mijn jongen, met alle genoegen. Zooals je ziet is er
midden-in een vorm, die een manshoofd kan bevatten--natuurlijk
een beetje ruim--en daar onderaan een soort van ijzeren halsband,
waarop het hoofd rust. Is nu het hoofd behoorlijk daarin bevestigd,
en moet de afmeting van een of ander orgaan beperkt worden, dan neem
ik het knopje, dat correspondeert met de plek waar dat orgaan in het
cranium zetelt, en bevestig het er op. Want je zult wel opmerken,
dat al de knopjes aan de binnenzijde van den vorm correspondeeren
met de organen, zooals die beschreven staan in dit pleisterafgietsel
op tafel. Ik schroef dan de knop flink aan, en verhoog de drukking
dagelijks, totdat het orgaan geheel en al verdwijnt of teruggebracht
is tot den vereischten omvang."
"Dat begrijp ik volkomen, vader," antwoordde Jack; "maar verklaar me
nu ook eens, hoe gij het aanlegt om een orgaan, dat niet aanwezig is,
te doen ontstaan."
"Dat is nu juist de grootste volmaaktheid van de heele uitvinding,"
antwoordde meneer Rustig, "want zonder dat zou ze weinig waard zijn. Ik
ben stellig overtuigd, dat mijn ontdekking mij vereeuwigen zal. Let
maar eens op al deze kleine glazen klokjes, die in verbinding staan
met de luchtpomp. Ik scheer mijn patiënt het hoofd kaal, smeer dat een
weinig met vet in, en plaats er het glazen klokje op, dat precies den
vorm heeft, die het orgaan in lengte en breedte krijgen moet. Ik laat
de luchtpomp werken en ontwikkel het orgaan door zuiging. Missen kan 't
niet. Daar heb je, bijvoorbeeld, mijn bottelier, een man die verleden
voorjaar een moord begaan heeft en ternauwernood aan de galg ontsnapt
is. Hem heb ik met opzet gekozen; het orgaan voor moord heb ik geheel
en al weggedrukt en dat voor goedhartigheid zoo sterk ontwikkeld,
dat 't haast zoo groot is als een duivenei."
"Nu, vader, als het opgang maakt, zal 't een winstgevende uitvinding
zijn."
"Opgang maken!--wel, dat kan immers niet missen. Het heeft me bijna
twee duizend pond gekost. In 't voorbijgaan gezegd, Jack, je hebt
't wat erg rijkelijk aangelegd, en bij mijn eigen uitgaven heeft
't me wel eens moeite gekost je wissels te betalen. Niet dat ik er
aanmerking op wil maken--maar met al die genootschappen, mijn machine,
de weigering van mijn pachters om de huurpenningen te betalen, op
grond dat de hofsteden even goed van hen als van mij zijn--wat ik
niet tegen kan spreken--ben ik soms in geldverlegenheid geraakt."
"De gouverneur heeft wel gelijk gehad," dacht Jack, en vroeg, om het
gesprek op iets anders te brengen, naar dokter Middleton.
"Die arme kerel! Hij is nog in leven--ik geloof zelfs, dat hij zich
heel wel gevoelt. Dat is nu iemand, die altijd zijn neus in een ander
mans zaken wil steken, en zich onder anderen ook over mijn bedienden
beklaagt--maar ik laat den onnoozelen hals stilletjes praten. Zoo
deed ik met je moeder ook, dat arme schaap."
"Met uw verlof, vader, ik heb me ook te beklagen over de
onbeschaamdheid van uw bedienden; maar als u 't goed vindt, zullen
we daar later overspreken, want op het oogenblik heb ik behoefte aan
wat eten."
"Welzeker, Jack, als je zoo'n honger hebt--ik ga met je mee. Te
klagen over mijn bedienden, zeg je?--Dat moet stellig een vergissing
zijn--iederen morgen krijg ik ze onder mijn machine; maar ik moet
ook nog een kleine verbetering aanbrengen. Je begrijpt, Jack, dat er
iets indrukwekkends aan verbonden dient te zijn: het geheele toestel
moet een voet of wat hooger komen, bij wijze van een troon, want het
is de troon der rede, de overwinning van den geest over de natuur."
"Alles goed en wel, vader; maar ik heb een verbazenden honger."
Jack en zijn vader gingen naar de huiskamer en er werd gescheld;
er kwam evenwel niemand, en Jack stond op om nogmaals te schellen.
"Mijn beste jongen," merkte meneer Rustig op, "wees toch niet zoo
haastig: iedereen zorgt natuurlijk eerst voor hetgeen hij zelf noodig
heeft, en daarna voor een ander. Mijn bedienden nu...."
"Zijn een troep onbeschaamde vlegels, en onbeschaamdheid heb ik nooit
kunnen verdragen. Toen ik hier in huis kwam, heb ik er al één een
peuter gegeven, en als gij 't goedvindt, zal ik er morgen minstens
twee wegzenden."
"Mijn waarde zoon," riep meneer Rustig uit, "gij een van mijn
bedienden slaan!--maar beseft ge dan niet, dat volgens de wetten
der gelijkheid...."
"Wat ik besef is dit, vader," antwoordde Jack, "dat, volgens
alle maatschappelijke wetten, wij het recht hebben beleefdheid en
gehoorzaamheid te verwachten van degenen, die door ons betaald en
gevoed worden."
"Betaald en gevoed! Maar, mijn waarde zoon,--mijn beste Jack.--bedenk
toch...."
"Ik bedenk alles heel goed, vader; maar als uw bedienden niet heel
gauw tot bezinning komen, moeten zij of ik de deur uit."
"Maar, mijn beste jongen, ben je dan de beginselen, die ik je
ingeprent heb, heelemaal vergeten? Was je naar-zee-gaan niet juist een
zoeken naar de gelijkheid, die hier aan den wal door dwingelandij
en overheersching te niet gedaan wordt? Erken en steun je mijn
wijsbegeerte niet langer?"
"We zullen daar morgen eens uitvoerig over praten, vader,--voor het
oogenblik verlang ik naar wat eten," en Jack gaf driftig een ruk aan
de schel.
Op die laatste aanmaning verscheen de bottelier, gevolgd door Mesty,
die er van kwaadheid als een duivel uitzag.
"Lieve hemel, wat is er dat voor een?"
"Mijn bediende, vader," riep Jack opspringend; "iemand op wien ik
vertrouwen kan en die mij gehoorzaamt. Mesty, laat me onmiddellijk
wat eten en wat wijn brengen--zorg dat die schobbejak het in een wip
klaar heeft. Maakt hij niet voort, gooi hem dan de deur uit en sluit
hem er buiten. Begrepen?"
"Jawel, Massa," grijnsde Mesty; "u zult gauw genoeg een maal voor
u hebben, of anders.... Volg me," snauwde hij den bottelier toe;
"vlug wat, of ik zal je laten merken met wie je te doen hebt."
"Breng onmiddellijk avondeten en wijn," zei meneer Rustig op een
bevelenden toon, dien zijn bottelier nog nooit van hem gehoord had.
De bottelier verliet de kamer, gevolgd door den neger.
"Mijn beste jongen,--mijn Jack--aan den honger kan ik veel vergeven,
maar waarlijk je bent veel te heftig. De beginselen...."
"Och wat, met uw beginselen, 't is onzin anders niet, vader!" riep
Jack driftig uit.
"Hoe, Jack!--mijn zoon--wat moet ik hooren? En nog wel van
jou--onzin! Maar, Jack, wat heeft kapitein Wilson toch wel met je
uitgevoerd?"
"Mij weer bij mijn verstand gebracht."
"O hemeltje! mijn dierbare Jack, je zult me het mijne nog doen
verliezen."
"Dat is al niet meer noodig," dacht Jack.
"Dat gij, mijn zoon, zoo zorgvuldig opgevoed in de groote,
roemvolle school der wijsbegeerte, zoo moest afdwalen--zoo
gewelddadig worden--dat gij uw verheven wijsbegeerte, en alles
moest vergeten--evenals Ezau, die zijn eerstgeboorterecht voor een
maal linzen verkocht! O, Jack, gij doet mij den dood aan! En toch
heb ik u lief, Jack,--want wien heb ik anders op de wereld? Doch
geduld maar, wij zullen er over redeneeren, mijn jongen--ik zal je
overtuigen--binnen een week zal alles weer in orde zijn."
"Dat zal 't, als ik er iets aan doen kan," antwoordde Jack.
"Zoo mag ik 't hooren,--dat geeft troost, veel troost--maar ik begin
nu te gelooven, dat ik verkeerd gedaan heb met je op zee te laten
gaan, Jack."
"Volstrekt niet, vader."
"Nu, het doet me genoegen, dat je zoo spreekt; ik dacht anders,
dat ze je te gronde hadden gericht, dat ze al je wijsbegeerte hadden
te niet gedaan--maar het zal wel weer te recht komen--je zult onze
vergaderingen bijwonen, Jack,--ik ben er president van--je zult me
hooren spreken, Jack,--je zult me hooren donderen als Demosthenes--maar
daar komt het eten."
De bottelier, gevolgd door Mesty, die hem als een gevangene bewaakte,
verscheen nu met spijzen, zette die gemelijk neer en ging heen. Jack
beval Mesty te blijven.
"Wel, Mesty, hoe is het in de bodenkamer gesteld?"
"'t Is er kompleet oproer, meneer,--ze hebben gezworen, dat ze zich
niet door ons zullen laten ringelooren, en dat wij beiden morgen de
deur uit moeten."
"Mijn huis verlaten, Jack, en dat na vier jaren afwezigheid!--neen,
neen! Ik zal eens met hen gaan praten, hen tot rede brengen. Je weet
niet hoe welbespraakt ik ben, Jack."
"Hoor eens, vader, dat mag ik niet toestaan, een van beiden: geef
me onbeperkte volmacht om de huishouding hier op orde te brengen,
of ik ga morgen hier vandaan."
"Heengaan, Jack! neen, neen--geef hun de hand en wordt weer goede
maatjes met hen, wees beleefd en zij zullen u dienen--maar je weet,
volgens de beginselen...."
"Beginselen van den duivel!" schreeuwde Jack woedend.
"Van den duivel, Jack? Och, was je maar nooit op zee gegaan!"
"Kort en goed, vader, stemt ge toe, of moet ik het huis verlaten?"
"Het huis verlaten! O neen; niet heengaan, Jack. Je bent mijn eenige
zoon. Doe dan maar liever al wat je goedvindt--maar zend toch dien
moordenaar niet weg, want ik moet hem volkomen genezen, en in hem de
deugdelijkheid van mijn bewonderenswaardige uitvinding bewijzen."
"Mesty, breng mijn pistolen in gereedheid voor morgenochtend, en de
jouwe ook--begrepen?"
"Jawel, Massa," antwoordde Mesty. "Die maatregel is hoog noodig."
"Noodig!--pistolen, Jack? Wat beteekent dat toch?"
"'t Is mogelijk, vader, dat gij uw moordenaar nog niet geheel genezen
hebt, en daarom is het goed op zijn hoede te zijn. Voor het oogenblik
wensch ik u goedennacht; maar doe me, eer ik ga, het genoegen, een
der bedienden hier te roepen om hem op te dragen aan de anderen mee
te deelen, dat de huishouding voortaan onder mijn toezicht komt."
Er werd opnieuw gescheld, en ditmaal werd er spoediger gehoor
aangegeven. Jack zei nu den bediende, dat hij, met toestemming van
zijn vader, voortaan het geheele beheer op zich zou nemen, en dat het
dienstpersoneel de orders van Mesty had op te volgen. De man staarde
hem een tijd lang verwezen aan, sloeg daarna een vragenden blik op
meneer Rustig, die aarzelde, maar ten laatste zei:
"Ja, Willem; je zult me wel bij allen verontschuldigen en zeggen,
dat ik 't zoo geregeld heb."
"Geen verontschuldigingen, tegenover niemand," riep Jack uit; "maar
zeg hun, dat ik morgenochtend, den heelen boel regelen zal. Laat de
huisknecht hier komen om me mijn slaapkamer te wijzen. Mesty ga je
avondmaal gebruiken en kom daarna bij me; als er een durft weigeren,
onthoud hem dan goed, en wijs me hem morgenochtend. Nu weet je hoe
het staat," vervolgde hij tot den bediende; "ingerukt, en breng me
een kandelaar."
Vijf-en-twintigste hoofdstuk.
Jack brengt orde in den warboel ten huize zijns vaders en
ondervindt daarbij veel steun van dokter Middleton.
We kunnen ons nu eenigszins voorstellen, hoe het bij de aankomst
van onzen held in de huishouding van Meneer Rustig toeging. De arme
maanzieke, want zoo kunnen we hem gerust noemen, was overgeleverd aan
de willekeur zijner bedienden, die hem bestalen, veronachtzaamden en
den spot met hem dreven. De verkwisting in de uitgaven bereikte een
ongewone hoogte. Onze held, die zag hoe het geschapen stond, ging
naar bed en lag het grootste gedeelte van den nacht te overpeinzen
wat hij doen moest. Hij besloot eindelijk dokter Middleton te laten
halen en met hem in overleg te treden.
Den volgenden morgen stond Jack vroegtijdig op; zoodra hij schelde,
kwam Mesty met warm water aandragen.
"Drommels, Massa Rustig, wat een vreemde ouwe heer is uw vader. 't Is
daarboven niet recht pluis met hem." liet hij er op volgen en tikte
ter verduidelijking tegen zijn voorhoofd.
Jack zuchtte en gelastte Mesty om een der stalknechts bij hem te
zenden. Toen de geroepene verscheen, beval hij hem naar dokter
Middleton te rijden en dien te verzoeken zoo spoedig mogelijk op
Boschlust te komen.
De man, die werkelijk een goede bediende was, antwoordde beleefd:
"Om u te dienen, meneer!" en haastte zich om den ontvangen last
te volbrengen.
Jack ging naar beneden en vond het ontbijt al gereed, maar zijn vader
was niet in de kamer, hij begaf zich nu naar diens studeervertrek
en trof hem bezig met den timmerman, die aan het maken was van een
soort van podium of verhooging, waarop de wonderdadige uitvinding
geplaatst zou worden. Meneer Rustig had 't zoo druk, dat hij niet
aan het ontbijt kon komen, en dus begon Jack er alleen maar aan. Een
uur later hield dokter Middleton's rijtuig aan de voordeur stil. De
dokter begroette onzen held hartelijk.
"Mijn waarde heer,--want ik dien u nu wel meneer te noemen--ik ben
hoogst verblijd, dat gij terug zijt gekomen. Ik kan u verzekeren,
dat het geen oogenblik te vroeg is."
"Dat heb ik ook begrepen," antwoordde Jack. "Neem plaats, alsjeblieft,
dokter; heeft u al ontbeten?"
"Neen, eigenlijk niet; want ik was zóó verlangend om hier te komen,
dat ik onmiddellijk heb laten inspannen."
"Zit dan mee aan, dokter, we kunnen dan meteen op ons gemak het
noodige bespreken."
"Natuurlijk heb gij al opgemerkt hoe 't met uw vader gesteld is. Hij
is volkomen buiten staat om langer zijn eigen zaken te beheeren."
"Dat vrees ik ook."
"Hoe denkt gij te handelen,--ze misschien in handen van gevolmachtigden
te stellen?"
"Ik zal mijn eigen gevolmachtigde zijn, dokter Middleton. Geef ik de
zaken aan anderen in handen, dan moet ik noodzakelijk den toestand
van mijn vader bloot leggen en dat stuit me te veel tegen de borst."
"Ik kan dat heel goed begrijpen; 't is ook voldoende, als hij er maar
toe te brengen is, het beheer geheel en al aan u over te laten."
"We zullen er ook wat politie bij moeten halen," hernam Jack, "want
dat spitsboevenrommeltje hier in huis, verkeert in een toestand van
openbare muiterij."
"Gij zult er nog heel wat last mee hebben," zei de dokter. "Weet ge
al wat die bottelier voor slag van een kerel is?"
"Ja, dat weet ik uit vaders eigen mond. Ik zou 't waarlijk als een
groote gunst beschouwen, dokter, als u een paar dagen hier zoudt
willen blijven, nu gij naar ik hoor de praktijk hebt neergelegd."
"Ik had al plan u dat voor te stellen, mijn jonge vriend. Ik zal met
twee van mijn bedienden hier komen; want die nu in huis zijn moet
ge ontslaan."
"Zelf heb ik er een, die zijn gewicht in goud waard is, dus dat zal wel
voldoende wezen. Ik zal iedereen wegzenden, van wien gij dat noodig
oordeelt, het vrouwelijk personeel kunnen we voorloopig waarschuwen
en langzamerhand door anderen vervangen."
"Zoo zou ik ook voorgesteld hebben," antwoordde de dokter. "Als gij 't
goedvindt, zal ik nu de hulp van een paar politieagenten gaan inroepen
en mij ook bij uw vaders vroegeren rechtsgeleerden raadsman vervoegen."
"Zeer goed," zei Jack, "en dan moeten we ook uit visschen wie van de
pachters, op grond der beginselen van gelijkheid, de pacht weigeren
te betalen, en hen duchtig achter de vodden zitten."
"Tot mijn groote blijdschap bespeur ik, mijn jonge vriend, dat uw
vaders onzinnige denkbeelden geen wortel bij u geschoten hebben."
"Toch merk ik er soms nog een staartje van, dokter," antwoordde
Jack glimlachend.
"Komaan, nu moet ik u voor een paar uren verlaten, en daarna zal ik,
als gij 't goedvindt, hier mijn kwartier opslaan zoo lang als gij
het wenschelijk acht."
Nog vóór den middag was dokter Middleton al weer terug, vergezeld van
meneer Hanson, den zaakwaarnemer; ook bracht hij zijn valies en twee
knechts mee. Meneer Rustig was in de huiskamer gekomen en zat aan
zijn ontbijt, toen zij binnentraden. Hij ontving hen vrij stroef;
maar toen zij zich een paar woorden van lof over zijn verrassende
uitvinding lieten ontvallen, veranderde zijn houding geheel. Nadat Jack
hem herinnerd had aan zijn belofte, dat hij in 't vervolg het beheer
over de zaken zou hebben, werd de oude heer gemakkelijk overgehaald om
de daartoe vereischte verklaring te onderteekenen. Meneer Rustig gaf
nu aan Jack den sleutel van zijn schrijflessenaar en meneer Hanson
begon de boeken en papieren te doorsnuffelen, om zich behoorlijk op
de hoogte te stellen van den staat van zaken. Intusschen kwamen ook
de politieagenten opdagen. Al de bedienden werden binnengeroepen;
meneer Hanson liet hun het stuk zien, waarbij aan Jack volmacht werd
verleend om in naam zijns vaders te handelen, en binnen een half uur
was het heele mannelijke dienstpersoneel ontslagen, op twee stalknechts
na. De aanwezigheid der politie en van Mesty voorkwam elk verzet,
maar toch kon de bottelier niet laten eenige verwenschingen uit te
stooten. Zoo had dan Jack in vier-en-twintig uren tijds een totale
ommekeer in de huishouding teweeggebracht.
Meneer Rustig bemoeide er zich volstrekt niet mee; hij ging weer naar
zijn studeerkamer bij zijn wonderbaarlijke uitvinding. Mesty had de
sleutels van den kelder onder zijn berusting en kreeg het oppertoezicht
over het personeel, dat nog gebleven was. Dokter Middleton, meneer
Hanson, meneer Rustig en Jack zetten zich aan het middagmaal, en in
alles heerschte de beste orde. Meneer Rustig at met smaak, maar zei
niets zoolang het diner duurde. Nauwelijks was dit echter afgeloopen,
of hij sloeg als gewoonlijk aan 't redeneeren over de waarheid en
deugdelijkheid zijner wijsbegeerte.
"Wat ik zeggen wil, mijn zoon, als ik me wel herinner, heb je me
gisteravond verteld, dat je niet langer mijn gevoelen deelde. Laten
we dat nu eens grondig bespreken."
"Met alle genoegen, vader," antwoordde Jack. "Wilt u maar beginnen?"
"Eerst de glazen gevuld," riep meneer Rustig uit; de glazen gevuld,
en dan zal ik Jack tot mijn denkwijze terugbrengen. Nu dan, mijn
zoon, gij zult, hoop ik, niet ontkennen, dat wij door geboorte allen
gelijk zijn."
"Dat ontken ik wel degelijk," antwoordde Jack. "Te onderstellen dat
alle menschen door geboorte gelijk zijn, is vooronderstellen dat allen
begaafd zijn met dezelfde lichaamskracht, en dezelfde vatbaarheid
van geest, wat, zooals we weten, niet het geval is."
"Best mogelijk," hernam meneer Rustig; "maar dat bewijst nog niet,
dat de aarde er niet op aangelegd is, om onder allen gelijkelijk
verdeeld te worden."
"Met uw verlof, dat dit de bedoeling niet geweest is, wordt voldoende
bewezen door de omstandigheid, dat zulk een gelijkheid,--aangenomen
dat ze in praktijk kon gebracht worden--nooit te handhaven zou zijn."
"Niet te handhaven!--ja, omdat de sterkeren de zwakkeren onderdrukken,
omdat sommige menschen zich vereenigen om kwaad te doen."
"Daarom niet vader, maar omdat vooraf al de verschillende personen
in karakter en neigingen gelijk gemaakt en er bovendien nog tal van
punten geregeld dienden te worden. Laat bijvoorbeeld aan ieder een
stuk grond van dezelfde grootte toegewezen worden, dan zal degene,
die het sterkst en het bekwaamst is, al spoedig van het zijne meer
voordeel trekken dan anderen van het hunne, en de gelijkheid is al
dadelijk verbroken. Krijgt verder het eene echtpaar geen kinderen
en het andere er tien, dan loopt het weer in de war; het stuk land,
dat in het eene geval slechts twee personen behoeft te voeden, moet
in het andere twaalf monden te eten geven. U begrijpt dus wel, dat
zonder roof of onrecht uw gelijkheid niet zou kunnen duren."
"Maar, Jack, aangenomen dat dergelijke oorzaken eenig verschil konden
te weeg brengen, het onderscheid zou toch nooit zoo monsterachtig
zijn als in de tegenwoordige maatschappij, waarin de een zich in
weelde baadt en de ander in de grootste armoede verkeert."
"Dat er zooveel ellende geleden wordt is stellig zeer te betreuren
en men dient op de leniging daarvan bedacht te zijn, maar volkomen
gelijkheid blijft een onmogelijkheid, en kan op aarde niet bestaan. Ga
maar eens na wat het gevolg er van zou zijn. Was alles even schoon,
dan bestond er geen schoonheid meer, want die berust juist op
vergelijking--waren allen even sterk, dan kwam er nooit een eind
aan oneenigheden,--waren allen gelijk in rang, macht en vermogen,
de grootste bekoring van het menschelijk bestaan zou gemist
worden--grootmoedigheid, dankbaarheid en meer edele eigenschappen
zouden ongekend zijn. Goedhartigheid, uw zoo sterk ontwikkeld orgaan,
zou geheel nutteloos zijn, en zelfverloochening een ijdele klank. Waren
allen even bekwaam, dan kon er van geleerdheid, talent, genie geen
sprake zijn, er zou niets te bewonderen, niets na te volgen of te
eerbiedigen vallen--niets zou tot wedijver of tot lofwaardige eerzucht
prikkelen. Mijn beste vader, wat zou dat een erbarmelijk vervelende
wereld zijn!"
Nog een tijdlang blijven vader en zoon aan het redetwisten, maar de
ontdekking, dat Jack het bijna in geen enkel opzicht meer met hem
eens was, maakte den ouden heer korzelig, zoodat hij ten slotte het
dispuut afbrak met de woorden:
"Nu heb ik geen tijd meer, de heeren zullen me wel willen
verontschuldigen, want ik moet gaan zien hoe de timmerman met zijn werk
staat en daarna moet ik in de vergadering het woord gaan voeren. Kom
je niet eens naar mijn redevoering luisteren, Jack?"
"Dank u wel, vader, ik mag mijn vrienden niet alleen laten."
Meneer Rustig verwijderde zich nu.
"Weet gij wel, waarde heer, dat uw vader op zijn wildbanen de stroopers
vrij spel laat?" vroeg meneer Hanson.
"Ja," vulde dokter Middleton aan, "hij heeft aan verscheiden benden
landloopers verlof gegeven in zijn bosschen hun tenten op te slaan,
tot groot ongerief van de buren, die heel wat te lijden hebben van
hun rooverijen."
"Ik vind in de boeken, dat er van de boerderijen nog ongeveer twee jaar
pacht te innen valt; sommige pachters hebben geregeld betaald, anderen
in geen vier jaar. Naar mijn berekening, bedraagt het achterstallige
veertien honderd pond."