stappen te doen, om de verschuldigde bedragen in te vorderen."
"Zeer zeker zal ik dat, meneer."
Toen allen opstonden om naar hun kamers te gaan, vatte dokter Middleton
onzen held bij de hand. Gij kunt niet gelooven, mijn waarde vriend,
hoeveel genoegen het mij doet, dat ge weer hier teruggekeerd zijt
en u zoo verstandig betoont. Uw komst was hoog noodig. Den zeedienst
zult ge nu stellig wel opgeven."
"Dat heb ik al gedaan, dokter."
Zes-en-twintigste hoofdstuk.
De oude heer rustig raakt door zijn wonderbaarlijke uitvinding
vereeuwigd, maar niet precies zooals hij dat bedoeld had. Jack
besluit tot een laatsten tocht.
Den volgenden morgen, bij het ontbijt, kwam meneer Rustig maar niet
opdagen en eindelijk vroeg Jack aan Mesty waar zijn vader toch was.
"Beneden zeggen ze, dat de oude heer gisterenavond niet thuis
gekomen is."
"Niet thuis gekomen?" riep dokter Middleton uit; "dat moeten we
eens onderzoeken."
"Die bottelier is een groote schurk," zei Mesty tot Jack; "de oude
heer slaapt niet in zijn bed, dat is zeker."
"Ga eens navragen, wanneer hij uitgegaan is," zei Jack.
"Als hem maar geen ongeluk overkomen is," merkte meneer Hanson op;
"het was vreemd gezelschap, waarin hij den laatsten tijd verkeerde."
"Niemand heeft hem gisteravond zien uitgaan, meneer," zoo luidde
Mesty's rapport.
"Mogelijk is hij wel op zijn studeerkamer," bracht dokter Middleton
in het midden; "'t kan best zijn, dat hij bij zijn wonderbaarlijke
uitvinding in slaap geraakt en er den geheelen nacht gebleven is."
"Ik zal eens gaan kijken," antwoordde Jack.
Dokter Middleton vergezelde hem en Mesty volgde. Zij openden de
deur, en kregen nu een schouwspel te zien, dat hen met schrik deed
terugdeinzen. Meneer Rustig stak met zijn hoofd in de machine, het
bankje was hem onder de voeten uit geschoven, zoodat hij hing en
maar even met de teenen den grond kon raken. Dokter Middleton schoot
ijlings toe en geholpen door Mesty en onzen held, gelukte het hem den
ongelukkige los te maken uit den stalen band, die zijn hals omsloten
hield; het leven was echter al sinds eenige uren uit het lichaam
geweken en bij nader onderzoek bleek, dat de nekwervel gebroken was.
Er werd vermoed, dat het ongeval den vorigen avond moest hebben plaats
gehad, en dit liet zich ook heel goed verklaren. Meneer Rustig had
de machine vier voet hooger laten stellen, omdat er een verhooging
onder aangebracht moest worden. Daartoe had de timmerman bij wijze
van model een paar plankjes los in elkaar geslagen en meneer Rustig
was onvoorzichtig genoeg geweest om zich daarop te wagen, ten einde
zijn hoofd in den toestel te steken. Het zwakke timmerwerk was echter
spoedig onder het gewicht van 's mans lichaam bezweken en door den
schok van den val moest de nek gebroken zijn.
Meneer Hanson wist onzen held, die hevig ontdaan was over het
jammerlijk uiteinde van zijn armen vader, met zich mee te tronen,
terwijl dokter Middleton intusschen last gaf het lijk naar de
slaapkamer te dragen. Nog geen vollen dag geleden had de arme meneer
Rustig aan zijn zoon verklaard, dat zijn bewonderenswaardige uitvinding
hem zou vereeuwigen, en nu was 't er al toe gekomen, ofschoon niet
precies in den zin dien hij bedoeld had.
We gaan eenige dagen van treurigheid voorbij. De begrafenis had
plaats gehad, de luiken werden weer ontsloten en het daglicht opnieuw
toegelaten. Jack's gemoed was tot rust en kalmte gekomen; hij zag
zich nu in het bezit der uitgebreide goederen zijns vaders en was
zijn eigen meester.
Wel moesten er nog eenige maanden verloopen eer hij meerderjarig werd,
maar bij de opening van het testament zijns vaders bleek, dat dokter
Middleton tot zijn eenigen voogd was aangewezen. Bij het nazien
en bijeenbrengen der papieren, die in de grootste wanorde waren,
ontdekte meneer Hanson in verschillende hoeken en gaten banknoten,
wissels en schuldbekentenissen, tot een gezamenlijk bedrag van wel
tweeduizend pond, onder anderen ook een door kapitein Wilson op
zijn kassier afgegeven wissel, ter voldoening van de duizend pond,
hem voor meer dan tien maanden door meneer Rustig geleend.
Dokter Middleton schreef aan de admiraliteit en verzocht, onder
uiteenzetting der aanleidende omstandigheden, om ontslag uit den
zeedienst voor meneer Jack Rustig. Het gevraagde ontslag werd verleend
en de admiraliteit maakte ook geen bezwaar om Mesty te ontslaan tegen
de daarvoor aangeboden schadevergoeding.
De landloopersbenden werden van het landgoed verjaagd, de boschwachters
opnieuw aangesteld, de stroopers duchtig achter de vodden gezeten,
en allen uit den omtrek waren zoo ingenomen met de manier waarop Jack
te werk ging, dat ze in stilte wenschten: had meneer Rustig nog maar
wat vroeger zijn nek gebroken.
Intusschen had Jack aan dokter Middleton zijn liefde voor Agnes
medegedeeld en zijn bepaald plan te kennen gegeven om haar tot vrouw
te nemen. Dokter Middleton vond daar geen bezwaar in, daar hij zag
dat het oprecht gemeend was, en Jack vroeg nu al dadelijk, wanneer
er een pakketboot naar Malta zou varen.
Mesty, die toevallig achter den stoel van zijn jongen meester stond,
merkte op:
"Een ellendig vaartuig, zoo'n pakketboot, Massa Rustig. Waarom neemt
u niet liever een oorlogsschip?"
"Dat is waar ook," antwoordde Jack; "maar weet je, Mesty, dat gaat
zoo gemakkelijk niet."
"En hoe dan thuis te komen, meneer? Als ze u en Miss Agnes eens
gevangen nemen en in het cachot stoppen?"
"Ja maar," hernam Jack, "de grootste moeilijkheid is om als passagier
plaats te krijgen op een oorlogsschip."
"Wel, Massa, koop zelf een schip met een goed getal stukken en een
flinke bemanning, dan kunt gij kapitein wezen over uw eigen schip en
zoo Miss Agnes hierheen halen."
"Dat moet ik nog eens in overweging nemen, Mesty," antwoordde Jack. Hij
peinsde er den ganschen nacht over en stond den volgenden morgen op
met het besluit om Mesty's raad te volgen. Bij het ontbijt de krant
lezend, viel zijn oog juist op een advertentie, waarbij de verkoop
van een buitgemaakte Fransche brik van 278 ton werd aangekondigd. De
veiling zou aanstaanden Woensdag plaats hebben te Portsmouth, waar
het schip in de haven lag.
Jack gaf een ruk aan de schel en bestelde postpaarden.
"Waar ga je heen, mijn beste jongen?" vroeg dokter Middleton.
"Naar Portsmouth, dokter."
"En waarvoor? als 't niet onbescheiden is dat te vragen,"
Jack legde nu zijn plan bloot en verzocht de toestemming van zijn
voogd, daar het toch aan gereed geld niet ontbrak.
"Maar 't zal een verbazend groote uitgave zijn."
Dat ze belangrijk zal wezen, stem ik toe; maar ik heb uitgerekend,
dat ze bij mijn inkomen wel te dragen zal zijn. Bovendien als ik een
kaperbrief kan krijgen, is er nog uitzicht op een buitenkansje."
"Maar je zult toch niet te lang blijven kruisen?"
"Wel neen; binnen zes maanden ben ik stellig weer terug; maar nu moet
ik weg om te gaan zien, of dat schip aan het doel zal beantwoorden."
Jack wipte in den wagen en Mesty klom op het achtbankje. Twee uren
later waren ze te Portsmouth en gingen het schip bezichtigen, dat
een mooi, snelzeilend vaartuig bleek te zijn, met aan weerskanten
zes koperen kanonnen.
"Uitstekend," dacht Jack; "nu een man of veertig en een jongen
of zes aan boord en de boel is kant en klaar." Hij ging met Mesty
weer aan wal en keerde naar Boschlust terug. Aan meneer Hanson werd
opgedragen zich met den aankoop te belasten en op den veilingdag werd
Jack eigenaar van het schip voor een prijs, die niet veel meer dan
de halve waarde vertegenwoordigde.
Dokter Middleton had intusschen Jack's plannen nog eens rijpelijk
overwogen. Bezwaar kon hij er niet in vinden, maar hij achtte het
toch raadzaam naar een flink zeeofficier om te zien en er op aan
dringen, dat het kommando over het vaartuig aan dezen zou opgedragen
worden. Jack berustte terstond in die schikking.
"Laat hem vooral ook een goed zeevaartkundige zijn, dokter, want
ofschoon ik van het dagelijksch werk tamelijk goed op de hoogte ben,
dient er toch in aanmerking genomen, dat ik er in den laatsten tijd
niets aan gedaan heb."
Spoedig had dokter Middleton met de hulp van een bevriend
oud-zeekapitein in een zekeren meneer Oxbelly een geschikt persoon
gevonden om Jack ter zijde te staan.
Ongeveer zes weken gingen er heen met al de toebereidselen en toen
verliet de brik, in de Rebiera herdoopt, de haven.
Zeven-en-twintigste hoofdstuk.
Onverhoopte ontmoeting van oude vrienden.
Op den elfden dag stevende de Rebiera de straat van Gibraltar binnen en
tegen zonsondergang kregen ze de rotsen voor de stad in het gezicht. De
wind werd al flauwer en tegen middernacht was het zoo stil, dat ze
maar langzaam voortdreven. Tegen zonsopgang werden ze gewekt door
het gebulder van zwaar geschut, en bespeurden omstreeks acht mijlen
verderop, wat meer midden in de zeeëngte een Engelsch fregat, dat
slaags was geraakt met negen of tien Spaansche kanonneerbooten. Het
daveren van de zware schoten over de kalme oppervlakte van het
water, de witte rook tegen het licht der prachtig verrijzende zon,
de verwijderde echo's door de hooge heuvels teruggekaatst--dit alles
maakte een indrukwekkend en schilderachtig effect. Doch Jack vond
het raadzaam zich maar liever strijdvaardig te maken in plaats van
zijn tijd zoek te brengen met het bewonderen der kleurenpracht,
en in korten tijd was ook alles gereed.
"Zoolang ze nog op het fregat los te branden hebben, zullen ze ons
wel ongemoeid laten, meneer Rustig," zei kapitein Oxbelly; "maar we
dienen toch op alles voorbereid te wezen, want we kunnen er moeilijk
voorbijkomen zonder een paar schoten op te loopen."
"Kijk eens, meneer Oxbelly, daar ginds in het westen komt een briesje
opzetten," zei Jack.
"Ja waarlijk; nu, des te beter voor het fregat, want het zal met dit
gevecht weinig eer inleggen en er vrij gehavend afkomen ook."
"Desnoods kunnen wij 't op sleeptouw nemen," merkte Jack op; "hoever
rekent gij, dat de kanonneerbooten uit den wal liggen?"
"Ik zou denken ongeveer vijf mijlen of iets minder."
"Zeilen kant zetten, meneer Oxbelly--misschien kunnen we er dan een
paar van den wal afsnijden."
"Juist. Omhoog, jongens, boven bramzeilen bijgezet, lijzeilspieren
uit--zelfden koers gehouden, roerganger--we zullen ze van den wal
afsnijden en toch buiten schot van de kustbatterijen blijven."
De wind wakkerde aan en deed de Rebiera met volle zeilen
voortstuiven. De kanonneerbooten waren nog druk in gevecht met
het fregat en schenen volstrekt niet te letten op de nadering der
Rebiera. Ten laatste kreeg de wind ook vat op de kanonneerbooten
en het fregat, eerst flauwtjes maar gaandeweg meer, terwijl de
Rebiera het water al schuimend deed opspatten en de kans schoon
zag om eenige der kanonneerbooten af te snijden. Het fregrat braste
zijn zeilen naar den wind en stuurde op het smaldeel aan, dat het
nu geraden achtte den steven te wenden en recht op de kust aan te
houden, gevolgd door het fregat dat uit zijn boegjagers vuur begon
te geven. Maar de Rebiera was thans op een half schot afstand van de
kust gekomen en trachtte de vluchtende booten te onderscheppen. Daar
zij met een snelle vaart naderde wist het smaldeel haast niet wat
het beginnen zou; aanvallen zou maar tijdverlies zijn, waarbij het
fregat gelegenheid zou krijgen om ze in te halen en zij zelf gevaar
liepen genomen te worden; zij vergenoegden zich dus met op de Rebiera
te vuren, terwijl deze voortging zich tusschen haar en het land in
te dringen. Zoodra zij dichtbij genoeg waren, opende Jack zijn vuur
uit de achttienponders. De kanonneerbooten bleven het antwoord niet
schuldig en ze waren geen kwart mijl meer van elkaar, toen Jack zeil
minderde en een heet gevecht zich ontwikkelde, waarvan het einde was,
dat binnen weinige minuten de masten van de kanonneerbooten over boord
sloegen. Het fregat naderde schielijk onder volle zeilen en begon er
geducht op los te schieten. Het smaldeel staakte het vuren, streek op
ongeveer twee kabellengten langs den voorsteven van de Rebiera voorbij
en maakte zooveel mogelijk haast om onder den wal te komen. Onder
het voorbijzeilen van het smaldeel gaf Jack het van bakboordzijde de
volle laag, terwijl hij van stuurboord een levendig vuur onderhield
tegen de ongelukkige, ontmaste kanonnerboot, die ook spoedig de vlag
streek. Binnen weinige minuten waren de overigen buiten schot gekomen
en daar zij niet vuurden, liet Jack ze verder ongemoeid en wijdde nu
zijn aandacht aan het in-bezit-nemen van zijn buit, door een sloep
met tien man aan boord te zenden, bij te draaien en het veroverde
schip op sleeptouw te nemen. Tien minuten daarna was ook het fregat
de Rebiera op een kabellengte genaderd en onze held liet een tweede
sloep strijken om aan boord te gaan.
"Hebben we gewonden, meneer Oxbelly?" vroeg Jack.
"Maar twee; een is zijn duim kwijt geraakt en een ander heeft een
zware wond aan de dij."
"Dan zal ik meteen den dokter verzoeken bij ons aan boord te komen."
Jack stiet af, klom aan boord van het fregat, en werd door een
adelborst naar den anderen kant van het schip geleid, waar de
kapitein stond.
"Meneer Rustig!" riep deze uit.
"Kapitein Sawbridge!" klonk het verrast uit den mond van onzen held.
"Wel allemachtig! Hoe komt gij hier?" vroeg de kapitein; "en wat is
dat voor een schip?"
"De Rebiera, onder kommando van den eigenaar, meneer Rustig,"
antwoordde Jack lachend.
Kapitein Sawbridge drukte hem de hand. "Kom met me mee naar de kajuit,
meneer Rustig; want ik ben blij, dat ik u weerzie. Ik maak u mijn
compliment over uw houding en ben dol nieuwsgierig wat u toch bewogen
heeft opnieuw zee te kiezen; want ik wist, dat gij uw ontslag uit
den dienst genomen hadt."
Jack vertelde met weinige woorden wat het doel van zijn tocht was;
"maar," vervolgde hij, "vergun me dat ik u gelukwensch met uw
bevordering, waarvan ik nog geen kennis droeg. Mag ik vragen, waar
gij de Harpij gelaten hebt en hoe de naam van uw fregat is?"
"De Latona. Eerst een maand geleden ben ik er op overgeplaatst, na een
gevecht, waarin de Harpij een groote korvet bemachtigde; ik ben belast
met dépéches voor Engeland. Gisteravond zeilden we van Gibraltar uit,
moesten uit gebrek aan wind den geheelen nacht stilliggen en werden
van morgen door die kanonneerbooten aangevallen."
"Hoe gaat 't kapitein Wilson?"
"Heel goed, geloof ik, maar ik heb hem in langen tijd niet gezien."
"Hoe wist u dan, dat ik den dienst verlaten had, kapitein Sawbridge?"
"Wel, van Gascoigne, die hier aan boord is."
"Gascoigne!" riep onze held uit; "maar laat ik hem toch dadelijk
de hand gaan drukken! Wees intusschen zoo goed, kapitein Sawbridge,
uw dokter aan boord van de Rebiera te zenden, want ik heb een paar
gewonden."
Gascoigne wachtte onder het halfdek zijn vriend al op, want hij had hem
van zijn post op den bak aan boord zien komen. Zij raakten zoo druk aan
het praten, dat ze elkaar haast geen tijd gaven tot antwoorden. Toen
Jack weer aan dek ging, beloofde hij Gascoigne, dat zij den volgenden
dag in elkaars gezelschap zouden doorbrengen, hetzij aan den wal of
aan boord van de Rebiera. Eer Jack echter weer vertrekken kon, hield
kapitein Sawbridge hem in zijn kajuit nog geruimen tijd aan de praat.
"Toen gij voor het eerst op zee kwaamt, Rustig," zei kapitein
Sawbridge, "dacht ik dat 't voor den dienst het best zou zijn, als we
u maar hoe eer hoe liever weer kwijt raakten; doch nu ge uw ontslag
genomen hebt, gevoel ik eerst, dat we in u iemand verloren hebben, die
naar alle waarschijnlijkheid den dienst tot eer zou hebben verstrekt."
"Hartelijk dank voor uw gunstig oordeel," antwoordde Jack. "Maar bij
den toestand waarin mijn vader verkeerde, kon ik immers onmogelijk
op zee blijven."
"Dat geef ik volkomen toe:--maar komaan, de tafel is gedekt, laten
we den maaltijd niet vergeten."
Aan tafel, waarbij ook Gascoigne aanzat, ging het hoogst gezellig toe
en wie weet hoe lang ze hadden blijven napraten, als niet kort na den
eigenlijken maaltijd de eerste luitenant was komen rapporteeren, dat
alle hens aan dek noodig waren, daar ze vlak bij de ankerplaats waren
gekomen. De dischgenooten rezen nu spoediger op dan anders het geval
zou geweest zijn; en zoodra op de Latona, de zeilen geborgen waren,
begaf kapitein Sawbridge zich aan wal om den goeverneur mededeeling te
doen omtrent den uitslag van het geleverd gevecht. Hij vroeg Jack of
hij hem wilde vergezellen, maar onze held verkoos liever bij Gascoigne
te blijven, en verontschuldigde zich dus tot den volgende dag.
"Hoor eens, Rustig," zei Gascoigne zoodra de kapitein vertrokken was,
"ik zal verlof vragen om bij jouw aan boord te gaan--of wil jij
't soms liever vragen?"
"Ik zal 't wel vragen," antwoordde Jack; "nu ik zelfs het kommando
over een schip heb, leg ik bij een eersten luitenant wat meer gewicht
in de schaal dan een gewoon adelborst."
Jack ging nu naar den eersten luitenant en gaf met een beleefde buiging
zijn hoop te kennen, dat, als de dienst het veroorloofde, hij hem de
eer zou willen aandoen dien avond met eenige zijner officieren aan
boord van de Rebiera een glas wijn te komen drinken.
De eerste luitenant antwoordde, dat hij gaarne van de uitnoodiging
gebruik zou maken, zoodra de gevangenen overgebracht waren en de
kanonneerboot geen zorg meer vereischte. Ook drie of vier der overige
officieren sloegen toe, waarop Jack als een gunst verzocht, dat zijn
oude vriend Gascoigne nu dadelijk met hem zoo mogen meegaan, daar hij
verschillende pakketjes van waarde, voor Engeland bestemd, aan zijn
zorg wilde toevertrouwen. De eerste luitenant was zeer inschikkelijk
en Gascoigne en onze held sprongen in de boot en waren nu als oude
vrienden weer eens recht gezellig met hun beidjes.
"Jack, ik heb nog eens goed overlegd en ben nu tot een besluit
gekomen," zei Gascoigne. "Of ik al naar huis ga, dat zal voor mijn
bevordering ook weinig helpen; ik kan evengoed hier blijven, want
mijn diensttijd is bijna om en mijn bezoldiging heeft niet veel te
beteekenen. Zou jij me niet mee willen nemen?"
"Dat is juist wat ik van plan was je te vragen, Ned. Zou kapitein
Sawbridge er in toestemmen?"
"Dat denk ik wel, want hij is volkomen op de hoogte van mijn
omstandigheden."
"Dan zullen we 't hem zamen vragen," hernam Jack.
De eerste luitenant en de andere officieren kwamen aan boord der
Rebiera en brachten er een prettigen avond door, wat voor levenslustige
jongelui onder gezelligen kout en een goed glas wijn niet zoo heel
moeilijk is.
Acht-en-twintigste hoofdstuk.
Jack bereikt het toppunt zijner wenschen.
Daar kapitein Sawbridge dien avond niet naar boord terugkeerde, ging
Rustig aan wal en bracht hem een bezoek ten huize van den gouverneur,
door wien hij al dadelijk te dineeren genoodigd werd. Gascoigne kon
niet aan wal komen en onze held maakte van de gelegenheid gebruik om
kapitein Sawbridge aan te klampen met het verzoek om zijn vriend bij
zich aan boord te krijgen. Kapitein Sawbridge had er eerst geen ooren
naar, maar door al het redeneeren van Jack, begon hij toch eindelijk te
begrijpen, dat het voor Gascoigne een buitenkansje was, en deze nooit
een betere gelegenheid zou vinden om zijn toekomst te verzekeren. Hij
willigde dus den wensch van onzen held in, die zich onmiddelijk aan
boord van de Latona begaf om de beslissing van kapitein Sawbridge aan
Gascoigne en aan den eersten luitenant over te brengen. Vervolgens
voer hij naar boord der Rebiera en gelastte Mesty zijn koffertje naar
het logement aan den wal te brengen, opdat hij zich voor het diner
zou kunnen kleeden. Gascoigne, die nu niet langer tot de equipage
der Latona gerekend werd, kreeg verlof om hem te vergezellen.
Met de herstellingen aan de Latona was men spoedig gereed, zoodat
kapitein Sawbridge reeds den volgenden dag weer zee kon kiezen;
echter zonder Gascoigne, die nu zijn formeel ontslag had gekregen
en op de Rebiera overging. Spoedig daarop lichtte ook onze held het
anker en liep na een gelukkige reis van zestien dagen de haven van
Palermo binnen, waar Don Philip en Don Martin al spoedig onzen held
aan boord kwamen begroeten. Jack haastte zich om met hen aan wal te
gaan en bevond zich weldra in gezelschap van zijn Agnes.
Nog heel veel viel er te praten, eer Jack 't bij Don Rebiera en diens
vrouw zoo ver gebracht had, dat ze in een spoedig huwelijk met hun
dochter Agnes toestemden. Vooral de moeder maakte veel bezwaar om
van haar lieveling afstand te doen. Onze held wist echter zijn zaak
zoo goed te bepleiten, dat de ouders zich eindelijk gewonnen gaven,
en eer er een maand na zijn aankomst verstreken was, zag Jack zich
getrouwd en achtte zich den hemel te rijk.
Don Rebiera en zijn vrouw wisten gedaan te krijgen, dat het jonge paar
nog een maand lang in Palermo zou blijven, en toen het eindelijk op
een scheiden aankwam, was er aan tranen geen gebrek. Ten laatste stak
de Rebiera van wal en zette koers naar Malta, waar Jack den goeverneur
volgens belofte een bezoek wilde brengen.
Na vier dagen wierpen zij in de haven van Valette het anker uit en
Jack liet zijn aankomst terstond aan den goeverneur melden. Deze
was zeer in zijn schik en zond zijn eigen pleizierjacht om meneer
en mevrouw Rustig van boord te halen, terwijl hij onmiddelijk zijn
logeerkamers voor hun ontvangst in orde liet brengen. Als gewoonlijk
had onze held weer heel wat te vertellen en de goeverneur luisterde
met de grootste aandacht naar hem; vooral omdat hij begreep, dat
't de laatste maal zou wezen, dat hij van Jack's verhalen kon genieten.
Veertien dagen lang vertoefde Jack op Malta en scheepte zich daarna
weer met zijn vrouwtje in.
"Vaarwel, mijn jonge vriend," zei de goeverneur toen hij Jack ten
afscheid de hand drukte, "voor zoover ik uw vrouwtje heb leeren kennen,
zal het uwe schuld zijn als ge in haar niet het toppunt uwer wenschen
bereikt hebt. Als ik ooit in Engeland mocht komen, zal mijn eerste
bezoek Boschlust gelden. Vaarwel en leef gelukkig!"
Maar Sir Thomas is nooit weer in Engeland gekomen, het was zijn
laatste groet. Opnieuw ging de Rebiera onder zeil, deed Gibraltar
even aan en zette daarna de reis voort naar Engeland waar ze na drie
weken behouden en wel aan wal stapten, hartelijk verwelkomd door dokter
Middleton en meneer Hanson, die van hun aankomst verwittigd waren. Nog
dienzelfden avond reden zij gezamelijk naar Boschlust, waar alles op
de feestelijke ontvangst van het jonge paar was ingericht.
Er volgde nu in de eerste dagen een reeks van diners en partijen en
Jack leefde voortaan gelukkig en tevreden aan de zijde van zijn lief
vrouwtje, dat hem volstrekt geen reden gaf tot allerlei breedvoerige
betoogen.
De bemanning der Rebiera werd afgemonsterd en de meesten vonden
spoedig weer plaatsing op verschillende oorlogsschepen.
Mesty bleef het toezicht over het dienstpersoneel houden en betoonde de
grootste trouw en eerlijkheid in de waarneming van zijn ambt. Gascoigne
wist het spoedig te brengen tot den rang van postkapitein en bleef
steeds Jack's oprechte vriend.