bezig met er de laatste hand aan te leggen, onder opperleiding van
Mesty, die in dat werk van groote bedrevenheid blijk gaf, toen zij
het geluid hoorden van een naderende menigte. Ze keken uit een der
vensters, en zagen het geheele huis omringd door slaven, op het oog
ongeveer honderd in getal. Allen waren op de meest grillige manier
gekleed en hadden blijkbaar maar aangetrokken wat hun voor de hand
was gekomen: sommigen hadden vuurwapens, maar de meesten waren enkel
voorzien van sabels en messen. Een gansche stoet van geroofde dingen
volgde hen: karren met allerlei soort van levensmiddelen en wijn;
zeilen van schepen en sloepen, die in de bergen tot dekking moesten
dienen, hooi en stroo en matrassen. Ook hadden ze een menigte van
allerlei vee bij zich. Zij schenen te staan onder een leider, die
juist bezig was zijn bevelen uit te deelen, en in wien Jack spoedig
Don Silvio herkende.
"Massa Rustig, wijs me alsjeblieft dien man eens," zei Mesty, "opdat
ik hem goed ken."
"Zie je daar niet iemand met een geweer in zijn hand voor het front
van die kerels heen en weer loopen? Dat is Don Silvio. Hij heeft een
buis met zilveren knoopen en een witte broek aan."
"Jawel, Massa Rustig, ik zie hem--laat ik hem nog eens goed
opnemen--ziezoo, nu is 't genoeg."
De galeiboeven schenen er vooral op uit, het huis zoo te omsingelen,
dat er niemand uit kon ontsnappen, en Don Silvio wees ieder zijn
plaats aan.
"Ned," zei Jack, "laten we hem toonen dat wij hier zijn. Hij zei
immers, dat hij Don Rebiera van onze komst zou verwittigen--nu moeten
we hem het bewijs leveren, dat hij te laat komt."
"Dat is geen kwaad idee," antwoordde Gascoigne; "als soms die kerels
nog voor eenig gevoel van dankbaarheid vatbaar mochten zijn, zouden
misschien sommigen hunner terugdeinzen voor een aanval op degenen,
die hen gered hebben."
"Daar is geen denken aan; maar zij zullen er uit merken, dat er
meer in huis zijn dan zij vermoeden; en we kunnen mogelijk enkelen
schrik aanjagen door de mededeeling, dat de soldaten elk oogenblik
kunnen komen."
Jack wierp onmiddellijk een venster open, en riep met luide stem naar
buiten: "Don Silvio! galeiboef! Don Silvio!"
De toegeroepene keerde zich om en zag opeens Jack, Gascoigne en Mesty
voor het venster van de bovenverdieping staan.
"Wij hebben u de moeite van ons aan te melden bespaard," riep
Gascoigne. "Wij zijn hier om u te ontvangen."
"En binnen drie uren zullen de troepen ook hier zijn; haast je dus
maar wat, Don Silvio", voegde Jack er bij.
"Tot weerzien!" vervolgde Gascoigne, en vuurde zijn pistool op Don
Silvio af.
Het venster werd onmiddelijk daarop weer gesloten. De verschijning
van onze helden en hun aankondiging van de spoedig te verwachten
troepen, bleef niet zonder gevolg. De misdadigers beefden bij de
gedachte daaraan; Don Silvio werd compleet dol--hij betoogde aan
zijn bende de noodzakelijkheid van een onmiddellijken aanval--het
onwaarschijnlijke dat de troepen al zoo spoedig zouden komen, en
gaf hoog op van de schatten, die in Don Rebiera's woning te vinden
moesten zijn. Dit laatste vooral gaf hun weer moed en zij stormden op
de deuren los, die zij trachtten open te loopen; doch dit gelukte niet
en verscheidenen hunner vielen onder de schoten, door de bezetting van
het huis gelost. Na een half uur zagen zij het wanhopige van hun pogen
in en trokken af, maar keerden weldra terug met een langen boom door
zestig man gedragen, om daarmee de deur open te rammeien. Hiertegen
bleek deze niet bestand en vloog al gauw uit de hengsels, zoodat er
nu een toegang gemaakt was. Intusschen was het donker geworden, de
benedenverdieping werd prijs gegeven, maar de versperringen boven aan
de trap beletten de onverlaten verder door de dringen. De verdedigers
hadden behoorlijk schietgaten gemaakt, waardoor ze nu een geregeld
vuur openden tegen de aanvallers, die niet in staat waren dat te
beantwoorden. Zelfs al hadden ze ammunitie gehad voor hun geweren,
wat gelukkig niet het geval was, zou het hun toch onmogelijk geweest
zijn. Het gevecht werd nu hevig, en gedurende het verloop van twee uren
werden de galeislaven herhaaldelijk met groot verlies teruggedreven;
maar aangemoedigd door Don Silvio en opgewekt door bekers wijn,
hernieuwden zij telkens den aanval en wisten langzamerhand veel van
wat hen belemmerde, uit den weg te ruimen.
"We zullen moeten terugtrekken," riep Don Rebiera uit; "over een poos
hebben ze alles neergerukt. Wat dunkt u er van, signor Rustig?"
"Dat we zoo lang mogelijk moeten standhouden. Hoe is 't met de
ammunitie gesteld?"
"Die hebben we nog in overvloed--we kunnen er stellig nog zes uren
mee toe, zou ik denken."
"Wat zeg jij er van, Mesty?"
"Hier blijven, zeg ik. Vuurwapens hebben zij niet--en zoo dicht als
ze nu bij ons zijn, is elk van onze schoten doodelijk."
Dit gaf den doorslag en de verdediging werd nu nog twee uur langer
volgehouden, dan anders het geval zou geweest zijn. Ook gaf het
een niet onwelkome verademing, dat de misdadigers naar de overdekte
karren terugtrokken.
Ten slotte bleek de barricade niet langer houdbaar, want de zware
stukken huisraad, die zij als versperring opeengestapeld hadden, waren
kort en klein gestooten met de als stormrammen gebruikte palen. Er werd
dus tot terugtrekking besloten; allen haastten zich naar de volgende
verdieping, waar de dames al gebracht waren, en spoedig hadden de
galeislaven de eerste verdieping vermeesterd. Ze waren geprikkeld door
den weerstand, opgewonden door wijn en overwinning, maar vonden niets.
Nu begon de aanval op de tweede verdieping; maar daar de trap
hier nauwer was en de verdediging er van naar verhouding des te
gemakkelijker, duurde het geruimen tijd eer ze een voet breed wonnen,
terwijl verscheidenen hunner gewond raakten en naar beneden gedragen
moesten worden.
De duisternis van den nacht belette beide partijen iets
nauwkeurig te onderscheiden en dit was het meest in het voordeel
der aanvallers. Verscheidenen klommen over de verschansing van
opeengestapeld huisraad, en werden gedood zoodra zij zich aan den
anderen kant vertoonden; ja, er werd op het laatst nog enkel geschoten
op degenen, die dergelijke gewaagde pogingen deden. Langer dan vier
uren werden aanval en verdediging op die wijze voorgezet, tot het
daglicht aanbrak en het plan van aanval gewijzigd werd: zij brachten
weer palen aan, rammeiden de stukken huisraad aan gruizelementen en
wonnen grond. De verdedigers waren doodaf, maar gaven het niet op;
zij wisten dat hun eigen behoud en de levens dergenen, die hun het
dierbaarst waren, op het spel stonden en verslapten dus niet in hun
hardnekkigen weerstand. Toch kregen de misdadigers, met Silvio aan
hun hoofd, meer en meer voet, de afstand tusschen de beide partijen
werd hand over hand geringer; er was nog maar één groote kleerkast
die hen scheidde en daaroverheen werden aanhoudend slagen met lange
stokken en sabels uitgedeeld, beantwoord met pistoolkogels.
"We moeten nu vechten op leven en dood," riep Gascoigne Rustig toe,
"er schiet geen andere keus over."
"Maar we kunnen toch nog naar den zolder en daar vechten," antwoordde
Jack.
"Wel dat is goed bedacht, Jack," zei Gascoigne. "Mesty, gauw naar
boven om te zien of er gelegenheid is in geval van nood daarheen
terug te trekken."
Mesty haastte zich te gehoorzamen en kwam weldra terug met het bericht,
dat ze door een valdeur op zolder konden komen en de ladder achter
zich optrekken.
"Dan kunnen we hen nog uitlachen," riep Jack. "Mesty, blijf jij hier,
terwijl Gascoigne en ik de dames naar boven helpen," liet hij er op
volgen en verklaarde aan de Rebiera's wat er gebeuren moet.
Zoodra de signora en Agnes goed en wel boven waren, haastten Rustig
en Gascoigne zich weer naar hun vrienden, die al meer en meer in het
nauw raakten. Lang zou de trap niet meer te verdedigen zijn, vooral
nu de versperringen voor het grootste gedeelte vernield waren en de
aanvallers met groote steenen begonnen te werpen, waardoor twee van
Don Rebiera's bedienden en ook Don Martin getroffen en buiten gevecht
gesteld werden.
"We moesten terugtrekken," zei Gascoigne; "zijn we eenmaal op zolder,
dan kunnen de steenen ons geen kwaad meer doen. Wat dunkt u, Don
Philip?"
"Ik ben 't met u eens; laten we eerst de gewonden naar boven dragen
en dan zelf volgen."
Aan dien raad werd gehoor gegeven en nauwelijks hadden ze de ladder
achter zich opgetrokken, of de galeiboeven, die de laatste hindernissen
overgeklommen waren, stormden hen onder een luid geschreeuw na,
in de meening dat ze nu zeker waren van hun prooi; maar zij vonden
zich erg teleurgesteld, nu het bleek, dat de bestookten nog veiliger
zaten dan te voren.
Niets kon de woede van Don Silvio zoo tot het uiterste drijven,
als de hardnekkige weerstand der tegenpartij en de veiligheid van
hun toevluchtsoord. Hen te bereiken was onmogelijk, derhalve besloot
hij den boel in brand te steken en hen te doen stikken, als 't niet
anders kon. Hiertoe gaf hij aan zijn volgelingen de noodige bevelen,
maar hij verloor daarbij de voorzichtigheid uit het oog, en toen hij
zich onder de valdeur waagde, liet Mesty een der zware steenen, die
hij mee naar boven genomen had, op Don Silvio's hoofd vallen, zoodat
deze onmiddellijk neerstortte. Zwaar gewond werd hij weggedragen,
maar zijn gegeven bevelen werden toch ten uitvoer gebracht; de kamer
was spoedig gevuld met hooi en stroo en dit in brand gestoken. De
uitwerking er van liet zich weldra gevoelen: wel was de valdeur
dichtgedaan, maar hitte en rook drongen door de reten; na eenigen
tijd begonnen planken en balken vuur te vatten en de toestand werd
allerverschrikkelijkst. Een klein dakvenster werd opengestooten en
gaf althans tijdelijk eenige verademing, maar de rookkolommen werden
aanhoudend dikker. Zij konden niet van zich af zien en ternauwernood
ademhalen. Donna Rebiera zakte als levenloos in de armen van haar
echtgenoot en Agnes in die van onzen held.
"Massa Rustig, help eens een handje--Massa Gascoigne, kom ook hier. Nu
uit alle macht duwen, als we er één afkrijgen, volgen er meer."
Op Mesty's aanwijzing zetten Jack en Gascoigne de schouders tegen een
van de benedenste leien van het dak; ze week, raakte los en schoot met
veel geraas naar omlaag. De dames werden nu bij de gemaakte opening
gebracht en kwamen spoedig weer bij kennis. Nu er ééne lei los was,
kostte het weinig moeite er meer los te krijgen en binnen weinige
minuten hadden ze gelegenheid om weer versche lucht te happen. Maar
nog altijd brandde het huis beneden hen en aan ontkomen viel niet
te denken. Terwijl zij hun uiterst geringe kans op behoud bespraken,
dreef een windvlaag de uit het dak opstijgende rookwolken uiteen en
nu zagen zij een afdeeling troepen op het huis aanrukken. Een luide
kreet van blijdschap trok de aandacht der soldaten. Zij bespeurden
Rustig en zijn lotgenooten; in een oogwenk hadden zij de woning
omsingeld en waren er in binnengedrongen.
De galeislaven, die in huis waren, om naar de door Don Silvio
voorgespiegelde schatten te zoeken, werden gevangen genomen of gedood
en binnen vijf minuten waren de troepen meester. De moeilijkheid was
nu, hoe de menschen boven te redden. Ladders, die zoo hoog reikten,
waren er niet. De kommandant gaf van beneden allerlei teekens om te
vragen wat hij doen moest.
"Ik zie geen uitkomst," zei Don Philip met een zucht. "Wat te doen?"
"Ik weet 't niet," antwoordde Jack. "Als we nog maar touwen hadden."
"Is 't zeker, Massa Rustig, dat al die boeven beneden weg zijn?" vroeg
Mesty.
"Ja," antwoordde Rustig, "kijk maar; ze liggen daar allen gekneveld
onder bewaking der soldaten."
"Dan is 't hoog tijd dat we wegkomen."
"Dat vind ik ook, Mesty; maar hoe?"
"Hoe? Wacht maar. Help eens, Massa Rustig; deze plank van den vloer
ligt los; komaan, allen geholpen."
Met vereende krachten werd de plank losgerukt.
"Nu er als de drommel op losgebeukt en een gat in het plafond
gestooten," zei Mesty, die er al vast mee begon.
Binnen weinige oogenblikken hadden ze een opening boven een der kamers,
die nog niet door het vuur was aangetast, en Mesty liet er gauw de
ladder door zakken. Allen kwamen behouden naar omlaag en traden, tot
verbazing van den kommandant der troepen, ongedeerd de huisdeur uit.
Met een luid hoera werden zij ontvangen, en nu er geen menschenlevens
meer te redden vielen, werden alle krachten ingespannen om de vlammen
te blusschen, maar tevergeefs. Het geheele huis brandde uit en slechts
weinig van het huisraad bleef behouden; trouwens het meeste daarvan
was bij de bestorming door Don Silvio en de zijnen toch al vernield.
Nadat aan Pedro en de overige bedienden orders waren gegeven om al het
door de misdadigers bijeengestolene weer aan de rechtmatige eigenaars
terug te bezorgen, liet Don Rebiera de paarden zadelen en het heele
gezelschap trok onder de hoede der troepen, die intusschen weer
verkwikt en uitgerust waren, den weg op naar Palermo. De galeislaven
volgden geboeid en aan elkaar gekneveld in een lange dubbele rij
onder flinke bewaking.
Halverwege maakten zij halt, en sloegen voor den nacht hun bivouack
op. Den volgenden dag, tegen den middag zaten Don Rebiera en zijn
gezin alweer in hun paleis en onze beide adelborsten en Mesty namen
afscheid om zich weer naar boord te begeven.
Jack bracht bij kapitein Wilson zijn rapport uit en begaf zich daarop
naar beneden, heel blij dat alles zoo goed afgeloopen was en ook dat
hij bij zijn terugkeer op Malta weer een verhaal in petto had voor
den gouverneur.
Drie weken lang bleef de Aurora te Palermo voor anker. Intusschen
werd de vervolging der galeislaven, die nog op vrije voeten waren,
ijverig voortgezet en verscheidenen hunner vielen opnieuw in handen
der overheid. Men kwam nu tevens te weten, dat hun aanvoerder Don
Silvio gestorven was aan de gevolgen der zware verwonding, hem door
Mesty's steenworp toegebracht.
Jack maakte druk gebruik van de gelegenheid om bij de Rebiera's
bezoeken af te leggen en werd er weldra als een lid van het gezin
beschouwd. Zijn verhouding tot Agnes werd steeds vertrouwelijker
en eindelijk waagde hij het, bij Don Rebiera aanzoek te doen om de
hand zijner dochter. De oude heer was Jack bijzonder genegen en de
verplichting, die hij tegenover onzen held gevoelde, noopte hem te
meer om diens verlangen in te willigen. Alvorens echter toe te slaan,
bedong hij dat Jack zijn vader met zijn plannen bekend maken en zich
van diens toestemming verzekeren zou.
Jack beloofde dit, en hoe prettig het leventje te Palermo ook voor
hem was, nu begon hij erg naar huis te verlangen en was maar blij,
toen de Aurora eindelijk het anker lichtte en naar Malta koers zette.
Reeds na een reis van vier dagen liepen zij de haven van Valette
binnen en Jack was niet zoodra aan wal of hij spoedde zich naar het
gouvernementsgebouw, waar Sir Thomas hem met zijn gewone hartelijkheid
ontving en terstond een kamer voor hem in gereedheid liet brengen.
Drie-en-twintigste hoofdstuk.
Ongunstige berichten van huis dwingen Jack overijld naar
Engeland terug te keeren.
Den volgenden morgen, bij het ontbijt, werden de brieven uit Engeland
binnengebracht en onder het schiften zei de gouverneur:
"Meneer Rustig, hier zijn er twee voor u; ik vrees, dat ze geen
aangename tijding zullen bevatten, want ze zijn met zwart lak
verzegeld."
Jack nam met een beleefde buiging de beide brieven in ontvangst en
begaf zich naar zijn kamer. De eerste, dien hij opende, was van zijn
vader en luidde als volgt:
"Mijn beste Jack!
Het zal u zeker leed doen te vernemen dat uw arme moeder,
na bijna twee jaren lang in het hoekje van den haard op het
duizendjarig rijk gewacht te hebben, uit dit leven verscheiden
is. Zij was een goede vrouw, en altijd heb ik haar heur eigen
zin maar laten volgen. Haar hoofd heb ik nauwkeurig onderzocht
en de uitkomst van dat onderzoek heeft de betrouwbaarheid
van mijn ontdekking op phrenologisch gebied opnieuw glansrijk
gestaafd. Het arme schepsel is heengegaan en een betere vrouw
en moeder heeft er nooit bestaan. Mijn beste jongen, ik moet er
nu bij u op aandringen, dat ge uw ontslag uit den zeedienst
neemt en zoo spoedig mogelijk huiswaarts keert. Zonder u
kan ik niet leven, en ik heb bovendien uw hulp noodig bij
het grootsche werk, dat ik ga ondernemen. De tijden zijn
aanstaande, dat de zaak der gelijkheid zal triomfeeren; de
vertrapte slaven steken de hoofden reeds op; met mijn gloeiende
toespraken heb ik hen opgewekt en aangevuurd, maar ik begin
oud te worden. U, mijn zoon, vraag ik mijn profetenmantel op
te nemen en dan zal ik glorievol deze aarde verlaten.
Uw toegenegen vader,
NICODEMUS RUSTIG."
"Hieruit moet ik begrijpen," dacht Jack, "dat mijn moeder gestorven
en mijn vader gek geworden is." Geruimen tijd bleef onze held in droef
gepeins verzonken; hij wijdde menigen traan aan de nagedachtenis zijner
moeder, die hij wel nooit geëerbiedigd, maar toch liefgehad had. Er
verliep wel een half uur, eer hij den tweeden brief opende. Deze was
van dokter Middleton.
"Mijn waarde vriend!
Ofschoon ik nooit briefwisseling met u heb gehouden, meen
ik toch in uw kinderjaren genoeg met u in aanraking te zijn
geweest, om in de gegeven omstandigheden eenige regels tot
u te mogen richten. Dat gij tegenwoordig wel genezen zult
zijn van uw vaders dwaze en onzinnige wijsbegeerte, lijdt
bij mij geen twijfel. Ik was 't, die indertijd, juist met
die bedoeling, uw van-huis-zenden heb aangeraden, en ik ben
er zeker van, dat gij als jongmensch met gezond verstand en
erfgenaam van een groot vermogen, reeds lang het valsche van
uw vaders stellingen hebt ingezien. Uw vader deelt me mede,
dat hij u dringend verzocht heeft naar huis te komen, en
als soms mijn oordeel eenig gewicht in de schaal kan leggen,
vergun mij dan u de inwilliging van dat verzoek ten sterkste
aan te raden. Als gij niet spoedig terugkeert, zult gij nog
tot een bedelaar gemaakt worden, want 't is niet te zeggen wat
al schulden uw vader zich in zijn krankzinnigheid op den hals
kan halen. Zijn voordurend opruien der ontevreden boeren, is
hem al duur te staan gekomen. Hij heeft al zijn boschwachters
ontslagen, en laat de stroopers maar vrij op zijn landgoed
toe. Kortom, hij heeft zijn verstand verloren, en al zou ik
niet gaarne dwangmaatregelen aanraden, toch beschouw ik 't
als hoogst noodzakelijk, dat gij onverwijld huiswaarts keert,
om hier orde op de zaken te stellen.
In de hoop u spoedig de hand te kunnen drukken, blijf ik
Uw welmeenende vriend,
G. MIDDLETON."
Die twee brieven gaven veel stof tot ernstige overweging, en nog
nooit had Jack de dwalingen van zijn vader zoo goed ingezien. Wel was
hij langzamerhand grootendeels teruggekomen van diens denkbeelden,
maar toch bleef hij er in zekere mate nog aan gehecht, als aan een
oude gewoonte; nu echter gingen de oogen hem opeens open. Langen
tijd zat hij als versuft, en toen hij eindelijk op zijn horloge keek,
bemerkte hij dat het bijna etenstijd was. Hij kleedde zich dus haastig
voor het diner, en ging naar beneden. Aan tafel sprak hij weinig,
en verwijderde zich zoodra het maal was afgeloopen, terwijl hij de
twee brieven in handen van den gouverneur achterliet, met verzoek hem
morgen van raad te willen dienen. Gascoigne volgde hem en aan dezen
vertrouwde hij zijn smart toe. Ned troostte zijn vriend zooveel in
zijn vermogen was en nadat zij den avond zamen hadden doorgebracht
met allerlei overleggingen, begaven beiden zich te bed en waren weldra
in vasten slaap.
"Één ding is zeker, mijn beste jongen," merkte de goeverneur den
volgenden morgen op, toen hij aan het ontbijt onzen held de brieven
teruggaf, "namelijk, dat uw vader stapelgek is. Met dokter Middleton,
die een verstandig man schijnt, ben ik 't volkomen eens, dat gij zoo
spoedig mogelijk naar huis dient te gaan."
"En den zeedienst voorgoed verlaten, meneer?" vroeg Jack.
"Nu, eerlijk gezegd, geloof ik niet, dat gij er bijzonder voor geschikt
zijt. Mij zal 't spijten als ik je kwijt raak, omdat je zoo machtig
aardig weet te vertellen, maar als ik kapitein Wilson goed begrepen
heb, dan ben je alleen op zee gedaan, omdat hij in den dienst een
geschikt middel meende te zien, om allerlei dwaze begrippen bij
je uit te roeien. De bedoeling, dat gij bij het vak zoudt blijven,
schijnt nooit bestaan te hebben."
"Ik vermoed ook dat 't zoo is toegegaan," antwoordde Jack; "wat mijzelf
ten minste betreft, ik zou moeilijk kunnen zeggen, waarom ik eigenlijk
in dienst trad."
"Nu, dat doet er ook niet toe; de zaak is thans maar er zoo spoedig
mogelijk af te raken. Jammer maar dat kapitein Wilson nu juist voor
een paar dagen afwezig is, maar ik zal bij hem wel alles voor je in
orde brengen. Ik stel me voor je aansprakelijk, en gij gaat met de
pakketboot, die morgenochtend uitzeilt, naar Engeland, en neemt voor
alle zekerheid Mesty mee."
"Hartelijk dank, Sir Thomas, ik ben u ten zeerste verplicht,"
antwoordde Jack.
Vier-en-twintigste hoofdstuk.
Meneer Rustig's wonderbaarlijke uitvinding door hemzelven
verklaard, tot groote voldoening van onzen held, en naar wij
hopen ook tot bevrediging van den lezer.
Eindelijk wierp de pakketboot bij Falmouth het anker uit. Jack gevolgd
door Mesty, was spoedig met zijn bagage aan wal. De postwagen bracht
hem weldra in Londen en na daar een paar dagen vertoefd te hebben om
zich weer behoorlijk in de kleeren te laten steken, bestelde hij een
rijtuig, dat hem naar Boschlust moest brengen. Hij had zijn vader
niets van zijn aanstaande overkomst gemeld en het was laat in den
voormiddag, toen de sjees voor de ouderlijke woning stilhield.
Jack stapte uit en trok aan de schel. De knechts, die open deden,
kenden hem niet; het waren niet dezelfden als toen hij van huis
was gegaan.
"Is meneer Rustig thuis?" vroeg Jack.
"Wie ben jij?" was de lompe wedervraag van een der knechts.
"Je zult, voor den donder, gauw genoeg ondervinden wie hij is,"
bromde Mesty.
"Blijf hier even staan, dan zal ik zien of hij thuis is."
"Staan blijven? Hier in de gang blijven staan als een schooier? Wat
denk jij wel uilskuiken?" riep Jack uit en trachtte den kerel op zij
te duwen.
"Ho wat, dat gaat maar zoo niet, heerschap; 't is hier Gelijkheidshof;
de een is hier even goed als de ander."
"Toch niet in alle opzichten," antwoordde Jack en sloeg den kerel
tegen den grond. "Daar heb je wat voor je onbeschaamdheid; pak je
rommel bijeen en morgenochtend de deur uit."
Tezelfdertijd had Mesty nummer twee bij de keel gegrepen.
"Wat moet ik den vent doen, Massa Rustig?"
"Laat hem nu maar los, Mesty; we zullen morgenochtend wel met hen
afrekenen. Mijn vader zal denkelijk wel in de bibliotheekkamer te
vinden zijn."
"Zijn vader!" zei een der kerels tot den ander: "hij schijnt niet
precies van 't zelfde hout als de oude paai."
"'t Zal hier een heele verandering geven, verwacht ik," antwoordde
de ander, terwijl zij zich zamen verwijderden.
"Mesty," riep Jack op bevelenden toon, "roep die twee lummels eens
terug en laat ze de bagage uit de sjees dragen; betaal den koetsier
en verzoek de huishoudster je mijn kamer te wijzen. Zoodra je daarmee
klaar bent, kom je weer bij me."
"Best, meneer," antwoordde Mesty. "Kom nu eens hier schavuiten,
en haal me die dingen uit den wagen, of anders zal ik jullie beiden
eens terdege wakker schudden."
Het blikkeren van Mesty's tanden, zijn woeste blik en zijn kordaat
optreden hadden de gewenschte uitwerking. De twee knechts kwamen
gemelijk terug en ontpakten den wagen. Intusschen begaf Jack zich naar
zijn vaders studeerkamer; hij vond er hem, maar keek heel verbaasd
over den toestand van het vertrek, dat door zilveren lampen verlicht
werd. Meneer Rustig was zoo druk bezig met een pleisterafgietsel van
een menschenhoofd van alle kanten te bekijken, dat hij het binnentreden
van zijn zoon niet bespeurde. Het afgietsel van den schedel was in tal
van vakjes verdeeld, op ieder van welke iets geschreven stond; maar wat
onzen held het meest verstomd deed staan, was de verandering die er in
de kamer had plaats gehad. Boekenkasten en boeken waren verwijderd en
midden in zag men van de zoldering een toestel afhangen, dat ieders
scherpzinnigheid op een zware proef zou gesteld hebben. Het bestond
uit een reeks van staafjes in allerlei richtingen, met schroeven aan
de uiteinden en een even groot aantal buisjes, elk afzonderlijk in
verband met een groote luchtpomp, die op tafel stond. Jack keek eens
goed overal rond, trad vervolgens op zijn vader toe en sprak hem aan.