De Aurora was gewend en loste de volle laag op het achterschip van

het Russische fregat. Het was bijna donker, maar de vijand scheen al

even verlangend naar den strijd als de Aurora. Binnen vijf minuten

waren de twee schepen elkaar op zij gekomen en openden op weinig meer

dan een pistoolschot afstand een moorddadig vuur.

Na een verwoed gevecht van een half uur, ging kapitein Wilson van

beneden naar het bovendek en richtte zelf stuk voor stuk de geladen

kanonnen, de midscheepsche op de groote rust van den vijand, en ook die

van het voor- en van het achterschip zóó, dat al de schoten ongeveer

op de zelfde hoogte moesten treffen. Vervolgens gaf hij bevel dat op

het gegeven kommando alle tegelijk moesten afgevuurd worden. De vijand

begreep niet waarom er zoo gedraald werd met schieten en verbeelde

zich al, dat de Aurora het vuren opgaf. Maar opeens kreeg hij de

volle laag en, hoe donker het ook was, toch kon men de uitwerking

waarnemen. Er was een geducht gat in het schip geslagen en de groote

mast tuimelde over boord. De Aurora maakte nu, dat ze dwars voor den

Rus kwam te liggen, en begon uit de bovendeksstukken met schroot te

schieten, om den vijand alle werkzaamheid aan dek te verhinderen,

terwijl de batterij van het hoofddek een vernielend vuur op den romp

bleef onderhouden.

De maan brak door de wolken en stelde hen in staat met meer juistheid

te werk te gaan. In een kwartier was het Russische schip al zijn masten

kwijt en kon kapitein Wilson de helft van zijn manschappen aan het

herstellen der geleden schade zetten. De vijand bleef nog met vier

stukken het vuur beantwoorden, maar het duurde niet lang of ook deze

vier waren tot zwijgen gebracht. De Aurora staakte nu den strijd en de

tweede luitenant werd met een der sloepen, die ongehavend was gebleven,

afgezonden om zich te vergewissen of het fregat zich gewonnen gaf.

De heldere maan wierp een zilverachtig licht over het water, toen

de boot afzette; kapitein Wilson en de officieren, die niet gewond

waren, leunden over de deerlijk gehavende verschansing van de Aurora

en wachtten het antwoord af. Op eens werd de stilte van den nacht

verbroken door een vervaarlijk geraas van den kant van het Russisch

fregat, op dat oogenblik ongeveer drie kabellengten van hen verwijderd.

"Wat zou dat zijn?" riep kapitein Wilson uit. "Het anker hebben ze

vroeger al laten vallen, dat kan 't dus niet wezen. Je moest eens

loden, meneer Jones, en zien hoeveel water we hebben."

Meneer Jones was al lang doodelijk gewond naar beneden gedragen,

maar een ander wierp het lood uit en peilde zeven vademen.

"Dan zal hij 't ons, vrees ik, nog lastig genoeg maken," merkte Wilson

op; en dat bleek ook spoedig, want de Russische kapitein had den

tweeden luitenant in het Engelsch toegeroepen, "dat hij zijn vraag

met het geschut beantwoorden zou" en was bijna onmiddellijk daarop

weer begonnen te vuren op de Aurora.

Kapitein Wilson maakte zeil en voer aanhoudend om het geankerde schip

heen, zoodat hij het bij beurten rechts en links de volle laag kon

geven. De hardnekkigheid, waarmee de dappere Rus den strijd volhield,

gaf kapitein Wilson de overtuiging, dat de man liever zou blijven

doorvechten tot zijn schip zonk dan de vlag te strijken; en in dit

geval zou de Aurora niet alleen nog verscheidene manschappen moeten

verliezen, maar ook het Russische schip niet buit kunnen maken. Daarom

besloot kapitein Wilson tot een beslissenden stap. Na een kort overleg

met zijn officieren klampte hij den Rus aan boord, en sprong aan het

hoofd zijner manschappen op het vijandelijk dek over.

Er volgde nu een allerhevigst gevecht van man tegen man, waarbij de

Russische kapitein en het gering getal manschappen, dat hij nog over

had, zich dapper verweerden. Lang kon echter de tegenstand niet duren

en weldra was het Russisch fregat in handen der Engelschen.

Zoodra het dek opgeruimd was, liet kapitein Wilson de luiken sluiten en

gaf aan een deel zijner manschappen last aan boord van het veroverde

vaartuig te blijven, terwijl hij zelf zich haastte onderzoek te gaan

doen naar den toestand van zijn eigen schip.

De dag was al aangebroken eer aan boord der Aurora de boel weer zoo

wat op orde was gebracht. De meeste gewonden waren intusschen in de

hangmatten gelegd, terwijl er ook enkelen waren, die een amputatie

moesten ondergaan.

De timmerman had al de geschoten gaten onder of dicht bij de waterlijn

hersteld en was daarna begonnen het lek van het buitgemaakte vaartuig

te stoppen. Ofschoon aan het bovengedeelte erg gehavend, was er toch

geen aanleiding om te veronderstellen dat het ook beneden de waterlijn

ernstige schade had beloopen en daarom bleven de luiken gesloten,

ofschoon eenige manschappen aan de pompen werden gesteld om te zien of

het schip ook water maakte. Zoodra de Aurora er weer wat behoorlijk

uit begon te zien, ging kapitein Wilson opnieuw aan boord van het

veroverde schip, waar het dek, nu het helder licht geworden was,

een vreeselijk bloedbad te aanschouwen gaf. Lijk na lijk werd over

boord geworpen en aan de gewonden zoodra mogelijk hulp verleend;

de luiken werden afgenomen en het overschot der bemanning aan dek

gekommandeerd; ongeveer tweehonderd gaven gehoor aan dat bevel, maar

het zag er beneden, wat dooden en gewonden betrof, al even ellendig

uit als boven. De gevangenen werden op de Aurora overgebracht en daarna

begon het schiften van dooden en levenden. Vervolgens werden de meest

noodige herstellingen gedaan en een deel der bemanning van de Aurora,

onder bevel van den tweeden luitenant, er aan boord gezonden. Den

ganschen nacht werd er doorgewerkt en eerst den volgenden morgen

kon de Aurora, met de Drietand, zoo heette het Russische fregat,

op sleeptouw, onder zeil gaan.

In dat moorddadig gevecht had de Drietand meer dan tweehonderd man

aan dooden en gewonden. Het verlies der Aurora was niet zoo groot,

maar toch belangrijk genoeg, namelijk zes en vijftig manschappen en

officieren. Onder de gesneuvelden behoorden de stuurman Jones, de derde

luitenant en twee adelborsten. Meneer Pottyfar, de eerste luitenant,

was al bij het begin van den strijd zwaar gewond. De stuurmansmaat

Martin en Gascoigne waren ook beiden getroffen, de eerste doodelijk,

de tweede vrij ernstig. Onze held had een jaap met een sabel gekregen,

zoodat hij zijn arm een tijdlang in een doek moest dragen.

Nog voordat de Drietand geënterd werd, was Mesty door een splinter

geraakt, maar hij was aan dek gebleven om als een vader over Jack te

waken en hem te beschermen. Ja, hij had nog meer gedaan; want toen

kapitein Wilson met het plat van een sabel een slag kreeg, die hem

deed suizebollen en op de knieën schieten, had hij zich met Jack vóór

hem geworpen. En Jack had gezorgd, dat kapitein Wilson niet onbekend

bleef met den grooten dienst, hem door Mesty bewezen.

"Maar je zult wel bij Mesty geweest zijn, toen hij me het leven redde,"

merkte kapitein Wilson op."

"Dat was ik ook, meneer," antwoordde Jack bescheiden, "maar zonder

dat ik zelf veel kon uitrichten."

"Hoe gaat 't van avond met uw vriend Gascoigne!"

"O, lang niet slecht, meneer; hij krijgt trek in een glas grog."

"En met Martin?"

Jack schudde bedenkelijk het hoofd.

"De dokter is toch van oordeel, dat hij weer zal beteren."

"Ja, meneer, dat heb ik Martin ook verteld; hij vond 't heel goed,

dat men hem hoop gaf--maar zelf dacht hij er anders over."

"Je moet hem wat opmonteren, meneer Rustig; zeg hem, dat hij vast op

bevordering kan rekenen."

"Dat heb ik hem al gezegd, meneer, maar hij wil 't niet gelooven. Hij

zal er geen geloof aan slaan, zoolang hij niet de geteekende

aanstelling onder zijn oogen krijgt. Ik denk bepaald, dat zoo'n stuk

nog gunstiger op hem zou werken dan de dokter."

"Nu, meneer Rustig, morgenochtend zal hij 't hebben. Hebt ge meneer

Pottyfar ook bezocht? Ik vrees, dat het slecht met hem zal afloopen."

"Dat vrees ik ook, meneer; hij wordt iederen dag erger, ofschoon toch

de wond gunstig staat."

Zoo praatte Jack met zijn kapitein, toen zij den derden morgen na

het gevecht aan het ontbijt zaten.

Den dag daarna bracht Rustig een voorloopige aanstelling voor Martin

beneden en stelde hem die ter hand. De arme stakker, die in een

verband in zijn hangmat lag, doorlas het stuk nauwkeurig.

"'t Is maar een voorloopige aanstelling, Jack," zei hij; "misschien

wordt ze niet bekrachtigd."

Jack zwoer bij al de krijgsartikelen, dat 't wel degelijk gebeuren zou;

maar Martin bleef volhouden, dat 't nooit zoo ver zou komen.

"Neen, neen," zei hij, "ik wist wel, dat ik 't nooit tot stuurman zou

brengen. Wordt de aanstelling niet bekrachtigd, dan zal ik in leven

blijven, maar gebeurt dat wel, dan sterf ik stellig."

Iedereen, die Martin in zijn hangmat kwam opzoeken, wenschte hem geluk

met zijn bevordering, maar zes dagen na het treffen met den vijand,

werd het stoffelijk overschot van den armen Martin aan de golven

prijs gegeven.

Het spoedigst volgde hem de eerste luitenant Pottyfar, die, gewond als

hij was, een pakje van zijn universeel geneesmiddel had weten machtig

te worden, en er zooveel fleschjes van geledigd had, dat hij op een

goeden morgen dood in zijn hangmat werd bevonden, met meer dan twee

dozijn leege fleschjes onder zijn hoofdkussen en naast zijn matras.

Twee-en-twintigste hoofdstuk.

Menschlievendheid met ondank beloond. Jack en zijn vrienden

in levensgevaar, maar nog intijds van den dood gered.

Binnen drie weken liep de Aurora, met haar buit op sleeptouw, de

haven van Malta binnen, maar een lange rust werd haar niet gegund,

want er waren dringende tijdingen naar de overheid van Palermo over

te brengen. Hiermede nu werd kapitein Wilson belast. Na ontvangen

antwoord moest hij naar Malta terugkeeren, degenen van zijn manschappen

opnemen, die intusschen genoegzaam hersteld waren om het hospitaal

te kunnen verlaten, en vervolgens zich bij de vloot voor Toulon gaan

voegen. Jack was buiten zichzelven van blijdschap nu hij gelegenheid

zou krijgen om Agnes en haar broeders weer te ontmoeten.

Opnieuw verliet de Aurora de hooge klippen van Valette en doorkliefde

onder een flinke bries de donkerblauwe golven. Maar tegen den avond

begon de wind weer op te steken, zoodat ze de marszeilen dubbel

moesten reven. Den tweeden dag voeren ze langs de kust van Sicilë,

niet ver van de plek, waar Rustig en Gascoigne aan den wal gedreven

waren. Het weer was intusschen veel kalmer geworden en de zee tot

bedaren gekomen. Daarom stuurden ze dicht onder de kust, wijl de wind

niet gunstig was voor de vaart naar Palermo. Als gewoonlijk werden

nu de kijkers naar land gericht, naar de villa's, waarmee de heuvels

en dalen bezaaid waren.

"Wat is dat, Gascoigne," zei Rustig, "daar onder die overhellende

rots?--'t lijkt wel een schip."

Gascoigne bracht zijn kijker in de aangewezen richting.--"Ja, 't is

een schip, dat op de klippen zit: naar den voorsteven te oordeelen is

't een galei."

"Dat is 't ook," riep de uitkijk, "ik kan de roeibanken duidelijk

onderscheiden."

Dit werd aan kapitein Wilson meegedeeld, die nu zelf een onderzoek

instelde.

"Ze zit op de rotsen, dat is zeker," merkte hij op, "en ik verbeeld me

ook, dat ik volk aan boord zie. Eén streek afhouden, kwartiermeester!"

De Aurora werd nu recht op het schip aangestuurd, en na een uur was

ze niet meer dan een mijl er van verwijderd. Hun vermoedens waren

juist geweest--'t bleek een van de Siciliaansche goevernementsgaleien

te zijn, die op de klippen gesmeten was, en ze zagen nu ook, dat er

menschen aan boord waren, die met stukken linnengoed seinen gaven.

"'t Zijn stellig galeislaven; want ik bemerk, dat ze geen van allen

van plaats veranderen. De officieren en matrozen moeten de galei

verlaten en de slaven aan hun lot overgelaten hebben."

"Dat is wreed," zei Jack tot Gascoigne; "de kerels waren wel tot de

galeien veroordeeld, maar niet ter dood."

"Van de golven hebben ze niet veel genade te verwachten," antwoordde

Gascoigne; "als de wind wat meer landwaarts-in omloopt, zijn ze er

morgen ochtend om koud."

Ofschoon kapitein Wilson zich niet met dit gesprek inliet, hoorde hij

toch wat er gezegd werd en stemde er volkomen mee in; maar hij kon 't

met zichzelf nog niet eens worden wat hij doen moest; al die menschen

ellendig laten omkomen, of zoo'n bende schurken tegen de maatschappij

los te laten. Na eenige overweging besloot hij tot het laatste. De

Aurora draaide bij en de twee kotters werden afgelaten en bemand.

"Meneer Rustig, neem gij in den eenen kotter de wapensmeden mee,

roei naar boord van de galei, ontboei die kerels, en breng ze bij

kleine afdeelingen aan land. Meneer Gascoigne, gij vergezelt meneer

Rustig met den anderen kotter, en houd u gereed tot handelen, als soms

de schurken onder het overbrengen een vijandelijke houding mochten

aannemen; want op dankbaarheid valt bij hen niet te rekenen."

Ingevolge die bevelen, zetten onze beide adelborsten van boord

af. Zij vonden de galei tusschen de rotsen geklemd, terwijl er een

gat in de kiel gestooten was, en, zooals zij reeds vermoed hadden,

was de kommandant met de bemanning in de booten gegaan en had de

slaven aan hun lot overgelaten.

"Viva los Inglesos!" riepen de kerels, toen Rustig bij hen aan

boord klom.

"Wel, Ned, heb je ooit zoo'n kostelijk zoodje schurken bijeen

gezien?" merkte Rustig op, toen hij zijn oog had laten gaan over de

tronies der geketenden.

"Neen," antwoordde Gascoigne; "en, me dunkt, de kapitein zou, als

hij hier eerst een kijkje had genomen, zich wel tweemaal bedenken,

eer hij die bende losliet."

"Wel mogelijk--maar wij hebben bepaalde bevelen. Sla al de sloten

los, smid, van achteren te beginnen; zoodra we een lading hebben,

zetten we die aan wal."

"Hoeveel zijn er?--twaalf dozijn.--Twaalf dozijn boosdoeners los te

laten tegen de maatschappij! Ik heb heel veel lust eerst nog eens naar

boord terug te keeren, om er den kapitein over te spreken--honderd

vier en veertig onverlaten, die allen gehangen dienden te worden--want

verdrinken is nog te goed voor hen."

"We hebben order gekregen hen te bevrijden, Jack."

"Jawel; maar ik zou er toch eerst wel eens met kapitein Wilson over

willen redeneeren."

"Ze zullen hen gauw genoeg achter de vodden zitten, Jack, en in een

ommezien zijn ze allen weer ingepikt," hernam Gascoigne.

"Nu, dan moeten we maar aan de orders gehoorzamen; maar 't stuit me

toch tegen de borst. Sla los, smid!"

De wapensmid, die evenals de matrozen het met Jack eens scheen te

zijn en nog niet aan het werk gegaan was, begon nu met zijn hamer de

sloten één voor één los te slaan. Telkens als er een slaaf ontboeid

was, moest hij in den kotter; zoodra die voldoende aangeladen was,

voer Jack af, gevolgd door Gascoigne met zijn manschappen, en zette

de kerels op ongeveer een kabellengte afstand aan wal.

Ze moesten zes gangen maken eer allen aan land waren. Toen de laatste

vracht was afgezet en Jack juist bevel wilde geven om weer van wal te

steken, keerde een der galeiboeven zich om en riep Jack op spottenden

toon toe: "Addio, signor, tot weerziens!" Jack keek verbaasd op

en herkende nu in het morsige, halfnaakte wezen, dat hem toesprak,

Don Silvio!

"Ik zal Don Rebiera vast van uw komst verwittigen, Signor!" riep de

ellendeling, sprong op de klippen en mengde zich onder de overigen,

die nu hun redders begonnen uit te jouwen en uit te lachen.

"Ned," zei Rustig tot Gascoigne, "daar hebben we dien schurk ook

losgelaten."

"Jammer genoeg," antwoordde Gascoigne; "maar wat konden wij er aan

doen? We hebben eenvoudig de gegeven orders uitgevoerd."

"Ik zal er toch met den kapitein over spreken, zoodra we weer aan

boord zijn," hernam Jack.

"Te laat, vriend."

"Je heb gelijk," zuchtte Jack met een uitdrukking van wanhoop op

het gelaat.

"Zet aan, jongens, zet aan!"

Jack keerde aan boord terug en rapporteerde wat hij gedaan had;

ook dat Don Silvio onder de bevrijden behoorde. Hij nam tevens de

gelegenheid te baat om zijn bezorgdheid daarover te kennen te geven,

wegens de nabijheid van Don Rebiera's woning. Kapitein Wilson beet

zich op de lippen; hij zag in, dat zijn menschlievendheid hem zijn

gewone voorzichtigheid uit het oog had doen verliezen.

"Ik heb, vrees ik, een overijlden stap gedaan, meneer Rustig. Ik had de

kerels aan boord moeten nemen en aan de overheid in handen leveren. Had

ik daar maar eer aan gedacht! We moeten zoo spoedig mogelijk naar

Palermo stevenen en zorgen, dat de schurken met een afdeeling soldaten

worden nagezet. Klaar om te wenden, volbrassen de groote ra!"

Reeds de volgenden morgen ankerden wij voor Palermo, gaven van het

gebeurde kennis aan de overheid, die kapitein Wilson's misplaatste

menschlievendheid naar den duivel wenschte, maar toch onmiddelijk

een sterke troepenmacht afzond, om de losgelaten boosdoeners op te

sporen. Kapitein Wilson, die Jack's bezorgdheid over zijn vrienden

ten volle begreep, riep hem bij zich aan dek, en gaf hem en Gascoigne

verlof om aan wal te gaan.

"Zou u me willen toestaan, Mesty mee te nemen, meneer?" vroeg Jack.

"Jawel, meneer Rustig; maar bedenk dat ge, zelfs met Mesty bij u, geen

partij zijt voor een honderd en vijftig man; wees dus voorzichtig. Ik

laat u gaan om uw bezorgheid wat te doen verminderen, maar niet opdat

ge u in gevaar zoudt begeven."

"Natuurlijk, meneer," antwoordde Jack, sloeg aan en verwijderde zich

heel bedaard. Zoodra hij echter bij het luik gekomen was, schoot hij

ijlings naar beneden en ging onmiddellijk toebereidselen maken voor

zijn vertrek.

Een half uur later waren onze beide adelborsten en Mesty reeds aan

wal en begaven zich naar het logement, waar zij ook vroeger hun intrek

hadden genomen. Hun eerste vraag was naar Don Philip en diens broeder.

"Beiden met verlof," antwoordde de herbergier; "ze logeeren bij

Don Rebiera."

"Dat is ten minste één geluk," dacht Jack. "We moeten zoo spoedig

mogelijk er heen."

Weldra was er voor paarden en voor een gids gezorgd en om acht uur

in den morgen begaven ze zich op weg in de richting van Don Rebiera's

landhoeve.

Zij hadden nog geen zes mijlen afgelegd, toen ze een van de

detachementen ontmoetten, die ter vervolging van de losgelaten boeven

waren afgezonden. Onze held herkende in den bevelvoerenden officier

een oude kennis, deelde hem mee, dat ook Don Silvio op vrije voeten

was en verzocht hem zijn richting te nemen naar het verblijf van Don

Rebiera, wien stellig gevaar dreigde.

"Gij hebt gelijk, Signor," antwoordde de officier; "ik geloof anders,

dat Don Philip er is en ook zijn broeder. Maar in elk geval zal ik

er morgenochtend tegen tien uur wezen; we zullen den ganschen nacht

doormarcheeren."

"Wapens hebben ze niet," merkte Rustig op.

"Neen maar die zullen ze spoedig weten te krijgen; zij zullen de een

of andere kleine stad plunderen en dan hun toevlucht zoeken in het

gebergte. Uw kapitein heeft ons een mooi koopje bezorgd."

Jack wisselde nog een paar woorden met den officier en gaf vervolgens

zijn paard de sporen om zich weer bij zijn gezelschap te voegen.

Tegen vijf uur in de namiddag bereikten zij het verblijf van Don

Rebiera. Jack wipte uit den zadel en snelde, gevolgd door Gascoigne,

naar binnen. Zij vonden het heele gezin in de ruime huiskamer bijeen,

volkomen onbewust van het gevaar dat hen dreigde en tegelijkertijd

verbaasd en verheugd over de komst hunner oude vrienden. Jack draalde

niet lang met de reden van zijn overhaaste verschijning te melden.

"Don Silvio met honderd vijftig galeiboeven gisternamiddag op de kust

losgelaten!" riep Don Rebiera uit; "gij hebt gelijk, 't is wonder dat

ze niet reeds den vorigen nacht hier zijn gekomen. Maar ik verwacht

elk oogenblik Pedro terug, die met een lading wijn naar de stad is;

hij zal ons wel nadere tijding brengen."

"In elk geval moeten we ons op een aanval voorbereiden," zei Don

Philip; "zooals gij zegt, zullen de troepen morgenochtend hier zijn."

"Hoeveel man kunnen we bijeenbrengen?" vroeg Gascoigne.

"Wij hebben hier vijf flinke kerels," antwoordde Don Philip, "en dan

mijn vader, mijn broeder en ik zelf."

"Wij zijn met ons drieën; of er op den gids te rekenen valt, weet

ik niet."

"Dus alles bijeen twaalf man--dat is niet te veel; maar nu we

voorbereid zijn, zullen we, dunkt me, den aanval wel kunnen weerstaan

tot aan den morgen."

"Zouden we de dames niet liever wegbrengen?" opperde Jack.

"En wie zou ze geleiden?" bracht Don Philip daar tegen in; "we zouden

alleen onze krachten versnipperen en bovendien zouden ze in handen

der schurken kunnen vallen."

"Als we eens allen gezamenlijk het huis verlieten?" gaf Don Rebiera

in bedenking; "ze kunnen niet meer doen dan de woning plunderen."

"Maar we zouden door hen opgevangen kunnen worden, en tegen zulk een

overmacht beteekent ons aantal niets," merkte Don Philip op. "Hier

hebben we ten minste het voordeel, dat het huis zelf als middel van

bescherming dient."

"Dat is waar," antwoordde Don Rebiera, "laten we ons derhalve

toerusten, want reken er maar op, dat Don Silvio zulk een mooie

gelegenheid om wraak te oefenen niet zal laten voorbijgaan. Hij zal

nog hedennacht hier zijn; het verwondert me zelfs, dat hij niet reeds

met zijn bende gekomen is."

"Nu dienen we na te gaan wat voor middelen tot verdediging we hebben,"

zei Philip. "Kom, broeder; gaan de heeren ook mee?"

Jack liet de anderen vast voorgaan en nam de gelegenheid waar, om

in der haast eenige woorden met Agnes te wisselen, maar het gevaar,

dat allen te duchten stond, gunde hem geen rust en spoedig had hij

zich weer bij de overigen gevoegd.

"Wij hebben genoeg wapens," merkte Don Philip op, "om al onze mannen

behoorlijk te voorzien."

"En wij zijn ook goed toegerust," verklaarde Jack, die zich weer van

Agnes verwijderd had. "Wat zijn nu uw plannen?"

"Dat moeten we nog eens zamen overleggen. Het schijnt ----" doch

op dit oogenblik werd het gesprek plotseling gestoord door Pedro,

die met zijn roode muts in de hand kwam binnenstuiven.

"Hoe nu, Pedro, al zoo vroeg terug?"

"O signor!" riep de man klagend uit--"ze hebben mijn wagen en wijn

afgenomen en zijn er mee de bergen ingetrokken."

"Wie?" vroeg Don Rebiera.

"De losgelaten galeiboeven. De schurken hebben al heel wat

kwaad uitgericht--ze hebben in de huizen ingebroken en alles

weggeroofd--verscheiden menschen vermoord--de beste kleeren, die ze

vonden aangetrokken--wat er aan wapens, mondvoorraad en wijn bijeen te

krijgen was, ingepalmd en zijn er mee in het gebergte gevlucht. Dit

is in den afgeloopen nacht gebeurd. Toen ik nog ongeveer een mijl

van de stad was, hebben ze mij met mijn geladen kar overvallen,

de ossen doen omkeeren en ze mee weggedreven. De kerels zijn met

bloed bemorst, maar 't is niet allemaal menschenbloed, want ze hebben

eenige van de geroofde ossen geslacht, zooals een herder mij vertelde,

maar de man maakte in zijn angst zoo'n haast om weg te komen, dat ik

niets anders van hem te weten kwam. Ach, signor, ik heb ze uw naam

ook hooren noemers."

"Daar twijfel ik geen oogenblik aan," antwoordde Don Rebiera. "Wat

den wijn aangaat, ik hoop maar dat ze er van avond te veel van zullen

drinken. Maar Pedro, ze komen stellig hierheen, we moeten ons dus

verdedigen--roep jij de anderen eens hier; ik moet ze spreken."

"Ach, ach, we zullen onze ossen nooit terugzien!" riep Pedro klagend

uit.

"Neen, maar we zullen ook elkander niet lang meer zien, als we niet

terdege op onze hoede zijn. Er is mij meegedeeld, dat ze nog hedennacht

hier zullen komen."

"Bij alle heiligen! en ze zijn wel duizend man sterk, wordt er gezegd."

"Nu, zoo groot is hun getal niet, zoover ik weet," merkte Jack op.

"Er moeten er heel wat gedood zijn bij hun aanval op de stad."

"Des te beter. Kom, ga nu, Pedro, drink een glas wijn, en roep dan

de anderen."

Het huis werd zoo goed mogelijk gebarricadeerd; de eerste verdieping

werd tot een vesting gemaakt door de toegangen met kisten en kasten

te versperren. De bovenverdieping brachten ze op dezelfde manier in

staat van verdediging, opdat ze daarheen zouden kunnen terugtrekken,

als soms de benedendeuren werden stuk gerammeid.

Jack Rustig · 第 17 / 20 段