bewaard voor de goeverneurstafel, waar ik u toch stellig ook zou
aantreffen; ik behoefde dan niet tweemaal hetzelfde te vertellen."
Jack gedroeg zich uitstekend, en bleef uit eigen beweging het
grootste gedeelte van den dag aan boord om zijn plicht te leeren,
zoodat kapitein Wilson geen berouw behoefde te hebben over zijn
toegeeflijkheid tegenover hem. Met Jacks gezondheid ging het dagelijks
beter, wat veel voldoening schonk aan meneer Pottyfar, die in de
meening verkeerde, dat zijn universeel geneesmiddel geregeld gebruikt
werd. Gascoigne, die ook onder behandeling van den eersten luitenant
was, ging dikwijls met onzen held aan wal en dacht er niet meer over
om zijn ontslag uit den dienst te nemen.
Zeven weken hadden ze al in de haven gelegen, want er was heel wat te
herstellen geweest, toen kapitein Wilson op een morgen bij het ontbijt
een brief ontving, welks inhoud hem ten hoogste verbaasde. "Mijn
hemel! wat moet dat beteekenen?" riep hij uit.
"Wat is er, Wilson?" vroeg de goeverneur.
"Hoor nu eens aan, Sir Thomas." En de kapitein las:
"Hooggeachte Heer!
Het is mijn plicht u mede te deelen, dat de onlangs overledene
Lady Signora Alfergas de Guzman, in haar testament een som van
duizend dubloenen in goud aan u vermaakt heeft, als een blijk
van erkentelijkheid voor de goede diensten haar bewezen op den
avond van den 12_den_ Augustus. Indien gij iemand machtigen
wilt tot inning van genoemd bedrag, zal het onmiddellijk
uitbetaald worden. Moge een lang leven uw deel zijn!
Uw onderdanige dienaar,
ALFONZO XEREZ."
Onder het lezen van dien brief, sloop Jack stilletjes de kamer uit,
zonder dat de goeverneur of de kapitein er acht op sloegen.
"Wat kan dat beteekenen?" vroeg de kapitein. "Ik herinner me niets
van diensten op 12 Augustus of daar omtrent aan den een of ander
bewezen. 't Moet een verrassing wezen--12 Augustus--dat was de dag
van het groote gemaskerd bal."
"'t Is in elk geval een buitenkansje voor u, want--vergissing of
niet--niemand anders dan gij kan aan het legaat raken."
"Ik heb niet gehoord van iets bijzonders, dat op het gemaskerd bal
zou zijn voorgevallen; ik ben er wel geweest, maar vroeg heengegaan,
omdat ik me niet prettig gevoelde. Meneer Rustig," zei de kapitein
en wendde zich om, maar Jack was weg.
"Is hij er ook geweest?" vroeg de gouverneur.
"Ja, dat weet ik zeker, want de eerste luitenant heeft me gezegd,
dat hij verlof had gevraagd om eerst den volgenden morgen aan boord
terug te komen."
"Reken er dan maar vast op, dat hij er achter steekt," hernam de
gouverneur en sloeg met de vuist op tafel.
"'t Zou me niet verwonderen," antwoordde kapitein Wilson, lachend.
"Laat 't maar aan mij over, Wilson, ik zal wel uitvisschen hoe de
vork aan den steel zit."
Na nog een poosje praten, begaf kapitein Wilson zich naar boord, in de
hoop dat de gouverneur Jack uit zou hooren. Daartoe kreeg Sir Thomas
echter geen gelegenheid, want Jack had al bij zichzelven besloten den
gouverneur tot zijn vertrouwde te maken en begon uit eigen beweging
het heele geval met de dikke dame te vertellen.
"Houd op, Jack, want ik zou me ziek lachen," zei de vroolijke oude
heer ten laatste; "maar wat dient er nu gedaan?"
Onze held werd nu ernstig en betoogde den gouverneur, dat hij zelf
overvloed van geld had, terwijl kapitein Wilson arm was en een groot
gezin moest onderhouden. Daarom hoopte hij, dat alles in het werk zou
gesteld worden om kapitein Wilson tot het aanvaarden van het legaat
te bewegen.
"Goed zoo, mijn jongen, zoo mag ik 't hooren," hernam de gouverneur;
"maar 't zal misschien niet zoo gemakkelijk gaan, want Wilson staat
erg op zijn eer. Je hebt immers niemand iets van het geval verteld?"
"Geen sterveling behalve u, Sir Thomas."
"Hij zelf mag de eigenlijke toedracht ook niet vernemen, want dan
zou hij eerst recht het legaat weigeren."
"Ik heb er al iets op gevonden, meneer," zei Jack. "Toen ik voor het
feestgebouw aan die oude dame mijn geleide aan bood en zij van mijn
duivelskostuum zoo'n schrik kreeg, is ze in de armen van kapitein
Wilson gevallen en was hem zeer dankbaar, dat hij haar voor een
leelijke tuimeling had behoed."
"Daar hebben we 't, Jack," antwoordde de gouverneur, "daar moeten we
't maar op gooien. Ik heb wel beweerd dat gij er achter zoudt steken,
maar ik zal hem nu wel wat anders op den mouw spelden; laat dat maar
gerust aan mij over."
Toen kapitein Wilson des namiddags terugkwam, vond hij den gouverneur
in de waranda.
"Ik heb eens met den jongen Rustig gesproken," zei de goeverneur,
"maar van dat legaat weet hij niets. Toch heeft hij een verklaring
aan de hand gedaan. Toen hij namelijk als duivel de oude dame zulk
een schrik op het lijf joeg, hebt gij het zwaarlijvige schepsel in
uw armen opgevangen en daardoor voor een gevaarlijken val behoed."
"Ik herinner me niets van de heele geschiedenis; en dan, duizend
dubloenen voor het oprapen van een oude dame!"
"Waarom niet? Ik ken die familie als onnoemelijk rijk, en als het
arme schepsel gevallen was, zou 't haar misschien den dood hebben
gekost. Heel begrijpelijk dus, dat ze haar redder ruim wenschte
beloonen. Uw naam uit te visschen was ook zoo moeilijk niet, want
gij waart in uniform."
"Ja," antwoordde kapitein Wilson, "ik weet er ook geen andere
verklaring aan te geven en zal 't er dus maar voor houden, dat de uwe
de juiste is. Toch vind ik het wel wat kras duizend dubloenen aan te
nemen voor een eenvoudige beleefdheid."
"Och wat! zoo'n bedrag heeft voor die familie niets te beteekenen,
terwijl het voor u met uw groot gezin een aardig buitenkansje
is. Geloof me, al had de val haar het leven niet gekost, een been
zou ze al licht gebroken hebben."
"Op die veronderstelling zal ik het legaat dan in 's hemelsnaam maar
aannemen," antwoordde kapitein Wilson lachend.
"Wel natuurlijk, zend er terstond iemand op uit. De wisselkoers staat
op dit oogenblik juist zeer hoog en gij zult voor de duizend dubloenen
nu bijna vier duizend pond krijgen."
"Vier duizend pond voor het op de been houden van een oud wijf!" riep
Wilson uit.
"Ja, 't is verduiveld goed betaald, Wilson, ik wensch je geluk."
"Wat ben ik den vader van onzen Rustig toch veel dank
verschuldigd!" merkte de kapitein na eenig zwijgen op. "Als hij me
niet door zijn geldelijken steun aan een schip geholpen had, zou
ik niet bevorderd zijn, geen drie duizend pond als aandeel in den
gemaakten buit ontvangen hebben, niet het kommando hebben gekregen
over een mooi fregat en nu nog in een ommezien vierduizend pond."
De gouverneur dacht bij zichzelf, dat voor dit alles aan Jack meer
dank toekwam dan aan diens vader, maar hij was verstandig genoeg om
daarover te zwijgen.
"'t Is waar," zei de goeverneur, "de hulp van den ouden heer Rustig
mag niet voorbijgezien worden, maar het meest hebt ge toch aan uw
eigen flinkheid te danken."
Twintigste hoofdstuk.
Jack ontvangt een brief van zijn vader. Don Silvio weet zich
onder een valschen naam bij den goeverneur in te dringen.
Hier werd het gesprek gestoord door de aankomst van een bezending
brieven uit Engeland. Kapitein Wilson begaf zich met de voor hem
bestemde naar zijn kamer, de goeverneur hield zich bezig met de zijne
en onze held kreeg voor het eerst een schrijven van zijn vader. Het
luidde als volgt:
"Waarde zoon.
Al menigmaal heb ik het plan opgevat u te laten weten hoe
't hier in deze streken geschapen staat. Maar daar ik om mij
heen niets dan ellende bespeur, heb ik telkens de pen weer
neergelegd, ten einde u niet te bedroeven met de mededeeling
er van.
De tijding van uw dood en ook het latere bericht, dat gij
onverhoopt voor ons gespaard waart gebleven, zijn in orde
ontvangen en ik houd me overtuigd, dat ik zoowel de smart
als de vreugde met de voor een wijsgeer passende kalmte
heb gedragen. In het eerste geval troostte ik mij met de
overweging, dat de door u verlaten wereld in een staat
van slavernij verkeerde en gebukt ging onder den druk der
geweldenarij zoodat te sterven slechts onze vrijheid ten goede
kon komen; en in het tweede geval matigde ik mijn blijdschap
om dezelfde redenen, vast besloten als ik ben om zoowel
in leven als in sterven mij een waar wijsgeer te betoonen,
wat Dr. Middleton er ook van moge zeggen.
Hoe meer ik er over nadenk, hoe meer ik overtuigd word, dat
niets de wereld gelukkig kan maken dan gelijkheid en zuivere
inachtneming van de rechten van den mensch--kortom dat alles
en iedereen op één zelfde peil diende gebracht te worden.
Ja, mijn zoon, als ik niet bleef hopen, dat de zon der
gerechtigheid zal verrijzen, om al de donkere wolken, die
het land verduisteren, te verdrijven--als ik niet bleef
hopen nog eenmaal een gelijke verdeeling van alle eigendom
te beleven--dan zou ik er me niet om bekommeren, hoe eer hoe
liever dit tranendal vol dwingelandij en ongerechtigheid te
verlaten. Doch het groote werk der bevrijding van het menschdom
zal volbracht worden, in weerwil van het schouderophalen en
hoofdschudden van zulk een koppigen, eigenwijzen kerel als
Dr. Middleton.
Uw moeder leeft heel stilletjes voort; werken of lezen
doet ze niet meer, ja zelfs haar breikous heeft ze er aan
gegeven; zij zit nu maar den ganschen dag in een hoekje
van den haard met haar duimen te spelen in afwachting van
het duizendjarig rijk. Arm schepsel! wat ze daar al niet
voor onzin over uitkraamt! Doch ik laat haar stil begaan,
en volg het voorbeeld van den griekschen wijsgeer Socrates,
die met zijn Xantippe ook heel wat te stellen had.
Ik hoop, waarde zoon, dat met de jaren uwe beginselen in
vastheid zullen gewonnen hebben en dat gij, indien zulks
noodig is, alles zult opofferen ter bereiking van datgene wat
in mijne oogen het duizendjarig rijk is. Zie zooveel mogelijk
aanhangers voor onze denkbeelden te winnen en geloof mij
Uw toegenegen vader en trouwen gids
NICODEMUS RUSTIG."
Jack schudde het hoofd en lei den brief met een zucht neer, ontevreden
over zijn vader en over zichzelf. Het liep echter tegen etenstijd en
dus ging hij zich kleeden voor het diner bij den goeverneur, waarop
ook Gascoigne genoodigd was. Nauwelijks waren ze in de ontvangkamer
gekomen, of Sir Thomas trad op hen toe:
"Gij beiden verstaat Italiaansch, heeren, doe me dus het genoegen
u van middag bezig te houden met een Siciliaansch officier, die mij
zeer aanbevolen is."
Zij werden nu voorgesteld aan een slank jongmensch van een kaap
uiterlijk, maar die toch iets onaangenaams in zijn blik had. Aan
tafel werd Don Matthias, zoo luidde zijn naam, tusschen onze beide
adelborsten geplaatst en deze begonnen terstond een gesprek met hem,
begeerig als ze waren om iets te vernemen omtrent hun vrienden te
Palermo. Zoo onder het praten vroeg Jack of hij ook kennis had aan
Don Rebiera, waarop de Siciliaan bevestigend antwoordde, en weldra
hadden ze 't heel druk over de verschillende leden der familie. Tegen
het einde van het diner vroeg Don Matthias onzen held hoe hij met
Don Rebiera in kennis was gekomen en Jack vertelde nu hoe hij en
zijn vriend Gascoigne den man gered hadden uit de handen van twee
schurken. Na deze mededeeling scheen het opeens uit te raken met
de spraakzaamheid van den jongen officier, maar toch gaf hij bij
het afscheid nemen zijn hoop te kennen onze adelborsten nog nader
te ontmoeten. Nauwelijks was hij vertrokken of Gascoigne merkte op:
"Me dunkt, ik heb dat gezicht meer gezien, maar waar, dat wil me niet
te binnen schieten."
"Ik kan me niet herinneren hem ooit ontmoet te hebben," antwoordde
onze held, "maar in dergelijke opzichten is jouw geheugen heel wat
beter dan het mijne."
Er werd niet verder over gesproken en Jack was al weer aan het
luisteren naar den goeverneur en kapitein Wilson, die nog alleen van
de partij over waren, toen Gascoigne, nadat hij geruimen tijd had
zitten soezen, opeens van zijn stoel opsprong en uitriep:
"Nu ben ik er achter!"
"Waar achter?" vroeg kapitein Wilson.
"Achter den naam van dien Siciliaanschen officier--ik wist ook wel,
dat ik hem meer gezien had."
"Dien Don Matthias?"
"Neen, Sir Thomas! Niet Don Matthias! Hij is niemand anders dan Don
Silvio, die op het punt stond Don Rebiera te vermoorden, toen wij te
hulp schoten en den man redden."
"Ik geloof waarlijk dat je gelijk hebt, Gascoigne."
"Stellig heb ik dat," hernam Gascoigne; "nog nooit heb ik me in zoo
iets vergist."
"Reik me die brieven eens aan, Rustig," zei de goeverneur, "dan zullen
we eens zien hoe hij genoemd wordt. Hier heb ik 't--Don Matthias de
Alayeres. Je hebt 't zeker mis, Gascoigne; bedenk wel, dat ge een
zware beschuldiging tegen dien jongen man inbrengt."
"Dat weet ik, Sir Thomas, maar ik zou er mijn heele traktement onder
durven verwedden, dat 't Don Silvio is. Ook heb ik wel degelijk
opgemerkt, dat hij van kleur verschoot, toen Jack hem verhaalde,
dat wij beiden het geweest waren, die Don Rebiera te hulp waren
gekomen. 't Is jou toch zeker ook niet ontgaan, Jack, dat hij later
haast geen woord meer gesproken heeft."
"Dat is zoo," antwoordde Jack.
"Dan zullen we aan 't onderzoeken moeten," merkte de goeverneur op;
"want in dat geval is de aanbevelingsbrief bedriegerij."
Allen begaven zich nu naar bed, en terwijl Rustig en Gascoigne den
volgenden morgen nog eens hun vermoedens bespraken, werden er brieven
uit Palermo voor hen gebracht. Zij dienden ter beantwoording van
Jack's schrijven bij hun aankomst op Malta; eenige regels van Don
Rebiera, een klein briefje van Agnes, en een uitvoerig schrijven van
zijn vriend Don Philip, waarin onder anderen ook voorkwam, dat Don
Silvio opnieuw een aanslag gewaagd had op hun vaders leven, welke
toeleg gelukkig verijdeld was. Waarschijnlijk was de ellendeling met
een der marktschuiten naar Malta ontsnapt.
Dit nieuws werd bij het ontbijt terstond aan den gouverneur en aan
kapitein Wilson medegedeeld.
"We zullen dat eens onderzoeken," merkte de gouverneur op, die nu
ook naar den verderen inhoud der brief vroeg.
Jack en Gascoigne hadden rust noch duur aan het ontbijt en niet
zoodra was dit afgeloopen, of zij pakten zich stilletjes weg. Toen
kapitein Wilson eenige oogenblikken later opstond om naar boord te
gaan, waren de beide adelborsten nergens te vinden.
"Ik begrijp 't al, Wilson," zei de gouverneur; "laat ze maar aan mij
over, en ga zelf gerust naar boord."
Intusschen hadden onze beide vrienden een eenzamen vestingwal
opgezocht, waar ze niet licht gestoord zouden worden, "Je vermoedt
zeker wel wat ik van plan ben, Gascoigne," zei Jack. "Ik wil dien
ellendeling nog dezen morgen een kogel door den kop jagen."
"Alles goed en wel, Jack, maar dat is eigenlijk mijn werk en niet
het jouwe; ik heb hem ontdekt, dus behoort hij mij."
"Dat staat nog te bezien," hernam Jack; "hij heeft 't toegelegd op
het leven van den man, dien ik eens mijn schoonvader hoop te noemen,
en dus heb ik het meeste recht op hem."
"Bedenk wel, Jack, dat hij een aanverwant van Agnes is; jij mag je dus
niet met zijn bloed bezoedelen, want dat zou later voor je huwelijk
een groot bezwaar kunnen opleveren."
Dit bracht Jack tot nadenken en na nog wat gehaspel werd er bepaald,
dat Gascoigne met Don Silvio zou vechten, terwijl Jack de uitdaging
zou overbrengen. Zij lieten er geen gras over groeien en Jack begaf
zich onmiddellijk naar het logement, waar de Siciliaan zijn intrek
genomen had.
Bij Don Silvio binnen gelaten, vond hij hem bezig met het wetten
van een tweesnijdenden dolk. De Siciliaan trad hem te gemoet en stak
hem met voorgewende hartelijkheid de hand toe, maar Jack zei met een
uitdagenden blik: "Don Silvio, wij kennen u; ik kom hier alleen om
namens mijn vriend voldoening van u te vragen. En waarlijk, gij moogt
nog van geluk spreken, want het is toch vrij wat verkieselijker te
sterven door de hand van een fatsoenlijk man dan aan de galg."
Don Silvio werd opeens doodsbleek--zijn hand deed een greep naar zijn
dolk, maar deze was op tafel blijven liggen; ten slotte antwoordde hij:
"'t Is goed, meneer, over een uur zal ik mij met hem meten, waar gij
maar verkiest."
Jack gaf op waar de ontmoeting zou plaats hebben en ging heen. Hij
spoedde zich met Gascoigne naar de woning van een officier met wien
ze bevriend waren, en, na zich bij deze van de noodige vuurwapenen
voorzien te hebben, kwamen zij nog vóór den bepaalden tijd op de
aangeduide plek. Zij wachtten geruimen tijd, maar wie er verscheen--Don
Silvio niet.
"Hij heeft de plaat gepoetst," merkte Gascoigne op; "de schurk is
ons ontsnapt."
Reeds was er een half uur na het vastgestelde tijdstip verstreken
en nog altijd was er geen spoor te zien van Gascoigne's tegenpartij;
maar wel kwam een der adjudanten van den gouverneur op hen af.
"Daar heb je Atkins," zei Jack; "dat treft ongelukkig, maar hij zal
wel geen bezwaar maken."
"Heeren," zei Atkins, heel deftig groetende, "de gouverneur wenscht
dringend u beiden te spieken."
"Op dit oogenblik kunnen we onmogelijk komen, maar over een half uur
zullen we er wezen."
"Gij moet er echter binnen drie minuten zijn. Neem me niet kwalijk,
maar ik heb uitdrukkelijke bevelen en om ze stipt te kunnen uitvoeren,
staat er een korporaal met eenige manschappen achter den vestingwal
geposteerd--maar natuurlijk, als gij gewillig meegaat is die hulp
overbodig."
"Dat is een vervloekte dwingelandij," riep Jack uit. Er bleef hun
echter geen keus over, en daarom volgden zij meneer Atkins naar het
gouvernements gebouw, waar zij Sir Thomas aantroffen onder de waranda,
die het uitzicht gaf op de haven en de open zee.
"Kom eens hier, heeren." zei de gouverneur op strengen toon; "ziet ge
daar ginds op twee mijlen van de kust dat schip wel? Daarmede wordt
Don Silvio gevankelijk naar Sicilië overgebracht. En onthoudt nu wel
den levensregel, dien ik u zal aangeven: Vecht als het noodig is met
fatsoenlijke menschen, maar nooit met schurken en moordenaars. Een
tweegevecht met een ellendeling aan te nemen, is even onteerend als
een fatsoenlijk man voldoening te weigeren. Gaat nu heen, want ik
ben boos op u, en komt niet meer onder mijn oogen vóór etenstijd."
Een-en-twintigste hoofdstuk.
de Aurora raakt slaags met een Russisch fregat. Luitenant
Pottyfar zoekt vergeefs baat bij zijn universeel geneesmiddel.
Maar eer zij den gouverneur aan tafel ontmoetten, was er van de vloot
een sloep aangekomen met depêches van den opperbevelhebber. Daarbij
werd onder anderen aan kapitein Wilson gelast, zooveel mogelijk haast
te maken met het uitrusten van zijn schip en dan te gaan kruisen in
de buurt van Corsica, waar hij een Russisch fregat moest aanklampen;
vond hij 't daar niet, dan moest hij inlichtingen inwinnen en het
overal nazetten, waar het te vinden mocht zijn.
Alles aan boord van de Aurora raakte nu druk in de weer. Kapitein
Wilson verliet met onzen held en Gascoigne de woning van den gouverneur
en begaf zich weer aan boord, waar zij dag en nacht bleven. Op den
derden dag was de Aurora geheel gereed om in zee te steken en omstreeks
den middag zeilde zij de haven van Valette uit.
Binnen een week was de Corsikaansche kust bereikt en men behoefte
geen uitkijk in den mast te zenden, want een der officieren of de
adelborsten was er voortdurend van het aanbreken van den dag tot
donker. Van het schip, waarop ze jacht maakten, was echter nog steeds
niets te bespeuren.
Windstilte gaf eenige dagen vertraging, maar eindelijk maakte een
stevige bries uit het noorden het mogelijk langs den oostkant van
het eiland zuidelijk koers te zetten. Op den achttienden dag na het
verlaten van Malta, kregen zij omstreeks zestien mijlen voor zich uit
een groot schip in 't zicht. De manschappen zaten op dat oogenblik
juist aan het ontbijt:
"Een fregat, kapitein Wilson, ik ben er zeker van," zei de eerste
luitenant.
"Welken koers heeft het?"
"Denzelfden als wij."
De Aurora had alle zeilen bijgezet, en toen het volk ging schaften
had ze al ongeveer twee mijlen gewonnen op het achtervolgde vaartuig.
"Dat zal een langdurige jacht zijn, nu we beiden denzelfden koers
hebben," merkte Martin tegen Gascoigne op.
"Ja, dat vrees ik ook--maar het ergste is nog, dat het misschien
zal ontsnappen."
"Daar is ook wel kans op," antwoordde zijn kameraad.
"Och wat, jij altijd met je Jobsgedachten!" viel Gascoigne uit.
"Ja, maar ik heb 't toch niet zoo dikwijls mis;" herman Martin. "Twee
dingen zijn maar de vraag: vooreerst, zullen we het schip inhalen of
niet--en dan als we het inhalen, is 't wel het vaartuig, waarop wij
't gemunt hebben."
"'t Schijnt jou al heel weinig te kunnen schelen."
"Dat is volstrekt het geval niet; reken maar eens aan, ik ben
de oudste adelborst hier aan boord; als ik het bemachtigen van het
fregat overleef, zal ik eindelijk eens bevorderd worden, en schiet ik
er het hachje bij in, welnu dan is de bevordering overbodig. Maar ik
ben al zoo dikwijls teleurgesteld, dat ik maar nergens meer op reken,
zoolang ik 't niet goed en deugdelijk heb."
"Nu, om jou mag ik maar lijden, Martin, dat het gindsche schip
hetzelfde is dat we zoeken, dat we er het leven afbrengen, en dat
jij bevorderd wordt."
"Dankje, Rustig--ik wou dat ik er ook op durfde hopen."
"Ze hebben bij den wind gebrast, kapitein," riep de tweede luitenant
uit de stengedwarszalings.
"Wat dunk jou er van, Martin?" vroeg Jack.
"Dat 't een Engelsch fregat is, of dat het schip een flinke bemanning
heeft en een dapperen kerel tot kommandant."
De zon begon onder te gaan eer de Aurora het schip tot op twee mijlen
genaderd was. Er was geseind, maar dit bleef onbeantwoord, hetzij dat
het te donker was om de kleuren van de seinvlaggen te onderscheiden,
hetzij de vijand die niet kende. De vreemdeling had de Engelsche vlag
geheschen, maar dat kon nog niet gelden voor een afdoend bewijs,
dat hij tot een bevriende natie behoorde; en even vóór donker had
hij den steven naar de Aurora gewend, die nu recht op hem aan was
gekomen. Van de bemanning der Aurora was ieder op zijn post, want
binnen weinige minuten zou het beslist zijn, of ze met een vriend of
met een vijand te doen hadden.
Nu is er haast geen lastiger geval denkbaar, dan zoo'n ontmoeting:
met een schip, waarvan men niet weet, wat men er aan heeft. Men moet
zich geheel tot den aanval gereed houden en zorgen dat de vijand,
als het er een is, geen voordeel trekke uit uw dralen met handelend
op te treden; en aan de anderen kant dient de grootste voorzichtigheid
in acht genomen, opdat ge niet op een vriend en landgenoot losbrandt.
Kapitein Wilson had het nachtsignaal geheschen, maar met al de zeilen
zou 't voor het andere schip moeielijk zijn het op te merken. Om nu
dit bezwaar uit den weg te ruimen en alle vergissing te voorkomen,
liet kapitein Wilson, toen de twee fregatten elkaar tot op drie
kabellengten genaderd waren, de bezaan opgeien, zoodat het seinlicht
duidelijk zichtbaar werd.
Er kwamen op het andere schip wel lichten in beweging, alsof ze van
plan waren te antwoorden, doch ze bleven maar steeds de Aurora aan lij
houden tot op ongeveer een halve kabellengte, en toen de schepen elkaar
bijna vlak op zij waren gekomen, werd er in het Engelsch geroepen:
"Schip ahoy! wat voor schip is dat?"
"Zijner Majesteits fregat Aurora," riep kapitein Wilson, die boven
op de verschansing stond. "En wat voor schip is het uwe?"
In plaats van het verwachte antwoord "zijner Majesteits schip ----"
hoorden zij opeens de kanonnen losbranden en kreeg de Aurora de volle
laag op zulk een geringen afstand, dat de uitwerking geducht was. De
bemanning van de Aurora was, toen er in het Engelsch gepraaid werd, in
de meening geraakt, dat het een van hun eigen kruisers zou zijn. Zij,
die de stukken bedienden, hadden teleurgesteld de talierepen laten
vallen en de stilte, die er geheerscht had, zou juist afgebroken
worden door uitingen van ontevredenheid over zoo'n tegenvaller,
toen het gedonder van het geschut hun opeens in de ooren klonk, en
het splijten en scheuren van balken en planken hen voor een oogenblik
deed versuffen. Menigeen moest naar beneden gedragen worden, maar het
viel moeilijk te zeggen wat er bovendreef, de verontwaardiging over
den verraderlijken aanval of de voldoening, nu het bleek dat ze niet
voor niets op hun post waren geroepen. In elk geval weerklonk er een
driewerf hoera! waardoor het gekreun en gekerm dergenen, die naar de
ziekenboeg werden gesjouwd, overstemd werd.
"Volk aan de bakboordsstukken en klaar om te wenden!" bulderde kapitein
Wilson en haastte zich van de verschansing. "Terdege uitkijken,
jongens, en goed gemikt, hoor! We zullen ze die aardigheid eens flink
betaald zetten."