oogenblik en ze kwamen niet meer omtrent hem te weten, dan dat hij
een Engelsch officier was van een fregat, dat in de haven lag. Na
een wandeling van ruim een half uur bereikte hij zijn logement weer,
maar vertelde aan de kennissen, die hij er aantrof, niets van het
gebeurde en ging spoedig naar bed.
Juist had hij den volgenden morgen zijn rekening betaald en stond
op het punt te vertrekken, toen er iemand kwam hooren of er ook een
officier gelogeerd was, die gisteravond op het gemaskerd bal als
duivel verkleed was geweest.
Jack maakte zich als den bedoelden persoon bekend en gaf louter voor
de aardigheid als zijn naam op: Henry Wilson, kapitein van Zijner
Majesteits fregat de Aurora.
De vreemde verwijderde zich met een beleefde buiging; Jack stopte den
hotelbediende een flinke fooi in de hand en begaf zich weer aan boord.
De eerste luitenant van de Aurora was in menig opzicht een zeer goed
officier, maar reeds als adelborst had hij de gewoonte aangenomen
om zijn handen in zijn zakken te steken, en daar raakten ze niet
licht uit, ook al woei er een stormwind, waarbij de handen zoo
opperbest te pas komen. Meer dan eens had hij bij zoo'n gelegenheid
een leelijken val gedaan en een schram opgeloopen, maar de gewoonte
was hem te machtig. Een tweede eigenaardigheid van hem was, dat hij
een onbeperkt vertrouwen stelde in een zeker kwakzalversmiddel,
dat naar het heette tegen alle kwalen hielp. Naar zijne meening
was geen ziekte er tegen bestand en hij besteedde jaarlijks wel
drie maanden tractement aan dat lorregoed; want hij gebruikte het
niet alleen als hij zich niet wel gevoelde, maar ook bijwijze van
voorbehoedmiddel als hij volkomen gezond was. Iedereen raadde hij
het aan, en men kon hem geen grooter genoegen doen dan zich te laten
overreden het te slikken. De officieren lachten hem uit, maar meestal
achter zijn rug, want hij werd erg boos als men hem op dit eene punt
tegensprak. Onverdroten maakte hij bekeerlingen voor zijn geloof en
wijdde soms uren lang uit over de voortreffelijke eigenschappen van
het geneesmiddel, terwijl hij de waarheid zijner beweringen staafde
met een klein vlugschrift, dat hij steeds bij zich droeg.
Jack meldde zich aan boord en meneer Pottyfar, die juist op het
halfdek stond, gaf de hoop te kennen, dat Jack met te meer ijver zijn
plicht zou betrachten, nu hij zoo geruimen tijd aan den vasten wal
had mogen doorbrengen. Jack stemde daarmee in en ging naar beneden,
waar hij Gascoigne en zijn nieuwe baksmaats vond, met wie hij voor
het grootste gedeelte reeds kennis had gemaakt.
"Wel Rustig," zei Gascoigne, "heb je nu genoeg van den wal?"
"Meer dan genoeg," antwoordde Jack; "ik denk nu geen verlof meer
te vragen."
"Dat is maar goed ook, want meneer Pottyfar is er niet erg scheutig
mee, dat verzeker ik je; er is maar één middel om verlof van hem
te krijgen."
"Zoo! en wat is dat dan?"
"Je moet je ziek houden en wat van zijn kwakzalversmiddeltjes innemen,
dan stuurt hij je naar den wal om het uit te laten werken."
"Is het dat? nu, dan zal ik zoodra we te Vallette ankeren een heele
kuur doormaken, maar niet eer."
"Jij dient er wel mee ingenomen te zijn, Jack, 't is een
gelijkheidsmiddel, het geneest de eene kwaal zoo goed als de andere."
"Of helpt de patiënten om zeep--wat hen ook op gelijken voet
brengt. Jongens ja, Gascoigne, dat middel moet ik voorstaan, om meer
dan ééne reden.--Maar zeg eens, wanneer gaan we onder zeil?"
"Overmorgen."
"Naar de vloot bij Toulon?"
"Ja; maar we zullen onderweg wel naar de Spaansche kust afzakken,
dat gebeurt met alle oorlogschepen."
"Dat komt, omdat de wind geregeld uit het zuiden blaast."
"Als je soms weer buit gaat maken, Jack, vergeet dan vooral je
krijgsartikelen niet."
"Als het aan mij ligt, ga ik er niet meer op uit zonder Mesty. Mijn
hemel wat is zoo'n adelborstenkajuit vervelend na zoo'n prettigen
tijd aan den wal! Ik zal van armoe maar aan dek gaan om naar de kust
te turen."
"En tien minuten geleden nog hadt je er meer dan genoeg van!"
"Ja, maar die tien minuten hebben me heel van streek gebracht. Ik
zal den eersten luitenant om een dosis van zijn middel gaan vragen."
"Hoor eens, Jack, we moeten ons beiden te gelijk onder zijn behandeling
stellen."
"Zeker, maar daarmee wachten we tot Malta bereikt is."
Jack ging aan dek, maakte kennis met de enkele officieren, die hij nog
niet ontmoet had, en klom vervolgens in de mars van den grooten mast,
waar hij al mijmerend naar den wal ging zitten kijken.
Den volgenden dag ging de Aurora onder een stevige bries uit het
zuidwesten onder zeil, en op een mooien morgen zagen ze de Spaansche
kust nog eer ze de Toulonsche vloot in het oog kregen. Meneer Pottyfar
haalde zijn handen uit zijn zakken, omdat hij anders geen kans zag
door de teleskoop de kust op te nemen. Kapitein Wilson en velen van
de officieren en adelborsten hadden ook hun kijkers ter hand genomen
en de matrozen in den top gebruikten hun oogen: maar er viel niets
anders te zien dan eenige kleine visschersbooten. Allen begaven zich
dus naar beneden aan het ontbijt, terwijl het schip dicht langs de
kust bijlegde.
"Wat verwed je er onder, Rustig," zei een der adelborsten, "dat we
vandaag geen buit zullen maken?"
"Dat we in 't geheel geen schip in zicht zullen krijgen, wil ik niet
wedden, maar ik doe 't om al wat je wilt, dat 't niet vóór middernacht
gebeuren zal."
"Ik zou je danken; stuur liever den theepot eens dezen kant op,
want ik heb de voormiddagwacht."
"Een prachtige morgen," merkte een der overige kameraden, Martin
geheeten, op; "maar ik heb zoo'n vermoeden, dat 't er van avond niet
zoo goed uit zal zien."
"Waarom niet?" vroeg een ander.
"Ik vaar nu al acht jaar op de Middellandsche zee en heb zoo'n beetje
verstand van het weer. Er zit regen in de lucht en 't is een gestadige
wind. Als we van avond niet onder dubbel gereefde marszeilen liggen,
mag ik ik weet niet wat wezen."
"Klaar aan de zeilen!" klonk het opeens van den kant van het luik.
"Daar heb je 't al," riep Gascoigne en stormde naar boven, gevolgd
door al de anderen behalve Martin, die pas afgelost was, en meende
dat hij nu wel een poosje gemist kon worden, en er ten minste den
tijd van mocht nemen om op zijn gemak zijn kop thee op te lepperen.
't Was werkelijk zoo; een galjoot en vier koopvaardijschepen waren
juist de meest oostelijke punt om komen zetten, en bij den wind
opgestoken, zoodra ze het fregat in het oog kregen. In een oogenblik
was de Aurora onder volle zeilen en de kijkers werden alle op de
schepen gericht.
"Alle zwaargeladen, meneer," merkte de eerste luitenant op; "kijk
dat marszeil van de galjoot eens ingehaald zijn!"
"Ja, ze hebben ook geen gebrek aan wind," zei kapitein Wilson.
De hoop op een flinken buit deed alle krachten inspannen en weldra
had het fregat een heel eind gewonnen op de schepen, die al bijzetten
wat ze maar aan zeil hadden en korte gangen in den wal maakten. De
Aurora werd regelrecht op hen afgestuurd en ze waren geen twee streken
aan lij. De lucht, 's morgens zoo helder, was nu geheel bewolkt,
de zon ging schuil en de zee werd hand over hand onstuimiger. Nog
tien minuten en ze lagen onder dubbel gereefde marszeilen en bij de
windvlagen voegde zich een zware regen. Het fregat sneed met strak
gespannen zeilen door de schuimende golven en aan den horizon werd
het zoo donker, dat de schepen voor hen uit niet langer te zien waren.
"We zullen er van lusten, verwacht ik," zei de kapitein Wilson.
"Heb ik 't niet gezegd?" merkte Martin tot Gascoigne op. "We maken
vandaag geen buit, reken daar gerust op."
Meneer Pottyfar stond, als gewoonlijk met zijn handen in de zakken,
bij de gangspil.
"We zullen er, vrees ik, het grootzeil niet langer op kunnen houden,
meneer."
"Kapitein Wilson, we zijn vrij kort onder den wal," zei de stuurman;
"zou u 't goed vinden wat te wenden?"
"Jawel, meneer Jones. Voorschoten los, aan lij het roer! en--ja,
het moet maar,--weg het grootzeil!"
Het grootzeil werd geborgen en het fregat scheen zich onmiddelijk op
te richten. Het stootte en slingerde nu niet meer zooals te voren.
"We zijn erg dicht bij de kust, kapitein Wilson; ik kan er zelfs bij
dit smerige donkere weer een schijntje van zien--zullen we wenden,
meneer?" vervolgde stuurman.
"Ja--klaar om te wenden--op het roer!"
't Was juist bijtijds, want toen het fregat in een halven cirkel
rondzwaaide, konden ze, op geen twee kabellengten afstand, de branding
tegen de klippen van de kust zien slaan.
"Ik dacht niet dat 't er zoo na aan toe was," zei de kapitein en
kneep de lippen op elkaar--"is er nog iets van de schepen te zien?"
"Al in geen kwartier heb ik er iets van bespeurd, meneer," antwoordde
de uitkijk, terwijl hij met een pand van zijn jekker zijn kijker
tegen den regen beschutte.
"Wat ligt nu voor, kwartiermeester?"
"Zuid-zuidoost, meneer."
De lucht begon er heel anders uit te zien--de witte wolken werden
vervangen door zwarte, de wind loeide met rukken, en de regen stortte
bij stroomen neer. Kapitein Wilson ging naar beneden in de kajuit om
op den barometer te kijken.
"De barometer is gerezen," zei hij bij zijn terugkomst aan dek.
"Is de wind gestadig?"
"Neen, meneer, ze is drie streken geruimd."
"'t Zal op een zuidwester uitdraaien."
De natte, zware zeilen sloegen bij elken uitschieter van den wind.
"Op het roer, kwartiermeester."
De wind bedaarde, de regen viel bij stroomen--voor een oogenblik was
het volkomen stil, zoodat het fregat volstrekt niet meer overhelde.
"Aan de brassen! Reken er op, dat we terstond zullen afdrijven."
De brassen waren nauwelijks gespannen, of het was al zoo. De wind
schoot met een woest gehuil om naar het zuidwesten, maar gelukkig
waren ze er op voorbereid--de ra's stonden rondgebrast en de stuurman
vroeg de kapitein welke koers hij moest sturen.
"We moeten de vervolging opgeven," zei kapitein Wilson. "Richt den
steven maar op Kaap Sicie, meneer Jones."
En de Aurora vloog met gereefde stagfok en marszeilen op den stormwind
voort. Het weer was nu zoo smerig, dat men geen twintig el van zich
af kon zien, de donder rolde en bliksemstralen schoten van alle kanten
door het donker bewolkt zwerk. Zoodra de zeilen naar den wind gebrast
stonden, werd de wacht opgeroepen, en allen, die aan dek gemist konden
worden, gingen nat en teleurgesteld als ze waren naar beneden.
"Wat een oude Jonas ben jij toch, Martin," zei Gascoigne.
"Dat kan wel wezen," luidde het antwoord, "maar het ergste moet nog
komen, naar mijn gedachte. Ik herinner me net zoo'n storm als deze,
op nog geen tweehonderd mijlen van de plek waar we nu zijn. Ik voer
toen op de Favorite en we gingen bijna naar den kelder toen...."
Op dit oogenblik hoorde men boven een vervaarlijk geraas; er voer
een schok door het geheele schip, dat schudde alsof het vaneen zou
splijten; luide kreten werden gevolgd door klaagtonen, het benedendek
was vol rook en het fregat helde sterk over. Zonder dat er één woord
gezegd werd, stoven allen, die zich in de adelborstenkajuit bevonden,
naar boven, niet wetende wat er van te denken, maar overtuigd dat er
een groot ongeluk was gebeurd.
Aan dek gekomen werd hun alles duidelijk; de fokkemast was, door
den bliksem getroffen, voorover aan lij in zee gevallen en had de
groote streng en het kluifhout meegenomen. De afgebroken stomp van de
fokkemast brandde fel, in weerwil van den stortregen. Zoodra fokkemast
en groote streng over boord waren, draaide het schip met een ruk bij,
zoodat de matrozen aan het stuurrad er overheen geslingerd en tegen
de verschansing gekwakt werden; op den bak, het voorste gedeelte
van het bovendek en zelf op het benedendek lagen overal mannen die
gedood of ernstig gewond, of door den schok versuft waren. Het fregat
helde sterk over en zware zeeën sloegen er overheen; overal was het
pikdonker en het licht der brandende stomp van de fokkemast geleek
wel een toorts, die door woeste stormduivels werd opgehouden. Voor een
paar minuten was alles in verwarring, eindelijk riep kapitein Wilson,
die zelf voor een oogenblik verblind was geweest, om den timmerman
en de bijlen. Binnen weinige minuten was de bezaanmast afgehouwen
en stortte over het achterschip, het fregat viel af en richtte zich
langzaam op. Maar het schrikkelijk tooneel was nog niet ten einde. De
bootsman, die op den bak had gestaan, was voor altijd zijn gezicht
kwijt en werd naar beneden gedragen. Terwijl de dokter bezig was ook
de andere gewonden te onderzoeken en bij te staan, weerklonk opeens
de kreet: "Brand!" van uit het benedendek. Het schip had vuur gevat
in het kolenhok en de timmerkamer en er steeg een dikke rook op.
"Ieder op zijn post; laat de pompen werken en de putsen
doorgegeven! Meneer Pottyfar let er op, dat het werk geregeld
gaat. Meneer Jones, neem gij de zorg voor het schip op u. Ik ga zelf
naar het benedendek.
"Dat ziet er heel anders uit dan van morgen, Jack," merkte Gascoigne
op.
"Ja," antwoordde Jack; "maar wat nu het best gedaan? Als er aan den
wal brand in een schoorsteen is hangen ze er een natten deken over."
"Ja," zei Gascoigne; maar dat zou hier, nu het kolenhok in brand staat,
weinig helpen."
"In elk geval zijn natte dekens een goed ding, Ned, kom mee naar
de hangmatten en de dekens er uit gehaald. Helpt 't niet voldoende,
dan hebben we ten minste onzen ijver betoond."
De beide adelborsten riepen nu nog een paar man en in een oogenblik
hadden ze meer dekens dan ze dragen konden. Ze nat te krijgen was
geen kunst, want het bovendek dreef van al het water.
"Uitmuntend, meneer Rustig, uitmuntend, meneer Gascoigne!" zei kapitein
Wilson, toen hij hen aan zag komen. "Hier, jongens, gooi ze er hier
maar op en dan flink er op gestampt."
Rustig riep de andere adelborsten toe, dat ze nog meer dekens zouden
halen, maar 't hoefde niet, het vuur was al gebluscht. Onder al die
bedrijven slingerde het fregat zoo geweldig, dat de verschansing
onder water kwam. Toen eindelijk alle gevaar, wat den brand aanging,
geweken was, en de manschappen weer naar hun kwartieren gecommandeerd
werden, miste men drie officieren en zeven en veertig man, waarvan
er zeven dood en de anderen grootendeels reeds onder behandeling van
den dokter waren.
Boven gekomen vond Jack den kapitein met de officieren op het halfdek.
"Meneer Rustig," zei kapitein Wilson, "ik moet u en meneer Gascoigne
mijn dank betuigen voor de betoonde kordaatheid en tegenwoordigheid
van geest."
Jack maakte een buiging en wilde juist weer naar de adelborstenkajuit
gaan, toen er een hevige stortzee over het fregat sloeg, zoodat allen,
die zich niet gauw konden vastgrijpen, van de been raakten.
Ze krabbelden weer overeind en gingen terstond in de konstabelkamer
een glas grog drinken om den zilten smaak van het zeewater uit den
mond te spoelen.
Intusschen werden de zeilen geminderd om te voorkomen, dat het dek
nogmaals onder water raakte.
Eer de morgen aanbrak was het schip droog gepompt en al wat er in het
ongereede was geraakt weer zooveel mogelijk op orde gebracht; maar de
storm bleef nog even fel voortwoeden en 't was geen hapje nu aan boord
te wezen. Na vier en twintig uren kwam echter de zee tot bedaren, en
na een vaart van nog drie dagen bereikte de Aurora de vloot bij Toulon.
Negentiende hoofdstuk.
Jack neemt de proef van meneer Pottyfars universeel
geneesmiddel. Een verrassing voor kapitein Wilson.
Op het eerste gezicht hielden ze het aan boord der andere schepen
er voor, dat de Aurora slaags geweest was, maar spoedig begrepen ze
dat het ruwe weer het vaartuig zoo ontredderd had. Kapitein Wilson
maakte zijn opwachting bij den admiraal en kreeg natuurlijk order
zijn schip onmiddellijk op te laten lappen. Binnen weinige uren
stuurde de Aurora nu koers naar Malta en tegen zonsondergang was
er van de Toulonsche vloot niets meer te zien. Toen ze na een vrij
vervelenden tocht de haven van Malta waren binnengeloopen, begaf de
kapitein zich onmiddelijk naar den goeverneur en Jack, die onderweg
al met Gascoigne afgesproken had, dat ze vrij zouden zien te krijgen,
ging tegen den avond aan den eersten luitenant verlof vragen om naar
den goeverneur te gaan. Nu was ongelukkig meneer Pottyfar in een booze
luim en toen Jack hem met zijn verzoek aanklampte, draaide hij zich
driftig om, zette de beenen wijd van elkaar, begroef zijn handen zoo
diep mogelijk in zijn zakken en zei vrij bits:
"Meneer Rustig, gij weet hoe 't met het schip gesteld is. Er valt
een massa te doen--nieuwe masten, nieuwe tuigage, alles moet hersteld
worden--en nu komt gij vragen om aan wal te gaan! U kunt, dunkt me,
zelf wel het antwoord op uw vraag geven en begrijpen dat er, zoolang
niet alles weer kant en klaar is, niemand van de adelborsten een voet
aan wal zal zetten.
"Mag ik u doen opmerken, meneer," zei onze held, "dat het op dit
oogenblik Zaterdagavond is en morgen Zondag; het werk op het fregat
zal eerst Maandag beginnen en daarom had ik gemeend, dat ik tot
zoolang wel verlof zou kunnen krijgen."
"Ik ben van een geheel ander gevoelen, meneer," antwoordde de eerste
luitenant en liet Jack duidelijk genoeg blijken, dat hij zijn zin
niet zou krijgen.
Jack kon die weigering maar niet verkroppen en was gedurende zijn
eerste wacht ongenietbaar; hij vatte dan ook het besluit op, om den
dienst zoodra mogelijk te verlaten.
Den volgenden morgen kwam kapitein Wilson het scheepsvolk monsteren en
Jack wilde den kapitein juist gaan aanspreken, toen deze tot hem zei:
"Meneer Rustig, de goeverneur heeft me verzocht u mee aan wal te
brengen om bij hem te dineeren, voor logies is ook gezorgd."
Jack sloeg aan en snelde naar beneden om de noodige toebereidselen
te maken. Weer aan dek gekomen, vond hij kapitein Wilson nog niet
gereed. Hij ging nu aan meneer Pottyfar zeggen, dat de kapitein hem
gelast had met hem aan wal te gaan; en meneer Pottyfar, wiens kwade
bui weer overgewaaid was, zei:
"Heel goed," meneer Rustig--ik wensch u veel plezier."
"Dat klinkt heel anders dan gisteren," dacht Jack: "als ik nu eens
een proefje nam van zijn medicijnen?"
"Ik voel me niet wel, meneer Pottyfar, en de pillen van den dokter
helpen me niet--ik ben altijd ziek als ik lang de noodige lucht en
beweging heb moeten missen."
"Ja," zei de eerste luitenant, "lucht en beweging zijn een
voornaam ding. In die middeltjes van den dokter stel ik ook niet
veel vertrouwen; het eenige wat iets waard is, is mijn universeel
geneesmiddel."
"Ik zou er zoo graag een proef van nemen, meneer," antwoordde Jack;
"ik heb uw boekje eens gelezen, en daarin gevonden dat het middel
onfeilbaar werkt, als het gedurende veertien dagen of drie weken
geregeld wordt ingenomen met volop vrije lucht en beweging."
"Zeker is dat zoo," antwoordde meneer Pottyfar; "en als gij lust
hebt er de proef van te nemen, kan ik u wel een dosis geven, ik heb
toch genoeg."
"Heel graag, meneer," antwoordde Jack; "en hoe dikwijls moet ik er
van gebruiken tegen de hoofdpijn, die me dagelijks kwelt?"
Meneer Pottyfar nam Jack mee naar beneden, stopte hem drie of vier
fleschjes met het heilmiddel in de hand en zei hem, dat hij 's avonds,
tegen het naar bed gaan, dertig droppels moest innemen, niet meer
dan twee glazen wijn mocht drinken en de felle zon moest vermijden.
"Maar, meneer," hernam Jack, die de fleschjes in zijn zak had gestoken,
"ik vrees dat het te lang duren zal; want nu het schip op de helling
komt, zal ik dagelijks aan de zon worden blootgesteld."
"Ja, als gij niet gemist kondt worden, meneer Rustig; maar we hebben
manschappen genoeg; en zoolang gij ziek zijt, mag er geen werk van
u gevorderd worden. Draag vooral zorg voor uw gezondheid; ik ben
er stellig van overtuigd, dat gij van dit middel een wonderdadige
werking zult ondervinden."
"Van avond zal ik er mee beginnen, meneer," antwoordde Jack, "ik
dank u zeer. Ik logeer bij den gouverneur--moet ik morgen vroeg aan
boord komen?"
"O neen, wees vooral voorzichtig en neem u in acht; met genoegen zal
ik hooren dat ge wat beter zijt. Laat me weten hoe 't er mee gaat."
"Dagelijks zal ik u met de boot bericht zenden, meneer," antwoordde
Jack met een verlicht hart; "ik ben u ten zeerste dankbaar. Gascoigne
en ik hadden er al over gedacht er u naar te vragen, maar we zagen
er wat tegen op: de arme jongen heeft bijna geregeld hoofdpijn,
nog erger dan ik, en de pillen van den dokter helpen hem ook niets."
"Hij zal ook een paar fleschjes hebben, meneer Rustig; ik vond al dat
hij er bleek uitzag. Let nu vooral op matige beweging, meneer Rustig,
en vermijd de middagzon."
"Ja, meneer," antwoordde Jack, "ik zal er om denken," en innig
verblijd ging hij heen. Hij gaf Mesty last zijn goed in de boot te
brengen en was spoedig met den kapitein aan wal, waar ze door den
goeverneur hartelijk werden ontvangen.
"Wel, Jack, mijn jongen heb je weer het een en ander te
verhalen?" vroeg de goeverneur.
"Ja, meneer," antwoordde Jack, "ik weet een paar heel aardige
gevallen."
"Best, na tafel zullen we er wel van hooren," hernam de goeverneur. "Ga
nu eerst maar eens kijken of je kamer je aanstaat, en of je 't er
een poos zult kunnen uithouden."
"Dat kan niet lang wezen, goeverneur," merkte kapitein Wilson
op. "Meneer Rustig dient zijn plicht te leeren, en daarvoor is nu
een goede gelegenheid."
"Ja maar, met uw verlof, kapitein," antwoordde Jack, "ik sta op
de ziekenlijst."
"Ziekenlijst?" vroeg kapitein Wilson, "van morgen stond uw naam toch
niet op het rapport."
"Neen, maar ik sta op de lijst van meneer Pottyfar en ik moet een
kuur met zijn universeel geneesmiddel doormaken."
"Wat is dat nu weer, Jack? Zeker de een of andere grap," zei de
goeverneur.
Jack vertelde hoe de eerste luitenant hem den vorigen avond verlof had
geweigerd, maar hem nu vergund had aan wal te blijven, om de proef te
nemen met het universeele middel, waarover de goeverneur zoo hartelijk
lachte, dat kapitein Wilson er zijns ondanks mee moest instemmen.
"Hoor eens, meneer Rustig," zei de kapitein na een poos, "al heeft
meneer Pottyfar u toegestaan aan wal te blijven, ik kan dit niet--gij
moet Uw plicht leeren vervullen. De gelegenheid daartoe is nu veel
te mooi en doet zich niet alle dagen op, dat zult ge zelf begrijpen."
"Ja, meneer, dat zie ik in," antwoordde Jack, en bij die woorden
stond hij op, maakte een buiging en verliet de warande, waarin ze
hadden zitten praten.
"Och kom, kapitein," zei de gouverneur toen Jack weg was, "je moet
't niet zoo nauw met hem nemen; met een zacht lijntje is hij 't best
te regeeren."
"Wel mogelijk maar hij moet zijn plicht doen, evengoed als de anderen."
"Dat valt niet tegen te spreken, maar er is wel een mouw aan te passen,
zoodat hij niet voortdurend aan boord behoeft te blijven. Stel hem
aan tot uw ordonnans, tot het overbrengen van berichten van en naar
het schip; bij dat baantje kan hij 's avonds en 's nachts geregeld
hier blijven."
"Op die manier zou 't te vinden zijn," hernam kapitein Wilson
peinzend. Ik ben maar bang dat hij te ruim bij kas is, om met
het scheepsleven vrede te hebben; al dat geld is voor zoo'n jong
officiertje glad verkeerd."
"Kom, kom, 't kan lang duren eer hij zich in de grond werkt, en als uw
eerste luitenant zoo bespottelijk hoog wegloopt met zijn universeel
geneesmiddel, is 't dan wonder dat een adelborst er profijt van ziet
te trekken?"
"Dat niet, maar ik mag me niet met open oogen laten beetnemen."
"Hij heeft het heele geval zoo openhartig verteld, maak dus geen
gebruik van die vertrouwelijke mededeeling. Werkelijk, wat ik daareven
voorstelde zal nog het beste wezen en alle partijen bevredigen; want
gij hebt dan uw zin omdat hij dienst doet, de eerste luitenant omdat
Jack zijn geneesmiddel gebruikt, en Jack zelfs, omdat hij iederen
dag bij mij kan eten."
"Nu, dan moet 't maar zoo geschikt worden," antwoordde kapitein
Wilson lachend.
Na afloop van 't diner, waarbij heel wat gasten genoodigd waren, vroeg
de gouverneur Jack, of hij niets iets te vertellen had en onze held
dischte nu het verhaal op van kapitein Hogg's liefdesgeschiedenis met
Miss Hicks en hoe hij haar broer den vice-consul had beetgenomen. De
goeverneur had er machtig veel schik in en kapitein Wilson gaf zijn
verwondering te kennen, dat hij er eerst nu iets van hoorde.
"Je heb een groote dwaasheid voorkomen, meneer Rustig, en daar deed
je wel aan," merkte de kapitein lachend op, "maar hoe komt 't, dat
je er mij nooit iets van verteld hebt?"