"Hoor eens, Gascoigne, ik heb het kommando over de sloep," zei Jack,

"en ik verkies niet dat mijn manschappen buiten adem enteren--dat zou

al te dom wezen. Geregeld en bedaard, jongens, maar niet te haastig."

"Maar zij zullen het schip veroveren eer wij langs zij komen!"

"Al was dat zoo, dan zoo ik nog gelijk hebben, nietwaar Mesty?"

"Zeker, Massa Rustig, gelijk heeft u--want stel dat ze het schip

nemen zonder u, dan hebben ze u niet noodig--en hebben ze u noodig,

dan komt gij." En de neger, die zijn buis uitgegooid had, stroopte

zijn hemdsmouwen op, alsof hij niet veel goeds verwachtte.

De eerste kotter, onder bevel van den konstabel, sneed de barkas

voorbij en was drie bootslengten voor, toen zij langs zij van het schip

kwam. De brik gaf haar de volle laag en de boot verdween in de golven.

"De kotter zinkt!" riep Gascoigne uit; "roei op toch, jongens!"

"Zie je nu wel, dat als we alle drie gelijk gebleven waren, die volle

laag ook ons om zeep zou gebracht hebben?" zei Jack bedaard.

"Kijk de barkas eens vooruitschieten! Zet aan, jongens, zet aan!" riep

Gascoigne stampvoetend van ongeduld.

"De ontvangst was blijkbaar zeer warm; terwijl de manschappen uit de

barkas aan boord klauterden, was de kotter onder den achtersteven

van de brik gekomen--nog een paar slagen en hij zou langs zij

wezen. Opeens had er aan dek van het schip een vreeselijke ontploffing

plaats en brokstukken van lichamen en voorwerpen werden door de lucht

geslingerd. De uitbarsting was zoo hevig, dat de manschappen van den

tweeden kotter, als van schrik verlamd, eensklaps het roeien staakten;

strak staarde ze naar de opstijgende rookkolommen, die masten en

tuigage van het schip onzichtbaar maakten.

"Nu is 't tijd, jongens, vooruit nu!" riep onze held.

Door zijn stem weer tot bezinning gebracht, gehoorzaamden de

manschappen--maar de boot had reeds genoeg vaart en eer zij weer een

ruk aan de riemen konden doen, bonsden zij al tegen het schip aan en,

Jack volgende, waren ze in een paar seconden op het halfdek van de

brik. Hier was 't een verschrikkelijk gezicht--het heele dek was zwart

en lag bezaaid met lijken; vele kleeren branden nog en verscheidene

lichamen waren vaneengerukt.

De gangspil was gelicht en over één kant geslagen--het kompashuisje

lag in gruizelementen en verscheidene touwen brandden. Geen levende

ziel was aan dek te bekennen.

Zooals zij later vernamen van de manschappen, die hun leven gered

hadden door beneden te blijven, had de Fransche kapitein de sloepen

al in het oog gehad eer zij ankerden, en zich op alles voorbereid;

voor het handiger laden der kanonnen, had hij een groote ammunitiekist

met kardoezen op het dek laten plaatsen. Nu was het gevecht tusschen

de bemanning van de sloep en die van het schip vlak bij de ganspil

gevoerd, en een pistoolschot was bij ongeluk tusschen de kardoezen

te land gekomen en had de vreeselijke verwoesting veroorzaakt.

Het eerste werk was den brand te blusschen, die zich over het schip

uitbreidde. Zoodra men de vlammen meester was, ging onze held naar

het achterschip en keek over de verschansing naar den gezonken kotter

om.--"Gascoigne, ga met vier man in de boot--ik zie daar op een

kwartmijl afstand den kotter drijven: misschien valt er nog iemand

te redden; me dunkt, ik zie een paar hoofden."

Gascoigne haastte zich weg en keerde spoedig terug met drie man van

den kotter; de overigen waren weggezonken, waarschijnlijk gedood of

gewond, toen ze van de brik de volle laag kregen.

"Goddank, ten minste drie gered!" zei Jack. We moeten nu zien of er

hier op dek nog enkele van die arme drommels in leven zijn gebleven,

en dan de rest maar over boord gooien. Wel, Ned, wat zou er van ons

geworden zijn, als we de brik te gelijk met de sloep hadden geënterd?"

"Ja, jij komt altijd op je beenen te recht, Jack," antwoordde

Gascoigne; "maar dat bewijst nog niet dat je gelijk hebt."

"Jij bent niet te overtuigen, Ned; maar 't is nu geen tijd van lange

redeneeringen, we moeten naar die arme kerels omzien; enkelen leven

er nog."

Bij het nagaan der lijken bleek, dat ook Vigors onder de verongelukten

behoorde, en in een gelaat, dat bijna geheel zwart gebrand was,

herkenden zij den armen Jolliffe. Drie vingers van de linkerhand was

hij ook kwijt, maar zoodra hij aan dek gebracht was, scheen hij weer

te herleven en wees naar zijn mond om water, dat hem oogenblikkelijk

gebracht werd.

"Mesty," zei Jack, "zorg jij zoo goed mogelijk voor meneer Jolliffe

tot ik terugkom."

Het onderzoek werd nu voortgezet en men vond vier Engelsche matrozen

en evenveel Franschen, die er waarschijnlijk het leven nog zouden

afbrengen. De overige lijken werden over boord gesmeten. Van den

stuurman vonden ze tusschen de kanonnen enkel het hoofd en beneden

waren maar elf Franschen.

Het schip was een Fransche kaper met tien stukken en vijf en zestig

koppen, waarvan er acht op buit uit waren. De bemanning van het schip

leed een verlies van zes en veertig aan dooden en gewonden. Van

de Harpij waren er vijf van den kotter verdronken en achttien met

de sloep in de lucht gevlogen; van de drie en twintig, die aan de

expeditie deelnamen, hadden alleen meneer Jolliffe en vijf matrozen

er het leven afgebracht.

"Daar komt de Harpij aan," zei Gascoigne tot Rustig.

"Des te beter, Ned, want 't is hier een allerellendigst tooneel

en ik wou dat ik maar weer aan boord was. Ik ben daar juist bij

Jolliffe geweest; hij kan een beetje spreken; denkelijk zal hij nog

herstellen. Ik hoop 't voor den armen kerel, hij heeft dan alle kans

eindelijk eens bevorderd te worden."

Spoedig lag de Harpij naast de brik bijgedraaid en Jack ging

met den kotter aan boord om rapport uit te brengen omtrent het

gebeurde. Kapitein Wilson gevoelde grooten spijt over het verlies

van zooveel manschappen, en begaf zich met Sawbridge aan boord van

de brik om de verschikkelijke uitwerking der ontploffing persoonlijk

in oogenschouw te nemen.

Jolliffe en de overige gewonden werden aan boord van de Harpij

gebracht, en allen herstelden. Tengevolge der brandwonden vervelde

Jolliffe's pokdalig gelaat geheel en al en het leek wel of het daardoor

een beetje opgeknapt was. Hij werd echter niet alleen bevorderd,

maar ook op pensioen gesteld en trad dus uit den dienst.

Zeventiende hoofdstuk.

Jack gaat uit fourageeren en speelt den vice-consul van Tetuan

een leelijken poets. Ook schipper Hogg komt er vrij bekaaid af.

De Harpij zette met haar buit koers naar Mahon, waar ze weinige

dagen na haar aankomst dépéches van den admiraal ontving. Daarbij

zag kapitein Wilson zich overgeplaatst op de Aurora, om er de

kommandantsplaats te vervullen, die door kapitein Tartars dood

opengevallen was, terwijl meneer Sawbridge tot den rang van

gezagvoerder bevorderd werd en het bevel kreeg over de Harpij.

De admiraal liet kapitein Wilson weten, dat de Aurora nog de komst

van een ander fregat, dat elk oogenblik kon binnenloopen, moest

afwachten en daarna onmiddelijk naar Mahon gezonden en onder zijn

kommando gesteld zou worden. Ook gaf hij kennis, dat de vloot gebrek

kreeg aan slachtvee, waarom hij verzocht, dat er zonder uitstel naar

Tetuan zou gezonden worden.

Kapitein Wilson had zooveel officieren verloren, dat hij niet wist,

wien hij met die zending belasten zou. Eigenlijk was hij nu niet

langer kommandant van de Harpij en er schoot maar één luitenant over

en geen stuurman of stuurmansmaat. Gascoigne en Jack waren de eenige

bruikbare adelborsten en hen durfde hij niet goed belasten met iets

waar zooveel haast bij was.

"Wat zullen we doen, Sawbridge? zullen we Rustig zenden of Gascoigne

of beiden, of geen van beiden? Als zij het slachtvee niet spoedig

bezorgen, zullen zij er bij den admiraal niet zoo gemakkelijk afkomen

als bij ons."

"Er moet toch iemand heen, Wilson," antwoordde Sawbridge, "en het is

gewoonte twee officieren te zenden, zoodat de een het vee aan boord

ontvangt, terwijl de andere het toezicht houdt op de inscheping."

"Nu dan moeten ze er beiden maar heen. Sawbridge, maar lees hen eerst

goed de les."

"Ik geloof niet dat er veel bij gewaagd is," antwoordde Sawbridge,

"want Tetuan is zulk een ellendig gat, dat ze er hoe eer hoe liever

vandaan zullen gaan."

Rustig en Gascoigne werden ontboden; zij luisterden met allen eerbied

naar hetgeen kapitein Sawbridge hun voorhield, beloofden dat zij

zich strikt aan de opdracht zouden houden, kregen een brief voor den

vice-consul mee en werden met het noodige aan boord der brik Mary

Anna gebracht, waar de stuurman en de bemanning reeds bezig waren

met het winden der ankers.

De schipper van het transport, een roodharige kerel met een

vollemaansgezicht, een mopneus en handen als presenteerblaadjes, kwam

naar het achterschip om hen te verwelkomen en niet zoodra waren de

kisten en hangmatten aan dek, of het anker werd gelicht en de zeilen

geheschen. Met schipper Hogg stond Jack spoedig op een goeden voet,

vooral omdat hij hem kapitein noemde en alle extraatjes van eten en

drinken voor zijn rekening nam.

Te Tetuan aangekomen, gingen Jack en Gascoigne aan wal om vergezeld van

kapitein Hogg den vice-consul een bezoek te brengen. Zij vertoonden hun

papieren en verzochten om slachtvee. De vice-consul was een schraal,

onbeduidend manneke, die de opvolger van zijn vader was geworden,

omdat niemand anders het de moeite waard had geacht naar den slecht

bezoldigden post te dingen. Toch hechtte meneer Hicks heel wat gewicht

aan zijn ambt en zijn zuster, de eenige Engelsche jonge dame van de

plaats, zocht vooral de aandacht te trekken der heeren zeeofficieren,

die er soms om ossen kwamen. Heel gauw tevreden was ze echter niet,

en had al achtereenvolgens de aanzoeken van drie adelborsten, een

stuurmansmaat en een betaalmeester van de hand gewezen.

Zoodra de schikkingen op het kantoor van den heer Hicks getroffen

waren, werden de bezoekers in de ontvangkamer genoodigd en aan de

zuster van den vice-consul voorgesteld. Miss Hicks trok den neus op

voor de beide adelborsten, maar lachte kapitein Hogg allervriendelijkst

toe. Deze werd zelfs tegen den volgenden middag ten eten gevraagd en

raakte al spoedig op de gastvrouw verliefd, wat eenige stribbeling gaf

tusschen Miss Julia en haar broer den vice-consul, die verklaarde nooit

zijn toestemming te zullen geven tot een huwelijk met meneer Hogg. Miss

Hicks verkoos echter niet zich aan haar broer te storen; zij was baas

over zichzelve, verklaarde zij, en zou doen wat haar goeddacht.

Toen eindelijk de lading ingenomen was en er aan vertrekken diende

gedacht te worden, besloot kapitein Hogg allen tegenstand van den

vice-consul te verijdelen, door Julia eenvoudig te schaken en op zijn

schip mee te nemen naar Toulon. Jack, die er de lucht van gekregen had,

hield zich alsof hij Hogg een handje wilde helpen en waarschuwde hem,

dat Hicks vermoedde wat er gebeuren zou en, zoolang Hogg nog niet

aan boord was, zijn zuster voortdurend in het oog zou houden. "Ga

dus zelf aan boord, en onder zeil, meneer Hogg," zei Jack, "en laat

het aan mij over Miss Hicks bij u te brengen, zoodra haar broer alle

gevaar geweken zal achten."

"Hartelijk dank, meneer Rustig," antwoordde kapitein Hogg; "dat is

een uitmuntend plan; wat zijt ge toch vriendelijk!"

Nauwelijks had meneer Hicks de gelden voor de geleverde ossen ontvangen

of zijn houding ook tegenover onzen held veranderde geheel. Dit stond

Jack lang niet aan, maar hij hield zich alsof hij niets bespeurde,

bleef den vice-consul de warmste vriendschap betoonen en nam de

gelegenheid te baat hem te zeggen, dat hij zijn voorkomendheid niet

beter kon beantwoorden, dan door hem in te lichten omtrent de plannen,

die er tegen hem gesmeed werden. Hij vertelde hem nu de beraamde

vlucht van zijn zuster en dat hij zelf de aangewezen persoon was om

haar te ontvoeren.

"Welk een gruwel!" riep de vice-consul uit; "ik zal er me over beklagen

bij de regeering."

"Zou 't niet beter zijn," zei Jack, "als we 't zoo aanlegden, dat

het geval voor onszelf met een pretje afliep en kapitein Hogg gefopt

werd? Trek uw zusters kleeren aan, dan zal ik u in plaats van haar

aan boord brengen. Ik zal u in de kajuit brengen en daar moet ge

dan uzelf opsluiten. Zonder mijn toestemming kan hij niet uitzeilen;

den volgenden morgen openen we de deur van de kajuit en lachen Hogg

eens terdege uit. Zorg dat uw boot tegen het aanbreken van den dag

u weer van boord komt halen, ik zal dan maken, dat Hogg onverwijld

naar Toulon vertrekt. 't Zal een kostelijke grap wezen."

Dat vond de vice-consul ook. Hij drukte Jack de hand en was weer even

voorkomend als te voren.

Even vóór donker werd van de brik, die reeds onder zeil was gegaan,

een sloep aan den wal gezonden, en, zooals afgesproken was, gaf meneer

Hicks voor, dat hij naar zijn kantoor ging om de scheepspapieren

in orde te maken--terwijl zijn eigenlijk doel was, zijn zusters

kleeren aan te trekken. Miss Hicks stond onmiddellijk op, wenschte

onzen held een aangename reis en zei, ook al weer zooals afgesproken

was, dat ze met zware hoofdpijn naar bed moest. Zij wenschte haar

broeder goedennacht, en begaf zich naar haar kamer waar ze nog een

uur zou wachten, waarna Jack haar in den tuin zou vinden en naar den

brik brengen. Onze held ging mede het kantoor binnen en hielp den

vice-consul, die al zijn eigen bovenkleeren uittrok en in een doek

knoopte ten einde ze, als hij eenmaal aan boord in de hut zou wezen,

weer aan te trekken.

Zoodra Hicks klaar was, nam Jack het bundeltje kleeren op en

geleidde de gewaande Miss naar de sloep. Haastig zetten zij af en

bij die gelegenheid liet Jack ongemerkt meneer Hicks' bundeltje te

water vallen. Spoedig waren ze aan boord van het schip, waar Jack

den verkleeden consul naar de hut bracht, die deze niet achter zich

sloot, dan na eerst Jack onder een handdruk toegefluisterd te hebben:

"Wat zullen we morgen lachen!"

Niet zoodra was de boot weer opgeheschen of kapitein Hogg kwam naar

onzen held toe, schudde hem de hand en zei ook: "Wel, meneer Rustig,

wat zullen we morgen lachen!"

"Die 't laatst lacht, lacht 't best," dacht Jack.

Er woei een flinke bries, en die de wacht te kooi hadden, kropen in

hun hangmatten. Ook meneer Hicks wist niets beters te doen dan te gaan

slapen en bij het aanbreken van den dag was de Mary Anna al meer dan

honderd mijlen van de Afrikaansche kust.

Wat zetten meneer Hicks en de kapitein nijdige gezichten toen zij zich

den volgenden morgen beiden gefopt zagen? Zij waren zoo boos als een

spin, maar Jack deed niets dan lachen. De kapitein wilde terug om Miss

Hicks te halen, en de vice-consul verlangde zijn vrijheid weer, maar de

wind woei fel en Jack wist den kapitein tot bedaren te brengen, door er

op te wijzen dat bij het rekken van den tocht, er licht ossen konden

sterven en hij die zou moeten vergoeden. Ook kon hij Miss Hicks later

immers huwen, zonder dat haar broer er iets tegen zou kunnen doen. De

onder- en bovenlijzeilen werden dus bijgezet en de reis vervolgd tot

groote ergernis van meneer Hicks, die den kapitein en Jack met een

aanklacht bij de regeering bedreigde. Hij eischte zijn kleeren terug,

maar Jack antwoordde dat ze bij het van wal steken uit de sloep waren

gevallen. Van niemand kon hij kleeren geleend krijgen, zoodat hij

ten spot van allen in vrouwenrokken rondliep. Door het belachelijke

van het geval vergat de kapitein zijn eigen leed; hij werd weer goede

vrienden met Jack, en al weigerde meneer Hicks dien middag met hen mee

te eten, zij lieten zich door zijn kwaadheid hun eetlust niet benemen.

Na een voorspoedige vaart van tien dagen bereikten ze 's morgens van

den elfden dag de Toulonsche vloot. Jack meldde zich terstond bij

den admiraal en rapporteerde het meegebrachte slachtvee, en spoedig

kwamen nu van al de schepen sloepen aanzetten om haar deel van de

lading der Mary Anna in te nemen. Terwijl men hiermee bezig was,

richtte de vlaggekapitein van het admiraalsschip zijn kijker naar het

transportvaartuig en bespeurde daar aan dek een vrouwelijke gedaante.

"Is dat soms de vrouw van den stuurman?" vroeg hij aan Jack, die met

den admiraal dicht bij hem stond.

"Neen, meneer," antwoordde Jack, dat is de vice-consul."

"Wat! een vice-consul in vrouwenrokken?"

"Ja, de vice-consul van Tetuan. Hij is in die kleeding aan boord

gekomen, toen de brik al onder zeil was, en ik achtte het plicht geen

oogenblik te vertragen, omdat ik wist hoe dringend de vloot om versch

vleesch verlegen was."

"Wat beteekent dat, meneer Rustig?" zei de admiraal; "daar steekt

zeker iets achter. Kom even beneden alsjeblieft."

Jack volgde nu den admiraal en den vlaggekapitein naar de kajuit

en vertelde daar zonder omwegen het heele geval, wat een hartelijk

gelach verwekte.

"Meneer Rustig." zei de admiraal toen zijn lachbui over was, "ik wil

er u geen verwijt van maken, maar 't was toch dunkt mij niet noodig

geweest dien vice-consul in vrouwenkleeren te steken."

"Ik heb naar mijn beste weten gehandeld, admiraal," antwoordde Jack

heel onderdanig.

"Nu, over het geheel genomen, ben ik tevreden met wat gij gedaan

hebt. Kapitein Malcolm, zend alsjeblieft een sloep uit om den

vice-consul te halen."

Meneer Hicks hunkerde er zoo naar om over al zijn leed beklag te

doen, dat hij zich niet stoorde aan zijn vrouwenkleeren. Wel werd er

druk gegicheld toen hij aan boord kwam, maar dat zou spoedig genoeg

ophouden, dacht hij, zoodra ze maar te weten kwamen wie hij eigenlijk

was. Hij droeg zijn geval aan den admiraal voor, maar vond bij dezen

slechten troost.

"Hoor eens, meneer Hicks," zei de admiraal, "al wat u daar vertelt,

zijn familie-aangelegenheden, waarmee ik volstrekt niets te maken

heb. Uit eigen beweging zijt gij in vrouwenkleeren aan boord gekomen,

en meneer Rustig had bepaald bevel gekregen onder zeil te gaan, zoodra

het transport gereed was, en geen oogenblik te toeven. Nu kunt ge u

wel beklagen bij de Regeering, maar als vriend raad ik het u af. Ze

houden daar niet van dergelijke grappen en het kon u uw betrekking

wel eens kosten. Wees maar blij dat ge weer zoo spoedig naar Tetuan

kunt, want het transportschip gaat er, na Mahon aangedaan te hebben,

onmiddellijk heen. En nu, meneer, vaarwel, de sloep wacht u."

Meneer Hicks was verbaasd over den weinigen eerbied aan een vice-consul

betoond en droop af onder het gelach der gansche bemanning.

Zoodra de geheele lading ontscheept was, heesch de Mary Anna de vlag,

ging onder zeil en bereikte in twee dagen Mahon, waar zij de Aurora

reeds onder kommando van kapitein Wilson vonden.

Meneer Hicks had eindelijk kapitein Hogg weten te bewegen hem

manskleeren te bezorgen, maar nu hij met zijn klacht bij den admiraal

zoo slecht gevaren was, zag hij er geen heil in, er nog eens bij een

kapitein mee aan te komen; hij bleef dus stilletjes bij kapitein Hogg

aan boord en werd gedurende de thuisvaart beste maatjes met hem.

Achttiende hoofdstuk.

Jack gaat over op de Aurora. Hij redt een oude dame uit

roovershanden. Storm op zee en brand aan boord.

Kapitein Wilson was zeer tevreden over de wijze waarop Jack zijn

bevelen had uitgevoerd, en vroeg hem, wat hij liever deed, op de

Harpij blijven of met hem op de Aurora overgaan.

Jack aarzelde.

"Zeg 't maar vrij uit, meneer Rustig; als ge soms kapitein Sawbridge

de voorkeur geeft boven mij, zal ik er me niet door beleedigd achten."

"Neen, meneer," antwoordde Jack, "ik geef niet de voorkeur aan kapitein

Sawbridge boven u; beiden hebt gij me even voorkomend behandeld, maar

toch bekleedt gij de eerste plaats bij mij. Het geval is eigenlijk,

dat ik niet gaarne scheiden zou van Gascoigne of van...."

"Of van wien?" zei de kapitein glimlachend.

"Van Mesty, meneer; 't is misschien dwaas van me, maar zonder hem

zou ik nu niet meer in leven zijn."

"Dankbaarheid is volstrekt geen dwaasheid, meneer Rustig," antwoordde

kapitein Wilson. "Gascoigne denk ik bij mij te nemen, als hij 't ten

minste goedvindt, want ik heb bijzonder veel eerbied voor zijn vader

en in hemzelf geen gebreken van eenig aanbelang gevonden. Wat Mesty

betreft--hij is een flinke kerel en voor hem zal ook wel een plaatsje

te vinden zijn, hoop ik."

Den volgenden dag werd Mesty onder het scheepsvolk, dat kapitein

Wilson zich uitgekozen had, opgenomen en wel in zijn zelfden rang

onder den konstabel der Aurora. Ook Gascoigne en onze held werden op

de rol van de fregat gebracht.

Daar de Aurora nog eenige dagen voor anker bleef liggen, vroegen

Jack en Gascoigne verlof die aan den wal door te mogen brengen, wat

hun werd toegestaan, omdat ze pas zoo'n tijd op het transportschip

hadden gezeten. Jack nam zijn intrek in het eenige flinke hotel van

de stad en noodigde dikwijls officieren van de Aurora bij zich aan

tafel. Alle pretjes woonde hij bij en zou onder anderen op een avond

ook met eenige vrienden deelnemen aan een gemaskerd bal.

Hij had zijn keus laten vallen op kostuum als duivel en zoo vermomd

reed hij op een ezel naar de plaats van samenkomst. Juist toen

hij binnen wilde gaan, hield er een gele koets met twee lakeien in

prachtige livrei voor het gebouw stil. Zoodra het portier geopend was,

bood Jack met zijn gewone beleefdheid zijn arm aan een oude, dikke,

met diamanten bezaaide dame. Zij keek op en nauwelijks kreeg ze den

behaarden Jack met zijn drietand, horens en staart in het oog, of ze

gaf een, luiden gil en zou stellig gevallen zijn, als niet kapitein

Wilson juist bij de hand was geweest om haar in zijn armen op te

vangen. Terwijl de oude dame haar dank betuigde aan kapitein Wilson,

schoof Jack stilletjes het gebouw binnen. In de feestzaal vond hij

't zoo overmatig druk, dat men zich ternauwernood bewegen kon, en

het duurde dan ook niet lang of hij had genoeg van het rondspringen.

"Dat is al te gek." dacht Jack, "laat ik maar liever zien of ik me

in de open lucht niet beter kan vermaken." Hij trok zijn wijden jas

over zijn maskeradepak en wandelde in den heerlijken maneschijn

naar buiten. Allerlei gedachten dwarrelden hem door het hoofd en

ongemerkt was hij wel een uur lang aan het ronddolen geweest, toen

hij bij een heuvel kwam en dien besteeg om eens te zien, hoe hij het

best den terugweg zou nemen. Terwijl hij zoo stond rond te kijken,

zag hij opeens beneden op den weg langs den voet van den steilen

heuvel een rijtuig naderen. "Wel verdraaid!" riep hij uit, "dat is

dezelfde gele koets van die oude dame met haar diamanten en de twee

opgeprikte lakeien!"

Nauwelijks had hij dit gezegd of eensklaps stormden uit het houtgewas

een zestal kerels te voorschijn en grepen de paarden bij den kop; er

vielen een paar schoten, de koetsier tuimelde van den bok en de twee

lakeien achter van het rijtuig. De roovers rukten het portier open en

begonnen de oude dikke dame met de diamanten er uit te werken. Jack

begreep, dat hij tegen zulk een overmacht niets zou kunnen uitrichten,

maar misschien kon hij hun toch een schrik op het lijf jagen. Juist

rolde de oude dame als een welgevulde waschzak het rijtuig uit, toen

Jack, die zijn overjas uitgesmeten had, zich in zijn duivelspak op

den top van den heuvel vertoonde en in het volle licht der maan zijn

drietand zwaaiend een afgrijselijk "ha, ha, ha, ha!" liet hooren, op

hetzelfde oogenblik, dat de roovers hun messen ophieven. De onverlaten

werden op het zien van de huiveringwekkende gedaante, die den spotlach

had aangeheven, door zulk een hevige ontsteltenis aangegrepen, dat zij

het uit alle macht op een loopen zetten. Jack snelde nu haastig den

heuvel af, wist met veel inspanning de flauwgevallen dame de koets

binnen te loodsen, greep de teugels, sprong op den bok en joeg in

vollen ren voort.

Zoodra hij ver genoeg voortgehold was, om geen vernieuwing van den

aanval te vreezen te hebben, toomde hij de paarden wat in, maar liet

ze toch hun eigen weg kiezen, want hij zelf wist niet welken kant hij

op moest. Dicht bij de stad sloegen de dieren zijwaarts af en hielden

weldra stil voor een prachtig buitenverblijf. Om de menschen niet

te doen schrikken, had Jack zijn overjas weer aangetrokken en zijn

masker afgezet en toen nu op het geratel der rijtuigwielen eenige

bedienden naar buiten kwamen schieten, vertelde hij hun in weinige

woorden wat er gebeurd was. Dadelijk werden er nu handen uitgestoken

om de dame uit de koets te helpen. Voor veel complimenten had Jack,

toen hij de dikkert in het rijtuig stopte, geen tijd gehad, en men

vond ze nu ook in een vrij benauwde positie tusschen de beide banken

ingezakt en met de beenen in de lucht.

Jack Rustig · 第 14 / 20 段