"Ik bemerk al, dat de jonge dame er weinig geloof aan hecht; ik dien
dus een bewijs te leveren van mijn kunst, door haar te vertellen
wat haar reeds overkomen is. De signora zal dan meer vertrouwen in
mij stellen."
"Zeker zal ik dat."
"Wees dan zoo goed, mij de palm van uw hand te laten zien."
Agnes stak haar hand uit; Jack vatte die, om de lijnen er van na
te gaan.
"Dat gij in Spanje opgevoed, voor twee maanden uit dat land
teruggekeerd, door de Engelschen gevangen genomen en weer vrijgelaten
zijt, heeft uw moeder reeds verteld; maar om te bewijzen, dat ik van
dat alles volkomen op de hoogte ben, zal ik meer in bijzonderheden
treden. Gij waart op een schip dat veertien stukken geschut voerde,--is
't niet zoo?"
Donna Agnes knikte toestemmend.
"Dat heb ik toch niet aan meneer verteld," riep Donna Clara uit.
"Het vaartuig werd 'n nachts overrompeld, zonder dat er een gevecht
plaats had. Den volgenden morgen braken de Engelschen met geweld de
kajuitdeur open; uw oom en uw neven vuurden hunne pistolen af."
"Lieve hemel?" riep Agnes verbaasd uit.
"De Engelsche officier was een jongmensch van een vrij onaangenaam
uiterlijk."
"Nu hebt u 't mis, Signor,--hij had integendeel een zeer gunstig
voorkomen."
"Over den smaak valt niet te twisten, Signora. Gij wist van angst
haast niet wat ge deedt, en waart in een hoek van de kajuit gekropen."
Agnes, die zich al meer en meer verwonderde, keek eensklaps onzen
held strak aan en riep uit:
"O moeder, hij is 't--nu herken ik hem, hij is 't?"
"Wie, kindlief?" vroeg Donna Clara, die een en al verbazing was over
Jack's waarzeggerskunst.
"Wel, de officier die ons gevangen nam en zoo vriendelijk was."
Jack schoot in een luiden lach en erkende toen, dat zij goed gezien
had.
Fluks sprong Agnes op om haar vader te gaan meedeelen, wie eigenlijk
zijn gast was.
Ofschoon Don Rebiera zijn verhaal nog niet geëndigd had, bracht
toch deze mededeeling van Agnes weer allen bijeen en Jack werd met
dankbetuigingen overstelpt.
"Hoe kon ik vermoeden," zei de Don, "dat ik u zoo dubbel verplicht
zou zijn, meneer. Zeg slechts waarmede ik u beiden van dienst kan
wezen. Mijn zoons zijn te Palermo, en zullen de kennismaking met u
stellig op hoogen prijs stellen; zoodra dus het verblijf hier bij
ons u mocht gaan vervelen...."
Jack maakte een beleefde buiging en zei, met een blik op zijn gehavend
plunje. "We zijn niet in een staat, dat we hier lang kunnen vertoeven."
"De kleeren van mijn broers zullen hun wel passen, dunkt me," zei
Agnes tot haar vader; "en er zijn nog al heel wat kleedingstukken
hier achtergelaten."
"Als de heeren zich daarmee zouden willen behelpen."
Het duurde nu niet lang, of onze adelborsten zagen er weer
behoorlijk gekleed uit en de wederzijdsche verhouding werd gaandeweg
vertrouwelijker.
Na het diner werd er siësta gehouden, maar Jack en Gascoigne, die in
de kar wel voor een halve week genoeg geslapen hadden, gingen zamen
in den tuin wandelen.
"Wel, Ned," zei Jack, "verlang je alweer naar de Harpij?"
"Neen," antwoordde Gascoigne, "we zijn mooi op onze pootjes
terechtgekomen, al zijn we ook eerst duchtig door elkaar geschud.--Maar
wat is die Agnes een lief schepseltje! Hoe toevallig, dat je ze hier
weer moet aantreffen!"
"Dat is 't wel, Ned. Maar kom, laten we in dit priëel gaan zitten
en vertel me dan eens wat Rebiera al zoo van zijn lotgevallen heeft
meegedeeld."
We zullen dit verhaal niet in al zijn bijzonderheden volgen,
maar er enkel uit vermelden, dat een oude familieveete Don Rebiera
herhaaldelijk blootstelde aan de vervolging van een paar verre neven,
die geen middelen ontzagen om hem het leven te verbitteren, ja zelfs
hem meermalen met den dood hadden bedreigd.
Gedurende de veertien dagen, die Jack en Gascoigne bij de
Siciliaansche familie doorbrachten, werden zij als zoons van den
huize beschouwd. Agnes voelde zich het meest aangetrokken tot Jack,
met wien ze erg druk was en dikwijls wandeltochtjes maakte, zoodat
onze held spoedig tot de overtuiging kwam, dat er geen aardiger en
liever meisje op de wereld te vinden was.
Bij het afscheid kregen onze beide adelborsten aanbevelingsbrieven
mee aan de voornaamste families van Palermo en aanvaardden, op keurig
opgetuigde muilezels gezeten, hun tocht.
Nauwelijks hadden ze de plaats hunner bestemming bereikt en in een
hôtel hun intrek genomen, of Gascoigne vatte de pen op om Don Rebiera
van hun gelukkige aankomst te verwittigen en Jack nam de gelegenheid
waar, om er een briefje voor Agnes bij te voegen.
Hun eerste werk was nu nieuwe kleeren aan te schaffen en zich bij den
door Don Rebiera aangewezen bankier van het noodige geld te voorzien.
In hun logement teruggekeerd, troffen zij er Don Philip en Don Martin,
de zonen van Don Rebiera, aan, met wie zij spoedige beste maatjes
waren en die hen overal rondgeleidden. In een wip waren er drie weken
vervlogen en Jack en Gascoigne dachten nog niet aan heengaan.
Op een partij bij den hertog van Pentaro kwamen zij in aanraking met
den kapitein van het Engelsch fregat, de Aurora, die er pas voor anker
was gekomen. Onze adelborsten waren in burgerkleeding en werden door
kapitein Tartar voor Engelsche jongelieden van fortuin aangezien,
die een pleziertocht maakten. Daarom behandelde hij hen met de
meeste voorkomendheid, wat Jack zóó voor den man innam, dat hij
hem beleefd verzocht voor den volgenden middag zijn gast te willen
zijn. Kapitein Tartar nam de uitnoodiging aan en bij het afscheid
drukten zij elkaar hartelijk de hand, beiden ten zeerste ingenomen
met de nieuwe kennismaking.
Jack liet den volgenden dag terdege opdisschen en aan wijn ontbrak
het niet. Toen de andere gasten zich naar een bal begaven, waarop ze
genoodigd waren, bleef kapitein Tartar, die wel van een glaasje hield,
nog zitten plakken, en Jack achtte zich beleefdheidshalve verplicht
hem gezelschap te houden. Gascoigne bleef ook, om op te passen dat
Jack zich niet zou verpraten.
De kapitein was bijzonder onderhoudend en begon een beetje tegen
Jack op te zien, toen hij ontdekte dat deze de eenige zoon van een
schatrijken vader was. Onder het gesprek vroeg de kapitein Jack wat
hem herwaarts gebracht had, en Jack vertelde dat hij met de Harpij
gekomen was. Gascoigne waarschuwde hem met een duw, maar 't hielp niet,
want de wijn was onzen Jack naar het hoofd gestegen.
"Ei zoo! dus met kapitein Wilson? Dat is nog een oud vriend van me."
"Van ons ook," antwoordde Jack; "'t is een verduiveld beste kerel,
die Wilson."
"Maar waar zijt ge later geweest?" vroeg kapitein Tartar.
"Wel, op de Harpij, ik behoor tot de bemanning."
"Tot de bemanning? In welke kwaliteit, als ik vragen mag?" hernam
kapitein Tartar op vrij wat minder beleefden en vertrouwelijken toon.
"Als adelborst," antwoordde Jack; "en Gascoigne ook."
"Zoo! dus zijt ge met verlof?"
"Och neen, dat niet; maar ik zal je vertellen, ouwe jongen, hoe
't ermee gelegen is."
"Een oogenblikje, alsjeblieft," viel kapitein Tartar hem in de rede
en stond op; "ik moet even mijn oppasser een paar orders geven,
die ik verzuimd heb."
Gascoigne maakte van de gelegenheid gebruik om Jack op zijn
onvoorzichtigheid te wijzen, maar deze stoorde er zich niet aan, en
toen de kapitein zijn plaats aan tafel weer ingenomen had, vertelde
Jack hem al wat er voorgevallen was. Toen hij geëindigd had, zei hij
heel familiaar:
"Toe, Tartar, je hebt daar de flesch bij je staan, laat ik je een
handje helpen."
Kapitein Tartar wierp zich in zijn stoel achterover en scheen zich
nauwelijks te kunnen inhouden.
"Heb je genoeg van den wijn?" zei Jack. "Dan kunnen we, dunk me,
ook wel naar het bal gaan."
Op dit oogenblik verscheen een sergeant van de mariniers aan de deur,
sloeg aan en keek met een blik van verstandhouding naar den kapitein.
"Wel zoo, meneer," riep kapitein Tartar, van zijn stoel opspringende,
met donderende stem, "gij zijt dus een gedeserteerde adelborst,
en hebt nog wel de onbeschaamdheid hier in Palermo goeden sier te
maken en zelfs een postkapitein ten eten te vragen! Zoo'n duivelsche
rekel durft me kortweg 'Tartar' en 'ouwe jongen' noemen!" vervolgde
de kapitein, die nu kookte van woede en met de vuist op tafel sloeg,
zoodat de glazen er van rinkelden.
"Veroorloof me op te merken, meneer," zei Jack, die bij dien uitval
ineens weer nuchter werd, "dat wij niet tot uw schip behooren, en
dat we in burgerkleeding zijn."
"In burgerkleeding--zoo'n paar bedriegers, zonder een cent op zak,
die zich als heele heeren voordoen, en met de noorderzon vertrekken
zonder hun rekening te betalen."
"Noemt gij mij een bedrieger, meneer?" vroeg Jack.
"Ja, meneer, gij...."
"Dan liegt gij!" riep onze held in drift uit. "Ik ben een fatsoenlijk
man, meneer, en het spijt me, dat ik niet hetzelfde van u kan
getuigen."
Verbazing en woede beletten kapitein Tartar te spreken. Vergeefs
opende hij den mond, doch viel weer op zijn stoel neer. Eindelijk,
nadat hij zich wat hersteld had, gelukte 't hem uit te roepen:
"Matthews--Matthews!"
"Present, meneer!" antwoordde de sergeant, die bij de deur was
blijven staan.
"Laat je mariniers binnenkomen en neem die twee in verzekerde
bewaring. Onmiddellijk er mee naar boord en ze in de boeien geslagen."
"Misschien zult ge ons wel willen veroorloven, meneer," zei Jack,
die nu geheel bedaard was, "dat we alvorens naar boord te gaan
onze rekening betalen. Wij zijn geen bedriegers, maar daar gij de
hand hebt gelegd op onze personen, zult gij u wellicht zelf met de
betaling willen belasten;" en Jack wierp een zware beurs met dollars
op tafel. "Vooral wenschte ik u te verzoeken, ten opzichte van de
bedienden niet karig te wezen."
"Sergeant, geef hun gelegenheid om hun rekening te betalen," zei
kapitein Tartar op wat minder hoogen toon en verliet de kamer.
"Goede hemel, Jack, wat ben je begonnen?--je zult nog voor den
krijgsraad gebracht en uit den dienst ontslagen worden."
"Dat hoop ik maar," antwoordde Jack, "ik was een gek, dat ik op zee
ging. Maar hij heeft me een bedrieger genoemd, en dat laat ik er
niet bij."
"Als gij klaar zijt, heeren," zei de sergeant, die lang genoeg onder
kapitein Tartar gediend had om te weten, dat een door hem opgelegde
straf nog geen bewijs was van een begaan vergrijp.
"Betaal jij de rekening, Rustig, dan ga ik ons boeltje halen,"
zei Gascoigne.
Binnen een half uur zaten onze beide vrienden in plaats van op het bal,
onder het halfdek van de Aurora in boeien.
Intusschen was kapitein Tartar naar het bal gegaan, waarop ook hij
uitgenoodigd was. Bij zijn binnenkomen werd hij aangesproken door Don
Martin en Don Philip, die hem vroegen, waar onze held en diens vriend
bleven. Kapitein Tartar was alles behalve goed geluimd en zei kortaf,
dat ze aan boord van zijn schip in de boeien zaten.
"In de boeien! hoedat zoo?" riep Don Philip uit.
"Wel, meneer, omdat ze een paar jonge deugnieten blijken te wezen,
die zich bij de deftigste gezelschappen hebben ingedrongen, terwijl
ze niet meer zijn dan een paar van hun schip gedroste adelborsten."
Nu wisten de Rebiera's heel goed, dat Jack en zijn vriend adelborsten
waren, maar zij vonden dat geen reden om hen niet als fatsoenlijke
lui te beschouwen en als zoodanig te behandelen.
"Hebt gij, meneer," zei Don Philip, "die hun gastvrijheid genoten,
met hen gelachen, gepraat en arm in arm gewandeld hebt, u verstout
hen in de boeien te slaan?"
"Ja, meneer, dat heb ik."
"Dan zijt ge een ellendeling en daag ik u uit!" riep Don Philip,
de oudste broeder.
"En ik doe hetzelfde," voegde de ander er bij.
De beide broeders hadden zich zoo gehecht aan onzen held, die zulke
belangrijke diensten aan hun familie bewezen had, dat hun ergernis
geen grenzen kende. Zij vertelden aan al hun aanwezige vrienden wat er
voorgevallen was, zoodat het nieuwtje weldra door de geheele balzaal
verbreid raakte en zooveel verontwaardiging wekte, dat iedereen
kapitein Tartar den rug toekeerde. Deze verliet dan ook spoedig de
balzaal en begaf zich naar zijn logement, waar den volgenden morgen
de secondant van Don Philip de uitdaging in allen vorm kwam herhalen.
Lafhartig was Kapitein Tartar volstrekt niet; hij nam dus de uitdaging
aan, maar daar hij op den degen niet geoefend was, stelde hij als
voorwaarde, dat er met pistolen zou gevochten worden. Hiertegen werd
geen bezwaar gemaakt. De ontmoeting had plaats en reeds het eerste
schot van Don Philip ging kapitein Tartar dwars door het hoofd,
zoodat hij onmiddellijk dood neerstortte.
Don Philip en zijn broeder begaven zich al spoedig aan boord van de
Aurora om onzen held te bezoeken. De eerste luitenant, die in 't geheel
geen vriend van den kapitein was geweest, ontving hen zeer beleefd
en verklaarde, dat kapitein Tartar hem volstrekt niet had medegedeeld
op welken grond de twee jongelui in boeien waren geslagen. Hij achtte
zich dus niet gerechtigd tegen hen op te treden en zou last geven hen
in vrijheid te stellen. Daar hij echter vernomen had, dat ze tot de
equipage behoorden van een der oorlogsschepen, die bij Malta lagen,
voelde hij zich verplicht hen mee te nemen en aan boord van hun eigen
schip te brengen.
Jack en Gascoigne werden nu van hun boeien bevrijd en vernamen van
Don Philip, hoe deze de hun aangedane beleediging gewroken had. Na
een onderhoud van ruim een uur namen Don Philip en diens broeder onder
de hartelijkste betuigingen van vriendschap afscheid en roeiden weer
naar den wal.
Zestiende hoofdstuk.
Onze held krijgt een hekel aan den dienst, maar raakt er ook
weer mee verzoend. Hij neemt wakker deel aan de bemachtiging
van een Franschen kaper.
Daags na de begrafenis van kapitein Tartar zeilde de Aurora naar Malta
en werden onze beide adelborsten aan boord van de Harpij gezonden.
Meneer James, de eerste luitenant van de Aurora, die na Tartar's
dood het kommando over het schip voerde, was verlangend zich bij den
admiraal te Toulon te vervoegen en wilde daarom reeds den volgenden
dag de reis voortzetten. Aan tafel bij den gouverneur ontmoette hij
kapitein Wilson en vertelde, dat Jack en Gascoigne op last van kapitein
Tartar in boeien geslagen waren. Ook deelde hij zijn vermoedens
mede omtrent de aanleiding er toe en het duel dat er het gevolg van
geweest was. Het geheele geval bleef echter zeer raadselachtig, daar
Jack en Gascoigne zich tegenover niemand aan boord der Aurora over
hun avonturen op Sicilië hadden uitgelaten.
"Ik zou omtrent dat duel wel eens het naadje van de kous willen
weten," zei de gouverneur; "och, Wilson, breng Rustig morgenochtend
mee hierheen, dan kan hij ons zijn verhaal opdisschen."
Ik vrees dat we hem te veel aanmoedigen, Sir Thomas, hij maakt 't al
erg genoeg. Er komt maar geen einde aan zijn avonturen en 't loopt
altijd goed af."
"Nu ja, maar je kunt hem immers hier ontbieden en duchtig onder handen
nemen, evengoed als in uw eigen kajuit; we zullen dan de waarheid
wel uit hem krijgen."
"Dat is stellig," antwoordde kapitein Wilson, "want hij komt er altijd
rond voor uit."
"Nu, doe me dan het genoegen hem te laten halen. Ik vind 't zoo
verschrikkelijk niet, dat hij zich schuil gehouden heeft, want
hij schijnt in de meening verkeerd te hebben, dat hij zou gehangen
worden. Ik moet den jongen noodzakelijk zien."
"Welaan, gouverneur, als dat uw wensch is," antwoordde kapitein Wilson,
en schreef een paar woorden om meneer Sawbridge te verzoeken, meneer
Rustig tegen tien uur in den morgen ten huize van den gouverneur bij
hem te zenden.
Jack verscheen in uniform. Over hetgeen hem zou gezegd worden
bekreunde hij zich niet veel, want hij was toch besloten den dienst te
verlaten. Dat hij in boeien was geslagen, kon hij maar niet verkroppen.
Toen Jack bij den kapitein werd toegelaten, vond hij dezen met den
gouverneur aan het ontbijt. Onverschrokken, maar met den noodigen
eerbied, stapte hij naar binnen. Kapitein Wilson sprak hem toe en
bracht hem onder het oog, dat hij met dat duel, en meer nog met het van
het schip wegloopen, een groote fout begaan had. Jack keek deemoedig
naar kapitein Wilson op, erkende het verkeerde zijner handeling en
beloofde in het vervolg beter te zullen oppassen, als kapitein Wilson
het ditmaal door de vingers wilde zien.
"Vergun me, kapitein, dat ik een woordje ten gunste van het jongemensch
in het midden breng," zei de gouverneur; ik ben overtuigd dat het
enkel een gevolg is geweest van gebrek aan oordeel."
"Nu, meneer Rustig, daar gij berouw toont en de gouverneur het voor
u opneemt, zal ik de zaak maar laten rusten. Maar vergeet niet,
dat ge mij met uw dolle streken heel wat ongerustheid hebt bezorgd,
en bedenk steeds, dat ik veel te veel belang stel in uw welzijn, om
niet angstig te zijn als gij u aan zulke gevaren blootstelt. Ga nu
maar weer aan boord aan uw bezigheid en laat Gascoigne hetzelfde doen;
maar laat me alsjeblieft niet meer hooren van duels en van wegloopen."
Jack was door die vriendelijke bejegening zoo getroffen, dat hij geen
woord kon uitbrengen; hij maakte een buiging en wilde juist de kamer
verlaten toen de gouverneur zei:
"Meneer Rustig, hebt ge al ontbeten?"
"Ja, meneer," antwooordde Jack, "eer ik aan wal ging."
"Kom, een adelborst ziet er niet tegen op tweemaal te ontbijten;
schuif maar bij--alles is nu toch vergeten."
Jack boog, nam een stoel, en bewees dat zijn eetlust niet veel
schade geleden had door het standje. Toen het ontbijt afgeloopen,
was, merkte kapitein Wilson op:
"Mijnheer Rustig, gewoonlijk hebt ge bij uw terugkomst eenige avonturen
te verhalen, zoudt ge den gouverneur en mij niet het een en ander
willen meedeelen van wat er op uw laatsten tocht is voorgevallen?"
"Welzeker, meneer," antwoordde Jack; "maar ik moet om geheimhouding
verzoeken, want die is voor Gascoigne en mij van het grootste belang."
"Met genoegen als geheimhouding noodig is, mijn jongen; maar daarover
kan ik zelf het best oordeelen," zei de gouverneur.
Jack begon nu te verhalen wat wij reeds weten en besloot met de
mededeeling, dat hij den dienst wenschte te verlaten, Hij hoopte dat
kapitein Wilson hem zou ontslaan en naar huis zenden.
"Och wat, onzin!" riep den gouverneur uit, en kapitein Wilson ging
aan 't betoogen om hem van zijn voornemen terug te brengen, wat dan
ook gelukte.
"Als gij er niets tegen hebt, kapitein, dan noodig ik meneer Rustig van
middag bij ons ten eten en verzoek hem Gascoigne mee te brengen. Gij
kunt hem dan eerst duchtig het jak uitvegen en ik hem vervolgens
troosten met een flink diner."
Toen Jack vertrokken was, zei de gouverneur: "De jongen moet
zachtzinnig behandeld worden, kapitein Wilson; 't zou een verlies
zijn, als hij den dienst verliet. Lieve hemel, wat al avonturen en
hoe aardig weet hij ze te vertellen! Als gij 't goedvindt, vraag ik
hem al den tijd, dien gij hier blijft, bij me te logeeren; ik moet
goede maatjes met hem worden en hij mag den dienst niet verlaten."
Kapitein Wilson, die ook begreep dat onze held met zachtheid het
best te regeeren was, gaf zijn toestemming op het voorstel van den
gouverneur. Jack at dus aan tafel bij den gouverneur en nam les in
het Spaansch en Italiaansch, zoolang de Harpij opgelapt werd. Nog
eer het schip klaar was, kwam er een vaartuig van de vloot met last
aan kapitein Wilson om zich naar Mahon te begeven en een transport,
dat daar lag, uit te zenden, ten einde de vloot van levende ossen te
voorzien. Jack keerde wel niet met veel lust naar zijn schip terug,
maar hij had den gouverneur beloofd, dat hij in dienst zou blijven
en begaf zich dus den avond vóór het onder zeil gaan aan boord. Hij
had dus een lekker leventje geleid, dat de scheepskost hem eerst
tegenstond, maar spoedig herkreeg hij zijn eetlust.
Den volgenden dag ging de Harpij onder zeil en Jack vatte zijn gewone
bezigheden weer op. Meneer Asper leende tien pond van hem en onze
held hield zooveel wacht als hij verkoos, wat al bijster weinig was,
daar hij aan het wacht houden een broertje dood had.
De Harpij hield onder voortdurenden tegenwind koers langs de
Afrikaansche kust en gedurende verscheidene dagen ondervonden ze
niets dan teleurstelling. Eindelijk ontdekten ze onder den wal,
op ongeveer zestien mijlen afstand, een brik. Naar uiterlijk en
tuigage hield kapitein Wilson het schip voor een of anderen kaper,
maar het was stil weer en ze konden het niet naderen. Toch achtte de
kapitein zich tot een onderzoek verplicht, en daarom werden om tien
uur 's avonds de booten uitgezet. Daar het enkel om een verkenning
te doen was, ging meneer Sawbridge niet mee. Meneer Asper stond op
de ziekenlijst, zoodat de stuurman Smallsole het kommando over de
expeditie kreeg. Jack verzocht meneer Sawbridge om het bevel over
een der booten. Meneer Jolliffe en meneer Vigors gingen bij den
stuurman in de sloep. De konstabel was bevelvoerder over den eenen
kotter en onze held over den tweeden. Ofschoon eerst zeventien jaar,
was Jack toch sterk en groot voor zijne leeftijd en kon gerust een
volwassen man genoemd worden. Mesty was bij hem en juist toen de
boot afzette, liet ook Gascoigne zich er in glijden. De opdracht
aan den stuurman was vrij bepaald; hij moest het schip verkennen,
en als het flink bewapend bleek niet aanvallen, want het lag dicht
onder den wal en kon, zoodra de wind opzette, toch niet aan de Harpij
ontsnappen. Voerde het geen geschut dan moest hij het aanklampen,
maar niet voordat de morgen was aangebroken. Dat de booten reeds
's avonds werden uitgezonden, was om geen hinder te hebben van de
zonnehitte, die overdag buitengewoon groot was en al menigeen op de
ziekenlijst had gebracht. Ze moesten de baai inroeien, maar zorgen
niet ontdekt te worden en niet al te dicht bij het vreemde schip de
ankers uitwerpen om het aanbreken van den dag af te wachten. Opdat er
geen misverstand zou plaats hebben, had meneer Smallsole zijn bevelen
gekregen in tegenwoordigheid van de andere officieren, die over de
booten waren gesteld. Na drie uren roeien bereikten zij de plaats
waar de brik lag, en daar ze aan boord geen lichten zagen bewegen,
meenden zij niet opgemerkt te zijn. Zij lieten de ankers vallen in
omstreeks zeven vademen water en wachtten het daglicht af. Toen Jack
kapitein Wilson's bevel hoorde om tot het aanbreken van den dag voor
anker te gaan liggen, had hij Mesty beneden vischsnoeren laten halen,
want versche visch is altijd een versnapering voor adelborsten. Onder
het visschen raakten Jack en Gascoigne aan het praten over de beste
manier van aanval met booten. Gascoigne was er voor, dat alle booten
te gelijk het schip zouden aanklampen, terwijl Jack het beter vond,
dat ze dit een voor een deden.
"Wil jullie wel eens stil wezen, daar in je boot!" riep de
stuurman. "Jullie zijn er altijd op uit om den boel in de war te
sturen."
"Dank je wel, meneer," mompelde Jack. "Ik heb weer beet, Ned."
Jack en zijn vriend bleven aan het visschen tot de dag aanbrak. De
mist trok op, zoodat de brik zichtbaar werd, en ternauwernood bespeurde
zij de sloepen, of ze heesch de Fransche vlag en loste een kanonschot
ter uitdaging.
Meneer Smallsole wist niet goed wat hij doen zou, het geloste
schot verried geen zwaar geschut, dat vond meneer Jolliffe ook. De
manschappen, als gewoonlijk tuk op den aanval, beweerden hetzelfde,
en daar meneer Smallsole niet voor den vijand durfde wijken, uit
vrees van door de bemanning van zijn schip later met een scheel oog
te worden aangezien, gaf hij bevel de ankers te lichten.
"Wacht nog even, jongens," zei Jack tot de manschappen van zijn boot,
"ik heb daar juist beet." Zij lachten, dat Jack 't zoo luchtig opnam,
en gaven hem gelegenheid eerst zijn visch op te halen; met wat forscher
roeien zouden ze in een paar seconden wel weer met de andere booten
gelijk komen.
"Hij is binnen," riep Jack; "licht nu het anker maar." Door het
oponthoud waren de anderen booten zulk een eind voor, dat ze niet
zoo gemakkelijk meer in te halen waren.
"Ze zullen vóór ons aan boord zijn." zei Gascoigne.
"Wat hindert dat?" antwoordde Jack; "één moet er toch de laatste
wezen."
"Best mogelijk, maar niet de boot waar ik in ben."
"Och kom, wij zullen het reservekorps vormen en de eer genieten van
de kans te onzen gunste te doen keeren."
"Allen gelijk, jongens!" riep Gascoigne, bemerkende dat de overige
sloepen nog steeds een kabellengte voorbleven.