"We moeten meer bij den wind opsteken," zei Gascoigne; "bij een kleine

stad aan te leggen, zal niet geraden zijn; we hebben te kiezen of

we ergens op de kust zullen landen en de schuit laten zinken, of bij

een of andere groote stad binnenloopen."

"Dat moeten we nog eens in 't breede beredeneeren," zei Jack.

"Neem jij dan intusschen het roer over, want mijn arm wordt me zoo

moe; je kunt goed genoeg sturen en 't is tijd, dat ik eens naar mijn

schouder kijk, want hij is me heelemaal stijf geworden." Gascoigne

trok zijn jas uit en bemerkte nu dat zijn hemd van bloed doortrokken

was en op de wond vastgeplakt zat. Hij nam zoolang het roer over,

tot Jack hem den schouder gewasschen en verbonden had.

"Neem jij het roer nu maar weer voor je rekening," zei Gascoigne,

"want ik sta op de ziekenlijst."

"Als heelmeester ben ik niets waard," hernam Jack; "maar wat nu

begonnen? Zullen we van avond aan wal gaan en de schuit laten zinken

of een stadshaven binnenloopen?"

"Wil je wel gelooven, Jack, dat ik wou dat we weer op de Harpij

zaten? Ik heb al genoeg van den tocht."

"'t Loopt met mijn tochten ook zoo ongelukkig," antwoordde Jack,

"ze zijn al te avontuurlijk; maar aan den wal ben ik nog nooit aan

't ronddolen geweest. Me dunkt, als we Palermo maar konden bereiken,

zouden we alle moeilijkheden te boven zijn."

"De wind wakkert aan, Jack," zei Gascoigne; "en 't begint er te

loevert vrij smerig uit te zien. Ik vrees dat we storm krijgen."

"Dat belooft weinig goeds--ik weet wat het zegt bij een storm gebrek

aan handen te hebben; één ding is echter gelukkig, we zullen ditmaal

niet uit den wal gedreven worden."

"Neen, maar wel op de klippen schipbreuk lijden. Er staat te veel

zeil bij, Rustig, we zullen wat moeten strijken en een rif leggen,

en hoe eer hoe liever maar, want over een uur zal het donker zijn. Ga

vooruit het zeil maar strijken, dan zal ik je helpen."

Jack deed dit, maar het zeil zakte in het water en hij kon 't niet

binnen boord krijgen.

"Zet 't aan de spil vast," zei Gascoigne, "dan zal ik er de wind uit

laten loopen."

Dit gebeurde; zij reefden het zeil, maar konden het niet meer omhoog

krijgen: telkens als Gascoigne den helmstok losliet om Jack te helpen,

schoot de wind in het zeil, en als hij dan naar het roer ging om den

wind weer uit het zeil te krijgen, was Jack alleen niet sterk genoeg

om het op te hijschen.

De wind werd hand over hand sterker en de zee onstuimiger; de zon

school weg en met het halverwege geheschen zeil konden ze niet bij den

wind houden, maar waren verplicht recht op de kust aan te varen. De

schuit vloog vooruit over de koppen der golven en de kiel stond half

blank van het water; de maan was al opgekomen en gaf licht genoeg om

te doen zien, dat zij niet meer dan vijf mijlen van de kust verwijderd

waren, waar een breede strook schuim een hevige branding verried.

"In elk geval kunnen ze ons niet beschuldigen, dat wij er met de

schuit van door zijn," merkte Jack op; "zij is integendeel met ons

aan den haal."

"Ja," stemde Gascoigne toe, die al zijn kracht noodig had om de

roerpen te regeeren; "zij heeft het bit tusschen de tanden genomen."

"Ik wou, dat ik ook maar wat tusschen de tanden had," zei Jack,

"want ik heb een verduivelden honger; en jij, Ned?"

"Ik niet minder," antwoordde Gascoigne; "maar, weet je, Jack, 't kon

best ons galgemaal wezen."

"Dan mag 't wel bijzonder goed zijn.--Maar hoe denk je dat zoo, Ned?"

"Over een half uur zitten we op het strand."

"Daar moeten we immers juist wezen."

"Ja, maar er staat een hooge zee en ons vaartuig kon wel eens tegen

de rotsen stuk geslagen worden."

"Nu, dan zal ons daar ten minste niet meer naar gevraagd worden."

"Dat is wel waar, maar met die klippen is 't geen gekscheren; we zullen

't er zelf niet beter afbrengen dan de schuit en zwemmen helpt ook

niet. Konden we maar een inham of een zandbank vinden, dan zou het

misschien nog gelukken om aan wal te komen."

"Ja," hernam Jack, "ik ben nog niet lang op zee en weet natuurlijk nog

weinig van al die dingen. Je zult wel gelijk hebben, maar ik zie het

groote gevaar niet in--laten we de schuit hier maar dadelijk recht

op het strand laten loopen."

"Dat zal ik ten minste beproeven," antwoordde Gascoigne, die al vier

jaar ter zee voer en vrij goed wist wat er gedaan diende te worden.

Jack reikte hem een flink stuk brood met worst toe.

"Dank je, ik kan nu niet eten."

"Ik wel," antwoordde Jack, met een vollen mond.

Jack at en Gascoigne stuurde; de snelheid waarmee de marktschuit op

de kust aanstoof was werkelijk onrustbarend. Als een pijl vloog ze

van golf op golf en scheen er den spot mee te drijven, als deze haar

toppen over den smallen achtersteven deden krullen. Geen mijl waren

ze meer van het strand, toen Jack, die intusschen met zijn avondmaal

klaar was en naar het bruischend schuim langs de kust zag, uitriep:

"Dat is heerlijk--prachtig!"

"Hij bekommert zich ook nergens om," dacht Gascoigne; "'t schijnt wel

dat hij geen flauw begrip heeft van het gevaar waarin we verkeeren."

"Wacht maar, mijn beste jongen," zei Gascoigne, "binnen weinige minuten

zitten we op de klippen. Ik kan onmogelijk van het roer weg, maar

als we elkaar niet mochten terugzien, vaarwel dan, Jack, God zegen je."

"Gascoigne," zei Jack, "jij bent gewond, en ik niet; je schouder is

stijf en je kunt den linkerarm ternauwernood bewegen. Als het toch

op de klippen uitdraaien moet, kan ik evengoed sturen als jij. Ga

jij voor naar den boeg, daar zul je een betere kans hebben." En

de pistolen tusschen zijn vest stekende, liet hij er op volgen:

"ik wil die dingen toch niet achterlaten, ze hebben ons te goede

diensten bewezen. Komaan, Gascoigne, laat mij nu aan het roer."

"Neen, neen, Rustig."

"Ik zeg van ja," hernam Jack, op luiden, gebiedenden toon, "en

wat meer is, ik wil gehoorzaamd worden, Gascoigne. Al heb ik geen

voldoende kennis, spierkracht heb ik toch, en op de kust kan ik al

licht aansturen. Kom, laat mij aan het roer. Als je dan niet goedschiks

wilt, zal ik er me met geweld van meester maken."

Rustig wrong Gascoigne den helmstok uit de hand, en gaf hem een duw.

"Ga nu vooruit en zeg me hoe ik sturen moet."

Hoe Gascoigne ook gestemd was over Jack's manier van handelen, toch

begreep hij onmiddellijk, dat er niets beters op zat dan de schuit

op de minst onveilige plek te laten loopen, en hij dus waarschijnlijk

vooruit nog betere diensten zou kunnen bewijzen dan aan het roer. Hij

tuurde strak naar de klippen, waar de golven telkens als schuimend

bovenuit sloegen, om dan als watervallen weer langs de kanten er

van neer te stroomen. Wat rechtsaf bespeurde hij een gaping; als

het vaartuig daarop aangehouden werd, meende hij, zou het zóó hoog

opgeworpen worden, dat er voor hen kans zou zijn er uit te komen. Dit

was nog de eenige manier om aan den dood te ontsnappen.

"Een beetje stuurboord--zoo is 't genoeg. Recht zoo--bakboord

nu--bakboord? Pas op dat de ra je niet tegen het hoofd

slaat--vasthouden!"

Op dit oogenblik werd de marktschuit in een breede kloof van een rots

gesmeten, waarvan de zijden bijna loodrecht stonden; dit was het

eenige wat hen kon redden, want als ze van den buitenkant tegen de

klip aangekomen waren zou de schuit aan splinters geslagen zijn. De

kloof was nog geen vier voet breeder dan de schuit, en daar dezen

door de golven omhoog geslingerd werd, sloeg de ra met groot geweld

heen en weer. Jack zou stellig over boord geworpen zijn, als hij niet

gewaarschuwd was geworden; maar nu dook hij neer, zoodat de ra over

hem heen ging. Toen het water terugweek, bleef de schuit tusschen

de rotswanden hangen, maar een tweede golf stuwde ze nog hooger op

en vulde ze tegelijkertijd met water. De boeg stond nu verscheidene

voeten hooger dan de achtersteven, waar Jack zich bevond; en het

gewicht van het water, vereenigd met de kracht der terugslaande golven,

deed het vaartuig vlak achter den mast vaneensplijten. Jack bemerkte,

dat het achtergedeelte van het schip weggeslagen werd; hij greep de ra,

die nog heen en weer slingerde en terwijl hij zich daaraan vastklemde,

zag hij het gedeelte van de schuit, waar hij zooeven nog gestaan had,

onder zich in de golven verzinken.

Jack moest al zijn krachten inspannen om niet door de telkens

opgezweepte golven weggerukt te worden; maar hij wist dat zijn leven

van het vasthouden der ra afhing en ofschoon het water gedurig over

hem heen sloeg, liet hij niet los. Eindelijk wist hij vasten voet te

krijgen op de klip en kroop naar het voorstuk van de schuit, dat heel

wat hoogerop tusschen een nauwer gedeelte van de kloof vastgeklemd

zat. Opziende zag hij boven zich op een rotspunt Gascoigne staan,

die hem nu de hand toestak en omhoog hielp.

"Ziezoo," zei Jack, terwijl hij het water afschudde, "hier zijn we

tenminste aan wal--zoo iets had ik me toch niet kunnen voorstellen. De

drang van het terugstroomende water was zoo groot, dat mijn arm er

bijna door uit het lid getrokken zou zijn. Hoe gelukkig, dat ik jou met

je gewonden schouder naar voren heb laten gaan! Nu alles voorbij is,

en je gezien hebt dat ik toch gelijk had, zul je mijn ruwe bejegening

wel niet kwalijk nemen."

"Je behoeft geen verschooning te vragen, dat je me het leven gered

hebt, Jack," antwoordde Gascoigne, bibberend van koude.

"Ik moet eens zien of onze ammunitie droog gebleven is," zei Jack;

"ik heb ze in mijn hoed geborgen."

Jack zette zijn hoed af en bevond, dat de patronen niets geleden

hadden.

"Wat nu begonnen, Gascoigne?"

"Ik weet 't waarlijk niet."

"Laten we dan hier gaan zitten, om het eens goed te overleggen."

"Dank je wel, er zou te veel koud water over onze redeneeringen

loopen--ik ben halfdood; laten we opstappen."

"Met alle genoegen," zei Jack, "al loopt 't hier alles behalve

gemakkelijk."

Vijftiende hoofdstuk.

Onze held volgt zijn noodlot en ontmoet oude bekenden.

Onze beide vrienden klauterden nu verder over de klippen en hadden

weldra den steilen oever bereikt, waar ze gingen zitten rusten. De

lucht was helder, ofschoon er een sterke wind woei. Zij hadden een ruim

uitzicht over de kust, die door de onstuimige golven gezweept werd.

"Als ik zoo naar die woeste baren zie, Ned, ben ik toch maar blij

dat we er uit zijn."

"Dat ben ik volkomen met je eens, Jack, maar hier vandaan zou ik ook

wel willen, want de wind blaast me door merg en been. Laten we wat

landwaarts in gaan en zien of we eenige beschutting kunnen vinden

tot de dag aanbreekt."

"'t Is haast te donker om iets te vinden," antwoordde onze held;

"maar toch zoo'n stevige bries uit het westen boven op een heuveltop

en dan met doornatte kleeren midden in den nacht, zonder iets te eten

of te drinken, is geen bijzonder begeerlijke toestand en licht tegen

een beteren te ruilen."

Zij liepen een honderd el verder en daalden toen af, wat hen terstond

in een veel zachter atmosfeer bracht. Bij het voortzetten van hun tocht

landwaarts in, kwamen ze op een weg, die evenwijdig scheen te loopen

met de kust en volgden dien; want, zooals Jack te recht opmerkte,

een weg voert altijd ergens heen. Na een wandeling van een kwartier,

hoorden zij het rollen van de branding en bespeurden de witte muren

van huizen.

"Eindelijk zijn we er," zei Jack. "Zou er iemand naar buiten komen en

ons binnenlaten, of zouden we voor den nacht een schuilplaats moeten

zoeken op een van de vaartuigen, die hier aan den wal liggen?"

"Denk er nu vooral om, Rustig, dat ge uw geld niet laat zien; dat wil

zeggen, kom hoogstens met een dollar voor den dag en zeg dat je niet

meer hebt; of beloof, dat we betalen zullen, zoodra we te Palermo

komen; en als ze ons niet vertrouwen of ons niets willen geven,

moeten we nader zien hoe we het maken zullen."

"Wat gaan die vervloekte honden te keer! Ditmaal zullen we 't er

wel goed afbrengen, Gascoigne; we zien er waarlijk niet uit, alsof

't de moeite waard was ons te plunderen, en bij een aanval hebben

we pistolen om ons te verdedigen. Reken er gerust op, dat ik geen

goud meer vertoonen zal. En nu afgesproken hoe we doen zullen. Neem

jij één pistool en de helft van het goud--'t zit alles in mijn

rechterzak--mijn dollars en klein geld in mijn linker. Ook daarvan

krijg je de helft. Totdat we in een veilig oord gekomen zijn, hebben

we zilver genoeg."

Jack verdeelde nu in het donker het geld en gaf Gascoigne ook een

pistool.

"Zullen we aankloppen om een onderkomen?--Laten we liever eerst het

dorp doorwandelen en zien of er ergens een herberg te vinden is. Dat

keffend hondegoed zal ons spoedig op de hielen zitten, ze komen

al nader en nader. Daar staat een kar vol stroo--als we daar eens

inkropen tot den morgen--we kunnen er ons in elk geval in verwarmen."

"Ja," antwoordde Gascoigne, "en veel beter slapen dan in een van

de schamele woningen. Ik ben vroeger eens op Sicilië geweest; maar

'n vlooien dat je daar hadt!"

Onze beide adelborsten klommen in de kar, kropen lekker onder het

stroo en waren spoedig in diepe rust. Daar ze in twee nachten geen

oog hadden dichtgedaan, valt 't niet te verwonderen dat ze vast

sliepen--zoo vast zelfs, dat, toen twee uren later de boer, die eenige

vaten wijn naar het dorp had gebracht, zijn ossen inspande en, zonder

iets van zijn vracht te bemerken, wegreed, zij volstrekt niet in hun

rust werden gestoord, ofschoon de wegen op Sicilië nog al heel wat

te wenschen overlaten.

Door het hobbelige van den weg werd de slaap van onze avonturiers

nog eer versterkt dan gestoord; en al kregen ze nu en dan hevige

schokken, dit werkte slechts uit, dat ze zich in hun droomen weer op

de omstuimige golven en tusschen de klippen aan boord waanden. Na

omstreeks twee uren bereikten de kar haar bestemming; de boer

spande zijn ossen uit en leidde ze weg. Dezelfde oorzaak heeft soms

tegengestelde gevolgen: nu de beweging van de kar ophield werd de

rust van onze beide adelborsten verstoord; zij draaiden zich in het

stroo om, gaapten, rekten de armen uit en werden wakker. Gascoigne,

die een hevige pijn in den schouder voelde, was de eerste, die zijn

verwarde zinnen weer goed bij elkaar kreeg.

"Rustig." riep hij, terwijl hij overeind ging zitten en zich de

stroosmelen van het lijf schudde.

"Bakboord!" zei Jack half droomend.

"Kom, Rustig, we zijn nu niet aan boord. Word wakker!"

Jack richtte zich op en toen hij zich eindelijk genoeg uit het stroo

omhoog gewerkt had om Gascoigne te kunnen zien, zei hij:

"Sla je geloof aan droomen, Ned? Ik heb namelijk gedroomd, dat we

wakker werden en bij dezelfde stad aangeland bleken, waar vandaan de

marktschuit uitgezeild was. Ze hadden het wrak tusschen de klippen

ontdekt en herkend en een van onze pistolen gevonden. Wij werden

ingerekend en in verhoor genomen omtrent het lot van de bemanning

der schuit; en juist toen ze ons wilden knevelen, werd ik wakker."

"Heel gek, Jack. Toch moesten we hier maar niet langer toeven en

ook verbeeld ik me, dat 't niet kwaad zoo zijn, als we onze kleeren

noch wat meer havenden. Vooreerst zien we er dan wat schooieriger

uit en in de tweede plaats kunnen we dan onze plunje lichter tegen

de landsdracht verwisselen en verder trekken, zonder dat het kwade

vermoedens wekt. Je weet, dat ik vrij goed Italiaansch spreek."

"Ik heb er niets tegen mijn kleeren nog wat meer te havenen,"

antwoordde Jack. "Maar geef me jouw pistool ook eens; de nat geworden

lading moet er uit en ik zal beide opnieuw laden."

Nadat dit geschied was, kropen onze adelborsten uit de kar en keken

om zich heen.

"Wat is dat, Gascoigne? van nacht waren we vlak bij de kust en tusschen

huizen in en waar zitten we nu?"

"We hebben zeker geslapen als ossen," antwoordde Gascoigne, "maar we

kunnen toch nog niet veel verder zijn."

"We zijn hier van alle kanten door heuvels omringd over een

uitgestrektheid van minstens twee mijlen. De een of andere goede geest

moet ons landwaarts in gebracht hebben, om ons te vrijwaren voor de

vervolgingen der familiebetrekkingen van de bemanning, waarvan ik

gedroomd heb," zei Jack.

Zooals hun later bleek, was de marktschuit werkelijk uit dezelfde

zeehaven uitgezeild, die zij 's nachts bereikt hadden. Het wrak

was gevonden en herkend en de inwoners hadden 't er voor gehouden,

dat de schipper met zijn volk in den storm omgekomen was. Hadden ze

onze beide adelborsten aangetroffen en ondervraagd, dan waren deze

waarschijnlijk leelijk in de klem geraakt.

Na een poos nauwlettend rondgekeken te hebben, zagen ze, dat ze zich

op een open veld bevonden, waar blijkbaar maïs afgedorscht en opgewand

was, en dat de kar, die hen vervoerd had, in de schaduw van een groep

boomen stond.

"Er moet toch ergens in de buurt een huis wezen," zei Gascoigne,

"misschien hier achter die boomen. Komaan, Jack, je hebt stellig

evenveel honger als ik, we moeten naar een ontbijt omzien."

Zij werkten zich nu door het vrij dichte boschage en ontdekten spoedig

den muur van een groot huis.

"Al klaar," zei Jack; "maar eerst het terrein verkennen. Een

boerenwoning is 't niet; het huis moet aan iemand van eenig aanzien

behooren. Nu, des te beter--ze zullen dan te eer fatsoenlijke lui in

ons herkennen, al steken we allerellendigst in de kleeren. We moeten

ons maar houden aan dat praatje over de zeemeeuwenjacht, dunkt je

ook niet?"

"Ja," antwoordde Gascoigne; ik weet er niets beters op. Maar ik bedenk

daar, dat onze kansen niet zoo slecht staan, want de Engelschen hebben

bezetting op Palermo."

"Zoo? Nu, ik wou maar dat ik vast aan de garnizoenstafel

zat.--Maar wat hoor ik daar? Roept daar niet een vrouw om hulp? Ja,

waarachtig! Vooruit, Ned!" En gevolgd door Gascoigne stormde Jack op

het huis aan. Hoe meer zij naderden des te luider werden de kreten,

en toen zij het vertrek binnenstoven, waaruit het geroep tot hen

doordrong, vonden zij er een bejaard heer, die zich verdedigde tegen

twee jongelieden, terwijl een bedaagde dame en een jong meisje

de aanvallers trachten terug te houden. Fluks sprongen de beide

adelborsten toe, grepen ieder een der onverlaten aan en hielden hun

de pistolen voor. Schrik en verbazing over het onverwachts optreden

onzer beide vrienden veroorzaakten eenige oogenblikken van stilte.

"Ned," zei Jack ten laatste, "zeg aan die twee, dat we afvuren,

als ze niet onmiddelijk hun degens overgeven."

Gascoigne bracht dit bevel in het Italiaansch over en toen er aan

voldaan was, lieten onze adelborsten de jongelieden los, die nu door

den ouden heer aldus werden toegesproken:

"Tegen uw wil zijt gij beiden verhinderd een ondoordachten,

onrechtvaardigen moord te begaan. Wie degenen zijn, die mij zoo te

juister tijd redding hebben aangebracht, weet ik niet, maar ik ben

hun innig dankbaar, en zoodra gij tot bezinning zijt gekomen zult ge

dat ook zijn, daar ze u belet hebben u te bezoedelen met een daad,

die uw verder leven door wroeging zou hebben vergald. Gij zijt vrij,

om te gaan waarheen ge wilt; in u, Don Silvio, heb ik me zeer bedrogen;

de dankbaarheid, die ge mij verschuldigd zijt, had u van zulk een

schandelijke handeling moeten terughouden, wat u betreft Don Scipio,

gij zijt zeer misleid geworden; maar in één opzicht, hebt gij beiden

het slecht getroffen. Tien dagen geleden waren mijn beide zoons hier,

en bij het koelen van uw wrok tegen mij, zoudt ge me niet zwaarder

hebben kunnen treffen dan in mijn kinderen, terwijl ge nu als laffe

moordenaars op een oud man zijt aangevallen. Neemt uwe degens en maakt

er in het vervolg een beter gebruik van. Tegen verdere aanvallen zal

ik op mijn hoede zijn."

Gascoigne, die alles verstond wat er gezegd werd, reikte nu aan de

beide jongelieden hun degens, waarna zij zonder een woord te zeggen

de kamer verlieten.

"Wie gij ook zijn moogt, ontvangt mijn dank voor de redding van mijn

leven," zei de oude heer, terwijl hij met eenige bevreemding het

uiterlijk voorkomen van de adelborsten opnam.

"Wij zijn officieren van een Engelsch vaartuig," antwoordde Gascoigne

ter verklaring. "Onze boot leed den vorigen nacht schipbreuk, en we

hebben in het donker getracht bijstand en voedsel te vinden. Indien

we maar te Palermo kunnen komen, zullen we daar stellig vrienden

aantreffen en in de gelegenheid gesteld worden ons van behoorlijke

kleeding te voorzien."

"Is uw schip vergaan, heeren?" vroeg de Siciliaan, "en zijn er velen

bij omgekomen?"

"Neen, ons schip ligt voor Malta; maar op een pleziertocht met een

der booten werden we door een stormwind overvallen en naar de kust

gedreven. Ten einde u van de waarheid er van te overtuigen, kunnen

onze pistolen dienen, die het koningsmerk dragen, en ten bewijze dat

we geen fortuinzoekers zijn, zullen we u ons goud toonen."

Gascoigne haalde nu zijn dubloenen voor den dag en Jack deed hetzelfde,

waarbij hij langs zijn neus weg opmerkte:

"Ik dacht, dat we alleen ons zilver zouden laten zien, Ned!"

"Dat alles is overbodig," antwoordde de edelman; "uw houding in deze

zaak, uw manieren en beschaafde taal doen u reeds als fatsoenlijke

lieden kennen; en al waart gij ook van de nederigste afkomst, in elk

geval ben ik u mijn leven schuldig en gij hebt slechts te zeggen,

waarmede ik u van dienst kan zijn."

"Met ons wat te eten te geven, want we hebben sedert verscheidene uren

niets genuttigd. Misschien zullen we daarna nog een nader beroep doen

op uw welwillendheid."

"Gij zult u over het hier voorgevallene wel zeer verbazen," zei de

edelman; "zoodra gij op uw verhaal zijt gekomen zal ik er u het een

en ander van meedeelen, vergun me intusschen mijzelven aan u voor te

stellen als Don Rebiera de Silva."

"Ik wou maar," zei Jack, die door zijn kennis van het Spaansch een

gedeelte van het gesprokene had opgevangen, "dat hij ons aan het

ontbijt noodigde."

"Ik ook," zei Gascoigne; "maar we moeten nog een beetje geduld

hebben--hij heeft de dames opgedragen onmiddellijk iets gereed

te maken."

"Uw vriend schijnt geen Italiaansch te spreken," zei Don Rebiera.

"Neen, meneer, maar wel Fransch en Spaansch."

"Als hij Spaansch verstaat, kan mijn dochter met hem praten, zij is

eerst onlangs uit Spanje teruggekeerd."

Don Rebiera geleide hem nu naar een andere kamer, waar weldra een

ontbijt werd opgedragen, dat onze adelborsten zich terdege lieten

smaken.

Toen zij verzadigd waren, wilde de Don hun de noodige ophelderingen

geven omtrent de aanleiding tot de geweldadigheden, die door hun

tusschenkomst gelukkig waren verhinderd. Maar bedenkende dat Jack er

slechts de helft van zou verstaan, liet hij eerst zijn vrouw en zijn

dochter roepen, opdat deze zich intusschen in het Spaansch met onzen

held zouden onderhouden.

Zoodra Donna Clara en Donna Agnes binnengekomen en voorgesteld waren,

zei Jack, die te voren niet veel acht op haar geslagen had, bij

zichzelven: "Zoo'n gezicht als van dat meisje heb ik meer gezien." Of

hij zich nu hierin vergiste of niet, stellig had hij maar zelden een

mooiere brunette onder de oogen gehad dan de vijftienjarige Agnes.

Donna Clara was uiterst voorkomend en om haar echtgenoot niet in zijn

verhaal te storen, stelde zij onzen held een wandeling in den tuin

voor, waar ze al spoedig in een priëel plaats namen. Veel Spaansch

kende de oude dame niet, maar al liet ze er nu en dan een Italiaansche

woord tusschen vloeien, Jack verstond haar toch heel goed. Zij

vertelde onder anderen, dat zij met echtgenoot en dochter een paar

jaar geleden haar getrouwde zuster in Spanje was gaan bezoeken, en

bij het terugkeeren Agnes, die pas van een zware ziekte was hersteld,

had moeten achterlaten. Het meisje bleef toevertrouwd aan de zorgen

harer tante, die een dochter van ongeveer gelijken leeftijd had,

en was nu twee maanden geleden teruggekomen. Het vaartuig waarmede

zij in gezelschap van oom, tante en neven den overtocht had gemaakt,

was in handen gevallen van een Engelsch schip; maar de kommandant

er van was hoogst beleefd geweest en had hen reeds den volgenden dag

vrijgelaten en vergund al hun goed mee te nemen.

"Ei zoo," dacht Jack, "ik wist wel, dat ik dat gezichtje meer gezien

had; dus was zij een van de meisjes in den hoek van de kajuit.--Daar

wil ik eens een grap mee hebben."

Toen mama uitgepraat was, richtte Jack zich uiterst beleefd tot

de dochter.

"Ik schaam me, Donna Agnes, dat ik in zulk een gehavende plunje naast

u zit--maar de klippen op de kust storen zich aan niets."

"Wij hebben de grootste verplichtingen aan u, meneer, en letten niet

op zulke kleinigheden."

"Dat is wel vriendelijk van u, Signora," hernam Jack. "Weinig vermoedde

ik van morgen, dat de fortuin mij zoo gunstig zou zijn--want wel kan

ik anderen de toekomst voorspellen, maar mijzelven niet."

"Kunt gij in de toekomst lezen?" riep de oude dame uit.

"Ja, mevrouw, daar heb ik 't vrij ver in gebracht. Mag ik uw dochter

eens waarzeggen?"

Jack Rustig · 第 12 / 20 段