deelde hem de door den konstabel voorgestelde regeling mee en beiden
lachten er hartelijk over.
De konstabel stelde er den bootsman mee in kennis, en ofschoon deze
er zoo goed als niets van begreep, zei hij toch:
"Voor mijn part, ik vind 't best--schot om schot, en geen begunstiging
van den een boven den ander."
De partijen verschenen nu op de aangewezen plaats met twee paar
scheepspistolen, die meneer Tallboys stil van boord meegesmokkeld
had, en de konstabel ging nu meneer Easthupp uit de kuiperij
roepen. Intusschen had Gascoigne een gelijkzijdigen driehoek van
twaalf pas per zijde uitgemeten, die door Tallboys bij zijn terugkeer
goedgekeurd werd. Rustig nam zijn plaats in, de bootsman werd op
de zijne gezet en Easthupp, die beteuterd stond te kijken, door den
konstabel naar de derde plaats geleid.
"Maar meneer Tallboys," zei de onderbetaalmeester, "ik begrijp er
niets van. Meneer Rustig moet toch eerst met meneer Biggs vechten,
is 't niet?"
"Wel neen," antwoordde de konstabel, "'t is een duel met z'n
drieën. Gij schiet op meneer Rustig, meneer Rustig op meneer Biggs
en meneer Biggs op u. Zoo is 't geregeld, meneer Easthupp."
"Maar," zei meneer Easthupp, "dat vat ik niet. Waarom moet meneer
Biggs op mij schieten? Met hem heb ik geen twist."
"Omdat meneer Rustig op meneer Biggs schiet, en meneer Biggs moet
immers evengoed zijn schot hebben."
"Meneer Easthupp," merkte Gascoigne op, "als gij ooit in fatsoenlijk
gezelschap hebt verkeerd, dient ge eenig begrip te hebben van
duelleeren."
"In de fijnste gezelschappen heb ik verkeerd, meneer Gascoigne,
en ik weet iemand voldoening te geven; maar...."
"In dat geval, meneer, behoort gij te weten dat uw eer in handen van
uw secondant is en dat geen fatsoenlijk man van diens schikking in
appél komt."
"Dat weet ik ook wel, meneer Gascoigne; maar ik heb geen ruzie met
meneer Biggs, en daarom zal meneer Biggs stellig niet op mij willen
mikken."
"Zou je soms denken dat ik voor niets op me liet schieten?" viel de
bootsman uit. "Waarachtig niet ik wil ook mijn schot hebben."
"Maar op uw vriend, meneer Biggs!"
"Dat kan me niet schelen, ik zal schieten op wie dan ook; schot om
schot, en ik zal zoo goed mogelijk raken."
"Neen, heeren, daar tegen teeken ik protest aan," riep Easthupp;
"ik ben hier gekomen om voldoening te eischen van meneer Rustig en
niet om meneer Biggs op me te laten schieten."
"Gij krijgt immers voldoening door op meneer Rustig te mogen schieten,
wat wilt ge nog meer?" antwoordde de konstabel.
"Maar ik protesteer tegen het schieten van meneer Biggs op mij."
"Zoo, wou je soms wel een schot lossen maar er geen ontvangen?" snauwde
Gascoigne hem toe, "je bent een vervloekte lafaard en moest eigenlijk
weer in de kuiperij gesmeten worden."
Die beleedigende uitdrukking maakte het bloed van Easthupp gaande en
hij nam het pistool aan, dat de konstabel hem voorhield.
"Onthoud die woorden goed, meneer Biggs; wat een taal tegenover een
fatsoenlijk man! Gij zult van me hooren, meneer, zoodra het schip
afbetaald is. Ik verzet me niet langer, meneer Tallboys; liever dood
dan eerloos. Ik ben een man van fatsoen, voor den donder!"
Blijkbaar was de bluffer alles behalve dapper, want hij beefde sterk
toen hij aanlegde.
De konstabel gaf het teeken, met een omhaal alsof hij aan
boord de oefeningen met de kanonnen leidde. Nauwelijks had hij
"vuur!" gekommandeerd of meneer Easthupp gaf een luiden gil, sloeg de
hand achter tegen zijn broek en viel neer; de kogel had den zetel van
zijn eer getroffen, daar hij bij het mikken op onzen held den bootsman
zijn rug had toegekeerd. Ook Jack's schot had doel getroffen; de kogel
was dwars door de wangen van den bootsman gegaan had een paar van
zijn beste boventanden meegenomen en bovendien zijn tabakspruim. De
kogel van Easthupp echter was geheel uit den koers gevlogen, want
bij het afvuren had hij de oogen dichtgeknepen.
De onderbetaalmeester lag op den grond te kermen--de bootsman spoog
met zijn paar tanden een mondje twee, drie bloed uit en wierp zijn
pistool nijdig van zich af.
"'t Is waarachtig wat moois," bromde hij tusschen het spuwen door;
"hoe moet ik nu voortaan het sein voor het middagmaal geven? Als
ik op de fluit wil blazen zal de wind ontsnappen door de gaatjes in
mijn wangen."
Intusschen waren de anderen begonnen hulp te verleenen aan den
onderbetaalmeester, die maar aldoor aan het jammeren bleef. Zij
onderzochten de wond en bevonden dat ze niet gevaarlijk was.
"Houd toch op met dat verwenschte geschreeuw," riep de konstabel uit,
"je zult nog maken dat de wacht er op af komt; je bent niet getroffen."
"Niet?" kermde de betaalmeester. "O, laat me maar sterven, laat me
maar sterven; raak me toch niet aan!"
"Malligheid!" riep de konstabel uit, "je moet opstaan en naar de boot
loopen; als je 't niet doet, laten we je hier liggen--houd je mond
toch, kerel! Zul je? of je krijgt een opstopper van me."
"Hij zal niet kunnen loopen, meneer Tallboys," zei Gascoigne; "het
best zal wezen dat we een paar man uit de kuiperij roepen en hem naar
het hospitaal laten dragen."
Terwijl de konstabel aan dien wenk gehoor gaf, kwam meneer Biggs,
met een doek om zijn gezicht alsof hij kiespijn had, op den
onderbetaalmeester af.
"Wat duivel maak jij toch voor een erbarmelijk leven? Kijk mij eens,
ik heb twee gaten dwars door mijn facie, en jij enkel een in je
achtersteven. Ik wou maar dat ik in jouw plaats was, dan kon ik
ten minste nog op de fluit blazen. Dat was een verwenscht schot,
meneer Rustig."
"Het spijt me waarlijk," antwoordde Jack met een beleefde buiging;
"ik verzoek u wel verschooning."
Onder dit gesprek raakte de onderbetaalmeester zoo'n beetje buiten
westen en dacht dat hij sterven zou.
"Och hemeltje, wat was ik een dwaas! Nooit ben ik een heer
geweest--enkel een bluffer: ik zal sterven; nooit zal ik meer
zakkenrollen--nooit--nooit!"
"Jou vervloekte kerel!" riep Gascoigne uit. "Dus ben je toch werkelijk
een zakkenroller geweest?"
"Ik zal er me nooit weer mee inlaten," kreunde de vent. "Voortaan
zal ik een deugdzaam leven leiden--water, water, alsjeblieft! O, o!"
Daarop viel de arme stakker in zwijm, en meneer Tallboys, die juist
met een paar man terugkeerde, liet hem nu naar het hospitaal brengen,
waarheen ook de bootsman hem vergezelde, in de meening dat hij wel
eenige geneeskundige hulp kon gebruiken, eer hij weer naar boord ging.
"Wel, Rustig," zei Gascoigne, terwijl hij de pistolen opraapte en in
zijn zakdoek wikkelde, "dat is de mooiste grap geweest, die ik ooit
heb bijgewoond." En bij de herinnering er aan, barstte hij in lachen
uit, zoodat de tranen hem over de wangen liepen. Jack echter vond het
geval lang zoo prettig niet, want hij vreesde dat de onderbetaalmeester
ernstig gewond zou zijn en gaf zijn bezorgdheid daarover te kennen.
"In elk geval hebt gij hem niet getroffen," hernam Gascoigne; "het
eenige wat op uw rekening komt is het geschonden gezicht van den
bootsman,--je zult hem nu wel voor goed den mond gestopt hebben."
"Ik vrees, dat het voortaan met ons verlof krijgen uit zal zijn,"
antwoordde Jack.
"Daar kunnen we wel zeker van zijn," stemde Gascoigne in.
"Hoor eens hier," zei Rustig; ik heb een aardig sommetje dollars bij
me--als we eens niet naar boord teruggingen?"
"Sawbridge zal ons door de wacht laten inrekenen," luidde het antwoord;
"maar daartoe moeten ze ons eerst vinden."
"Dat kan zoo lang niet duren, ze zullen ons gauw genoeg bij de kladden
hebben en dan gaan we voor een paar dagen de doos in."
"'t Zou toch een verduiveld werk zijn, als we al de zes weken, die
het schip hier blijft liggen, bij zoo'n brandende zonnehitte aan
boord moesten hokken, met geen andere bezigheid dan naar het spelen
der loodsmannetjes om het roer te kijken en slechte abrikozen te
verorberen. Heb je veel geld bij je, Jack?"
"Twintig dubloenen en nog wat dollars," antwoordde Jack.
"Laten we ons dan houden, Jack, alsof we ons doodelijk ongerust maken
over de gevolgen van het duel en ons niet durven vertoonen uit vrees
van gehangen te zullen worden. Ik zal Jolliffe een brief zenden, dat
we ons schuil houden tot onze zaak afgehandeld is en hem verzoeken
bij den kapitein en den eersten luitenant een goed woord voor ons te
doen. Ik zal hem alles in bijzonderheden vertellen en mij voor de
waarheid er van op den konstabel beroepen; dan weet ik zeker, dat,
al worden wij gestraft, zij toch om het geval zullen lachen. Maar ik
zal 't laten voorkomen, alsof Easthupp gedood is, en wij bang zijn
voor ons leven. Als we dan aan boord gaan van een der marktschuiten,
die met fruit van Sicilië hier komen en van avond naar Palermo zeilen,
kunnen we een tocht van veertien dagen maken en, als ons geld op is,
weer terugkeeren."
"Dat is een prachtig idee, Ned, en hoe eer we het ten uitvoer brengen
hoe beter. Ik zal den kapitein schrijven om hem te smeeken ons van
het ophangen te verschoonen en hem te melden, waar we heen gevlucht
zijn. Die brief moet hem overhandigd worden, nadat we onder zeil
zijn gegaan."
Veertiende hoofdstuk.
Onze held onderneemt een nieuwen tocht en schiet er bijna
het hachje bij in.
Gascoigne en onze held, die geen van beiden in uniform waren, hadden
spoedig den eigenaar van een marktschuit opgediept. Zij troonden de
man mee naar een kroeg, waar ze, met behulp van een Malthezer jongen,
die wat Engelsch verstond, met hem overeenkwamen, dat hij voor de som
van twee dubloenen nog dienzelfden avond onder zeil zou gaan en hen
bij een of andere stad van Sicilië aan wal zou zetten. Het bezorgen
van wat eetbaars en van een paar mantels om in te slapen was onder
den koop begrepen.
Onze beide adelborsten keerden nu weer terug naar de herberg, waar ze
vóór het duel vertoefd hadden en bestelden een flink maal. Terwijl ze
in een achterkamer daarop zaten te wachten, verdreven ze zich den tijd
met vliegen vangen en het praten over de gebeurtenissen van dien dag.
Daar meneer Tallboys het niet geraden achtte vóór den avond naar boord
terug te keeren en ook meneer Biggs het liever eerst donker wilde laten
worden, lekte er vóór den volgenden morgen niets van het duel uit. Ook
toen nog werd het niet bekend door den bootsman of den konstabel,
maar door een hospitaalknecht, die den scheepsdokter kwam verwittigen,
dat een van de manschappen gewond bij hen was binnengebracht, maar
het heel goed maakte.
Meneer Biggs was met een doek om zijn gezicht langs de valreep
opgeklommen.
"Die verduivelde Jack Rustig," mompelde hij, "sedert we van Portsmouth
uitgezeild zijn, ben ik nog maar tweemaal met verlof geweest. De
eerste maal moest ik ten spot van de heele bemanning zonder broek
naar boord terug en nu durf ik mijn gezicht niet vertoonen." Hij
meldde zich bij den officier van de wacht en haastte zich naar de
kooi, waar hij den ganschen nacht wakker lag van de pijn, en op een
uitvlucht zon om den volgenden morgen niet aan dek te komen.
Die moeite had hij zich echter kunnen besparen, want meneer Jolliffe
bracht den brief van Gascoigne aan meneer Sawbridge, en die van onzen
held werd aan den kapitein overhandigd.
Kapitein Wilson kwam aan boord en hoorde nu van Sawbridge al de
bijzonderheden die Jack onvermeld had gelaten; en nadat zij den brief
van Gascoigne in de kajuit nog eens overgelezen hadden en meneer
Tallboys in verhoor genomen en in arrest gezonden was, maakten zij
zich vroolijk over het gebeurde.
"Er komt maar geen einde aan de dwaasheden van dien Rustig," zei
de kapitein. "Ik moet lachen om dat duel, want eigenlijk heeft 't
niets te beduiden en hij zou er met een flinke schobbeering afgekomen
zijn. Maar die malle jongens zijn nu met een marktschuit naar Sicilië
en hoe duivel krijgen we ze weer hier?"
"Zoodra hun geld op is, zullen ze wel vanzelf terugkomen," antwoordde
Sawbridge.
"Ja, als ze ten minste niet in andere ongelegenheden geraken. Die
Gascoigne is al net zoo'n hachje als Rustig, en nu die twee bij elkaar
zijn, valt er geen pijl op te trekken waar het op uit zal draaien. Van
middag ga ik bij den goeverneur ten eten, wat zal die lachen als ik
hem van de nieuwe manier van duelleeren vertel!"
"Ja, meneer, dat is juist een kolfje naar zijn hand."
"We dienen toch te onderzoeken, Sawbridge, of ze het eiland al verlaten
hebben; me dunkt, dat zullen ze nog niet."
Maar het was wel zoo. Jack en Gascoigne hadden een flink maal genuttigd
en vervolgens bedaard gewacht, tot de marktschipper hen kwam halen.
"Wat zullen we met de pistolen doen, Jack?"
"Meenemen en laden voordat we vertrekken--we kunnen ze soms noodig
hebben. Wie weet of er aan boord van de marktschuit geen muiterij
uitbreekt. Hadden we Mesty maar bij ons."
Zij laadden de pistolen, namen er ieder een paar en borgen die onder
hun vest, verdeelden kruit en lood onder elkaar en weldra kwam de
schipper hun zeggen, dat alles gereed was.
Gascoigne en Rustig betaalden nu hun rekening en wilden vertrekken,
maar de schipper gaf hun te kennen, dat hij klinkende munt wilde
zien eer hij hen aan boord liet. Jack raakte daarover zoo verbolgen,
dat hij een handvol dubloenen uit zijn zak greep en er den schipper
twee van toewierp met de vraag of dat genoeg was.
De schipper trok zijn beurs, deed het geld er in en verzocht de
jongelieden onder allerlei verontschuldigingen hem te volgen. Dit
deden zij en niet lang daarna voeren ze vlak langs de Harpij de haven
van Vallette uit.
Het was een heldere avond en onder het flikkeren der sterren en de
zachte stralen der maan gleed het lichte vaartuig over het water. De
onoverdekte schuit lag vol vaten en kisten, waarin druiven en allerlei
vruchten geweest waren en de bemanning bestond, behalve uit den
schipper zelf, uit twee man en een jongen, welke laatste drie zich
vooruit bij het zeil ophielden.
De schipper zat aan het roer en was zeer beleefd tegenover de twee
jongelui, die maar liever ongemoeid gelaten werden. Ten slotte vroegen
zij om een paar mantels, daar ze wilden gaan slapen. De schipper
riep nu den jongen om het roer van hem over te nemen, haalde wat zij
verlangd hadden en ging vervolgens naar voren. Onze beide adelborsten
lagen een poos naar de sterren te kijken, zonder een woord te spreken,
doch eindelijk begon Jack:
"Zoo'n vaart vind ik heel prettig, Gascoigne. Wat danst zoo'n scheepje
luchtig over de golven."
"Dat vind ik ook, je zoudt je zoo heerlijk in slaap kunnen laten
wiegelen; maar wat dunk je, zou 't ook zaak zijn wacht te houden?"
"Om de waarheid te zeggen, daar heb ik ook al over gedacht. De oogen
van den schipper bevallen me niet best--hij kijkt scheel."
"Dat doet er eigenlijk minder toe, Jack, maar ik geloof dat hij
verlekkerd is geraakt op je dubloenen; je hadt eens moeten zien hoe
zijn oogen begonnen te glinsteren, toen je zooveel geld voor den
dag haalde."
"Ja, dat was een domme streek van me."
"Je hadt hem liever de pistolen dan je dubloenen moeten laten zien."
"Nu, als hij lust krijgt zich toe te eigenen wat hij gezien heeft,
zal hij kennis maken met wat hij niet onder de oogen heeft gehad."
"O, bang ben ik niet, maar we zullen toch verstandig doen met een
half oog open te houden."
"Wanneer zouden we aan land komen?"
"Morgenavond als de wind zoo blijft, en daar is veel kans op. Als
we eens om beurten waakten en onze pistolen onder de mantels gereed
hielden?"
"Best--'t is nu ongeveer twaalf uur--wie zal de hondenwacht op
zich nemen?"
"Ik, Jack, als je 't goed vind."
"Goedennacht dan en kijk maar goed uit de oogen. Geef me maar een
fermen stomp als ik je moet aflossen, want ik slaap verduiveld vast."
Binnen weinige minuten lag Jack in diepe rust, terwijl Gascoigne plat
in de schuit zat met naast iedere hand een pistool.
De eigenaar van het scheepje was zoo verlekkerd geraakt op de
dubloenen, die Jack zoo ondoordacht had laten zien, dat hij besloot er
zich meester van te maken. Terwijl onze beide vrienden zamen zaten te
praten, was de schipper met de twee mannen vooruit aan het overleggen,
en er werd afgesproken, dat zij de beide passagiers zouden vermoorden,
plunderen en vervolgens over boord werpen.
Tegen twee uur in den morgen kwam de schipper eens kijken of ze
sliepen, maar vond Gascoigne wakker. Telkens en telkens keerde
hij nog eens terug, maar steeds vond hij den jongen man overeind
zitten. Ongeduldig geworden, vol begeerte naar het geld en niet
vermoedende dat zijn passagiers gewapend waren, begaf hij zich nogmaals
vooruit om met de twee anderen te beraadslagen. Gascoigne had zijn
bewegingen nauwlettend nagegaan; hij vond het vreemd, dat het roer
aan den jongen werd toevertrouwd, terwijl er toch drie volwassen
mannen aan boord waren, en ten laatste merkte hij op, dat ze hun
messen trokken. Hij gaf Jack een peuter, zoodat deze onmiddellijk
ontwaakte. Gascoigne hield jack de hand voor den mond, opdat hij geen
geluid zou geven en fluisterde hem toe welke vermoedens hij had. Jack
greep zijn pistolen; beiden spanden zoo voorzichtig mogelijk den
haan en wachtten in stilte wat er gebeuren zou, Jack, nog liggende,
terwijl Gascoigne plat op den bodem der schuit bleef zitten. Eindelijk
zag Cascoigne de drie mannen naar achter komen--voor een oogenblik lei
hij een zijner pistolen neer om Jack een handdruk te geven, die door
dezen beantwoord werd. Terwijl Gascoigne de kerels, die tusschen de
leege vaten door naderden, strak in het oog hield, bleef Jack languit
liggen en deed alsof hij sliep. Dichtbij gekomen hieven de schipper en
zijn beide helpers hun messen op, doch nu losten de slapend gewaande
adelborsten opeens hun pistolen, en troffen den schipper en een der
knechts vlak in den borst, zoodat ze beiden neerstortten. De derde
aanvaller deinsde af. Jack, die niet op kon staan, omdat het lichaam
van den schipper hem dwars over de beenen was gevallen, lei met
het tweede pistool haastig op den derden man aan en ook deze plofte
neer. De jongen aan het roer, die misschien wist waar het op aangelegd
was, of wel eenvoudig het voorbeeld der anderen volgde, trok nu ook
zijn mes en viel Gascoigne van achteren aan. Gelukkig schampte het mes
af, zoodat Gascoigne slechts een lichte verwonding aan den schouder
bekwam. Toen hij zich schielijk omwendde om den jongen neerschieten,
verloor deze bij het terugdeinzen zijn evenwicht en sloeg over boord.
Onze beide adelborsten schepten nu even adem.
"Wel, Jack." zei Gascoigne ten laatste, "had je ooit...."
"Neen, nooit."--antwoordde Jack.
"Wat nu gedaan?"
"Om te beginnen, Ned, dienen we een van beiden aan het roer te gaan,
want de schuit dobbert al aardig op goed geluk rond."
"Je hebt gelijk," antwoordde Gascoigne, "en daar ik beter sturen kan
dan jij, zal ik dat maar op me nemen."
Gascoigne vatte nu de roerpen ter hand, loefde bij den wind op en
hervatte het gesprek.
"Die ellendige jongen heeft me een duivelschen veeg over den schouder
gegeven; of hij me erg gewond heeft, weet ik niet, maar 't is gelukkig
mijn linkerschouder, zoodat ik toch evengoed sturen kan. Zouden de
kerels alle drie dood zijn?"
"De schipper in elk geval," antwoordde Jack. "Ik had heel wat werk
om mijn beenen onder hem vandaan te krijgen. Maar we zullen met
het onderzoek wachten tot de dag aangebroken is en intusschen mijn
pistolen weer laden."
"Het wordt in het oosten al helderder--over een half uur zal 't wel
licht zijn. Wat een drommelsche herrie, Jack!"
"Ja, wie kan dat helpen? We gingen aan den haal omdat twee menschen
gewond waren,--en nu zijn we verplicht geweest uit zelfverdediging
vier personen te dooden."
"En daarmee is het nog niet afgeloopen. Wat moeten we aanvangen als
we op Sicilië komen? De overheid zal ons gevangen nemen--misschien
wel laten ophangen."
"Dat zullen we toch eerst eens nader beredeneeren," zei Jack.
"We moesten 't maar liever onder ons beiden uitmaken, Jack, en
overleggen hoe ons het best uit de verlegenheid te redden."
"Me dunkt, dat we er juist al heel aardig aan zijn ontsnapt; wees
maar niet bezorgd, we zullen een volgenden keer ook wel weer uit
de klem raken. 't Is toch gek, dat er bij al wat ik doe, zooveel
overhoop raakt."
"Ja, dat is 't wel, Jack. Maar hoor je daar niet een van die arme
kerels kreunen?"
"Dat zou niet onmogelijk wezen."
"Wat moeten we met hen aanvangen?"
"We zullen de lijken bij ons moeten houden, of ze over boord werpen;
het geheele geval vertellen precies zooals het geloopen is, of er
geen woord over reppen."
"Dat is vrij duidelijk. Maar er dient gehandeld te worden, want met
praatjes komen we niet verder."
"Stel, dat we de lijken aan boord houden, een zeehaven binnenloopen,
ons bij de overheid aanmelden en meedeelen wat er gebeurd is, wat dan?"
"Dan zullen we stellig bewijzen, dat we drie man gedood hebben,
maar niet, dat we er toe gedwongen waren Jack. Ze zullen ons dus in
de gevangenis zetten, tot we onze onschuld hebben bewezen, wat niet
zoo gemakkelijk gaan zal."
"Dat is verre van plezierig," antwoordde Jack. Maar laten we nu de
zaak eens van den anderen kant bekijken."
"Als we de lijken en ook de leege vaten over boord werpen, de schuit
reinigen en de eerste haven de beste binnenloopen, hebben we alle kans,
juist op dezelfde plaats te komen, vanwaar de schuit uitgezeild is. Dan
krijgen we een hoop vrouwen en kinderen en met messen gewapende kerels
aan den hals, die ons zullen vragen waar de bemanning van het vaartuig
gebleven is."
"Dat zou me volstrekt niet bevallen," zei Jack.
"En al loopt 't niet zoo erg, in elk geval zullen ze vragen wie wij
zijn en waar we vandaan komen."
"Alweer een moeilijkheid," zei Jack. "We moesten maar zeggen, dat
we er op uit waren gegaan, om met het pistool zeemeeuwen te schieten
en door een stormwind naar Sicilië zijn afgedreven--dat wekt meteen
belangstelling."
"Misschien is dat nog maar het beste, Jack. In elk geval dienen we
eerst die lijken op te ruimen; maar als de kerels eens niet dood
zijn?--We kunnen ze toch niet levend over boord smijten--dat zou een
moord wezen."
"Ja, juist," antwoordde Jack, "dus eerst ze doodgeschoten en dan
overboord er mee."
"Je bent toch een rare, Jack. Maar kom laten we eerst de kerels
onderzoeken en dan beslissen. Houdt je pistool gereed, ze mochten
eens enkel een schampschot gekregen hebben."
"Deze heeft stellig zijn portie," hernam Jack met een ruk aan het
lijk van den schipper, "en de kerel, dien jij geraakt hebt, heeft
een gat in zijn borst als een vuist. Nu de derde," vervolgde hij,
terwijl hij over den dwarsbalk stapte--"die is zeker ook om zeep. Wel
vriend, ben je dood?" vroeg Jack en bekrachtigde zijn vraag met een
schop tegen de ribben. De man kreunde. "Dat is jammer, Gascoigne,
maar mijn pistool zal er gauw een eind aan maken."
"Halt! Jack," riep Gascoigne uit, "dat zou immers een moord zijn."
"In het onderhavige geval niet," beweerde Jack. "Iemand die een
aanslag doet op het leven van een ander, heeft het zijne verbeurd."
Gascoigne kon echter nog niet toegeven, dat Jack daarom recht had
om met nummer drie korte metten te maken en er volgde eenig gehaspel
tusschen onze beide vrienden, waaraan eindelijk de persoon in kwestie
zelf een einde maakte door met een zwaren zucht den laatsten adem uit
te blazen. Nu talmden zij niet langer en spoedig waren de lijken in
de golven verdwenen. Nadat ook de schuit schoongeveegd was, zochten
ze naar wat eten en vonden in een kist brood, worst en een kruik wijn.
"De schipper heeft toch woord gehouden en voor een maal gezorgd,"
zei Jack.
"Ja, en als het gezicht van al dat goud hem niet verlokt had, zou
hij nog in leven zijn."
"Als jij niet aangeraden had op de vlucht te gaan met een marktschuit,
evengoed."
"En als jij geen duel had gehad, zou ik dien raad niet gegeven hebben."
"En als de stuurman niet genoodzaakt was geweest te Gibraltar zonder
broek aan boord te komen, zou ik niet geduelleerd hebben."
"En als jij niet aan boord gekomen waart, zou de bootsman zijn broek
aan gehad hebben."
"En als mijn vader geen wijsgeer was geweest, zou ik niet op zee gegaan
zijn; zoodat eigenlijk mijn vader van alles de schuld draagt en, zonder
het zelf te weten, heel op de kust van Sicilië vier menschen gedood
heeft--daar heb je nu oorzaak en gevolg. Kortom, niets gaat boven
redeneeren; nu dat uitgemaakt is, kunnen we wel aan ons maal beginnen."
Nadat dit afgeloopen was, ging Jack naar voren en kreeg land in
't zicht; drie of vier uren stuurden zij nu denzelfden koers.