van het schip aan stuurboord trof. Jack en hij snelden naar den anderen
kant en bemerkten dat drie Spaansche kanonneerbooten juist den hoek
waren komen omzetten en hen aangevallen hadden. Even voorbij de kaap
lagen namelijk de haven en de stad Carthagena en vandaar waren de
kanonneerbooten aan de korvet te hulp gezonden. Gelukkig voor Jack,
had de wind nu vat op zijn schip gekregen, anders zou hij misschien
naar Carthagena gesleept zijn; en de korvet, die zich zoowel door de
Harpij als door Jack's vaartuig den pas afgesneden zag, wendde haastig
den steven en trachtte te ontkomen door westwaarts zoo kort mogelijk
onder den wal te houden. Nog een schot en al weer een doorboorde den
romp van het schip en wondde twee van Jack's matrozen; maar zoodra
de korvet den steven gewend had, en de Harpij haar volgde, deed
Jack natuurlijk hetzelfde en was in tien minuten buiten bereik der
kannonneerbooten, die hem niet durfden nazetten. De wind stak meer
en meer op en deed den groenen rok lustig wapperen, doch de Harpij
en de korvet gaven elkaar nog steeds de volle laag en hadden geen
gelegenheid om op Jack's vlag te letten. De Spanjaard verdedigde
zich flink en werd gesteund door de batterijen aan den wal, maar
eerst eenige mijlen verder was er een geschikte ankerplaats. Tegen
den middag ging de wind liggen en om één uur was het bijna bladstil;
maar de Harpij was haar tegenstander nu op drie kabellengten genaderd
en nam hem zoo duchtig onder handen, dat de Spanjaard ofschoon gesteund
door een batterij van vier kanonnen, omstreeks drie uur de vlag moest
strijken. De Harpij zond nu een boot aan boord om het schip in bezit
te nemen en richtte vervolgens al zijn vuur op de batterij, die ook
spoedig tot zwijgen werd gebracht.
De windstilte hield aan en de Harpij had het druk genoeg met haar
buitgemaakt vaartuig, met het schiften der gevangenen en het oplappen
der beide schepen, die aan zeilen en tuigage veel geleden hadden. Aan
boord van de Harpij kon men nog maar steeds niet begrijpen wat het
toch voor een vreemd vaartuig wezen mocht, dat de korvet van koers
had doen veranderen en hen in staat had gesteld ze te nemen; maar
door de drukte was er geen tijd voor gissingen.
Jack's bemanning bestond, met hemzelf meegerekend uit acht personen,
waarvan één een Spanjaard en twee gewonden. Er bleven hem dus maar
vier man over en hij had de handen vol met het bijstaan der gewonden
en het bedienen der kanonnen. Bovendien achtte Mesty het niet geraden
het schip op een mijl van de Harpij met enkel twee man aan boord
achter te laten. Ook bedacht Jack, dat hij nog geen middagmaal had
gehad en misschien in de adelborstenkajuit niet veel te bikken zou
vinden; daarom wilde hij eerst wat eten eer hij aan boord van de
Harpij ging. Jack nam de dingen altijd vrij luchtig op en besloot nu
zich tegen zonsondergang aan te melden. Er waren nog andere redenen,
die Jack weerhielden veel haast te maken met aan boord te gaan;
hij moest nog overleggen, wat hij wel in zou brengen om zichzelven
te verontschuldigen en zijn bemanning zooveel mogelijk vrij te
pleiten. Zijn aangeboren oprechtheid noopte hem eerst om de volle
waarheid te zeggen, maar hij bedacht toch dat het beter was er slechts
een gedeelte van op te biechten. Eigenlijk hal hij zooveel zwarigheid
niet behoeven te maken, want de veertien duizend aan klinkende munt uit
de kleine kajuit zou voor hemzelf voldoende verontschuldiging zijn en,
om hun dappere houding tegenover den vijand, zou aan de manschappen
hun muiterij wel vergeven worden. Onder al dat overpeinzen viel Jack,
die doodmoe was van al de inspanning, in slaap en inplaats van tegen
zonsondergang te ontwaken, gebeurde dit eerst twee uren later. Mesty
had hem niet wakker geroepen, omdat hijzelf volstrekt geen haast had
om aan boord te komen en weer "den pot te koken voor de jongeheeren."
Bij zijn ontwaken verbaasde Jack er zich over, dat hij zoo lang
geslapen had. Aan dek gekomen, vond hij het donker en stil, maar kon
gemakkelijk waarnemen, dat de Harpij en de korvet bijgedraaid waren en
bezig met de geleden schade te herstellen. Hij gaf last om den kleine
sloep te strijken en, het commando aan Mesty overlatende, roeide hij
met twee riemen naar de Harpij. Door de gewonden, de gevangenen en
het heen- en weervaren der booten tusschen de beide schepen, was de
aandacht van allen aan boord der Harpij zoozeer in beslag genomen,
dat Jack's kleine sloep onopgemerkt langs zij kwam. Dit had eigenlijk
niet mogelijk moeten wezen, maar 't was nu eenmaal zoo en er viel wel
eenige verontschuldiging voor bij te brengen. Jack klom aan boord en
werkte zich tusschen de gevangenen door die juist gemonsterd werden
voor de uitdeeling van levensmiddelen. Hij was in een mantel gewikkeld,
zooals de meeste gevangenen er ook een droegen.
Jack had er schik in, dat hij niet herkend werd; hij sloop de
groote trap af en moest zich bukken om onder de hangmatten der
gewonden door te komen, juist wilde hij zich achteruit in de kajuit
bij den kapitein aanmelden, toen hij den jongen Gossett hoorde
schreeuwen. "Ik wed, dat die ellendige Vigors weer bezig is dien
armen Gossett af te rossen," dacht Jack. "De stakker zal er danig
van gelust hebben in mijn afwezigheid, licht dat ik hem tenminste
voor ditmaal verlos." Jack wikkelde zich in zijn mantel, gluurde
door het raampje van de voorlongroom naar binnen, en zag dat het
juist zoo was als hij gedacht had. Met een verbolgen stem bulderde
hij: "Meneer Vigors, je zoudt me verplichten met Gossett te laten
gaan." Op den klank van die stem, keerde Vigors zich met zijn eind
touw in de hand haastig om, zag Jack's gelaat voor het raampje en
in de meening dat het een spookverschijning was, gaf hij een gil
en viel als in een stuip neer. Ook de kleine Gossett beefde over
al zijn leden en staarde hem met open mond aan. Jack was voldaan,
en verdween onmiddelijk weer. Daarop begaf hij zich naar de kajuit,
waar hij den kapitein in gezelschap van twee Spaansche officieren
aantrof. Hij nam zijn hoed af en zei:
"Zooeven aan boord gekomen, kapitein Wilson."
Kapitein Wilson kreeg geen stuip, maar sprong van zijn stoel op en
gooide daarbij zijn glas om.
"Mijn hemel, meneer Rustig, waar komt gij vandaan?"
"Van dat schip daar achteruit, meneer," antwoordde Jack.
"Dat schip achteruit! Wat is dat voor een schip?--waar zijt ge zoo
lang geweest?"
"Dat is een heele geschiedenis, meneer," hernam Jack.
Kapitein Wilson stak hem de hand toe en Jack schudde die hartelijk.
"In elk geval ben ik blij je weer te zien, mijn jongen; ga zitten en
vertel me met een paar woorden hoe het je gegaan is; de bijzonderheden
hooren we later wel."
"Met genoegen, meneer," zei Jack; "we hebben den nacht, nadat we
weg zijn geraakt, met den kotter dat schip prijs gemaakt. In de
zeevaartkunde heb ik 't nog niet ver gebracht en belaadde bij de
Zaffarine-eilanden, waar ik uit gebrek aan manschappen twee maanden
moest blijven. Zoodra ik weer voldoende bemanning had, ben ik onder
zeil gegaan. Drie man verloor ik door de haaien, twee werden er
gewond in het gevecht van heden. Het schip voert twaalf stukken,
is half met lood en bedrukt katoen geladen, heeft veertien duizend
dollars in de kajuit en drie kogelgaten dwars door--zoodat het zaak
is er zoo spoedig mogelijk wat manschappen aan boord te zenden."
Dit verhaal was niet bijzonder begrijpelijk, maar dat er veertien
duizend dollar waren en er manschappen aan boord vereischt werden,
was duidelijk genoeg te kennen gegeven. Kapitein Wilson liet meneer
Asper roepen, die op het gezicht van onzen held achteruitstoof,
en droeg hem op Jolliffe te gelasten met een der kotters aan boord
van het vreemde schip te gaan, de gewonden over te brengen en zelf
het kommando over het vaartuig op zich te nemen. Jack moest Jolliffe
vergezellen, om hem de noodige inlichtingen te geven.
Dertiende hoofdstuk.
Onze held komt tot de wetenschap, dat driehoeksmeting niet
enkel noodig is voor de scheepvaart, maar ook kan dienen tot
vereffening van eerezaken.
Kapitein Wilson had te recht gezegd, dat hij 't te druk had om dien
avond naar Jack's verhaal te luisteren, want zij moesten zich haasten
om beide schepen zoo spoedig mogelijk zeilree te maken. De Spanjaarden
hadden namelijk op nog geen tien mijlen afstand te Carthagena
oorlogsschepen liggen, die met den uitslag van het treffen bekend
waren geworden. Meneer Sawbridge was aan boord van het buitgemaakte
schip, een korvet, die twee stukken meer voerde dan de Harpij en de
Cacafuogo heette.
Het onbesuisd optreden van Jack had veel tot de vermeestering er van
bijgedragen, zoodat kapitein Wilson en meneer Sawbridge, die beiden
bevorderd werden, de een tot postkapitein, de ander tot kommandant,
dit eigenlijk aan Jack te danken hadden. De Harpij had aan dooden
en gewonden negentien man verloren en de Spaansche korvet zeven
en veertig.
Tegen twee uur in den morgen waren de schepen gereed en gingen
onder zeil naar Gibraltar, terwijl de Nostra Signora del Carmen,
onder bevel van Jolliffe, hen vergezelde. Jolliffe genoot het eerst
het verhaal van Jack's avonturen, en luisterde er met verbazing
naar. Omstreeks negen uur draaide de Harpij bij en zond een sloep
aan boord om onzen held en de manschappen, die zoolang met hem op het
buitgemaakte schip waren geweest, af te halen en tevens de aanwezige
dollars over te brengen. Toen Jack afscheid nam van Jolliffe haalde
hij zijn krijgsartikelen voor den dag en gaf ze hem ten geschenke
met den wensch, dat ze hem evenveel dienst mochten bewijzen, als ze
hemzelf hadden gedaan. De matrozen waren al in de sloep en wierpen
smeekende blikken op Jack, ten einde zijn medelijden op te wekken,
en Mesty ging vrij gemelijk naast onzen held zitten, waarschijnlijk
omdat 't hem maar half beviel, dat hij weer "den pot zou moeten
koken voor de jongeheeren." Ook Jack was niet prettig gestemd nu
hij zijn kommando moest laten varen, en hij wierp nog eens een blik
op den groenen vrouwenrok, die maar steeds aan den mast wapperde,
want Jolliffe had de vlag, waaronder Jack zoo gelukkig gestreden had,
niet willen neerhalen.
Zooals te begrijpen valt, nam het verhaal van Jack een groot deel
van den morgen in beslag, en ofschoon onze held niet trachtte te
verbloemen, dat hij meneer Sawbridge's terugroepingssignaal wel
gezien had, wekte toch het overige zoozeer de belangstelling van den
kapitein, dat hij geheel verzuimde Jack een berisping toe te dienen
over het in den wind slaan der bevelen. Hij prees Jack's houding en
was ook bijzonder tevreden over Mesty. De gelegenheid was te schoon,
om niet melding te maken van Mesty's tegenzin in zijn tegenwoordige
bediening en Jack's aanbeveling werd gunstig opgenomen. Ook wist hij
vergiffenis te verkrijgen voor de manschappen, maar toch moesten ze
voor het oogenblik in boeien geslagen worden. Jack liet hun echter
door middel van Mesty mede deelen, dat ze weer vrijgelaten zouden
worden, zoodra ze te Gibraltar aankwamen, zoodat een gunstige wind
het eenige was wat er nog te wenschen overbleef.
Kapitein Wilson deelde aan Jack mede, hoe hij in de vooronderstelling
dat de kotter gezonken was, aan zijn vader had geschreven, om hem
den dood van zijn zoon te melden. Dit speet onzen held zeer, vooral
om het verdriet dat zijn arme moeder er over hebben zou. "Maar och,"
dacht Jack, "al gevoelt ze zich een paar maanden ongelukkig, des te
blijder zal ze zijn, als ze hoort dat ik nog in leven ben. Zoodra
we te Gibraltar binnenvallen, zal ik schrijven en bij gunstigen wind
kan dat morgen of overmorgen zijn."
Het langdurig onderhoud met Jack had kapitein Wilson tot de overtuiging
gebracht, dat er een flink officier uit hem zou groeien en dat de
malligheden van de gelijkheid en de rechten van den mensch al vergeten
waren; maar in dit opzicht vergiste hij zich--het in een kinderziel
gezaaide onkruid wordt niet zoo spoedig uitgeroeid.
Zoodra de kommandant hem had laten gaan, begaf Jack zich aan dek, waar
hij den kapitein en de officieren van de Spaansche korvet aantrof,
die peinzend naar de Nostra Signora del Carmen stonden te turen. Toen
zij onzen held in het oog kregen, van wien ze door kapitein Wilson
wisten, dat hij hun het binnenloopen in de haven van Carthagena had
belet, sloegen zij wrevelige blikken op hem.
Jack groette echter met zijn gewone beleefdheid en was blij dat hij
wat van zijn Spaansch kon luchten. Ofschoon de Spaansche kapitein
alle reden had om Jack naar de maan te wenschen, nam hij toch de
vormen behoorlijk in acht en vroeg hem onder anderen wat hij toch
wel voor een vlag gevoerd had.
"Ja, meneer Rustig," zoo sloot kapitein Wilson zich bij die vraag aan,
"dat moet je ons eens vertellen. We konden er geen van allen wijs
uit worden. Ik zie daar, dat meneer Jolliffe ze nog altijd in top
laat wapperen."
Jack wist niet goed wat hij er van maken moest, maar antwoordde ten
laatste: "Dat was de banier van de gelijkheid en de rechten van den
mensch, meneer."
Kapitein Wilson fronsde de wenkbrauwen en Jack, die zijn misnoegen
bespeurde, vertelde nu het heele geval, waarop de ander begon te
lachen, Jack deelde het ook in het Spaansch aan de officieren der
korvet mede en deze merkten op, dat het wel niet de eerste en ook niet
de laatste maal zou zijn, dat mannen in verlegenheid waren geraakt
door een vrouwenrok.
Bij de geheele bemanning van het schip stond Jack in hooge gunst,
behalve bij zijn vier vijanden--den stuurman, Vigors, den bootsman en
den onderbetaalmeester. Vigors had de wijste partij gekozen en zijn
eindje touw in zijn kist geborgen tot Jack weer eens een tocht mocht
ondernemen. De kleine Gossett wees, als Vigors eenige beleedigende
aanmerking op hem maakte, grinnikend naar het raampje van de kajuit en
alleen de herinnering deed Vigors verbleeken en bracht hem tot zwijgen.
Binnen twee dagen bereikten zij Gibraltar, waar meneer Sawbridge en ook
Jolliffe weer aan boord van de Harpij kwamen. Gedurende de veertien
dagen, die ze voor anker lagen, mocht Jack aan wal blijven. Meneer
Asper vergezelde hem en Jack trok een flinken wissel op zijn vader
om hem goed duidelijk te maken, dat hij nog in leven was.
Toen Jack zijn avonturen aan meneer Sawbridge verteld had, zei deze:
"Mij dunkt, meneer Rustig, als ge zoo verzot zijt op kruistochten,
diendet ge u wat toe te leggen op de zeevaartkunde."
"Ja," antwoordde Jack bescheiden, "in dat opzicht ontbreekt me nog
heel wat."
"Welnu, meneer Jolliffe zal u zeker gaarne onderrichten; hij is er
ook het best toe geschikt, en als ge er even vlug mee vordert als
met het Spaansch, kan het u niet veel moeite kosten."
Jack vond dat een goeden raad. Reeds den volgenden dag was hij met zijn
vriend Jolliffe druk aan den gang en kwam tot de gewichtige ontdekking,
dat twee evenwijdige lijnen, tot in het oneindige verlengd, elkaar
nooit snijden.
Tijdens Jack's afwezigheid van een maand of vijf, zes, was het op de
Harpij bij het oude gebleven, alleen de konstabel Minus, die bij het
afschieten van een slecht geladen geweer zijn rechterhand verspeeld had
en op pensioen was gesteld, had een plaatsvervanger gekregen in meneer
Tallboys, een stevig gebouwden, ineengedrongen kerel met rood haar, een
rood gezicht en nog rooder handen. Deze beschouwde een konstabel als
de meest gewichtige persoon aan boord van een schip en meende, dat zoo
iemand van al wat de zeevaartkunde betrof op de hoogte moest wezen. Hij
wist minstens tien gevallen bij te brengen van bloedige gevechten,
waarin de kapitein en al de officieren gedood of gewond waren, zoodat
het bevel over het schip op den konstabel neer was gekomen.
"Nu begrijp je wel", placht hij dan te zeggen, "dat zoo'n konstabel
een zeevaartkundige moet wezen, wel degelijk een wetenschappelijk man."
In die overtuiging bleef hij steeds studeeren, maar daar zijn hersens
slechts weinig konden bevatten, warde hij alles dooreen en zijn hoofd
zat zoo volgepropt met technische termen dat hij zijn mond niet kon
open doen zonder er eenige te pas te brengen."
"Ik vind 't heel verstandig, meneer Rustig", zei de konstabel op
zekeren dag, terwijl ze naar Malta onder zeil waren, "dat gij de
wetenschap der zeevaartkunde onderhanden hebt genomen; op uw leeftijd
werd dat hoog tijd."
"Ja," antwoordde Jack, "ik kan al een loodlijn trekken en, als het
noodig is, de verschillende streken van het kompas opnoemen."
"Ja, maar aan de afwijking van het kompas zijt ge nog niet gekomen."
"Neen, nog niet," antwoordde Jack.
"Weet ge wel, dat een zeilend schip een parabool beschrijft om den
aardbol?"
"Zoover ben ik nog niet."
"Hebt ge al iets gehad over de driehoeksmeting?"
"Nog niet."
"Nu, die vereischt heel wat oplettendheid."
"Dat wil ik graag gelooven," antwoordde Jack.
Dergelijke praatjes knoopte de konstabel telkens aan maar gelukkig
stoorde Jack zich weinig aan de dikwijls averechtsche beweringen, en
hield zich alleen aan de lessen van Jolliffe, zoodat hij, eer ze Malta
bereikten, al een heelen bluf wist te slaan met zijn verkregen kennis.
Op Malta kwam hij weer in ongelegenheid. Ofschoon meneer Smallsole hem
ongemoeid liet, bleef die toch zijn vijand, en Vigors hield zich koest,
al zon hij op wraak; maar in het bedoelde geval kreeg hij 't met den
bootsman en den onderbetaalmeester te kwaad. Terwijl Jack weer eens,
zooals hij dikwijls placht, vooruit op den bak een praatje maakte met
Mesty, liepen de bootsman en de onderbetaalmeester het dek op en neer
en verzuimden geen gelegenheid om onzen held, telkens als ze in zijn
buurt kwamen, steken onder water te geven.
"Het is mijn bepaalde meening," zei Easthupp, terwijl hij aan zijn
boord trok, "dat een heer zich als een heer behoort te gedragen en
als zoo iemand met denkbeelden van gelijkheid en zulke vrijzinnige
gevoelens voor den dag komt, dient hij er zich ook aan te houden."
"Zeer zeker, meneer Easthupp, dat moet hij ook; en als iemand, die
even goed een heer is als hij, toevallig niet tot het halfdek behoort,
behoeft hij hem daarom niet te beleedigen enkel omdat hij dezelfde
denkbeelden verkondigt."
Daarop sloeg meneer Biggs met zijn rotting tegen de schoorsteenkap
van de kombuis en wierp een zijdelingschen blik op onzen held.
"Ja," vervolgde de onderbetaalmeester, "ik zou wel eens willen zien dat
iemand aan den wal zoo handelde; maar de tijd zal nog wel eens komen,
dat ik de ondergane beleediging in bloed kan afwasschen, meneer Biggs."
"En ik mag vervloekt zijn, als ik niet op een goeden dag een lesje
zal geven aan den vlegel, die indertijd mijn broek gestolen heeft."
"Kwam 't met het geld uit, meneer Biggs?" vroeg de onderbetaalmeester.
"Ik heb 't niet nageteld," luidde het onverschillige antwoord.
"Neen--fatsoenlijke lui zijn daarboven verheven", hernam Easthupp;
"maar er loopt anders wel volk rond met lange vingers. 't Is
ongelooflijk zoo'n menigte verloren geraakte horloges en voorwerpen
van waarde ik vroeger in Londen gezien heb."
"Ik durf gerust zeggen," zei de bootsman weer; "dat ik niet zou
aarzelen voldoening te geven aan iemand beneden mijn rang, als ik zelf
hem te voren beleedigd had. Ik sta niet zoo op mijn rang al praat ik
niet over gelijkheid en al ben ik geen goede maatjes met negers."
Dit alles was te duidelijk, dan dat onze held het niet zou begrijpen;
jack trad dus op den bootsman toe, groette beleefd en zei:
"Als ik me niet vergis, meneer Biggs, dan heeft uw gesprek betrekking
op mij."
"Best mogelijk", antwoordde de bootsman. "Luistervinken hooren zelden
veel goeds van zichzelven."
"Het schijnt wel, dat fatsoenlijke lui niet zamen kunnen praten zonder
beluisterd te worden," liet Easthupp er op volgen, met een ruk aan
zijn halsboord.
"Het is niet de eerste maal, dat gij goed gevonden hebt beleedigende
aanmerkingen te maken, meneer Biggs; en daar gij dat geval met uw
broek niet schijnt te kunnen verkroppen, zal ik u maar ronduit zeggen,
dat ik ze mee naar boord genomen heb. Als gij er soms voldoening voor
verlangt, dan ben ik volkomen bereid die te geven."
"Ik ben uw meerdere in rang, meneer Rustig," antwoordde de bootsman.
"Volgens de regeling van den dienst, ja; maar zooeven hebt ge beweerd
niet veel aan rang te hechten en bovendien--ik behoor tot het halfdek
en gij niet."
"Hier is een fatsoenlijk man, dien gij beleedigd hebt, meneer Rustig,"
zei de bootsman op den onderbetaalmeester wijzende.
"Ja, meneer Rustig, even fatsoenlijk als gij, al is 't me
tegengeloopen; ik behoor tot een van de oudste geslachten van
het land," voegde Easthupp er bij, die zich nu door den bootsman
gesteund zag.
"Gij hebt dien heer grof beleedigd," vervolgde meneer Biggs, en al
hebt ge den mond vol van gelijkheid, toch durft ge hem geen voldoening
geven en verschuilt ge u achter uw halfdek."
"Meneer Biggs," hervatte onze held, die nu kregel was geworden, "zoodra
we te Malta binnenloopen zal ik aan wal gaan. Als gij en die man daar
u dan wat netjes in de kleeren steekt, zal ik me met u beiden meten,
en toonen of ik bang ben voldoening te geven."
"Een voor een," zei de bootsman.
"Neen, meneer, niet een voor een maar beiden te gelijk of anders in
't geheel niet. Als gij mijn meerdere zijt, moet gij tot mij afdalen,"
hernam Jack met bijtenden spot, "of anders daal ik niet af tot dien
kerel daar, dien ik weinig beter acht dan een zakkenroller."
Deze uitval van Jack deed den onderbetaalmeester verbleeken en daarna
weder rood worden. Hij stampvoette en snoof, maar durfde toch Jack
niet onder de oogen zien.
"Nu, meneer Biggs, hebt gij me goed begrepen, of verschuilt ge u soms
achter uw bak?"
"Ik zoek geen uitvluchten," antwoordde de bootsman, "en op Malta
zullen we de zaak vereffenen."
Na dit antwoord begaf Jack zich weer naar Mesty.
"Massa Rustig, het gezicht van dien Easthupp bevalt me niet. Ik ga
mee aan wal, om te zien of het wel eerlijk toegaat."
Nu Biggs verklaard had dat hij zou vechten, moest hij natuurlijk naar
een secondant omzien en hij koos daartoe den konstabel Tallboys. Deze
had zich in den laatsten tijd meer en meer geërgerd, dat Jack hem in
de wetenschap der zeevaartkunde de baas werd, en kon hem daarom niet
goed meer zetten; hij kon echter maar niet vatten hoe zoo'n duel van
drie personen geregeld moest worden en ging dus in zijn hut aan het
napluizen van zijn boeken.
Jack durfde Jolliffe niet over het geval spreken en eigenlijk was er
op het schip maar één aan wien hij het kon toevertrouwen, namelijk
Gascoigne. Deze nu vond het wel beneden Jack's waardigheid zich met
den bootsman te meten, maar nu de uitdaging eenmaal geschied was,
viel er niets meer aan te veranderen; hij stemde er dus in toe Jack's
secondant te wezen, zonder zich verder over de gevolgen te bekommeren.
Den tweeden dag, nadat ze in de haven van Valette waren binnengeloopen,
kregen de bootsman, de konstabel, Jack en Gascoigne verlof om aan
wal te gaan. Meneer Easthupp, de onderbetaalmeester, trok zijn besten
blauwen jas met koperen knoopen en fluweelen kraag aan, begaf zich naar
het halfdek en vroeg eveneens verlof, maar meneer Sawbridge weigerde
het hem, omdat zijn diensten vereischt werden bij het overbrengen van
duigen en hoepels naar de kuiperij. Ook Mesty kon tot zijn grooten
spijt niet gemist worden.
Dit trof ongelukkig, maar er werd nu overeengekomen, dat de ontmoeting
plaats zou hebben achter de kuiperij. Easthupp moest er dan maar een
deel van zijn diensttijd afnemen, om de breuk in zijn gekwetste eer
te herstellen. De partijen gingen allen aan wal en trokken regelrecht
naar een der kleine herbergen om de noodige toebereidselen te maken.
Meneer Tallboys nam meneer Gascoigne ter zijde, terwijl de bootsman
zijn troost zocht bij een glas grog en onze held zich buiten vermaakte
met een aap te plagen.
"Meneer Gascoigne," zei de konstabel, "ik heb er erg over ingezeten,
hoe 't met dat duel gaan moet, maar nu ben ik er achter. 't Is met
die drie partijen, weet je; waren er twee of vier, dan gaf dat geen
moeilijkheid; de rechte lijn of het vierkant zouden ons in dat geval
te pas komen; maar nu moeten we het in een driehoek opstellen."
Gascoigne keek verbaasd op, hij begreep maar niet, waar dat op neer
zou komen.
"Zijt ge op de hoogte, meneer Gascoigne, van de eigenschappen van
een gelijkzijdigen driehoek?"
"Jawel," antwoordde de adelborst, "dat ze drie gelijke zijden
heeft--maar wat drommel heeft dat met het duel te maken?"
"Heel veel, meneer Gascoigne," hernam de konstabel; "de moeilijkheid
wordt er door opgelost: werkelijk, een duel met z'n drieën kan enkel
naar dat grondbeginsel plaats hebben. Zie maar eens hier," zei de
konstabel, terwijl hij een stuk krijt uit zijn zak haalde en een
driehoek op de tafel teekende, "in deze figuur hebben we drie punten,
op gelijken afstand van elkaar en ook hebben we drie strijders;
plaatsen we er op ieder punt één, dan is de zaak in orde: hier
bijvoorbeeld meneer Rustig, de bootsman daar en de onderbetaalmeester
op den derden hoek."
"Maar hoe moet er dan geschoten worden?" vroeg Gascoigne, die schik
in de grap kreeg.
"Dat komt er minder op aan," hernam de konstabel, "maar voor zeelui
dient 't wel met de zon om te gaan; dat wil zeggen meneer Rustig
schiet op meneer Biggs, meneer Biggs op meneer Easthupp en meneer
Easthupp weer op meneer Rustig; op die manier krijgt ieder zijn schot
en dient tevens tot mikpunt voor een ander."
Gascoigne was in de wolken over die nieuwe vinding, te meer daar hij
begreep, dat ze voor Rustig groot voordeel opleverde.
"Op mijn woord, meneer Tallboys! ik maak u mijn compliment; wat zijt
ge toch een wiskundige kop, ik ben niet uw schikking ten hoogste
ingenomen. Natuurlijk hebben in dergelijke zaken de partijen zich
te houden aan de voorschriften der secondanten, en ik zal er wel
voor zorgen, dat meneer Rustig met uw uitnemend en wetenschappelijk
voorstel genoegen neemt."