Ten laatste begon het rumoer te verflauwen, het vuur stierf uit en

langzamerhand werd alles stil. Jack leunde nog over het gangboord,

toen Mesty naar hem toe kwam. De nieuwe maan was juist opgekomen en

Jack hield er zijn blikken strak op gericht.

"Nu, Massa Rustig, kom nu alsjeblieft eens mee achteruit en laten

we de kleine boot strijken; steek uw pistolen bij u, dan gaan we aan

wal en brengen den kotter hierheen; ze slapen op het oogenblik allen."

"Maar waarom zouden we hen zonder boot laten, Mesty?" want Jack

dacht aan de haaien en aan de waarschijnlijkheid, dat de matrozen

naar boord zouden willen zwemmen.

"Ik zeg u, meneer, van nacht zijn ze dronken geworden, morgen gebeurt

dat weer, en dronken lui kunnen nooit hun gemak houden. Als er nu maar

een het in zijn hoofd krijgt om te zeggen: 'Laten we aan boord gaan

en den officier van kant maken, dan kunnen we doen wat we willen,'

dan zeggen de anderen ja, en ze komen hier en doen 't. Dus, meneer,

we moeten de boot hebben, is het niet om u, dan om mij, voor het

behoud van mijn leven, want aan mij hebben ze een grooten hekel en

mij zullen ze het eerst dooden. Maar wacht even."

Jack gevoelde de waarheid van Mesty's opmerking; hij ging met

hem achteruit, waar ze de kleine boot streken en die langs zij

brachten. Vervolgens haaiden zij uit de kajuit hun pistolen. "Kunnen

we den Spanjaard alleen aan boord laten, Mesty?"

"Jawel, meneer, wapens heeft hij niet en al kon hij er hier of

daar vinden, hij zou er toch niets mee durven doen--ik ken den man

al genoeg."

Onze held en Mesty stapten in de boot, duwden af en roeiden behoedzaam

naar den wal. De matrozen waren in zulk een staat van beneveling, dat

ze ze zich niet verroeren konden, nog veel minder iets hooren. Zij

gooiden den kotter, los, sleepten hem naar boord en legden hem met

de andere boot aan den achtersteven vast.

"Ziezoo, meneer, nu kunnen we naar bed gaan, morgenochtend zul je

grappen beleven."

"Ze hebben aan den wal alles wat ze noodig hebben," antwoordde Rustig;

"den kotter zullen ze alleen missen, als ze 't ons soms lastig zouden

willen maken."

"Wacht maar," zei Mesty.

Jack en Mesty begaven zich te bed, en, uit vrij overbodige voorzorg

tegenover den Spanjaard, sloot Mesty de kajuitsdeur.

Jack sliep dien nacht weinig, hij had aanvallen van zwaarmoedigheid,

die hij maar niet van zich af kon zetten. Sedert het verlaten van de

Harpij, had Jack veel overdacht en voor veel dingen waren hem de oogen

opengegaan. Hij begon in te zien welk een verantwoordelijkheid hij op

zich geladen had door toe te geven aan een gril van het oogenblik, en

men kon gerust zeggen, dat hij in het korte tijdsbestek van veertien

dagen opeens van een jongen tot een man geworden was. Hij voelde zich

gekweld en was hoofdzakelijk boos op zichzelven.

Met het krieken van den dag stond Mesty op en Jack volgde hem spoedig;

zij keken uit naar het gezelschap aan den wal, dat zich nog niet

buiten de tent vertoonde. Eindelijk, toen Jack juist klaar was met

zijn ontbijt, kwamen er een paar te voorschijn. Ze keken rond alsof

ze ergens naar zochten en liepen vervolgens naar de plek, waar de

boot had vastgelegen. Jack keek Mesty eens aan, die met een grijnzend

gezicht zijn stopwoord; "Wacht maar!" uitbracht.

De matrozen liepen daarna het strand langs tot ze vlak tegenover het

schip gekomen waren.

"Hallo!" riepen ze.

"Hallo!" antwoordde Mesty.

"Breng onmiddelijk den boot aan den wal, met een emmertje water."

"Dat kennen we," juichte Mesty zijn handen wrijvend van plezier. "Gij

moet zeggen van neen, Massa Rustig."

"Waarom zouden we hun geen water geven, Mesty?"

"Omdat ze dan de boot nemen."

"Dat is waar," antwoordde Rustig.

"Hoor je niet, daar aan boord?" schreeuwde de onderofficier opnieuw,

"onmiddelijk de boot gezonden, of we snijden je den hals af!"

"Ik zal de boot niet zenden," antwoordde Jack, die nu begreep dat

Mesty gelijk had gehad.

"Wil je niet?--niet?--dan is je doodvonnis geteekend," hernam de vent

en stapte met zijn kameraad naar de tent terug. In een oogwenk kwamen

nu al de matrozen opdagen, met vier geweren bij zich, die ze mee naar

den wal genomen hadden.

"Goede hemel! ze zullen toch niet op ons schieten, Mesty?"

"Wacht maar."

De kerels kwamen nu tot vlak tegenover het schip en de onderofficier

riep weer en vroeg nogmaals of ze de boot aan wal verkozen te brengen.

"Gij moet neen zeggen, meneer," spoorde Mesty aan.

"Ik zie in dat het noodzakelijk is," antwoordde Jack; en hij antwoordde

den onderofficier: "Neen."

De slimme neger had het plan der muitelingen voorzien, dat ze namelijk

naar de booten aan den achtersteven zwemmen zouden en op hem en Jack

schieten, zoodra ze mochten trachten die langs zij te brengen en

te verdedigen. Om uit het water in de booten te klimmen, vooral in

de kleine, was gemakkelijk genoeg. Een paar matrozen keken naar het

kruit op de pan en hielden de geweren gereed, met de trompen op het

schip gericht, terwijl de onderofficier en twee anderen zich begonnen

te ontkleeden.

"Ga in Godsnaam niet te water?" riep Jack. "De haven zit vol

haaien--zoo waar als ik leef!"

"Denk je ons met je haaien bang te maken?" schreeuwde de onderofficier

terug; "leg aan, jongens! laat hem eens een blauwe boon proeven,

dan kan hij zien dat 't ons ernst is, en telkens als hij of die neger

den kop vertoont maar weer schieten, hoor!"

"Om Godswil, probeer toch niet te zwemmen!" riep Jack in doodsangst;

"ik zal mijn best doen om je water te bezorgen."

"'t Is nu te laat--je bent gevonnisd," en de onderofficier sprong van

de rots in zee, gevolgd door twee anderen; op hetzelfde oogenblik werd

er een geweer afgeschoten en de kogel floot onzen held langs het oor.

Mesty trok hem met een ruk van het gangboord terug. Bijna overweldigd

door angst over het lot, dat den onvoorzichtigen wachtte, zakte Jack

een oogenblik op het dek neer, maar sprong fluks weer op en snelde naar

een geschutspoort om naar de mannen in het water te kijken. Hij kwam

juist bijtijds om te zien hoe de onderofficier zich met een luiden

gil uit zee ophief en daarna in een wieling verdween, die hij met

zijn bloed roodverfde.

Mesty, die al eenige geweren geladen had, voor het geval dat de

matrozen de booten mochten bereiken, wierp dat, waarmee hij juist

bezig was, van zich af, met den uitroep: "Verduiveld! nu is 't niet

meer noodig!"

Jack had de handen voor het aangezicht geslagen. Maar het afgrijselijk

tooneel was nog niet ten einde: de andere mannen in het water hadden

onmiddellijk rechtsomkeert gemaakt en haastten zich om den wal te

bereiken; maar eer zij zoover waren, schoten twee andere vraatzuchtige

monsters, gelokt door het bloed van den onderofficier toe en vochten

om hun prooi.

Mesty, die alles nauwkeurig had gadeslagen, wendde zijn oog naar

onzen held, die nog altijd zijn gelaat bedekt hield.

"Ik ben maar blij, dat hij dit ten minste niet gezien heeft,"

mompelde Mesty.

"Wat gezien?" riep Jack uit.

"Dat de haaien ze allen opgegeten hebben."

"O 't is vreeselijk, 't is gruwelijk!" kreunde onze held.

"Ja zeker vreeselijk," hernam Mesty, "maar die kogel langs uw hoofd

was ook vreeselijk. En als de haaien hen niet hadden verslonden, wat

dan? Zij zouden dan ons gedood hebben en onze lijken waren een prooi

van de haaien geworden. Dat vind ik nog vrij wat verschrikkelijker.

"Mesty," riep Jack uit en greep den neger zenuwachtig bij den arm,

"niet de haaien, maar ik heb die mannen vermoord."

Mesty keek met verwondering op.

"Hoe is dat mogelijk?"

"Als ik niet ongehoorzaam was geweest aan de bevelen," hernam onze held

naar adem hijgend, "als ik niet het voorbeeld van ongehoorzaamheid

gegeven had, zou dit niet gebeurd zijn. Hoe kon ik onderdanigheid

van hen verwachten? 't Is alles mijn schuld--dat zie ik nu in, en,

o God, wanneer zal dat afgrijselijk gezicht uit mijn geheugen worden

gewischt?"

"Massa Rustig, ik begrijp u niet," antwoordde Mesty. "Die redeneering

is geheel verkeerd. Op die manier zou ik ook wel kunnen zeggen,

dat het kwam van den oorlog der Ashantijnen; want als ze daar niet

aan het vechten waren gegaan, zou ik nooit slaaf geworden, nooit

weggeloopen, nooit aan boord van de Harpij gekomen, nooit met u in

een boot gegaan zijn--ik zou nooit de matrozen belet hebben zich te

bedrinken, zij zouden geen muiterij bedreven en de haaien hen niet

te pakken gekregen hebben."

Jack antwoordde niet, maar dit tegenbetoog van den neger schonk hem

toch eenigen troost.

De afgrijselijke dood van de drie muitelingen scheen een krachtdadige

uitwerking te hebben op hun makkers, die met hangende hoofden en

loomen tred van het strand terugliepen. Men zag hen nu over het

eiland ronddwalen, waarschijnlijk om water te zoeken. Omstreeks den

middag keerden ze naar hun tent terug en waren spoedig daarop in een

staat van beneveling, waarbij ze even hard schreeuwden en tierden

als den vorigen dag. Tegen den avond kwamen ze weer op de hoogte van

het schip, ieder met een beker in de hand, en zoodra ze bemerkten,

dat ze de aandacht van onzen held en van Mesty getrokken hadden,

wierpen zij den inhoud van hun bekers de lucht in, om te toonen dat

zij water hadden gevonden, en daarop keerden zij jouwend en spottend,

dansend en springend en onder allerlei bokkesprongen terug om hun

drinkgelag te hernieuwen, dat tot na middernacht duurde, waarop allen

verstomden evenals te voren.

Den volgenden dag was Jack hersteld van den eersten schok door het

gruwelijk tooneel op hem teweeggebracht en riep hij Mesty in de kajuit

om met hem te beraadslagen.

"Wat zal het einde zijn, Mesty?"

"Hoe bedoelt u, meneer? het einde hier of aan boord van de Harpij?"

"De Harpij--er bestaat weinig kans, dat we die ooit terugzien; we

zijn op een onbewoond eiland, of iets wat niet veel minder is. Maar

al mogen we blijven hopen, hoe zal die muiterij eindigen?"

"Massa Rustig, als ik wil, kan ik er tamelijk spoedig een eind aan

maken, maar niet opeens."

"Hoe bedoel je dat, Mesty, niet opeens?"

"Kijk, Massa Rustig; gij wenscht een tocht te ondernemen en ik

evenzeer; en om die muiterij zoudt ge nu wel terug willen--maar denkt

gij dat ik, die in mijn eigen land een vorst ben geweest, lust gevoel

om opnieuw voor de jongeheeren den pot te gaan koken?"

"Maar hoe wou je dan een eind maken aan de muiterij?" vroeg Jack.

"Door te zorgen dat de wijn opkomt. Als ik eens naar den wal ging,

zoodra ze weer allen dronken zijn, en op drie of vier plaatsen een

gat in de vaten boorde, dan zou 's morgens al de wijn weggevloeid

zijn. Dan worden ze nuchter en vragen om vergiffenis; we nemen hen

aan boord, bergen alle wapens weg, behalve de uwe en de mijne, en

dan wil ik wel eens zien wat er van de muiterij nog overblijft. Alle

donders! ik zal ze wel leeren."

"Een goed denkbeeld, Mesty,--waarom zouden we 't niet in toepassing

brengen?"

"Omdat ik geen lust heb mij op den wal aan gevaar bloot te

stellen--en waarvoor? om terug te keeren en weer den pot te koken

voor de heeren. Ik voel me hier gelukkig, Massa." zei Mesty op

onverschilligen toon.

"En ik mij diep ellendig," hernam Jack, "maar ik ben geheel in uw

macht, Mesty, en ik zal me moeten onderwerpen."

"Wat is dat nu, Massa Rustig,--onderwerpen aan mij? neen,

meneer, als officier aan boord van de Harpij, hebt gij me als een

vriend toegesproken en me volstrekt niet als een zwarten knecht

behandeld. Massa Rustig, ik voel--ik voel wat ik ben," vervolgde Mesty

en sloeg zich op de borst, "hier voel ik 't--voor het eerst sinds ik

mijn vaderland verliet, voel ik dat ik iets ben; maar Massa Rustig,

ik koester evenveel liefde voor mijn vriend als haat tegenover mijn

vijand--en nooit zult gij u aan mij onderwerpen--ik ben te trotsch om

dat te dulden, omdat, Massa Rustig,--omdat ik een man ben en eertijds

een vorst ben geweest."

Ofschoon Mesty zijn bedoeling niet half zoo duidelijk in zijn woorden

uitdrukte als in zijn gebaren, begreep Jack hem toch ten volle en

hem de hand toestekende zei hij:

"Dat ge een vorst geweest zijt, Mesty, tel ik weinig, ofschoon ik

er niet aan twijfel, omdat gij niet liegen kunt; maar gij zijt een

mensch, en ik eerbiedig u, ja, ik heb u lief als een vriend--en als

het van mij afhangt, zullen we nooit weer scheiden."

Mesty vatte de aangeboden hand en drukte die zwijgend, want spreken

kon hij niet. Toen hij de hand weer losliet, was hij zoo door zijn

gevoel overstelpt, dat hij het gesprek niet kon voortzetten en zich

in de kajuit afzonderde.

Den volgenden morgen kwam Jack op de muiterij terug en vroeg opnieuw

aan Mesty wat hij er van dacht.

We moeten afwachten, meneer, tot zij uit zichzelven vragen om weer aan

boord te mogen komen; en daar zij vijf in getal zijn, tegen wij twee,

moeten ze eerst al hun proviand opgegeten hebben. Laat ze een beetje

hongerlijden, dan komen ze des te makker aan boord."

"In elk geval," hernam Jack, "moeten de eerste aanbiedingen, van

welken aard ook, van hun kant komen. Had ik nu maar iets te doen--dat

aan boord hangen bevalt me ook niet bijster."

"Wel, meneer, waarom niet wat gepraat met Predo?"

"Omdat ik geen Spaansch ken."

"Dat weet ik en daarom vroeg ik 't ook juist. Bij de ontmoeting met

die twee lieve meisjes speet 't u zoo, dat ge niet in staat waart

met haar te spreken."

"Ja zeker speet me dat," antwoordde Jack.

"Welnu, Massa Rustig, we zullen nog wel meer Spaansche meisjes

ontmoeten. Als ge nu dagelijks met Pedro praat, zult u spoedig genoeg

het Spaansch leeren."

"Ik wist niet, Mesty, dat je zoo slim was. Ik zal al mijn best doen

om Spaansch te leeren," hernam Jack, blij dat hij eenige bezigheid

gevonden had, want van de krijgsartikelen had hij genoeg gekregen.

Twaalfde hoofdstuk.

De muiterij loopt op een eind uit gebrek aan brandstof en

aan water. Jack vindt de Harpij terug.

Bij de muitelingen aan den wal ging het dagelijks hetzelfde gangetje,

maar toch werd er minder dikwijls een vuur aangelegd, zeker omdat

de brandstof opraakte, wat bij het afnemen der warmte--'t was reeds

October--slecht gelegen kwam. Een maand lang hield Jack, die in geen

geval wilde toegeven, zich zoo goed en zoo kwaad als het ging bezig

met Spaansch te leeren van Pedro en te luisteren naar Mesty's verhalen

uit zijn vroeger leven.

"Wat is dat?" riep Mesty op zekeren morgen midden in een verhaal

uit. "Daar steken me die dronken zwijnen de tent in brand!"

Jack keek om en zag dat de tent aan den wal werkelijk in vlammen stond.

"De koude nachten zullen hun moed wel doen bekoelen," merkte Mesty

op. "Je zult eens zien, Massa Rustig, hoe gauw ze zullen soebatten

om aan boord te komen."

Dat dacht Jack ook en hij verlangde sterk om weer onder zeil te

gaan. In een der laden van de kleine kajuit had hij een kaart van de

Middellandsche zee gevonden en die met ijver bestudeerd. "Kijk," zei

hij tot Mesty, "hier heb je het eiland waar we ons op dit oogenblik

bevinden, de weg naar Gibraltar loopt zóó, en zoodra de muiterij

gedaan en de wind gunstig is, zetten we koers daarheen."

Nog eenige dagen verliepen er en toen konden de muitelingen het

niet langer uithouden. Vooreerst hadden ze in hun dronkenschap de

stop van hun laatste vat er zoo slecht ingeslagen, dat die er weer

uitgeschoten en bijna al de wijn verloren gegaan was, bovendien hadden

ze geen brandstof meer en daardoor de laatste dagen hun vleesch rauw

moeten eten, en tot overmaat van ramp bleef het, nadat ze uit gebrek

aan hout hun tent verstookt hadden, vier dagen en nachten aan één

stuk regenen. Alles was doornat en zij bibberden van de koude. Ze

wilden nog liever gehangen worden dan van gebrek en ellende langzaam

wegsterven, en door honger gedreven begaven ze zich naar het strand

vlak tegenover het schip en vielen op de knieën.

"Heb ik 't niet gezegd, massa Rustig?" zei Mesty, daar heb je nu die

vervloekte kerels, die ons gedurig met het geweer durfden bedreigen."

"Hallo!" riep er een van den wal.

"Wat wou je?" antwoordde Jack.

"Heb medelijden met ons, meneer,--genade!" jammerden de anderen,

"we willen tot onzen plicht terugkeeren."

"Wat moet ik zeggen, Mesty?"

"Antwoord eerst van neen, massa Rustig--zeg dat ze maar van honger

moeten omkomen."

"Ik kan geen muitelingen aan boord nemen," riep Jack.

"Dan kome ons bloed over uw hoofd, meneer Rustig," hernam de man,

die het eerst gesproken had. "Als we toch moeten sterven, dan maar

liever spoedig; wilt gij ons niet opnemen, de haaien wel. Wat dunkt je,

jongens? Laten we allen te tegelijk in zee loopen. Vaarwel, meneer

Rustig, vergeef ons als we dood zijn; 't was enkel die dolleman van

een Johnson, die ons bepraat heeft. Komt, jongens, dralen helpt niet,

hoe eer hoe liever maar--laten we elkaar de hand geven en dan in zee."

Het scheen dat de arme kerels dit werkelijk van plan waren, als

onze held, op aandrijven van Mesty, bleef weigeren hen aan boord

te nemen. Allen schudden elkaar de hand, gingen op een rij staan en

daarop volgde een sein van een--twee--."

"Halt!" riep Jack, wien het vreeselijke tooneel met de haaien nog

niet uit het geheugen was,--"halt?"

De mannen bleven staan.

"Wat wilt ge belooven, als ik jullie weer aan boord neem?"

"Dat we stipt onzen plicht zullen doen, totdat we weer op de Harpij

zijn, om daar als een waarschuwend voorbeeld voor alle muitelingen

gehangen te worden," antwoordde een der mannen.

"Dat is al heel mooi," zei Mesty; "houdt ze aan hun woord; massa

Rustig."

"Heel goed," hernam Jack, "ik neem de voorwaarden aan, en we zullen

je komen halen."

Jack en Mesty staken hun pistolen bij zich en roeiden met de boot naar

den wal. Bij het instappen sloegen de matrozen eerbiedig voor onzen

held aan, maar spraken geen woord. Aan boord gekomen las Jack hun

de artikelen betreffende muiterij voor, waardoor hun herinnerd werd

"dat zij des doods schuldig waren," en hield vervolgens een toespraak,

die den uitgehongerden kerels eindeloos toescheen. Maar aan alles komt

een eind en dus ook aan Jack's rede. Mesty gaf hun nu wat beschuit,

die zij dankbaar verslonden, tot zij iets beters zouden krijgen. Den

volgenden morgen was de wind gunstig; met eenige moeite lichtten zij

het anker en verlieten de reede. De afgematte matrozen verrichtten

zwijgend hun werk, want hunne vooruitzichten waren alles behalve

prettig; maar altijd blijft er eenige hoop leven en ofschoon ieder

overtuigd was, dat de overigen zouden gehangen worden, hoopte hij

toch zelf met een flink pak slaag er af te komen.

De wind belette hun echter recht op het doel af te sturen en eer

de avond viel waren ze al drie streken noordwaarts afgeweken. "We

zullen toch wel langs de Spaansche kust komen," merkte Jack op,

"en dan moeten we zuidwaarts vanzelf Gibraltar bereiken, daar ben

ik niets bang voor, want ik raak al veel beter vertrouwd met de

zeevaartkunst." Den volgenden morgen bevonden ze zich met een zwakke

bries onder een hooge kaap en toen de zon opkwam, zagen ze onder den

wal een groot schip, omstreeks twee mijlen westelijk, en meer zee in

een ander op een afstand van een mijl of vier. Mesty nam den kijker

en richtte dien op het buitenste schip, dat opeens al zijn zeilen

gestreken had en nu met een vaart op den wal aanliep, juist in de

richting van de kaap, waaronder Jack's vaartuig lag.

"Massa Rustig,--dat is, geloof ik, de Harpij," zei Mesty terwijl hij

den kijker neerlei.

Een der zeelui nam nu den kijker, terwijl de anderen, die er bij

stonden, van groote ontsteltenis blijk gaven.

"Ja, 't is de Harpij," zei de matroos. "O, meneer Rustig, kunt gij

ons niet vergeven?" vervolgde de man, terwijl hij met de overigen op

de knieën viel. "Vertel om Godswil niet alles, meneer Rustig."

Jack's gemoed werd week; hij zag om naar Mesty.

"Mij dunkt," fluisterde deze onzen held toe, "dat bij al wat ze reeds

doorstaan hebben, een twaalftal per man wel genoeg zal zijn."

Jack vond de helft dier straf al voldoende, en dus deelde hij hun

mede, dat ofschoon hij het gebeurde niet mocht verzwijgen, hij toch

niet alles zeggen en zooveel mogelijk vergoeilijken zou. Hij wilde

juist weer een toespraak houden, toen een schot van de Harpij, die

intusschen op dezelfde hoogte gekomen was, hem dit tot geschikter

gelegenheid deed uitstellen. Te zelfder tijd heesch het vaartuig

onder den wal de Spaansche vlag en loste een schot.

"Verduiveld, we zitten er juist tusschen in," riep Mesty uit. "De

Harpij houdt ons voor een Spanjaard. Komaan, jongens, de kanonnen

gericht en kruit en lood bijgebracht. Massa, nu moeten wij op den

Spanjaard vuren, anders laat de Harpij ons niet met rust, want we

hebben geen Engelsche vlag aan boord."

Spoedig waren de kanonnen geladen en kruit op de pan gedaan, onder

welke bedrijven de wind ging liggen, zoodat de zeilen van al de drie

schepen tegen de masten sloegen. De Harpij was nu omstreeks twee mijlen

van Jack's schip verwijderd en de Spanjaard ongeveer een mijl. Mesty

nam het Spaansche schip eens goed op.

"Dat is een oorlogschip, massa,--maar hoe komen we nu aan een vlag? We

dienen er toch een te hijschen."

Haastig snelde de neger naar beneden, want hij herinnerde zich een

vrij mooien vrouwenrok, achtergelaten door de oude dame, die op het

schip was, toen het buit gemaakt werd. Het was er een van groene zijde

met gele en blauwe bloemen, maar vrij versleten. Mesty had het ding

onder de matras van een der bedden gevonden en in zijn kist gestopt,

misschien wel om er een paar vesten van te maken. Spoedig kwam hij

er mee aandragen, bevestigde het aan den dirk en heesch het op.

"Ziezoo, massa, dat is voldoende,--dat is nu de zoogenaamde

aller-natiënvlag! Iedereen strijkt er de zijne voor en nooit wordt

ze naar beneden gehaald," zei Mesty. "Komaan, nu we de vlag geheschen

hebben, gaan we vuren--maar denk er om, één voor één en terdege goed

mikken, dan hebben we tijd om weer te laden."

"Ze hebben de vlag geheschen, kapitein." zei Sawbridge aan boord

van de Harpij; "maar wat 't er voor een is, kan ik onmogelijk

onderscheiden. Hoor, daar valt een schot."

"'t Is niet op ons gemikt, meneer," zei Gascoigne, "maar op het

Spaansche schip; ik zag den kogel vlak voor den boeg neerslaan."

"'t Moet een kaper wezen," zei kapitein Wilson; "in alle geval komt

hij juist van pas, want anders zou de korvet te Carthagena zijn

binnengeloopen. Al weer een schot, en goed gemikt ook; dat kleine

ding voert zwaar geschut, 't is stellig een Malthezer kaper."

"Dat wil zooveel zeggen als een zeeroover," hernam Sawbridge: "ik kan

uit de vlag niet wijs worden--het lijkt wel groen--zeker een Turk. Al

weer een schot; drommels, een der uitgezette booten van den Spanjaard

is getroffen."

"Ja, kijk ze eens in verwarring raken; als er nu maar een aasje wind

komt is hij ons. Daar komt een briesje uit zee op. Zeilen bijgezet,

meneer Sawbridge."

Er werd vierkant gebrast en spoedig had de Harpij stuur. Intusschen

onderhield Jack met zijn weinige manschappen een wel zwak, maar

geregeld en goed gericht vuur op de Spaansche korvet, waarvan al twee

booten in het ongereede waren geraakt. De Harpij stak voor den wind

op en was spoedig in de nabijheid; met het vuur uit haar boegjagers

trachtte zij de korvet den pas af te snijden.

"We hebben ze," riep Mesty; "losgebrand, jongens, en goed gemikt. Daar

komt meer wind; één man aan het roer. Te deksel, wat is dat?"

Jack Rustig · 第 9 / 20 段