angst aanjagen."
De kapitein was op het dek tegen een der kanonnen gezeten en Mesty
hield met zijn langen, gespierden arm zijn scherp mes dreigend
boven hem opgeheven, alsof hij elk oogenblik gereed stond hem in het
hart te treffen. De Spaansche kapitein vond zijn toestand verre van
aangenaam. Hij werd nu ondervraagd omtrent het getal der manschappen
en officieren en beantwoordde alle vragen naar waarheid. Strak hield
hij den blik gericht op het onheilspellende gelaat van Mesty, die
slechts op een wenk scheen te wachten.
"De zaak is nu bijna gezond," zei Mesty. "We moeten nu naar beneden
en de overige manschappen inrekenen."
Dit voorstel werd door onzen held goedgekeurd. Na hunne pistolen van
de gangspil genomen te hebben, snelden ze met getrokken messen naar
beneden en vonden er allen ontkleed in de hangmatten liggen. Ofschoon
hun getal het dubbele bedroeg van dat der Engelschen, had toch
de weerstand niet veel te beduiden. In weinige minuten waren de
Spanjaarden in het scheepsruim gesmeten en de luiken boven hen
gesloten. Alle gedeelten van het schip waren thans in hun macht behalve
de kajuit. Zij vonden er de deur gesloten en moesten die met geweld
openstooten, waarop ze ontvangen werden met luide angstkreten van den
eenen kant der kajuit en van den anderen met een paar pistoolschoten,
gelost door een man op jaren en een jongmensch van ongeveer den
leeftijd van onzen held. Beiden werden spoedig overweldigd en
gekneveld. De kajuit werd nagezocht, en niets er in gevonden dan
drie vrouwen; een oude, gerimpelde dame en twee mooie jonge meisjes,
wier gelaatstrekken echter op dit oogenblik door angst verwrongen
waren. Jack groette met een beleefde buiging en deelde haar mede,
dat zij niets te vreezen zouden hebben. Daar zij evenwel geen Engelsch
verstonden, kreeg hij geen antwoord.
Mesty maakte een eind aan Jacks complimenten, door hem er op te wijzen,
dat ze allen naar dek moesten. Jack nam nu nogmaals zijn hoed af,
boog en verliet met zijn manschappen en de beide gevangen heeren de
kajuit. Het was nu vijf uur in den morgen en er kwam beweging aan boord
van de andere schepen, die niet ver van het veroverde verwijderd lagen.
"Wat nu met de gevangenen gedaan?" zei Jack. "Als we eens ons eigen
schip langs zij lieten komen, en ze er allen gekneveld en wel op
overbrachten? Dan waren we van hen af."
"Dat is een goed denkbeeld, Massa Rustig. Maar als we onze eigen
sloep uitzenden, wat zullen ze dan aan boord van de andere schepen
denken? Laten we liever de kleine boot strijken en met vier man ons
vaartuig ongemerkt langs zij zien te brengen."
Dit geschiedde; de kotter lag aan de buitenzijde van het schip,
dat het meest uit den wal lag, en kon dus voor de overige Spaansche
schepen en voor de kustbatterij licht verborgen blijven. Spoedig was
het vaartuig langs zij gebracht en waren de zeven gevangenen, die
op het dek gekneveld lagen, in het ruim neergelaten, behalve echter
de kapitein, de twee gevangenen uit de kajuit en de oppasser van den
kapitein. Vervolgens gingen ze naar beneden, zetten het luik half open
en bevalen de Spanjaards naar boven te komen; zoodra ze aan dek waren,
werden ze op dezelfde wijze behandeld. Mesty en de matrozen gingen
beneden onderzoeken of er soms nog verscholen gebleven waren, maar
zagen spoedig dat dit niet het geval was en kwamen weer boven. In het
geheel waren er nu dertig gevangenen. Zoodra die allen in de schebek
waren overgeladen, verwijderde deze zich en ankerde wat verder in zee,
en Jack zag zich nu in het bezit van een uitmuntend schip met veertien
stukken, terwijl hij bovendien drie mannelijke en drie vrouwelijke
gevangenen had gemaakt.
Nadat de matrozen met de boot teruggekomen waren van het vaartuig,
waarin de gevangenen in verzekerde bewaring waren gebracht, vermomden
allen zich op raad van Mesty als Spaansche zeelieden, waartoe de in
overvloed voorhanden kleedingstukken ruimschoots gelegenheid boden.
"Wat nu gedaan, Mesty?" vroeg Jack.
Nu moeten er een paar man omhoog om de zeilen in orde te brengen
en intusschen zal ik dezen knaap--hij wees op den bediende van den
kapitein--ontboeien en hem een ontbijt klaar laten maken, want hij
weet waar de boel te vinden is."
"Opperbest, Mesty, want van die boonensoep heb ik meer dan genoeg. Ik
zal intusschen naar beneden gaan om de dames mijn compliment te maken."
Mesty keek over de verschansing.
"Doe dat maar heel gauw, meneer Rustig, want dat verduivelde vrouwvolk
is daar waarachtig bezig om met zakdoeken de aandacht van de batterij
te trekken. Gauw, meneer Rustig!"
Mesty had gelijk. De Spaansche meisjes wuifden met haar zakdoeken om
hulp; en dat was ook al wat de arme schepsels doen konden. Jack haastte
zich naar de kajuit, drong de jonge dames zoo beleefd mogelijk van de
raampjes terug en verzocht haar zich niet zooveel moeite te geven. De
meisjes keken erg onthutst en nu ze niet langer met de zakdoeken wuiven
konden, brachten zij die aan de oogen en begonnen te schreien, terwijl
de oude dame op de knieën viel en de handen smeekend ophief. Jack
richtte haar op en geleidde haar beleefd naar een der banken.
Intusschen had Mesty met het glinsteren van zijn mes en het grijnzen
van zijn gezicht wonderen gedaan bij den hofmeester, want dat was de
man. Een ontbijt van chocolade, gezouten vleesch, ham en worst, met
beschuit en rooden wijn stond op het halfdek gereed. De matrozen waren
uit het want gekomen en Jack werd naar het dek geroepen. Hij bood aan
ieder der jonge dames een hand en verzocht de oude dame hem te volgen;
deze begreep dat weigeren niet raadzaam zou zijn en vergezelde hem dus.
Zoodra de vrouwen aan dek de twee gevangenen uit de kajuit gekneveld
zagen, snelden zij op hen toe en omhelsden hen onder tranen. Jacks
hart werd week en daar er nu niets meer te vreezen viel, vroeg hij
Mesty om zijn mes en sneed de twee Spanjaarden los, waarna hij op het
ontbijt wees, ten einde hen daartoe uit te noodigen. De Spanjaards
maakten een buiging en de dames bedankten Jack met een lieven glimlach;
en de kapitein van het schip, die nog altijd geboeid tegen een kanon
lag, keek alsof hij zeggen wou: Wat duivel, waarom vraag je mij ook
niet? Maar ze hadden zooveel moeite gehad om hem meester te worden,
dat Jack er niet bijzonder op gesteld was hem weer vrij te laten. Onze
held en de matrozen begonnen aan het ontbijt en daar de gevangenen geen
trek in eten schenen te hebben, werd hun portie ook maar verorberd. De
oudachtige heer vroeg intusschen aan Jack of hij Fransch kon spreken.
Met een mond vol worst antwoordde Jack dat hij die taal verstond en
nu begon een onderhoud, waaruit hij het volgende te weten kwam:
De oudachtige heer was op reis naar Tarragona. De jonge man was
zijn zoon en de dames waren zijn vrouw en zijn beide dochters. Jack
beantwoordde die mededeeling met een beleefde buiging, waarop de
heer, wiens naam Don Cordova de Rimarosa luidde, verzocht te mogen
weten wat Jack met hen voornemens was te doen, terwijl hij van hem
hoopte, dat hij hen als niet-strijders met hun have en goed aan wal
zou laten zetten. Jack deelde dit alles aan Mesty en de overigen
mede en at vervolgens zijn worst verder op. Na eenig over en weer
gepraat beweerde Mesty, dat vrouwen op een schip maar last was en ook
de bootsman vond dat er altijd ruzie uit voortkwam. Jack haalde nu de
"krijgsartikelen" voor den dag en daar er niets over vrouwen in stond,
gaf hij te kennen dat ze onmogelijk aan boord konden blijven.
Nu moest er nog uitgemaakt worden of ze hun bagage zouden mogen
meenemen; en dit werd ten slotte toegestaan. Jack gelastte
den hofmeester zijn kapitein wat eten te geven en deelde aan den
Spaanschen Don den uitslag van het beraad mede, er bij voegende,
dat hij, zoodra de duisternis gevallen was, allen aan boord van het
kleine vaartuig zou overbrengen, waar zij de manschappen loslaten en
naar believen handelen konden. De Don en de dames betuigden hun dank,
en gingen naar beneden om hun boeltje te pakken; Mesty wees twee man
aan om hen te helpen en er op te letten, dat ze zich niet bezwaarden
met klinkende munt, zoo die aan boord gevonden mocht worden.
Gedurende den dag maakte de bemanning toebereidselen om onder zeil
te gaan. De hofmeester had de bottelarij van het schip onderzocht en
bevonden dat er voor minstens drie maanden genoeg was aan water,
wijn en mondbehoeften, behalve nog de versnaperingen voor de
kajuitstafel. Van het bemachtigen van nog meer schepen werd geheel
afgezien, omdat de bemanning al genoeg te doen had met het eene, dat in
hun handen was gevallen. Er stak een frissche bries op en ze zetten hun
fokkemarszeilen bij, juist toen een boot van wal stak; maar deze keerde
terug, zoodra zij zag, dat de fokkemarszeilen bijgezet waren. Dit
was een geluk, want anders zou alles ontdekt zijn. De overige schepen
gingen nu ook onder zeil en men hoorde overal de ankers lichten.
Maar de Nostra Senora del Carmen, die door Jack was buitgemaakt,
verroerde zich niet. Eindelijk ging de zon onder, de bagage werd
in den kotter geplaatst, de dames en verdere passagiers stapten in
de boot onder dankbetuiging aan Jack, die de hand op zijn borst
lei en een buiging maakte; het laatst van allen werd de kapitein
ingelaten. Vier wel gewapende matrozen brachten hen met hun goed aan
boord van de schebek en keerden vervolgens naar het schip terug. De
kotter werd nu opgeheschen; daar het anker te zwaar was om te lichten,
kapten ze den kabel en gingen onder zeil. De andere schepen volgden hun
voorbeeld. Mesty en de matrozen sloegen er begeerige blikken op, maar
dat hielp niet. Zoo zeilden ze omstreeks een uur lang in gezelschap
en toen stak Jack bij den wind op om zijn tocht te ondernemen.
Elfde hoofdstuk.
Onze held ondervindt dat zoo'n tocht ook zijn onaangename
zijde kan hebben.
Zoodra het schip den wind vlak achter had, schenen Jacks schepelingen
te denken, dat er nu niets meer te doen viel dan pret te maken; zij
brachten dus eenige kruiken wijn boven, en ledigden die zoo vlug,
dat ze weldra allen op het dek lagen te slapen, behalve de man aan
het roer, die in plaats van twee en dertig, vier en zestig punten
op het kompas kon onderscheiden en nu natuurlijk met te grooter
nauwkeurigheid kon sturen. Gelukkig was het mooi weer, want toen de
man aan het roer zoo lang gestuurd had tot hij niets meer zien kon en
afgelost wilde worden, vond hij al zijn scheepskameraads zoozeer door
vermoeienis overmand, dat er geen mogelijkheid bestond om ze wakker te
krijgen. Hij stompte ze een voor een ongenadig in de ribben, maar 't
gaf niets. Onder die omstandigheden deed hij evenals zij; hij ging bij
hen liggen en na tien minuten zou men hem, om hem wakker te krijgen,
al even hard hebben moeten stompen als hij zijn maats gedaan had.
Het schip volgde intusschen zijn eigen gang en zonder zich om richting
te bekommeren, draaide het gedurende het grootste gedeelte van den
nacht door bijna alle windstreken van het kompas. Mesty had de wachten
aangewezen, Jack een toespraak gehouden en de matrozen hadden alles
beloofd wat verlangd werd, maar de wijn was hun naar het hoofd gestegen
en bij die gelegenheid had hun geheugen een slipper gemaakt. Mesty
en Jack hadden bij het doorzoeken van de kajuit in de kapiteinshut
veertien duizend dollars in zakken gevonden. Zij besloten daarvan
niets aan de manschappen te zeggen, maar borgen het geld en wat er
verder van waarde was achter slot. Daarna bleven ze in de kajuit zitten
overleggen en praten, zoodat het niet te verwonderen viel, dat Jack,
die den vorigen nacht geen oog dicht had gedaan, het hoofd op tafel
liet zakken en in een vasten slaap raakte. Mesty hield de oogen nog
een poos open, maar ten laatste liet ook hij het hoofd op een kist
zakken en sluimerde in. Omstreeks één uur in den morgenstond was het
dus met de waakzaamheid aan boord van de Nostra Senora del Carmen al
zeer slecht gesteld.
Tegen vier uur in den morgen kreeg Mesty een schok, stootte het hoofd
tegen de tafel en werd daardoor gewekt.
"Verduiveld, daar was ik waarlijk in slaap gevallen," riep hij
uit. Hij trad aan het kajuitsraampje dat open gelaten was en bemerkte
dat een stevige bries er vlak in woei. "Te deksel! we hebben den
wind vlak achter gekregen," zei Mesty, "waarom hebben ze me niet
gewaarschuwd?" Hij haastte zich aan dek en vond het roer verlaten;
iedereen was dronken en het schip liep op goed geluk af met gebraste
ra's voor den wind op. Mesty gromde van nijdigheid, maar er viel geen
tijd te verliezen. Enkel de marszeilen waren bijgezet; hij streek ze,
duwde het roer aan lij en sjorde het vast, om onzen held te hulp te
gaan roepen. Jack sprong met schrik op en snelde naar boven.
"'t Is wat moois, meneer Rustig, we gaan allen naar den kelder met
die vervloekte dronken zwijnen; maar wacht, ik zal ze een beetje
opfrisschen." Hij schepte eenige putsen water, die hij over de
scheepsbemanning uitsmeet en dat scheen hen weer bij zinnen te brengen.
"Een vergrijp tegen de krijgsartikelen," zei Jack; "ik zal ze die
morgenochtend weer eens voorlezen."
"Weet je wat beter is, meneer Rustig? We bergen al den wijn achter
slot en deelen telkens niet meer dan mondjesmaat uit. Dat moet maar
dadelijk gebeuren, eer zij wakker worden."
Mesty ging naar beneden en liet Jack aan zijn overpeinzingen over.
"Ik weet niet," dacht Jack, "of ik wel een bijzonder slimme streek heb
uitgehaald. Hier zit ik me nu met een zootje kerels die geen eerbied
hebben voor de krijgsartikelen en allen smoordronken zijn. Ik heb een
groot schip, maar weinig manschappen; en als er slecht weer komt,
wat dan? want ik weet ternauwernood hoe een zeil geborgen moet
worden. Waarheen en hoe ik sturen moet weet ik ook niet en mijn
matrozen zijn evenmin op de hoogte. Maar toen we door de zeeëngte
de Middellandsche Zee binnenstevenden, vond ik 't er vrij nauw en we
kunnen er moeilijk weer doorheenraken zonder het te merken; bovendien
zou ik de rotsen van Gibraltar wel herkennen als ik ze opnieuw te
zien kreeg. Ik moest er Mesty eens over spreken."
Deze kwam spoedig terug met de sleutels van de bottelarij aan zijn
gordel.
"Nu zullen ze niet zoo gemakkelijk weer dronken worden," zei hij.
Nog een paar putsjes water brachten de matrozen verder bij hun
verstand; zij stonden weer op hun beenen en kwamen langzamerhand
weer op hun verhaal. De dag begon aan te breken en zij bespeurden,
dat het schip regelrecht op de Spaansche kust aanliep en er maar
een mijl van verwijderd was, en wel vlak tegenover een groote
kustbatterij. Gelukkig hadden ze nog tijd om vierkant te brassen,
en het schip onder de marszeilen langs den wal op te sturen, eer
zij opgemerkt werden. Waren zij bij daglicht in den toestand gezien,
waarin ze dien nacht hadden verkeerd, dan zouden de Spanjaarden kwaad
vermoeden hebben gekregen en als er een boot was afgezonden, zouden
ze, terwijl alle dronken waren, stellig op hun beurt ingerekend zijn.
De matrozen, die beseften in welk een gevaar zij hadden verkeerd,
luisterden deemoedig naar de verwijten van Jack en om des te meer op
hun gemoed te werken, haalde hij de krijgsartikelen voor den dag en
las hun al wat op dronkenschap betrekking had van het begin tot het
einde voor; maar zij hadden 't aan gangboord al zoo dikwijls hooren
voorlezen, dat het niet den vereischten indruk maakte. Mesty had wel
gelijk, toen hij beweerde dat zijn plan beter was; want niet zoodra
had Jack gedaan of de matrozen gingen naar beneden om nog een vaatje
wijn te halen, maar tot hun teleurstelling vonden ze alles achter
slot en grendel.
Intusschen riep Jack Mesty bij zich achteruit en vroeg hem of hij den
weg naar Toulon wist, waarop deze verklaarde dat hij er geen flauw
idee van had.
"Maar Mesty, dan hebben we misschien meer kans om den weg naar
Gibraltar terug te vinden, want, zooals je weet, hebben we bij het
binnenzeilen van de Middellandsche Zee het land steeds links gehad;
als we het nu rechts nemen, moeten we langs de kust weer terugkomen."
Mesty was 't met Jack eens, dat dit het toppunt van zeevaartkunst was,
en dat Smallsole met al zijn wijsheid en zijn kompassen er niets
aan zou verbeteren. Zij namen een rit uit de marszeilen, zetten
de bramzeilen bij en lieten het vaartuig van punt tot punt lang de
kust oploopen, waarbij ze voortdurend een mijl of vijf uit den wal
hielden. De matrozen maakten een flink maal gereed; Mesty gaf hun
den noodigen wijn en wel tweemaal zooveel als ze aan boord van de
Harpij gewoon waren, zoodat ze weldra tevreden schenen. Een hunner
echter voerde een hoog woord en beweerde bij kris en kras dat, als
de anderen hem maar wilden bijstaan, zij spoedig volop drank zouden
hebben. Maar Mesty keek hem eens scherp aan, trok zijn mes en zwoer
dat hij hem wel mores zou leeren; en Jack sloeg hem met een handspaak
tegen het dek zoodat de kerel tot het besef kwam, dat hij 't met de
ontvangen kastijding en met wat hem was toegezegd voorloopig best kon
doen. Als de vrees voor Mesty hen niet had teruggehouden zouden hoogst
waarschijnlijk al de andere matrozen zich even onbehoorlijk hebben
gedragen, maar toch moet erkend worden, dat ze wel wat beteuterd keken,
nu ze Jack zoo vaardig met de handspaak zagen manoeuvreeren.
Na dezen nacht hielden Jack en Mesty om beurten wacht en alles ging
zeer goed tot zij op de hoogte van Carthagena kwamen, waar zij door
een windvlaag uit het noorden uit het gezicht van de kust gedreven
werden. Zeil na zeil werd geminderd, wat bij gebrek aan handen heel
wat moeite kostte, en drie dagen lang stormde het hevig. De matrozen
waren doodop en ontevreden. Het was Jacks ongeluk, dat hij maar één
flinken kerel bij zich had: zelfs de onderofficier van de sloep, die
op het oog heel wat mans scheen, was niets waard: Mesty was Jacks
plechtanker. Den vierden dag bedaarde de storm, maar zij wisten op
geen voeten of famen na waar ze waren; dat zij afgedreven waren was
duidelijk, maar hoe ver, daar konden ze niets van zeggen en Jack begon
te beseffen dat zoo'n zeetochtje zonder de noodige stuurmanskunst een
zenuwachtiger iets was dan hij zich had voorgesteld. Maar er viel nu
eenmaal niets aan te veranderen. Dien nacht wendden zij den steven
en hielden 't over den anderen boeg, en bij het aanbreken van den
dag bemerkten zij, dat ze vlak bij eenige eilandjes waren en nog
dichter bij eenige groote rotsen, waartegen de zee hoog opspatte,
ofschoon de wind was gaan liggen. Opnieuw werd het roer omgesmeten
en zij ontsnapten het gevaar nog juist bijtijds. Zoodra de zeilen in
orde gebracht waren, kwamen de matrozen achteruit en stelden voor,
dat er uitgezien zou worden naar een geschikte ankerplaats waar
ze konden binnenloopen, want ze waren doodaf. Dit was zoo, en Jack
overlegde met Mesty, die het raadzaam oordeelde het verzoek in te
willigen. Dat de eilanden onbewoond waren bleek duidelijk genoeg;
het eenige waaromtrent men zich diende te vergewissen, was of er
een goede ankerplaats te vinden zou zijn. De onderofficier van de
sloep bood aan dit te gaan onderzoeken; hij zette met vier man van
boord af en keerde na ongeveer een uur terug met de verzekering dat
er genoeg water stond en het er zoo kalm was als op een molenvijver,
want de plek werd van alle kant en door land ingesloten. Daar zij het
boeganker niet konden lichten, bedienden zij zich van het werpanker
en, zonder ongelukken binnenloopende, kwamen zij tusschen de eilanden
in een kleine baai met zeven vademen water. De zeilen werden geborgen
en alles in orde gebracht door de matrozen, die daarop de boot namen
en aan wal roeiden. "Ze hadden eerst wel verlof kunnen vragen," dacht
Jack. Een uur later keerden zij terug en na wat gepraat onder elkaar
kwamen ze allen gezamenlijk achteruit bij onzen held.
De onderofficier was woordvoerder. Hij zei dat ze zulk een zwaar werk
hadden gehad en nu wat rust verlangden;--er was voor drie maanden
proviand aan boord, zoodat er volstrekt geen haast bestond en zij
best op den vasten wal een tent konden opslaan om daar eenigen tijd
te blijven; en daar het er niet op aankwam of ze aan den wal dronken
werden, verwachtten zij dat hun zou worden toegestaan mondbehoeften
en een goeden voorraad wijn mee te nemen. De anderen hadden hem
opgedragen verlof te vragen, maar ze waren besloten ook bij weigering
toch te gaan. Jack kreeg veel lust om met de handspaak te antwoorden,
maar hij zag dat al de matrozen hun messen en pistolen in den gordel
hadden steken en vond het dus verstandiger Mesty te raadplegen, die,
om het nuttelooze van den weerstand, Jack aanried toe te geven, en er
bijvoegde, dat de wijn maar hoe eer hoe beter opmoest, want zoolang
die strekte zou er niets uitgericht worden. Jack deelde nu heel genadig
mee, dat ze hun zin zouden hebben en hij hier zou blijven zoo lang zij
verkozen. Mesty gaf hun de sleutels van de bottelarij en zei met een
grijnslach dat ze zichzelven maar moesten voorzien. De matrozen gaven
nu aan Jack te kennen, dat hij en Mesty aan boord dienden te blijven,
om op het schip te passen, en dat zij den Spanjaard mee naar den wal
zouden nemen om voor hen te koken. Maar daartegen merkte Jack op, dat
hij zonder twee helpers onmogelijk aan hun opdracht kon voldoen, als
zij soms wenschten dat hij bij hen aan den wal zou komen. De matrozen
vonden die opmerking gegrond en lieten daarom Jack den Spanjaard bij
zich houden, opdat hij te vlugger gehoor zou geven aan hun roepstem
van het strand. Zij wenschten hem nu goedendag en hoopten dat hij
zich zou vermaken met de krijgsartikelen.
Zoodra zij een reserve-zeil in de boot hadden gesmeten, benevens eenige
sparren om een tent op te slaan en wat dekens, gingen zij naar beneden,
heschen twee van de drie vaatjes wijn, een paar zakken beschuit,
wapenen en ammunitie op, en zooveel zout als zij meenden noodig te
hebben. Toen de boot vol was stooten zij af onder een spotachtig,
driewerf herhaald hoezee. Jack was gevoelig voor dit huldeblijk;
hij stond aan gangboord, nam zijn hoed af en maakte een diepe buiging.
Zoodra zij weg waren, liet Mesty grijnzend zijn scherpgepunte tanden
blinken en onzen held aanziende zei hij:
"Wacht maar, ik zal ze dat wel betaald zetten, onze beurt komt
ook nog."
Jack zei niets, maar dacht des te meer. Na ongeveer een uur keerden de
matrozen in de boot terug: zij hadden allerlei dingen vergeten--hout
om een vuur aan te leggen en allerlei gereedschap. Zij voorzagen zich
onbeschroomd van het noodige en zoodra ze alles bijeen hadden wat ze
maar konden bedenken, begaven zij zich weer aan wal.
"Wat een geluk, dat we hun niets gezegd hebben van die dollars,"
zei Mesty tot Jack, die de beredderingen der matrozen stond gade
te slaan. "Dat is 't stellig," antwoordde Jack; "hoewel ze er hier
weinig aan zouden hebben."
"O neen, meneer Rustig, maar gesteld dat zij al het geld mochten
vinden, dan zouden zij de booten nemen er mee van doorgaan. Nu echter
heb ik ze in de val, wacht maar eens."
Er was een klein stukje spek op de loopplank blijven liggen. Jack
smeet het zonder erg over boord en daar het zeer vet was, zonk het
vrij langzaam weg. Jack keek het na en Mesty ook, en terwijl ze
daar zoo in gedachten staan, zien ze een donker voorwerp oprijzen:
't was een haai, die het spek ophapte en weer in de diepte verdween.
"Wat is dat?" riep Jack uit.
"Een haai, Massa Rustig--en wel een van de kwaadaardigste soort;
als je ze ziet, hebben ze je meteen beet ook", en Mesty's oogen
glinsterden van de pret. "Zoo waar ik leef, die beestjes zullen aan
de muiterij een einde maken; nu ben ik er achter."
Jack huiverde en verwijderde zich.
Den ganschen dag zag men de matrozen op het strand druk in de weer
met het maken van allerlei toebereidselen eer zij zich overgaven
aan onmatigheid. De tent werd opgeslagen, vuur aangelegd, al het
van boord meegenomene aan wal gerold en behoorlijk opgeborgen. Later
zag men ze zitten middagmalen en toen werd een van de vaatjes wijn
aangesproken. Te zelfder tijd had de Spanjaard, die een bedaarde
jongen was, voor Rustig en zijn nu eenigen kameraad het middagmaal
bereid. De avond viel en nu werd het aan wal een drukte en rumoer van
belang; onder zingen en dansen zag men bij het licht van het vuur de
wijnkannen zwaaien en toen zij begonnen te razen en te tieren en hoe
langer hoe meer beneveld raakten, wendde Mesty zich met een bitteren
lach tot Jack en zei enkel; "Wacht maar eens."