afwijking van den rechten weg ons onherroepelijk in de klem brengt. Ik
heb verkeerd gehandeld. Uit zucht om den jongen aan zijn vaders
leiding te onttrekken en uit vrees dat ik hem anders niet aan boord
zou krijgen, heb ik hem den dienst veel mooier voorgespiegeld dan
ik had moeten doen. Al wat hij zegt, heb ik hem zelf voorgepraat en
zoodoende ben ik eigenlijk dengene, die hem op een dwaalspoor heeft
gebracht. Meneer Smallsole heeft zich eigenmachtig en onrechtvaardig
gedragen; hij strafte den jongen zonder dat deze iets misdreven had,
en met dat al kom ik nu maar in een leelijk parket. Straf ik den
knaap, dan doe ik dat meer om mijn eigen fout en die van anderen, dan
om de zijne. Straf ik hem niet, dan laat ik toe, dat een ernstige,
openlijke schending der krijgstucht ongewroken blijft, wat hoogst
nadeelig zou zijn voor den dienst."
"Hij moet noodzakelijk gestraft worden, meneer," antwoordde Sawbridge.
"Laat hem eens hier komen," zei kapitein Wilson.
Jack verscheen en maakte een zeer beleefde buiging.
Meneer Rustig, daar gij in de meening verkeert dat de krijgsartikelen
al de wetten en voorschriften van den dienst behelzen, wil ik
aannemen dat gij uit onwetendheid gedwaald hebt. Maar al is dit zoo,
toch zult ge wel inzien, dat zulk een schending van de tucht niet
onopgemerkt voorbij kan gaan zonder een hoogst schadelijken invloed
uit te oefenen op de manschappen, wier gehoorzaamheid gesterkt
wordt door het voorbeeld der officieren. Ik ben stellig overtuigd
van uw dienstijver, dien gij nog gisteren heb getoond in het geval
met Easthupp, en ik twijfel geen oogenblik of gij zult inzien hoe
noodzakelijk het voor mij is, door u te straffen aan de bemanning
blijk te geven, dat de tucht gehandhaafd moet worden. Daarom zal ik
u op het halfdek ontbieden en last geven in den mast te klimmen en
wel in tegenwoordigheid van de gansche equipage, want uw weigering
is ook in aller tegenwoordigheid geschied."
"Met het grootste genoegen, kapitein Wilson," antwoordde Jack.
"En in het vervolg verzoek ik u er aan te denken, meneer Rustig, dat
als een meerdere u straft, en gij u verbeeldt onrechtmatig behandeld
te worden, gij u eerst aan de straf hebt te onderwerpen, en u daarna
tot mij kunt wenden om herstel van geleden onrecht."
"Zeer zeker zal ik dat, meneer," antwoordde Jack, "nu ik maar eenmaal
weet wat uw verlangen is."
"Gij zult me verplichten met naar het halfdek te gaan en daar te
blijven tot ik kom, meneer Rustig."
Jack boog zoo diep mogelijk en verwijderde zich.
"Die goede Jolliffe heeft me wel gezegd, dat ik er aan zou moeten
gelooven," zei Jack bij zichzelf, "en hij heeft 't geraden; maar ik
laat me hangen als ik niet volkomen gelijk had, en verder kan 't me
niet schelen."
Kapitein Wilson liet den stuurman roepen en gaf hem een uitbrander
over zijn baasspelen, daar er blijkbaar geen enkele reden voor straf
was geweest. Nooit mocht hij weer een adelborst den mast inzenden,
maar hij moest van wat hij een vergrijp achtte rapport doen aan den
eersten luitenant of aan hemzelf. Vervolgens begaf hij zich naar het
halfdek, liet Rustig bij zich komen en deelde hem naar het scheen
een duchtige berisping toe, waarbij Jack echter een vrij kalm gezicht
zette, omdat hij wel wist dat de kapitein alleen uit dienstijver hem
een standje maakte. Daarna kreeg onze held bevel den mast in te gaan.
Jack nam zijn hoed af en deed drie of vier stappen om aan het bevel
gevolg te geven, maar keerde toen eensklaps terug en vroeg met een
allerbeleefdste buiging of het kapitein Wilsons bedoeling was dat
hij in den fokkemast, of wel dat hij in den grooten mast zou klimmen.
"In den grooten, meneer Rustig," antwoordde de kapitein en beet zich
op de lippen. Jack klauterde een sport of drie den Jacobsladder op,
maar hield toen opnieuw stil en nam zijn hoed af.
"Verschoon me, kapitein Wilson--gij hebt me niet gezegd of het uw
wensch was dat ik tot de steng of tot de bramdwarszalings....
"Tot de bramdwarszalings, meneer Rustig," viel de kapitein haastig in.
Jack klom nu op zijn gemak naar boven, hield bij de groote mars
even stil om adem te scheppen, wat verderop om eens rond te kijken
en kwam ten slotte op de bedoelde plek, waar hij zitten ging en zijn
krijgsartikelen voor den dag haalde om ze nogmaals te doorlezen, ten
einde te zien of bij aan zijn betoog soms nog meer kracht had kunnen
bijzetten. Nog nauwelijks had hij 't tot het zevende artikel gebracht
of er werd geroepen: "Anker op!" en meneer Sawbridge kommandeerde:
"Alle hens beneden!"
Jack vouwde nu zijn afschrift op en kwam even langzaam naar omlaag
als hij naar boven geklauterd was. Hij was een veel beter wijsgeer
dan zijn vader.
Weldra was de Harpij onder zeil en richtte den steven naar Kaap de
Gata, waar kapitein Wilson een paar Spaansche schepen hoopte in te
rekenen, om daarna koers te zetten naar Toulon, waar hij bevelen van
den admiraal zou ontvangen.
Zwakke briesjes en windstilten wisselden elkaar af, zoodat de vaart
erg vervelend was; maar de booten werden telkens uitgezet om langs
de kust jacht te maken op schepen. Meestal verzocht Jack om daarbij
dienst te mogen doen, en ofschoon hij nog maar kort op zee was, kon
hij toch om zijn leeftijd en kracht tot de meest bruikbare adelborsten
gerekend worden, zoolang hem niet een of andere gril in het hoofd
kwam. Jack had dan ook tot nog toe al die tochten meegemaakt en zich
daarbij steeds voorbeeldig gedragen.
Toen de Harpij op de hoogte van Tarragona was, deden er zich aan boord
verscheidene gevallen van buikloop voor; ook Asper en Jolliffe waren
onder de lijders. Hierdoor werd het aantal der officieren beperkt
en juist in die dagen had de bemanning van een visschersboot,
in de hoop van daardoor zelf vrij te komen, medegedeeld dat er,
zoodra de wind gunstig zou zijn, van den kant van Rosas een klein
konvooi koopvaardijschepen zou opkomen onder bedekking van twee
kanonneerbooten.
Kapitein Wilson hield behoorlijk uit den wal, totdat de wind
veranderde en, nadat hij aan de schepen den tijd had gegund om den
afstand tusschen Tarragona en Rosas af te leggen, legde hij 't er in
den avond op aan om ze weer in te halen. Maar de wind ging opnieuw
liggen en nu werden de sloepen uitgezet met het doel om langs de
kust te varen, want men veronderstelde dat de vaartuigen niet veraf
konden zijn. Meneer Sawbridge voerde in de pinas de expeditie aan;
de eerste kotter stond onder bevel van den konstabel Minus; en, daar
de andere officieren ziek waren, gaf Sawbridge aan Jack, met wien hij
dagelijks meer ophad, op zijn verzoek het kommando over den tweeden
kotter. Zoodra Mesty dat hoorde, gaf hij aan onzen held te kennen,
dat hij mee wenschte te gaan. Jack wist nu te bewerken, dat Mesty mee
mocht als plaatsvervanger van een der mariniers, die onder de lijders
aan buikloop behoorde, en de eerste luitenant vond daar geen bezwaar
in, vooral daar Mesty als een handige kerel bekend stond.
Om tien uur in den avond verlieten de booten het schip; en daar zij
misschien eerst laat op den volgenden dag zouden terugkeeren, werd
er voor één dag beschuit en rum mee aan boord genomen, opdat er geen
gebrek zou geleden worden. De booten hielden op den wal aan en voeren
drie uren langs de kust zonder iets te zien; 't was een heldere avond,
maar zonder maanlicht. De windstilte duurde voort en reeds begonnen
de roeiers vermoeid te worden, toen zij opeens bij een landtong het
konvooi onder een lichten bries met gebraste zeilen zagen naderen.
Onmiddellijk beval meneer Sawbridge het roeien te staken en zich
onder afwachting voor den aanval gereed te maken.
De witte zeilen van de kanonneerboot vooraan waren nu duidelijk te
onderscheiden van de andere vaartuigen, die alle zonder eenige orde
in haar zog voeren. Als een fiere zwaan gleed zij over het water,
de zeilen stonden gespannen en ze had een vaart van drie knoopen in
het uur.
Sawbridge liet de booten met de koppen recht op haar aanhouden en,
eer ze er op verdacht was, bevond ze zich tusschen de barkas aan
den eenen en de twee kotters aan den anderen kant; de tegenstand was
gering, maar toch werden er eenige geweer- en pistoolschoten gelost,
waardoor alarm werd gemaakt. Meneer Sawbridge vermeesterde ze met de
bemanning van de barkas, terwijl hij de kotters op de grootste schepen,
van het konvooi afzond. Maar nu kwam de tweede kanonneerboot, die tot
nog toe niet gezien was, plotseling opdagen om haar kameraad te hulp
te schieten.
Sawbridge kommandeerde de helft van zijn manschappen in de barkas,
die van een stuk zwaar geschut voorzien was en zond haar aan de kotters
te hulp, die recht op de kanonneerboot aanstevenden. Er werd tegen de
naderende booten een hevig vuur geopend, maar daar de bevelvoerende
officier van de kanonneerboot geen hulp kreeg van de andere, begon
hij te meenen dat ze al prijs gemaakt was, loefde bij den wind op en
koos de volle zee. Onze held zette haar na, ofschoon hij de andere
booten uit het gezicht had verloren; maar de wind werd aangewakkerd en
alle vervolging werd vruchteloos. Daarom richtte hij zijn koers naar
het konvooi en na ingespannen roeien klampte hij een eenmaster van
ongeveer vijftig ton aan boord. Metsy, wiens oogen zoo scherp waren
als die van een valk, had opgemerkt dat, toen er alarm werd gemaakt,
verscheidene van het konvooi nog niet den hoek om waren en daarom
stelde hij voor met dit vaartuig, dat zeer licht was, korte gangen te
maken, de landtong om te zeilen, alsof ze op de vlucht waren, en op
die wijze gelegenheid te vinden nog eenige andere buit te maken. Het
konvooi, dat de hoek reeds om was, had met de kanonneerboot onder
een stevige bries het ruime sop gekozen. Het achterna te zetten was
dus nutteloos; en enkel het voorstel van Mesty bood eenige kans aan.
Zoo was hij met een gang of drie, vier ongeveer zes of zeven mijlen
verder gekomen, toen hij aan lij seinen tot terugroeping bespeurde,
waaraan het geschut kracht bijzette.
"Meneer Sawbridge verlangt, dat we terug zullen komen, Mesty."
"Laat meneer Sawbridge zich met zijn eigen zaken bemoeien." antwoordde
Mesty, wij hebben toch al die moeite van het laveeren niet voor
niet gedaan."
"Maar Mesty, we moeten de bevelen gehoorzamen."
"Jawel, zoolang ze ons onder den duim hebben; maar nu moeten we
doen wat we zelf willen. Als hij me terug wil zien, moet hij me
maar vangen."
"Maar wij zullen van het schip afdwalen."
"Dat vinden we wel terug, Massa Rustig."
"Maar ze zullen denken, dat we verongelukt zijn."
"Des te beter, we moeten niet achter ons zien, Massa Rustig; we kunnen
nu eens een prachtigen tocht hebben. Morgen nemen we een groot schip,
gaan onder zeil, nemen er nog meer, en gaan dan naar Toulon."
"Maar ik weet den weg niet naar Toulon; ik weet alleen dat het dien
kant uit ligt, en meer niet."
"Dat is genoeg, wat behoeven we meer te weten? Vooronderstel eens,
Massa Rustig, dat wij de vloot niet vinden, dan zal de vloot ons
spoedig vinden. Er is hier nog nooit iemand verloren geraakt. Laat in
't vervolg een ander beschuit roosteren en den ketel te vuur zetten
voor de heeren. Zoo'n moorddadige Ier! als ik er nog aan denk, Massa
Rustig--ik pot koken, ik, die in mijn eigen land een vorst was!"
Rustig was het vrij wel met Mesty eens; "want," zoo redeneerde hij,
"als ik nu terugkeer breng ik enkel een klein vaartuig half vol boonen
mee en ik zou me schamen me te vertoonen. Nu zullen ze wel vermoeden,
dat de kanonneerboot ons in den grond heeft geboord, maar ze kunnen dan
ook wijzen op een gevecht met een kanonneerboot. Het zal den schijn
hebben, alsof er veel feller gestreden is dan werkelijk het geval
was, en dat kan meneer Sawbridge tot voordeel strekken. En wat een
blijdschap, als ze later ontdekken dat we niet om zeep zijn geraakt,
te meer als we bovendien buit mee brengen--wat stellig gebeuren moet,
of anders ga ik niet terug. 't Komt niet dikwijls voor, dat iemand
een kommando krijgt als hij pas twee maanden op zee is en nu ik er
eenmaal een heb, wil ik 't niet weer afstaan. Meneer Smallsole moet
maar een ander zien te vinden om den mast in te zenden. Het spijt me
alleen voor dien armen Gossett; houdt Vigors mij voor dood, wat zal hij
't dien armen stakker dan benauwd maken--maar als ik terugkom zal hij
er van lusten. In elk geval wil ik van mijn kruistocht niet afzien."
"Ik heb er de manschappen over gesproken, Massa, en ze zeggen allen,
dat ze als een klis zullen aanhangen. Nu dat in orde is, moesten we
maar niet langer talmen."
Korten tijd na deze beslissing van den kant van onzen held, brak de
dag aan. Jack keek eerst aan lij en bespeurde dat de kanonneerboot
en het konvooi ongeveer tien mijlen verder met volle zeilen op de
kust aanhielden, achtervolgd door de Harpij. Hij kon ook waarnemen,
dat de veroverde kanonneerboot hun 't ontsnappen poogde te beletten.
"De Harpij zal ze gauw ingerekend hebben!" riep Mesty uit.
Zij hadden 't zoo druk met naar de Harpij en het konvooi te kijken,
dat ze een tijd lang geheel en al vergaten op de loefzijde te
letten. Eindelijk wendde Mesty de oogen dien kant uit.
"Te deksel! ik heb toch wel goed gezien gisterennacht; kijk maar,
Massa Rustig--een brik en twee schoeners--die zijn ons. We zullen
vannacht goeden buit maken."
De door Mesty ontdekte schepen waren niet meer dan drie mijlen te
loevert op verwijderd en hadden alle zeilen bijgezet om spoedig onder
bescherming van een nabijgelegen batterij te komen.
"Nu moeten we vooral zorgen, Massa, dat ze onze boot niet in de
gaten krijgen; laten we liever wat meer afhouden, totdat zij voor
den nacht het anker laten vallen; als het dan donker is geworden,
pakken wij ze in."
Mesty's raad was goed, behalve dat hij onzen held niet tot
ongehoorzaamheid aan de bevelen had moeten aanzetten. Zij deden al hun
best om te zorgen, dat het schip niet te dicht bij de anderen kwam,
en sloegen de bewegingen van de Harpij nauwkeurig gade.
De afstand was te groot om duidelijk te kunnen onderscheiden, maar
Mesty klom in den mast van het schip en hield Jack geregeld op
de hoogte.
"Daar valt een schot--al weer een. Dat is onze kanonneerboot--neen toch
niet. Wacht, daar heb je ze. Jongens, wat geven ze vuur! Bom, bom,
bom! De Spanjaard krijgt 't leelijk te kwaad, hij houdt op met vuren
en strijkt de vlag al. De Harpij rekent ze allen in. Laten we ons nu
maar niet te veel vertoonen; enkel twee man aan dek en de jekkers uit,
dat ze ons niet herkennen."
Mesty had goed gezien; de Harpij had de andere kanonneerboot en
het heele convooi vermeesterd. Het eenige, waarover ze zich bij dat
buitenkansje te beklagen hadden, was de verdwijning van meneer Rustig
en den kotter; zeker was hij door een schot van de kanonneerboot in den
grond geboord en de gansche bemanning verdronken. Kapitein Wilson en
meneer Sawbridge betreurden het verlies van onzen held innig, omdat ze,
als eenmaal de wilde haren er uit zouden zijn, veel van hem verwacht
hadden, Ook meneer Asper speet het zeer, vooral omdat met Jack ook
zijn beurs verdwenen was, en de kleine Gossett beklaagde zich het
meest, omdat hij nu van Vigors geen genade meer te wachten had. Enkele
echter waren blij, dat hij weg was. Vier en twintig uren werden de
verloren gewaanden betreurd, wat voor een oorlogsschip al heel lang
is, en daarna dacht niemand meer aan hen. We laten nu de Harpij haar
weg naar Toulon voortzetten en zullen zelf onzen held volgen.
De bemanning van den kotter begreep zeer goed, dat Jack tegen de
bevelen handelde, maar iedere afwisseling van het eentonige leven op
een oorlogsschip was hun welkom.
Er moest echter spoedig wat gedaan worden, want ze hadden maar voor
één dag proviand bij zich en ook op het Spaansche schip vonden ze haast
niets dan boonen. Een deel er van werd in een ketel gedaan om er soep
van te koken en nu was het dien eersten dag boonensoep voor ontbijt,
boonensoep voor het middagmaal en altijd maar weer boonensoep, wat
Jack lang niet beviel.
Door een der matrozen, die wat Spaansch verstond, werden nu de drie
gevangenen, die op het schip waren, ondervraagd naar de vaartuigen te
loevert, maar zij wisten niet meer te vertellen, dan dat ze waarde
inhadden en dat het eene van geschut voorzien was. Zoodra de zon
onderging, lieten de schepen op de hoogte van de batterij de ankers
vallen. Er bleef een flauw briesje waaien en het schip, waarop Jack
zich bevond, was omstreeks vier mijlen aan lij. De Harpij was geheel
uit het gezicht geraakt, en 't werd nu tijd te beslissen wat men doen
zou. Zoodra het donker geworden was, liet Jack al de manschappen
bijeenkomen en hield een vrij lange toespraak. Hij wees er op, hoe
zijn ijver er hem toe gebracht had niet naar de Harpij terug te keeren,
voordat hij iets mee kon brengen wat de moeite waard was; het eten van
altijd maar boonen en nog eens boonen was verre van pleizierig en hun
toestand eischte noodzakelijk verbetering; op nog geen vier mijlen
afstand lag een groot schip, dat hij van plan was te vermeesteren;
hadden ze dat eenmaal dan zouden ze er nog meer nemen; hij rekende op
hun dapperheid en stelde zich van den kruistocht heel wat voor. Zij
moesten zich beschouwen als aan boord van een oorlogsschip, zoodat ze
gebonden waren door de krijgsartikelen, die voor allen evenzeer golden,
en in geval zij ze vergeten mochten zijn, had hij een afschrift in
zijn zak, dat hij morgenochtend zou voorlezen, zoodra zij aan boord
van het schip goed op orde waren. Daarna benoemde hij Mesty tot eersten
luitenant, den marinier tot sergeant, den kwartiermeester tot bootsman;
twee matrozen tot adelborsten om wacht te houden; twee anderen tot
bootsmansmaats en de twee, die nog overbleven, werden aangewezen tot
stuurboord- en bakboord-wacht. De bemanning van den kotter was zeer
tevreden met Jacks toespraak en met hun bevordering en nu volgde er een
gewichtige beraadslaging hoe men het moest aanleggen om het vreemde
schip te veroveren. Naar Mesty's raad besloot men niet ver voor het
schip te ankeren, tot twee uur in den morgenstond te wachten, en het
dan met den kotter zoo stil mogelijk te naderen en te vermeesteren.
Tegen negen uur ankerden zij en Jack bemerkte tot zijn verwondering,
dat het schip vrij wat grooter was dan hij vermoed had. De Spaansche
gevangenen werden aan handen en voeten gebonden en men zorgde er voor
dat ze geen geluid konden geven; de zeilen werden geborgen en alles
was doodstil.
Aan boord van het Spaansche schip daarentegen heerschte veel drukte
en leven, en omstreeks half elf zagen ze een boot afzetten en naar
de wal roeien; daarna hield het rumoer langzamerhand op. de lichten
gingen een voor een uit en toen was alles stil.
"Wat dunkt je, Mesty?" zei Jack; "zouden we het nemen?"
"Of we het nemen zullen? Zeker zullen we dat, wacht maar even, laat
ze eerst maar in vasten slaap zijn."
Tegen twaalven begon het te motregenen, wat de plannen van onzen
held zeer te stade kwam. Daar het echter te voorzien was dat de
lucht spoedig weer zou ophelderen, raadde Mesty aan nu niet langer
te dralen. Zij kropen zoo stil mogelijk in de boot, roeiden slechts
met twee riemen, lagen weldra onder den boeg van het schip en klommen
langs de ankerkettingen op het dek, waar ze niemand vonden. "Pas op,
niet schieten!" zei Mesty tegen de manschappen die boven kwamen en lei
hun daarbij den vinger op de lippen, om tot stilte aan te manen. Toen
allen op het dek waren en de boot vastgelegd was, gingen ze onder
geleide van Jack en Mesty behoedzaam rond, zonder een levende ziel
te ontdekken. De luiken waren allen zorgvuldig gesloten, maar in het
kompashuisje brandde een licht. Twee man werden naar voren gezonden
om daar de wacht te houden en nu werd er bij het stuurrad overlegd
wat er gedaan moest worden.
"Het schip is ons!" zei Mesty, "maar we moeten heel voorzichtig te werk
gaan. Daar ligt er geloof ik eentje tusschen de kanonnen te slapen. Als
de regen even vermindert, kunnen we beter zien. Stil allemaal."
"Er moeten heel wat manschappen op dit schip zijn," merkte onze held
op; "het is vrij groot en voert twaalf of veertien stukken geschut--hoe
zullen we er ons meester van maken?
"Dat komt in orde, zoodra 't maar wat lichter wordt," antwoordde Mesty.
"De regen heeft al opgehouden," zei Rustig. "Als we die lantaren eens
uit het kompashuisje namen en rondlichten?"
Dit geschiedde en weldra vonden ze tusschen twee van de kanonnen een
hoop onder eenige dekens liggen. "Daar heb je de wacht," fluisterde
Mesty; "geduld even--we zijn noch niet klaar."
Mesty blies het licht uit en allen keerden terug naar het
kompashuisje. Dicht bij den bezaansmast vond onze neger een kabel,
waarvan hij eenige stukken afsneed en die hij aan de anderen te
splitsen gaf. In een oogenblik waren er nu een menigte einden touw
om de manschappen mee te binden.
"Nu de lantaren weer opgestoken, dan zullen we die luie honden eens
inrekenen. Stop hun vooral den mond, dat ze geen kik kunnen geven."
"Maar als ze nu eens den mond vrij krijgen en een schreeuw
laten?" vroeg Jack.
"Dan geen pardon meer?" antwoordde Mesty met een bijna duivelsche
uitdrukking op zijn gelaat en liet het mes zien, dat hij in de
rechterhand hield.
"O neen, geen moord!"
"Als het anders kan, dan zeker niet, Massa. Maar wat zal er van ons
worden als zij de overhand krijgen? De Spanjaarden hebben ook messen
en maken er duchtig gebruik van."
Zij slopen nu behoedzaam naar de plek waar de Spanjaards lagen. De
maatregelen waren goed genomen. Twee man moesten proppen in de monden
stoppen en de anderen handen en voeten binden. Mesty en Rustig knielden
bij het kaarslicht naast hen neer en hielden de messen opgeheven om
hen het zwijgen op te leggen, of toe te stooten, als hun eigen behoud
dat vereischte.
De dekens werden van den eersten man afgelicht; hij sloeg de oogen
op, maar de bootsman had hem de hand al op den mond--en hij werd
zonder gerucht geboeid. De beide anderen werden wakker en wierpen
hun bedekking af, maar ook zij werden ingerekend, zonder dat er bloed
behoefde gestort te worden.
"Wat nu gedaan, Mesty."
"Nu het achterluik opengezet en opgepast--zoodra er een boven komt
wordt hij gekneveld; komen er geen meer boven, dan wachten we tot de
dag aanbreekt en zien hoe het er mee staat."
Mesty ging eens op den bak kijken of er wel goed wacht gehouden werd,
en na het heele dek rondgeweest te zijn blies hij de kaars uit en
vatte met de overigen post bij het achterluik.
Met het aanbreken van den dag ontwaakten de Spanjaarden, die de wacht
moesten overnemen, kleedden zich en kwamen aan dek zonder een flauw
vermoeden, dat de Engelschen er meester zouden zijn. Mesty en de
overigen hielden zich terug en lieten allen boven komen zonder dat
zijzelf opgemerkt werden. Er waren er vier, die slaperig rondkeken,
waar hun kameraads toch wel wezen mochten.
Het luik werd door Jack weer gesloten, en eer zij goed wisten wat
hun overkwam, waren allen vier stevig geboeid, zonder dat er een kik
was gelaten.
Intusschen begon het vrij licht te worden en zij bespeurden nu
dat ze een flink schip vermeesterd hadden--maar er viel nog meer
te doen. Natuurlijk bevonden zich een aantal manschappen op het
schip en bovendien waren ze geen mijl verwijderd van de batterij
op de kust. Mesty liet nu boven het rooster van het voorluik een
flinken kabel opschieten, zoodat de zwaarte daarvan het openen van
den binnenkant belette.
"De hoofdzaak is nu, meneer Rustig, dat we den kapitein in onze macht
krijgen; we moeten hem op het dek lokken. Zet het kajuitsluik open en
houd het achterluik goed gesloten. Laat er twee man bij post vatten
en de overigen naar achteren komen."
"Ja," antwoordde Jack, "'t zal heel wat moeite in hebben ons van den
kapitein te verzekeren. Hoe krijgen we hem boven?"
"Hem boven krijgen? O, dat zal best gaan."
Mesty begon nu met een opgerolden kabel een vreeselijk misbaar op het
dek te maken. Kort daarop hoorde men een driftig schellen van uit de
kajuit en een oogenblik later kwam er een man de kajuitstrap ophollen,
doch werd onmiddelijk ingerekend.
"Dat is de oppasser maar," zei Mesty, "hij komt vertellen, dat we
niet zoo'n verduiveld leven moeten maken. Wacht even--we zullen den
kapitein zoo kwaad maken, dat hij zelf voor den dag komt."
Mesty hervatte nu het leven maken met den kabel, en het gevolg was
zooals hij voorspeld had. Binnen weinige minuten kwam de kapitein
zelf woedend naar boven stuiven. Zoodra zij de kajuitsdeur hoorden
opensmijten verscholen zich de matrozen en onze held achter de vrij
hooge kap van het luik, ten einde den kapitein gelegenheid te geven om
geheel en al op het dek te komen. De manschappen, die reeds gekneveld
waren, lagen onder de dekens. De kapitein was een forschgebouwd man
en het kostte heel wat moeite hem meester te worden.