hij er nooit mee in botsing zou komen, en wat hem vooral verwonderde,
was het stellige verbod tegen het vloeken, dat toch aan boord als
een doode letter werd beschouwd. Over het geheel genomen meende hij
nu vrij wel te weten, waar hij zich aan te houden had, maar voor
alle zekerheid verzocht hij, zoodra de manschappen door een stoot
op de fluit naar beneden gekommandeerd waren, den schrijver om een
afschrift van de artikelen.
Nu had de schrijver er wel drie, maar maakte toch bezwaar er een
af te staan. Ten laatste beloofde hij, dat Jack een der copieën zou
krijgen, als hij hem daarvoor een tandenborstel wilde geven, want de
zijne was door den een of anderen gauwdief gekaapt. Jack antwoordde,
dat de door hem gebruikte al tamelijk versleten was en hij maar één
nieuwen had, dien hij onmogelijk missen kon. Daarop zei de schrijver,
die heel netjes was, en een afschuw had van vuile tanden, dat als
Jack van den nieuwen borstel geen afstand wilde doen, hij zich
tevreden zou stellen met den gebruikten. De ruil geschiedde en Jack
las nu de krijgsartikelen zoo dikwijls over, tot hij ze nagenoeg van
buiten kende.
"Zie zoo", zei Jack, "nu weet ik wat me te doen staat en waar ik me
voor te wachten heb. Zoolang ik in dienst blijf, zal ik die artikelen
steeds in mijn zak dragen, als ze het ten minste zoolang uithouden; en
al doen ze dat niet--allicht heb ik dan weer een ouden tandenborstel
om er tegen in te ruilen, want dat schijnt nu eenmaal de prijs er
van te zijn."
De Harpij bleef veertien dagen in de baai van Gibraltar liggen. Jack
had nog al eens gelegenheid om aan wal te gaan en daarbij vergezelde
meneer Asper hem geregeld.
Op een morgen kwam Jack beneden in de kajuit en vond er den jongen
Gossett huilende.
Wat scheelt er aan, mijn beste Gossett? vroeg Jack.
"Vigors heeft me met een eind touw afgerost," antwoordde Gossett,
terwijl hij zijn arm en zijn schouders wreef.
"Waarom?" vroeg Jack.
"Wel, hij beweert, dat de dienst heel in de war loopt--waaraan ik
toch geen schuld heb--en dat het gedaan is met alle gezag, nu er
nieuwelingen aan boord komen, die, omdat ze een paar tientjes op zak
hebben, maar alles mogen doen wat ze willen. Maar hij zou er eens de
hand aan houden, en bij die verklaring heeft hij me tegen den grond
gesmeten--en toen ik weer op de been was, moest ik blijven staan--en
toen haalde hij zijn eind touw voor den dag en zei, dat bij van plan
was zich eens duchtig te laten gelden en dat het maar uit moest wezen
met dien Jack zijn Gelijkheid.
"Zoo!" antwoordde Jack.
"En toen heeft hij me een half uur geranseld."
"Zoo waar als ik leef, Massa Rustig, 't is precies zoo gebeurd. Stellig
moet hij erg zwak van geheugen zijn," vervolgde Mesty, "en weer een
lesje noodig hebben van Jack Gelijkheid."
"En daar zal hij niet van vrijloopen ook," antwoordde onze held,
"hoewel het strijdt tegen het artikel dat luidt: 'alle twist en
vechterij enz.' Gossett, heb je een beetje meer begrip dan een
garnaal?"
"Jawel," antwoordde Gossett.
"Nu, wil je dan een volgenden keer doen wat ik je zeg, en op mijn
bescherming rekenen?"
"'t Kan me niet schelen wat ik doe," hernam de jongen, als gij me
maar helpt tegen dien laffen dwingeland."
"Bedoel je daar mij soms mee?" beet Vigors hem toe, die juist in de
deur van de kajuit verscheen.
"Zeg ja," fluisterde Jack.
"Ja, jou!" riep Gossett uit.
"Ei zoo, mannetje, dan zal ik je nog een beetje er van langs moeten
geven," zei Vigors en haalde zijn eind touw voor den dag.
"Je deed beter met dat te laten, meneer Vigors," merkte Jack op.
"Bemoei je alsjeblieft met je eigen zaken," antwoordde Vigors,
die volstrekt niet op zoo'n tusschenkomst gesteld was. "Ik heb
't niet tegen jou, en het zal me pleizier doen als je je niet met
mij inlaat. Ik heb, dunkt me, alle recht om zelf mijn kennissen te
kiezen, en den omgang van een gelijkheidskramer zoek ik niet, reken
daar gerust op."
"Zooals je verkiest, meneer Vigors," antwoordde Jack, "'t staat u vrij
uw eigen kennissen te kiezen, maar ik heb evengoed dat recht en zal
mijn vrienden bijstaan ook. Deze jongen is mijn vriend, meneer Vigors."
Zelfs op gevaar af van een tweede gevecht met Jack, kon Vigors toch
zijn grootspreken niet laten en hernam: "Dan zal ik zoo vrij zijn uw
vriend een pak slaag te geven," terwijl hij onmiddellijk de daad bij
het woord voegde.
"Dan zal ik zoo vrij zijn mijn vriend te verdedigen," antwoordde Jack;
"en daar gij mij een gelijkheidskramer hebt genoemd, zal ik trachten
dien naam niet te verliezen,"--en bij die woorden gaf Jack hem zulk
een peuter onder zijn oor, dat hij over het dek rolde en niet in
staat was zich weer op te richten. Jack wrong hem nu het eind touw
uit de hand en zei toen tot Gossett: "Nu geef jij hem hiermee maar
eens een duchtig pak, of anders krijg je zelf van mij er langs."
Gossett liet zich dat geen tweemaal zeggen; het genot zijn vijand
te kunnen afranselen, al was het ook maar voor eens, was al te
verleidelijk--en hij spaarde zijn krachten niet. Met gebalde vuisten
stond Jack klaar om bij het minste verzet zijn vriend te verdedigen;
maar Vigors was half versuft van den ontvangen opstopper en verroerde
geen vin, hij liet zich gedwee afrossen.
"Zoo is 't genoeg," zei Jack eindelijk; "en wees nu maar niet bang,
Gossett; den eersten den besten keer dat hij je aanraakt als ik er
niet bij mocht zijn, zal ik 't hem betaald zetten, zoodra jij 't me
verteld hebt. Ik wil niet voor niets Jack Gelijkheid genoemd worden."
Toen Jolliffe, die van het geval hoorde, onzen held weer eens alleen
aantrof, zei hij tot hem: "Neem een goede raad van mij aan, vriend,
en steek je knuisten niet telkens uit ter wille van anderen, je zult
spoedig ondervinden, dat er voor jezelven al genoeg te vechten valt."
Jack sloeg daarop een halfuur lang aan 't redeneeren, waarna ze
afscheid van elkaar namen. Maar Jolliffe had gelijk. Jack had elk
oogenblik stribbelingen, en ofschoon de kapitein en de eerste luitenant
hem hun bescherming niet onthielden, begonnen zij 't toch hoog tijd te
vinden, dat Jack tot inzicht kwam, hoe aan boord van een oorlogsschip
iedereen en alles zich aan de voorschriften te houden had.
Aan boord van Zijner Majesteit fregat Harpij was ook iemand die
Easthupp heette en den post van onderbetaalmeester bekleedde. Hoe
hij eigenlijk aan dat baantje gekomen was viel moeilijk te verklaren,
want hij had vroeger wegens dieverij op minder aangename manier met
den strafrechter kennis gemaakt. Lezen en schrijven had hij in het
werkhuis geleerd en nadat hij daaruit ontsnapt was, sloot hij zich in
Londen bij een bende jeugdige dieven aan om ten slotte zakkeroller
te worden. Zijn uiterlijk was vrij gunstig en met zijn onbeschaamde
grootspraak wist hij velen zand in de oogen te strooien; ook stak hij
altijd netjes in de kleeren en op zijn manieren viel niet veel aan
te merken. Ofschoon hij de taal deerlijk havende, was hij toch rad
van tong, en daar hij herhaalde malen met het gerecht in aanraking
was geweest, viel het niet te verwonderen, dat hij zich door en door
radikaal noemde.
Toen nu Easthupp van Jack's denkbeelden hoorde, wilde hij dadelijk
kennis met hem aanknoopen en nog eer ze Gibraltar bereikten, kwam
hij zichzelf met veel strijkages voorstellen. Onze held kon den kerel
echter al dadelijk niet uitstaan om zijn overmatige en onbeschaamde
gemeenzaamheid.
Als Jack iemand ontmoette, merkte hij aanstonds of hij met een
beschaafd man te doen had, en hij verkoos zich niet in te laten met
personen, die hij te ver beneden zich achtte. Zóó ver ging Jack's
gelijkheid niet; in theorie was alles goed en wel, maar in de practijk
lette hij er wel degelijk op, of iets in zijn kraam te pas kwam.
Maar de onderbetaalmeester was niet zoo gemakkelijk af te schepen; en
al liet Jack hem duidelijk merken, dat zijn gezelschap hem volstrekt
niet aanstond, toch klampte Easthupp hem telkens op gemeenzame wijze
aan. Ten slotte zei Jack hem ronduit, dat hij niets met hem te maken
wou hebben, waaruit een woordentwist onstond, die zóó hoog liep, dat
Jack den ander een schop gaf, die hem door het luik van het achterdek
naar beneden deed tuimelen. Dit was al een heel bedenkelijk bewijs van
Jack's gelijkheid--en Easthupp, zich in zijn eer gekrenkt achtende,
diende zijn beklag in bij den kapitein, die nu onzen Rustig bij zich
liet komen.
Niet zoodra was Jack verschenen of kapitein Wilson riep ook Easthupp.
"Wel, onderbetaalmeester, wat heb je nu eigenlijk in te brengen?"
"Met uw verlof, kapitein Wilson, het is me hoogst onaangenaam, dat
ik verplicht ben mij over iemand te beklagen, maar hier meneer Rustig
heeft goed gevonden uitdrukkingen tegen mij te bezigen, die voor een
fatsoenlijk mensch in 't geheel niet passen en bovendien heeft hij
me een schop gegeven, zoodat ik door het luik ben getuimeld."
"Is dat waar, meneer Rustig?"
"Ja, meneer," antwoordde Jack. "Herhaalde malen heb ik den kerel
gezegd, dat hij zich niet met mij bemoeien moest, en toch laat hij
't niet. Ik heb hem een radikalen ellendeling genoemd en hem een
schop gegeven."
"Heb je hem een radikalen ellendeling genoemd, meneer Rustig?"
"Ja, meneer, want hij relt me altijd aan de ooren over zijn republiek,
en beweert dat we geen koning en geen aristocratie noodig hebben."
Kapitein Wilson wisselde een veelbeteekenden blik met meneer Sawbridge.
"Ik heb inderdaad mijn politieke gevoelens kenbaar gemaakt,
kapitein Wilson, maar u gelieve niet te vergeten, dat wij allen
een gelijk aandeel in het land hebben--dat is het geboorterecht van
een Engelschman.
"Welk aandeel gij in het land hebt, begrijp ik niet goed, meneer
Easthupp," merkte kapitein Wilson op, "maar, me dunkt, als gij
dergelijke uitdrukkingen gebruiktet, had meneer Rustig ook alle recht
u zijne meening te kennen te geven."
"Ik ben volkomen bereid, kapitein Wilson, dit toe te geven voor zoo ver
het staatkundige gesprekken geldt--en dat is 't ook volstrekt niet,
waarover ik mij beklaag. Maar meneer Rustig heeft zich vermeten mij
een bedrieger en een leugenaar te noemen."
"Hebt gij die uitdrukkingen gebruikt, meneer Rustig?"
"Ja, meneer, dat heeft hij," hernam de onderbetaalmeester; "en hij
heeft er nog bijgevoegd, dat ik de manschappen en mijn patroon, den
betaalmeester, niet moest bedriegen. Wordt mij op die manier niet een
leelijke klad aangewreven, kapitein? Maar ik durf me vleien dat ik
een goede opvoeding heb genoten en vroeger verkeerde ik in deftige
kringen. Iedereen kan echter in het ongeluk geraken, en ik voel me
diep gekrenkt door die schandelijke aantijgingen." Hierop haalde
meneer Easthupp zijn zakdoek voor den dag en snoot met veel drukte
zijn neus. "Ik heb meneer Rustig gezegd, dat ik me even fatsoenlijk
achtte als hij, en in elk geval niet omging met zwarte kerels, waarop
hij goed vond me een schop te geven, zoodat ik door het luik naar
beneden tuimelde."
"Al genoeg, betaalmeester, ik heb uw klacht gehoord en gij kunt
nu gaan."
Meneer Easthupp nam met veel zwier zijn hoed af, maakte een buiging
en begaf zich langs de groote trap naar beneden.
"Meneer Rustig," zei kapitein Wilson, "gij moet weten, dat de
voorschriften van den dienst, waaraan wij allen gelijkelijk gebonden
zijn, niet veroorloven dat een officier zich op eigen hand recht
verschaft. Ofschoon ik er nu geen aanmerkingen op wil maken, dat gij
den man een radikalen ellendeling hebt genoemd, want hij verdiende
dat door het onbeschaamd opdringen van zijn meeningen, toch hebt
gij geen recht zonder reden iemands karakter aan te vallen--en daar
de man een post van vertrouwen bekleedt, stond het u volstrekt niet
vrij hem voor een bedrieger uit te maken. Wilt u me eens verklaren,
waarom ge die uitdrukking hebt gebruikt?"
Nu had onze held geen eigenlijke bewijzen tegen den man en wist
tot zijn verontschuldiging niets deugdelijks in te brengen; doch
opeens schoot hem de reden te binnen, die de kapitein zelf indertijd
tot vergoelijking der onbehoorlijke taal van meneer Sawbridge had
aangevoerd. Jack was slim genoeg om te begrijpen, dat hij doel zou
treffen, en antwoordde dus doodbedaard en eerbiedig:
"Met uw verlof, kapitein Wilson, 't was enkel dienstijver."
"Dienstijver, meneer Rustig? Dat lijkt me maar een zwakke
verontschuldiging. Maar waarom toch hebt ge den man geschopt? Dat
zoo iets in strijd was met de verordeningen, moest ge immers weten."
"Jawel, meneer," antwoordde Jack weifelend, "maar ik heb 't toch
enkel uit dienstijver gedaan."
"Vergun me dan op te merken," hernam kapitein Wilson, terwijl hij
zich op de lippen beet, "dat uw ijver in dit geval erg misplaatst was,
en zich naar ik hoop, niet weer, op die wijze zal uiten."
"En toch, meneer," zoo begon Jack weer, die begreep dat hij den
kapitein een steek onder water gaf en daarom een vrij bedeesd
gezicht zette, "toch zouden we 't in den dienst zonder ijver niet
ver brengen--en ik hoop nog eens, volgens uw eigen zeggen een zeer
ijverig officier te worden."
"Dat hoop ik ook, meneer Rustig," antwoordde de kapitein. "Doch ga
nu maar heen, en laat me niet weer hooren van schoppen, Zoo'n ijver
is totaal misplaatst."
"Waarschijnlijk meer dan mijn voet," mompelde Jack onder het heengaan.
Zoodra onze held zich verwijderd had begon kapitein Wilson hartelijk te
lachen en vertelde aan meneer Sawbridge, hoe hij indertijd diens taal
tegenover onze held voor een uitvloeisel van louter dienstijver had
verklaard, maar nu zijn troeven dubbel en dwars weer thuis gekregen
had. "Inderdaad, meneer Sawbridge, nu blijkt eerst, hoe zwak mijn
verdediging van u was, doe dus uw voordeel met het lesje."
Sawbridge vond dat ook--maar toch waren beiden 't er over eens,
dat Jack's rechten van den mensch groot gevaar begonnen te loopen.
Den dag voordat het schip weer uitzeilde, dineerde de kapitein en
meneer Asper bij den gouverneur; en daar er weinig meer te doen viel,
droeg meneer Sawbridge, die sedert het binnenloopen van de haven
nog niet van boord geweest was, voor den namiddag het bevel aan
meneer Smallsole, den stuurman, over en begaf zich aan wal om eenige
inkoopen te doen. Nu hebben we reeds opgemerkt, dat die stuurman Jack's
gezworen vijand was.--Jack lag er al met drie overhoop: met Smallsole,
met Biggs, den bootsman, en Easthupp, den onderbetaalmeester. Meneer
Smallsole was wat blij, dat hij eens het commando had en hoopte nu
gelegenheid te vinden tot het straffen van onzen held, die zich al
licht bloot zou geven.
Evenals de meeste menschen, die zelden wat te bevelen hebben, was de
stuurman overdreven lastig en bazig. Hij vloekte tegen de matrozen,
liet ze hun werk twee, driemaal overdoen, onder voorwendsel, dat het
niet vlug genoeg ging, en had op iedereen, die aan boord gebleven was,
wat aan te merken.
"'t Schijnt wel, meneer Biggs, of jullie daar vooruit allen in den dut
zijt geraakt. Denk je soms dat er niets uitgevoerd behoeft te worden,
nu de eerste luitenant niet aan boord is? Hoe lang moet 't nog duren
eer dat hijschen gedaan is?"
De nijdigheid van meneer Smallsole sloeg op meneer Biggs over, en
van den weeromstuit raakten ook de bootmansmaat en de bakmeester van
het hondje gebeten, en als meneer Smallsole begon te vloeken, liet
ook de bootsman zich niet onbetuigd. Zelfs bij den bootsmansmaat,
de baksmeester en al de matrozen vond dat voorbeeld navolging.
Meneer Smallsole kwam vooruit.
"Verduiveld, meneer Biggs, wat scheelt er toch aan? Kunnen jullie
niet wat beter aanpakken?"
"We doen ons best al, meneer," antwoordde de bootsman, "maar die
nietsdoeners op den bak staan ons in den weg." Bij die woorden wierp
meneer Biggs een blik op onzen held en Mesty, die tegen de verschansing
geleund stonden.
"Wat voer je hier uit, meneer?" riep Smallsole onzen held toe.
"Niets meneer," antwoordde Jack.
"Dan zal ik je wat te doen geven. Den mast in, en blijf daar tot
ik je weer beneden roep. Kom mee, meneer, ik zal je den weg wijzen,
vervolgde de stuurman en begaf zich achteruit. Jack volgde hem tot
op het halfdek:
"En nu naar boven, meneer."
"Waarom moet ik naar boven, meneer?" vroeg Jack.
"Voor straf, meneer," luidde het antwoord.
"Wat heb ik dan gedaan?"
"Geen praatjes meer--vooruit, naar boven!"
"Met uw verlof, meneer," hernam Jack, "ik zou de zaak eerst nog wel
willen beredeneeren."
"Wat redeneeren!" bulderde meneer Smallsole. "Naar boven voor den
donder!"
"Met uw verlof, meneer," vervolgde Jack, "de kapitein heeft me
meegedeeld, dat de krijgsartikelen de voorschriften waren, waaraan
iedereen in dienst gebonden was. Nu heb ik ze zoo dikwijls overgelezen,
dat ik ze haast van buiten ken, en er staat geen woord in over dat
den mast inzenden." Jack haalde meteen de krijgsartikelen uit zijn
zak en sloeg ze op.
"Wil je den mast in gaan, meneer, of niet?" zei Smallsole.
"Wilt u me eens wijzen, wat daarvan in de krijgsartikelen staat? Hier
zijn ze, meneer."
"Ik zeg je nog eens, meneer, den mast in, of anders zal ik je in een
broodzak laten ophijschen."
"Van broodzakken komt niets in de krijgsartikelen voor, meneer,
maar ik zal u zeggen wat er wél in staat." En nu begon Jack te lezen:
"Alle vlagofficieren, en alle personen behoorende tot de bemanning
van Zijner Majesteits oorlogschepen, zullen, indien zij zich schuldig
maken aan vloeken, dronkenschap, of andere schandelijke handelingen,
gestraft worden als volgt:--"
"Wel vervloekt!" riep de stuurman dol van woede uit, nu hij de geheele
equipage hoorde grinniken. "Wil je nu naar boven gaan, of niet?"
"Met uw verlof, liever niet."
"Dan hebt ge u als in arrest te beschouwen--ik zal je, zoo waar ik
leef, voor den krijgsraad brengen. Naar beneden, meneer."
"Met alle genoegen, meneer," hernam Jack, "dat komt volkomen overeen
met de krijgsartikelen, waaraan we ons te houden hebben." Jack stak
nu zijn afschrift weer in den zak en begaf zich naar beneden naar
de voorlongroom.
Spoedig daarop volgde hem Jolliffe, die het heele standje had
aangehoord. "Beste jongen," zei hij, "dat is een leelijk geval;
je had den mast in moeten gaan."
"Ik had er eerst eens nader over willen praten," antwoordde Jack.
"Ja, dat zou iedereen wel willen; maar als dat mocht, zou de dienst
telkens belemmerd worden--en dat gaat niet. Je hebt te beginnen met
aan het bevel te gehoorzamen; is het bevel onrechtvaardig, dan kun
je later je beklag indienen."
"Zoo staat 't niet in de krijgsartikelen."
"Maar in den dienst is het toch zoo."
"De kapitein heeft me gezegd, dat de krijgsartikelen het richtsnoer
waren voor den dienst, en dat we er allen gelijkelijk aan te
gehoorzamen hadden."
"Alles goed en wel, maar toch geloof ik niet, dat de krijgsartikelen
je veel baten zullen. Er wordt in gezegd, ieder officier, matroos,
enz. die zich schuldig maakt aan ongehoorzaamheid ten opzichte van
een wettig bevel, enz.--Welnu, valt gij niet onder de termen van
dat artikel?"
"Dat staat nog te bewijzen," antwoordde Jack. "Met een wettig bevel
wordt bedoeld een bevel, dat steunt op een wet; en waar is nu die
wet?--Bovendien heeft de kapitein me, toen ik dien lammeling een schop
had gegeven, gezegd, dat alleen de kapitein tot straffen bevoegd was,
en dat officieren niet op hun eigen handje gerechtigheid mochten
uitoefenen; hoe kan de stuurman het dan?"
"Al zou hij als bevelhebber verkeerd gehandeld hebben, dan is dat voor
u, als mindere in rang, nog geen reden om hem niet te gehoorzamen. Als
dat geoorloofd was, als elk bevel moest gewikt en gewogen worden of
het al of niet rechtvaardig was, dan zou 't met alle tucht gedaan
zijn. Vergeet ook niet, dat in den dienst het gebruik nagenoeg met
de wet gelijk staat."
"Daar valt nog al een en ander tegen in te brengen."
"In den dienst niet, beste jongen. Bedenk maar eens, dat er ook aan den
vasten wal twee wetten bestaan; de geschrevene en de ongeschrevene,
dat is: het gebruik. Natuurlijk is dat in den zeedienst ook zoo,
want men kan niet alles onder artikelen brengen."
"Maar een krijgsraad kan toch in alles voorzien," hernam Jack.
"Den dood of ontslag uit den dienst hebt gij er van te wachten--en
geen van beide is bijzonder aangenaam. Gij hebt uzelven leelijk in
de klem gebracht, en al is de kapitein u blijkbaar genegen, hij mag
het nu gebeurde niet onopgemerkt laten. Gelukkig is 't maar met den
stuurman en niet met een van de andere officieren, maar toch zult ge
moeten toestemmen, dat de kapitein het niet door de vingers kan zien."
"Ik zal u eens wat zeggen, Jolliffe," begon Jack weer, "mijn oogen
beginnen voor vele dingen open te gaan. Toen ik vreemd opkeek van een
lompe bejegening, zei de kapitein me, dat ze enkel aan dienstijver toe
te schrijven was; en nu bemerk ik, dat wat van een meerdere tegenover
een mindere dienstijver is, in het omgekeerde geval onbeschaamdheid
wordt. De krijgsartikelen heeten een richtsnoer voor allen zonder
onderscheid--maar de stuurman vergrijpt zich bij herhaling aan
artikel twee en loopt vrij, terwijl ik gestraft moet worden, omdat
ik iets weiger te doen wat niet in de artikelen wordt vermeld. Hoe
kon ik weten, dat ik voor straf den mast in moest! te meer daar
de kapitein beweerd heeft, dat hij alleen tot straffen gerechtigd
is. Als ik gehoorzaam aan een bevel, dat lijnrecht in strijd is met
dat van den kapitein, is zoo iets dan niet even erg alsof ik hem
ongehoorzaam was? Ik geloof niet dat mijn zaak zoo slecht staat,
en mijn bewijsgronden zijn niet te weerleggen."
"Toch vrees ik, dat er weinig acht op zal geslagen worden en dat de
stuurman het pleit winnen zal."
"Dat zou immers tegen alle recht en billijkheid strijden!"
"Maar volkomen overeenstemmen met de gebruiken in den dienst."
"Ik geloof, dat ik een groote dwaas ben," merkte Jack na een poos
op. "Raad eens, Jolliffe, waarom ik op zee gegaan ben."
"Omdat je niet besefte hoe goed je 't thuis had."
"Daar is veel van aan; maar toch mijn eigenlijke reden was, dat ik hier
de gelijkheid hoopte vinden, die ik aan wal tevergeefs had gezocht."
Jolliffe keek gek op.
"Beste jongen, heb ik je niet hooren zeggen, dat je die denkbeelden
van uw vader hebt overgenomen? Zonder oneerbiedig tegenover hem te
willen wezen, mag ik toch niet verzwijgen, dat hij òf een gek òf een
zonderling moet zijn, als hij op zijne jaren nog niet heeft ingezien,
dat zoo iets als gelijkheid onbestaanbaar is."
"Dat begin ik ook te denken," antwoordde Jack; "maar het is nog geen
bewijs dat 't niet zoo diende te wezen."
"Neem me niet kwalijk, maar het niet-bestaan er van bewijst op zichzelf
al genoeg. Je zoudt evengoed volmaakt geluk kunnen verwachten. Uw
vader schept zich hersenschimmen."
"'t Zal maar het beste wezen, dat ik weer naar huis ga."
"Neen, mijn waarde Rustig, het best wat je doen kunt is in dienst
blijven, want dat zal een eind maken aan al dergelijke onzinnige
denkbeelden, en je zult er een ferme, flinke kerel door worden. De
dienst is een harde, maar een goede leerschool; alles is er wel niet
onberispelijk, maar wat is er in de wereld zonder gebreken? Maar om
nog eens op het geval met Smallsole terug te komen ik geloof stellig,
dat je morgen den mast in zult moeten."
"We zullen zien," antwoordde Jack. "Ik ga nu voorloopig maar naar
kooi."
Tiende hoofdstuk.
Onze held begint zelfstandig te handelen en te oordeelen.
Wat ook Jacks gedachten mogen geweest zijn, in elk geval werd zijn
rust er niet door gestoord. Jolliffe's beweringen, hoe gegrond ook,
hadden weinig vat op hem. "Nu," dacht Jack, "al moet ik ook den mast
in, dan bewijst dat nog niet, dat mijne bewijsgronden niet deugen,
maar enkel dat er geen gehoor aan gegeven wordt." En bij die gedachte
sloot hij de oogen en was weldra in diepe rust.
De stuurman rapporteerde het gebeurde aan den eersten luitenant en
deze aan den kapitein, zoodra die den volgenden morgen aan boord
kwam. Rustig werd nu in de kajuit ontboden om te hooren of hij ook
iets te zijner verontschuldiging had in te brengen. Jack bleef wel een
half uur lang aan het redeneeren en zette al de bewijsgronden, die hij
reeds tegen Jolliffe had ontvouwd, in het breede uiteen. Daarop werd
meneer Jolliffe gehoord en eindelijk ook meneer Smallsole ondervraagd,
waarna de kapitein en de eerste luitenant alleen gelaten werden.