Opeens werd het kommando "zeilen reven" gehoord en dit maakte voor

ditmaal een eind aan het twistgesprek.

Daar onze held nog geen orders had gekregen wat hij eigenlijk moest

uitvoeren, bleef hij met Mesty beneden.

"O, Massa Rustig, wat houd ik toch veel van u!" zei Mesty. "Dat

was eerst goed gesproken, Massa Rustig; en wat dien meneer Vigors

betreft--wees maar niet bang, dat je hem niet aan zoudt kunnen, dat

kun je stellig," vervolgde de neger, terwijl hij de spieren van Jacks

armen betastte, "ik durf er een heele week loon onder verwedden."

"Bang ben ik niet," antwoordde Jack, "ik heb wel grootere jongens dan

hij is onder de knie gekregen." En die verzekering was waar. Meneer

Bonnycastle kwam nooit tusschenbeide bij een eerlijke kloppartij, en

lette niet op een paar blauwe oogen, als de lessen maar goed gekend

werden. Jack had herhaalde malen gevochten, zoodat hij ten slotte

een goed bokser was geworden, en ofschoon niet zoo groot als Vigors,

toch was hij voor het worstelen veel beter gebouwd.

De voortdurende gevechten, waartoe Jack zich op school genoodzaakt

had gezien, waren door hem aangevoerd als bewijzen tegen de

gelijkheidstheorieën van zijn vader, maar deze had hem weten te

overtuigen, dat gevechten onder jongens niets te maken hadden met de

rechten van den mensch.

Zoodra de wacht was opgeroepen, kwamen Vigors, O'Connor, Gossett en

Gascoigne beneden in de kajuit. Vigors, die, met uitzondering van

Jolliffe de sterkste was, had langzamerhand zijn meerderheid erkend

gezien en op dek gesproken over Rustig's onbeschaamdheid en over zijn

plan om hem mores te leeren. De anderen kwamen dus mee naar beneden

om de grap bij te wonen.

"Wel, meneer Rustig," merkte Vigors op, bij het binnenkomen in de

kajuit, "je doet je naam waarlijk alle eer aan. Ben je soms van plan

je rantsoen op te eten, zonder er een hand voor uit te steken?"

Jack's geduld was reeds uitgeput en daarom antwoordde hij: "Wees zoo

goed, meneer, u met uw eigen zaken te bemoeien."

"Jouw onbeschaamde vlegel! als je nog één woord durft zeggen, zal ik je

eens een ferm pak slaag geven en er wat van die gelijkheid uitkloppen."

"Zoo?" antwoordde Jack, die zich een oogenblik weer op de school van

meneer Bonnycastle verplaatst dacht; "dat zullen we nog eens zien."

Daarop ontdeed Jack zich doodbedaard van jas en vest, tot niet geringe

verwondering van Vigors, die zulk een bewijs van vastberadenheid

en zelfvertrouwen niet verwacht had, en nog meer tot genoegen van

de overige adelborsten, die in stilte hoopten dat Vigors er eens

duchtig van langs zou krijgen. Vigors begreep echter, dat hij te

ver was gegaan om terug te treden en bereidde zich dus voor op den

strijd. Zoodra hij gereed was begaf zich het heele gezelschap naar

het ruim om het zaakje uit te maken.

Vigors had zijn gezag meer te danken aan zijn grooten mond dan wel

aan zijn vuisten; want de anderen hadden hem als hun meerdere erkend

zonder voldoende proefneming; Jack echter, had op school heel wat

bedrevenheid in het vechten opgedaan, en men kan zich dus gemakkelijk

voorstellen hoe de strijd afliep. In minder dan een kwartier lag Vigors

doodaf op den grond, met een paar gezwollen oogen en drie tanden uit

zijn mond; terwijl Jack, na zich eens flink gewasschen te hebben,

uitgenomen een paar schrammen, er even frisch uitzag als te voren.

De tijding der overwinning was spoedig over het schip verbreid, en

eer Jack goed en wel weer in zijn kleeren stak had Sawbridge ze al

in vertrouwen meegedeeld aan den kapitein.

"Al zoo spoedig!" zei kapitein Wilson lachend; ik verwachtte wel dat

de adelborstenkajuit wonderen zou doen, maar toch niet met zoo'n

vaart. Deze overwinning is de eerste duchtige knak voor Rustig's

gelijkheid, en zal meer dienst doen dan twintig nederlagen. Laat hem

nu aan zijn werk gaan, hij zal weldra zijn richtsnoer vinden.

Achtste hoofdstuk.

Onze held bewijst dat allen aan boord evenzeer fatsoen aan

plicht dienen op te offeren.

Of een jongmensch in zijn beroep slaagt, hangt voor een groot deel af

van de omstandigheden bij het begin van zijn loopbaan, want daarnaar

beoordeelt men zijn karakter en behandelt men hem. Jack had eerst

veel later dan dat met de meeste knapen het geval is, zijn keus tot

den zeedienst bepaald. Hij was flink opgeschoten en krachtig voor zijn

jaren, en al kon men niet bepaald zeggen dat hij een knap gezicht had,

er lag toch een uitdrukking van eerlijkheid en vrijmoedigheid in,

die aangenaam aandeed. De geestkracht, waarmee hij geweigerd had

naar Vigors' pijpen te dansen en tegen dezen was opgekomen, toen

hij nog ternauwernood hersteld was van zijn hevige zeeziekte, had

hem veler eerbied bezorgd, en de genegenheid verworven van allen,

behalve zijn tegenpartij en meneer Smallsole. In plaats dat zijn

baksmaats den gek met hem staken, haalden zij hem aan; Jolliffe

glimlachte over zijn onzinnigheden en trachtte hem die uit het hoofd

te praten, en de anderen mochten Jack gaarne lijden om hemzelf en om

zijn edelmoedigheid, en vooral omdat ze in hem een beschermer zagen

tegen Vigors, die hen allen ringeloorde. Jack had immers verklaard,

dat als macht recht was in een adelborstenkajuit, hij althans in zoover

de gelijkheid zou herstellen, dat hij steeds de zwakken zou beschermen

en niet zou dulden dat iemand, wie ook, in de adelborstenkajuit den

baas speelde over degenen, die niet tegen hem opgewassen waren.

Op die manier maakte Jack het best mogelijke gebruik van zijn kracht

en werd als het ware de kampioen en beveiliger van hen, die ofschoon

veel langer op zee en meer ervaren dan hij, blij waren zich te kunnen

plaatsen onder de hoede van zijn moed en zijn strijdvaardigheid, welke

laatste eigenschap vooral de bewondering had gewekt van den slachter

aan boord, die een vuistvechter van beroep was geweest. Zoo kreeg Jack

opeens den rang van een oudste, en werd weldra de toongever. Als onze

held het tegenover Vigors had moeten afleggen, zou het geval juist

omgekeerd geweest zijn. Hij zou dan hetzelfde te lijden hebben gehad,

waaraan de meeste nieuwelingen in den zeedienst zijn blootgesteld.

Meneer Asper had goede redenen om hem tot zijn kameraad te maken;

zij betrokken zamen de hondenwacht en hij luisterde geduldig naar als

den onzin, dien Jack over de rechten van den mensch uitkraamde. Toch

deed meneer Asper, zonder het te weten, veel goeds, want terwijl hij

om Jack's genegenheid te winnen, zich hield alsof hij 't volkomen met

hem eens was, waarschuwde hij evenwel en toonde aan waarom gelijkheid

aan boord van een oorlogsschip onbestaanbaar was.

Wat hemzelf betrof, zoo beweerde hij, zag hij geen verschil tusschen

een luitenant, of zelfs een kapitein, en een adelborst, aangenomen

dat hij een beschaafd mensch is; hij zou zijn vrienden kiezen waar hem

dat goeddacht en versmaadde de door den dienst verleende macht om het

anderen onaangenaam te maken. Natuurlijk werden Jack en meneer Asper

goede vrienden, vooral daar Asper Jack, toen de wacht half verstreken

was, naar kooi liet gaan, waardoor hij niet alleen diens genegenheid

won, maar ook bevrijd raakte van het eeuwige geredeneer.

Weldra zouden ze de straat van Gibraltar binnenzeilen en hoopten

den volgenden dag voor de stad te ankeren. Jack zat voor op den

bak met Mesty te praten, die een groote vriendschap voor hem had

opgevat. Ofschoon onze held nog slechts drie weken aan boord was,

zou Mesty toch alles voor hem gedaan hebben, en bij nader inzien is

dit toch eigenlijk licht verklaarbaar.

Mesty was in zijn eigen land iemand van veel beteekenis geweest;

hij had al de ellende van een overtocht op een slavenschip te

verduren gehad, was tweemaal als slaaf verkocht, was vervolgens wel

ontvlucht--maar had toch ondervonden, dat de meening van het gros

sterk gekant was tegen zijn huidskleur en dat hij, ofschoon vrij,

aan boord van een oorlogsschip tot de nederigste diensten werd gedoemd.

Nooit had hij iemand de gevoelens hooren verkondigen, die nu in zijn

eigen boezem leefden, namelijk die van vrijheid en gelijkheid. Wij

zeggen nú, omdat hij vóór zijn gevangenschap, toen hij nog in zijn

eigen land den baas kon spelen, geen oogenblik aan gelijkheid

dacht. Dat gaat meer zoo met menschen die de macht in handen

hebben. Maar hij had een harde leerschool doorloopen; en ofschoon

iedereen te New-York den mond vol had van vrijheid en gelijkheid,

bemerkte hij dat ze die wel voor zichzelf preekten, maar ten opzichte

van anderen niet in toepassing brachten, en dat, onder al die vrijheid

en gelijkheid, hij en duizenden met hem als nietswaardige wezens

werden beschouwd.

Naar Engeland ontvlucht, had hij zijn vrijheid herkregen, maar van

gelijkheid was geen sprake; daarbij stond zijn kleur hem in den

weg, en hij verkeerde in de meening dat de geheele wereld tegen

hem samenspande, totdat hij vol verbazing van Jack's lippen boutweg

dezelfde denkbeelden hoorde verkondigen, en dat nog wel in den dienst,

waar het ongeveer gelijk stond met muiterij. Dit maakte Mesty terstond

aan onzen held verknocht, en hij toonde zijn gehechtheid op alle

mogelijke manieren. Ook Jack mocht Mesty goed lijden en praatte graag

met hem, zoodat zij, na het gevecht met Vigors, elkaar gewoonlijk

iederen avond op den bak ontmoetten om de beginselen van gelijkheid

en de rechten van den mensch te bespreken.

De bootsman, Biggs geheeten, was een vlug, bedrijvig manneke, dat eens

bij een orkaan als opperste van de fokkemars zich zoo buitengewoon

kordaat had gehouden, dat hij bij den admiraal tot bevordering

werd voorgedragen. Hij werd dan ook bootsman, en nadat de equipage,

waartoe hij behoord had, afbetaald was, vond hij plaatsing op Harer

Majesteits fregat de Harpij. Jack's onderhoud met Mesty werd gestoord

door de stem van den bootsman, die zijn jongen een standje maakte. "'t

Is nu volgens mijn repetitie-horloge al tien minuten geleden, dat ik

je heb laten roepen," zei de bootsman, en haalde bij die woorden een

ouden zilveren knol voor den dag, die hem eens door een schacheraar

voor een repetitie-horloge was aangesmeerd.

"Met uw verlof, meneer," zei de jongen, toen u me liet roepen was ik

juist bezig een andere broek aan te trekken en daarna moest ik mijn

kist weer opbergen."

"Zwijg maar liever; je moest weten dat je, broek of geen broek,

onmiddellijk behoort te komen, als je meerdere je laat roepen."

"Ook zonder broek aan, meneer?" hernam de jongen.

"Wel stellig, ook zonder broek. Als de kapitein mij liet roepen,

zou ik onmiddellijk gaan al was het desnoods zonder hemd. Plicht gaat

boven fatsoen." Dit zeggende pakte de bootsman den jongen beet.

"Maar, meneer Biggs," zei Jack, "u zult toch den jongen niet straffen,

omdat hij zonder broek aan niet gekomen is?"

"Dat zal ik wel, meneer Rustig--ik zal hem eens een lesje geven. Nu er

zulke nieuwmodische begrippen aan boord van het schip gebracht zijn,

moeten we ons dubbel verplicht gevoelen om de waardigheid van den

dienst op te houden, en de bevelen van een meerdere mogen niet tien

minuten en twintig seconden onuitgevoerd blijven, omdat een jongen

zijn broek niet aanheeft." Daarop gaf de bootsman den jongen een paar

fiksche halen met zijn rotting, en bracht hem daardoor tot het besef

hoe gelukkig het was, dat hij zijn broek aangetrokken had alvorens op

het dek te verschijnen. "Ziedaar," zei meneer Biggs, "dat is een les

voor je, deugniet--en 't is er tevens een voor u, meneer Rustig." liet

hij er op volgen en verwijderde zich met een air van zelfvoldoening.

"Zoo'n moorddadige Ier!" zei Mesty, "wat heeft hij dien armen stakker

geranseld."

Den volgenden dag lag de Harpij in de baai van Gibraltar voor anker. De

kapitein ging aan wal, en gaf last dat men hem vóór negenen met de

sloep moest komen afhalen, want na dien tijd wordt de vestingspoort

alleen op bijzondere vergunning geopend. Toevallig werd er dien avond

door de officieren van het garnizoen een bal gegeven en nu kregen

de officieren van de Harpij een beleefde uitnoodiging om dat bij te

wonen. Voor degenen, die van de uitnoodiging gebruik maakten, zou

het te laat worden dan dat ze nog de poort uit konden en daarom gaf

de kapitein hun verlof om aan den wal te blijven tot den volgenden

morgen zeven uur. Omdat ze nog al sterk in getal waren, zouden er

tegen dien tijd twee sloepen uitgezonden worden om hen af te halen.

Meneer Asper kreeg verlof en verzocht of hij onze held mee mocht

nemen, wat hem door meneer Sawbridge werd toegestaan. Er kregen

nog verscheidene andere officieren verlof, zoo ook de bootsman,

die, in het besef dat zijn diensten vereischt zouden worden zoodra

de uitrusting begon, enkel verlof vroeg voor dien avond, en meneer

Sawbridge, die begreep dat hij thans beter gemist kon worden dan op een

anderen tijd, stemde er in toe. Asper en Jack begaven zich naar een

logement, dineerden en bespraken logies, en kleedden zich vervolgens

voor het bal, dat zeer schitterend was, en wegens het gezelschap

der officieren bijzonder prettig. Kapitein Wilson nam bij het begin

even een kijkje en keerde toen weer naar boord terug. Jack ging met

zijn gewone welgemanierdheid te werk, danste tot twee uur, en toen de

bezoekers van het bal begonnen te dunnen, stelde Asper voor om ook maar

heen te gaan. Na nog even in het locaal voor ververschingen vertoefd

te hebben, werden hun hoeden en jassen gebracht en juist wilden ze

opstappen, toen een der garnizoensofficieren aan Jack vroeg of hij

ook lust had een baviaan te zien, die eerst onlangs van de rots was

overgebracht. Voorzien van eenige stukken koek begaven zij zich na

naar de binnenplaats, waar het dier dicht bij een kleine waterbak

vastgeketend lag. Jack voerde het beest tot al zijn koek op was, en

toen hij niets meer te geven had, vloog de baviaan op hem los. Jack

deed haastig een paar stappen achteruit, maar tuimelde daardoor

achterover in den waterbak, die ongeveer twee voet diep was. Dat was

me een grap! Nadat er hartelijk gelachen was, wenschten onze vrienden

den officier goedennacht en begaven zich naar hun logement.

Nu hadden de officieren, die van de Harpij aan wal waren gegaan,

allen hun intrek genomen in hetzelfde logement en daar er ook nog

andere gasten waren, was de waard niet in staat ieder zijner logeées

een afzonderlijke kamer te geven. Hiertegen werd echter geen bezwaar

gemaakt en Jack kwam onder dak in een vertrek met twee bedden,

waarvan het eene reeds in beslag genomen was, zooals hij opmaakte

uit het geluid van zware ademhalingen, dat zijn oor trof.

Onder het ontkleeden bespeurde Jack dat zijn broek erg nat was. Ten

einde ze te drogen hing hij ze buiten het raam, en schoof dit

vervolgens weer dicht, om te beletten dat het kleedingstuk er uit

mocht vallen. Daarna kroop hij onder de dekens en was spoedig in

diepe rust. Zooals hij besteld had, werd hij om zes uur geroepen,

maar toen hij zich wilde aankleeden, bemerkte hij tot zijn schrik

dat het raam open en zijn broek naar de maan was. Blijkbaar had zijn

kamergenoot gedurende den nacht het venster geopend, zoodat de broek

op straat gevallen en door den een of ander meegepakt was. Jack keek

nog eens naar omlaag en ontdekte dat zijn buurman dien nacht onwel

moest geworden zijn. 't Is wat moois, zoo'n dronken kameraad, dacht

Jack; maar wat valt er aan te doen? Dit zeggende, stapte hij naar het

andere bed en bespeurde dat het ingenomen was door den bootsman. Wel,

dacht Jack, als die Biggs goedvindt mijn broek naar de maan te helpen,

dan heb ik toch ook het recht om de zijne te nemen of ten minste te

gebruiken om er mee naar boord te gaan. Gisteravond nog heeft hij

verklaard dat plicht boven fatsoen gaat en dat de bevelen van een

hoogergeplaatste gehoorzaamd moet worden, desnoods zonder kleeren

aan. Ik weet dat hij noodzakelijk naar boord moet en nu wil ik toch

eens zien hoe 't hem aanstaat in zijn hemdsslippen bevelen op te

volgen. Dit overwegende nam Jack de broek van den bootsman, die nog lag

te snorken, ofschoon hij al geroepen was. Jack trok het ding aan, stak

zich verder in de kleeren en verliet de kamer. Hij ging naar die van

meneer Asper, dien hij juist gereed vond en na de rekening betaald te

hebben--want Asper had ongelukkig zijn beurs vergeten--begaven ze zich

naar de vestingpoort, waar ze reeds een aantal officieren wachtende

vonden, genoeg om de eerste sloep te bezetten, die dan ook spoedig

van wal stak. Aan boord gekomen, haastte Jack zich een andere broek

aan te trekken en die van Biggs op een stoel in diens hut te leggen,

en nadat hij Mesty in vertrouwen had meegedeeld wat er aan de hand was,

begaf hij zich weer naar het dek om te zien hoe het geval zoo afloopen.

Alvorens het logement te verlaten had Jack aan den bediende gezegd,

dat er boven nog een bootsman in diepen slaap lag, die onmiddelijk

gewekt moest worden, en aan dien last was gehoor gegeven. De bootsman,

die den vorigen avond te diep in het glas had gekeken, en zooals Jack

terecht vermoedde het raam geopend had, omdat hij zich onpasselijk

gevoelde, werd wakker gemaakt en sprong, toen hij hoorde hoe laat

het al was, ijlings uit bed om zoo spoedig mogelijk zijn kleeren

aan te schieten. Daar hij zijn broek niet vond, schelde hij, in de

vooronderstelling dat ze weggenomen was om uitgeborsteld te worden,

en om geen tijd te verliezen trok hij zijn overige kleedingstukken

maar vast aan. De bediende, die op het geschel verscheen, zei dat hij

de broek niet uit de kamer had gehaald en de arme Biggs zat nu leelijk

in de klem. Wat er met zijn broek gebeurd kon zijn, begreep hij maar

volstrekt niet; hij had zelfs geen flauwe herinnering er van hoe hij

in zijn bed gekomen was; en toen hij er den bediende naar vroeg, wist

deze alleen te vertellen, dat meneer leelijk aangeschoten thuis was

gekomen en dat hij, toen hij meneer kwam wekken, het raam open had

gevonden, zoodat hij vooronderstelde, dat meneer zijn broek op straat

had gesmeten. De tijd drong, en de bootsman wist geen raad. "Maar

zouden ze hem niet een broek kunnen leenen?"

"Dat zou hij eens aan den hôtelhouder vragen."

De eigenaar van het logement wist terdege goed onderscheid te maken

tusschen de officieren van verschillende rang en begreep opperbest aan

wie hij crediet kon verleenen en aan wien niet. Hij zond den bediende

met de rekening naar boven en gaf hem de boodschap mee, dat meneer,

als hij een onderpand gaf, wel een broek kon krijgen. De bootsman

voelde al zijn zakken na, en herinnerde zich nu dat hij al zijn geld

in den zak van zijn broek had gehad. Hij kon dus niet alleen geen

onderpand geven, maar zelfs zijn rekening niet betalen. De hôtelhouder

was onverbiddelijk. 't Was al erg dat hij naar zijn geld moet fluiten,

meer kon hij er niet aan wagen.

"Ze zullen me nog voor den krijgsraad brengen!" riep de bootsman

uit. "Komaan, de vestingpoort is niet ver af, laat ik 't op een loopen

zetten en schielijk in een der sloepen wippen; ik kan dan nog wel een

andere broek aanschieten voor ik aan boord op het rapport kom." Na dat

besluit genomen te hebben ging de bootsman aan den haal, zoodat zijn

hemdsslippen in de wind fladderden, en bereikte buiten adem de plek,

waar de boot nog op hem lag te wachten. Met een wip was hij er in en

hurkte bij de stuurrepen neer, tot groote verbazing van de officieren

en de matrozen, die meende dat hij gek geworden was. Met weinig woorden

vertelde hij, dat de een of ander des nachts zijn broek had gestolen;

en daar het al laat was zette de matrozen af, terwijl matrozen zoowel

als officieren meenden te stikken van het lachen.

"Heeft er ook een van jullie een pijjekker?" vroeg de bootsman aan

de matrozen; maar het was zulk warm weer, dat niemand hunner er een

bij zich had. Biggs keek eens rond en zag dat de officieren op een

zeejekker zaten.

"Van wien is die zeejekker?" vroeg hij.

"Van mij," antwoordde Gascoigne.

"Och meneer Gascoigne, u zal wel zoo vriendelijk willen zijn me hem

even te leenen tot ik aan boord ben."

"Wel waarachtig niet!" antwoordde Gascoigne, die het ding nog liever

over boord zou gesmeten hebben, dan de grap te bederven; "toen we

een tijd geleden met windstilte bij Kaap St. Vincent lagen en ik

je om een vischsnoer vroeg, heb je gezegd dat ik naar de maan kon

loopen. Nu gaat het leer om leer en mijn jekker krijg je niet."

"Och toe, meneer Gascoigne, zoodra we aan boord zijn, zal ik u drie

vischsnoeren geven."

"Dat kan me allemaal niets schelen," antwoordde Gascoigne, die aan

het roer zat, omdat hij naar den wal gezonden was om de anderen af te

halen. "Allen aan de riemen!" kommandeerde hij nu, en weldra lagen

ze op zij van het schip. Toen de officieren opgestaan waren, rolde

Gascoigne, in spijt van Biggs dringend smeeken, zijn jekker op en smeet

hem den man toe, die den achtermeertros uitgeworpen had. Wat Biggs

toestand nog des te beklagenswaardiger maakte, was de omstandigheid

dat de eerste luitenant over de verschansing in de boot stond te

kijken en kapitein Wilson op het halfdek heen en weer wandelde.

"Komaan, meneer Biggs, ik had u al met de eerste boot verwacht,"

riep meneer Sawbridge hem toe "vlug wat, asjeblieft, want de ra's

zijn nog niet gebrast."

Biggs wist nog altijd niet hoe hij het maken zou om geen al te gek

figuur te slaan en bleef dralen, totdat de eerste luitenant driftig

uitriep: "Wat duivel, meneer Biggs, wat treuzel je toch?--ge zult

me verplichten met wat meer ijver te toonen of anders wil ik u wel

verzekeren, dat ge u in 't vervolg de moeite kunt sparen van verlof

te vragen om naar den wal te gaan. Ben je soms dronken, meneer?"

Deze laatste opmerking bracht Biggs tot een besluit. Hij sprong op en

was in een oogwenk uit de boot op het dek, waar hij voor den luitenant

aansloeg en zeide:

"Broodnuchter, meneer, maar ik ben mijn broek kwijt."

"Dat schijnt wel," antwoordde meneer Sawbridge, terwijl Biggs, wiens

hemdslippen nog maar steeds in den zeewind fladderden in deemoedige

houding voor hem stond. Maar nu kon meneer Sawbridge zich niet langer

goedhouden; schuddend van het lachen stormde hij de scheepstrap af

naar het halfdek. Meneer Biggs kon eerst na meneer Sawbridge naar

beneden gaan en het gesprek had aller aandacht getrokken, zoodat

iedereen het oog op hem richtte.

"Wat beteekent dat?" zei kapitein Wilson naar het gangboord komend.

"Plicht gaat boven fatsoen," antwoordde Jack, die veel pret had in

de grap.

Meneer Biggs herinnerde zich den dag van gisteren. Terwijl hij voor

den kapitein aansloeg, wierp hij een nijdigen blik op Jack, en pakte

zich weg naar het benedendek.

Wat de verontwaardiging van den bootsman nog verhoogde, was

de ontdekking dat zijn broek eerder aan boord gekomen was dan

hijzelf. Daaruit begreep hij, dat men hem een poets gespeeld had

en hij twijfelde geen oogenblik er aan, of onze held had 't hem

gebakken. Bewijzen kon hij dat echter niet, want hij wist niet eens

wie met hem de kamer gedeeld had. Toen Jack naar bed ging, lag hij

al in diepen slaap en bij diens vertrek was hij nog niet wakker.

Het fijne van het geval raakte op het schip spoedig algemeen

bekend en "plicht gaat boven fatsoen" werd een spreekwoord. De

bootsman stelde alles in het werk om zich op den armen jongen te

wreken, zoodat Gascoigne en Jack nooit meer een vischsnoer van hem

kregen. Het scheepsvolk had evenveel hekel aan den bootsman als aan

Vigors, terwijl Jack, zoowel om zijn stellingen over de rechten van

den mensch als om zijn ringelooren van hun twee grootste vijanden,

de gunsteling werd van de zeelui, en daar zulke gunstelingen steeds

met een bijnaam vereerd worden, noemden ze onzen held Jack Gelijkheid.

Negende hoofdstuk.

Onze held wil liever naar beneden dan naar boven gaan;

een keus, waarvan hij, naar we hopen in meer gewichtige

omstandigheden zal terugkomen.

Den volgenden dag was het Zondag en, daar het weer ongunstig was,

kwam er niets van het dienst doen, maar werden de krijgsartikelen

met den daaraan verschuldigden eerbied voorgelezen, terwijl kapitein,

officieren en manschappen met hun hoeden af in een motregen stonden

te luisteren. Jack, die van den kapitein gehoord had, dat die

krijgsartikelen de wetten en voorschriften van den dienst waren,

waaraan kapitein, officieren en scheepsvolk allen gelijkelijk

onderworpen waren, volgde met gespannen aandacht de voorlezing van

den schrijver. Weinig vermoedde hij, dat er hun door de admiraliteit

ongeveer vijfhonderd verordeningen op den hals waren geschoven, die

bijna alles omvatten en in zeker opzicht den persoonlijken wil alle

beteekenis ontnamen.

Jack Rustig · 第 5 / 20 段