laat de bediende me wat eten geven. Geroosterd brood of zoo iets,
't komt er minder op aan wat; maar het liefst zou ik er een kop koffie
bij hebben."
"Gij vergeet dat we op de hoogte van Finisterre zijn en nog wel in
een adelborstenkajuit. Koffie is er niet, en van geroosterd brood
kan geen sprake zijn, om de eenvoudige reden dat we in 't geheel geen
brood hebben; maar wel kan ik den hofmeester verzoeken een kop thee
met wat scheepsbeschuit en boter voor je klaar te zetten."
"Welnu," hernam Jack, "gij zult me verplichten met me dat te bezorgen."
"Hei daar!" riep Jolliffe een matroos toe, "laat Mesty eens hier
komen."
De toegesprokene droeg het bevel aan een volgenden matroos over,
deze weer aan een derde en zoo ging 't van mond tot mond, tot het
eindelijk vooruit op den bak den bedoelden persoon bereikte.
Deze was een neger, indertijd naar Amerika overgebracht en daar als
slaaf verkocht. Ofschoon zeer lang en schraal, teekende het lichaam
toch groote spierkracht en het gelaat week geheel en al af van den
gewonen vorm bij zijn ras. Het hoofd was lang en smal, met uitstekende
jukbeenderen, zoodat het gezicht naar de kin als in een punt uitliep;
de neus was zeer klein, maar recht en van Romeinschen vorm; ook de mond
was buitengewoon klein en de lippen veel te dun voor een Afrikaan;
de tanden waren hagelwit en scherp gepunt. Of zijn bewering, dat hij
in zijn eigen land den rang van vorst had bekleed, waarheid bevatte,
viel natuurlijk niet uit te maken. Zijn meester was met hem naar
New-York getrokken en daar had Mesty Engelsch geleerd, als men ten
minste zijn broddeltaal dien naam wilde geven.
Daar men hem had verteld, dat er in Engeland geen slavernij bestond,
had Mesty zich aan boord van een Engelsch koopvaardijschip verscholen
en was op die manier ontvlucht. Bij zijn aankomst in Engeland nam hij
dienst op een oorlogschip. De eerste luitenant, die hem aangemonsterd
had, gaf hem om zijn vreemd uiterlijk den naam van Mephistopheles,
wat al spoedig verkort werd tot Mesty. In vele opzichten was die
Mesty een zonderling persoontje. Kwam hij soms te praten over zijn
stamboom, dan was hij het eene oogenblik uitermate trotsch, en dan
weer zwaarmoedig, ja gemelijk zelfs, maar in gewone omstandigheden,
als niets hem in den weg zat, kon hij vermakelijk en grappig wezen.
Al spoedig kwam de geroepene opdagen, waarbij hij zich nagenoeg dubbel
vouwde om onder de dwarsbalken door te komen en vervaarlijke stappen
nam met zijn bloote voeten.
"Maar, Massa Jolliffe, hoe kunt u me nu laten roepen, terwijl juist
mijn grauwe erwten staan te koken, en er hier en daar al zoo'n
verwenschte rakker van een jongen op den loer ligt om er een handje
vol uit den pot te pikken."
"Je weet wel, Mesty, dat ik je nooit laat roepen, of 't moet bepaald
noodig zijn," antwoordde Jolliffe; "maar deze arme jongen heeft sinds
hij aan boord is nog niets te eten gehad en hij is erg hongerig--je
moest hem wat thee geven."
"Thee bedoelt u, meneer? Wel om thee te krijgen, dien ik toch in
de eerste plaats water te hebben en vervolgens ruimte in de kombuis
om een ketel te vuur te zetten. Maar waarachtig, meneer, al zou je
maar enkel de top van uw pink willen branden, dan nog zou je er in
de heele kombuis geen warm water genoeg voor vinden. Warm water om
dezen tijd! Dat is immers totaal onmogelijk!"
"Hij zal toch het een of ander moeten hebben, Mesty."
"'t Behoeft ook juist geen thee te wezen," zei Jack, "melk is ook
goed."
"Melk? Spreek je van melk, Massa? Van de groenvrouw soms aan den wal?"
"We hebben geen melk, meneer Rustig; gij vergeet dat we in volle zee
zijn," hernam Jolliffe; "ik begin waarlijk te vreezen, dat ge tot
het middagmaal zult moeten wachten. Wat Mesty zegt, is de waarheid."
"Ik zal u wat zeggen, Massa Jolliffe, als ik den jongenheer eens in
plaats van thee wat uit den ketel gaf, misschien zou hij daar genoegen
mee nemen. Thee of nat van grauwe erwten, dat verschil is zoo groot
niet. Zoo'n kom vol, met wat beschuit er bij en een scheut peper er
in, zal hem goed doen."
"Misschien is dat nog het beste, Mesty; ga 't maar gauw halen."
Na eenige oogenblikken kwam de neger terug met een kom soep, waarin
heele erwten rondzwommen; ook zette hij een tinnen bord met kleine
beschuiten en een peperbus voor onzen held neer. Op het gezicht van
dit gerecht vervlogen Jacks visioenen van thee, koffie, geroosterd
brood en melk; maar hij had een verbazenden honger, en toen hij aan 't
proeven ging viel 't hem nog bijzonder mee; zoo zelfs, dat hij niets
van het maal overliet en zich na het gebruik er van veel prettiger
gevoelde. Dra klonken er zeven slagen aan de klok en hij volgde nu
meneer Jolliffe naar het dek.
Zevende hoofdstuk.
Hoe Jack in tegenspraak komt met zijn eigen wijsbegeerte.
Op het dek gekomen, zag Jack de zon vroolijk schijnen, een zachte
koelte blies van de landzijde en overal in het want wapperden hemden,
broeken en buizen van de zeelui, die gedurende den storm gewasschen
waren en nu te drogen hingen; ook de zeilen lagen over de spieren
uitgespreid of waren in het want opgehangen, en het schip liep met een
geringe vaart door de blauwe golven. De kapitein en de eerste luitenant
stonden aan gangboord te praten en het meerendeel der officieren was
bezig met hun quadranten en sextanten de middagbreedte te bepalen. Het
dek zag er helder en netjes uit, want er was juist schoon schip
gemaakt, en de matrozen waren druk in de weer met het opschieten der
kabels. Het was een tafereel van blijmoedige bedrijvigheid en strikte
orde, dat op het gemoed van Jack verlichtend werkte na de vier dagen
van ellende, die hij in bedompte lucht en in afzondering had doorstaan.
Zoodra de kapitein hem in het oog kreeg, vroeg hij hem vriendelijk hoe
't met hem ging; ook de eerste luitenant lachtte hem vertrouwelijk
toe en verscheidene officieren, zoowel als zijn baksmaats wenschten
hem geluk met zijn herstel.
De hofmeester kwam naar hem toe, en sloeg aan en noodigde hem uit tot
het middagmaal in de hut. Jack, die uiterst beleefd was, lichtte zijn
hoed, en nam de uitnoodiging aan. Hij stond toevallig op een kabel, die
juist door een matroos opgeschoten werd; de man sloeg aan en verzocht
hem vriendelijk of hij zoo goed zou willen wezen met zijn voet van
het touw te gaan. Op zijn beurt aanslaande trok hij onmiddellijk
zijn voet terug. De stuurman sloeg aan en rapporteerde twaalf uur
aan den eersten luitenant,--de eerste luitenant sloeg aan en bracht
dat rapport over aan den kapitein,--de kapitein sloeg aan en zei tot
den eersten luitenant dat hij zijn gang maar moest gaan. De officier
van de wacht sloeg aan en vroeg den kapitein of hij maar het sein
voor het middagmaal zou laten geven,--de kapitein sloeg aan en zei:
"Als 't u belieft."
De adelborst kreeg nu de noodige orders en bracht ze, met de hand aan
den hoed, aan den opperbootsmansmaat over, die eveneens aansloeg en
terstond daarop een paar stooten op de fluit liet hooren.
"Ei," dacht Jack, "beleefdheid schijnt hier aan de orde van den dag
en allen hebben evenveel eerbied voor elkaar."
Jack drentelde eens rond over het dek; gluurde door de geschutspoorten
die open stonden en keek naar omlaag in de donkerblauwe golven;
hij sloeg de oogen op, en lette op het heen en weer zwiepen der
lange sprieten, die bij het volgen der beweging van het schip met
haar punten als het ware een klein gedeelte van de heldere lucht
afteekenden; hij liet den blik gaan langs de rij kanonnen, die aan
beide zijden van het dek geschaard stonden en eindigde met op een
der stukken geschut te klauteren en over de verschansing leunend naar
den verwijderden wal te turen.
"Ga van die verschansing af, jongenheer!" riep de stuurman, die
officier van de wacht was, op norschen toon.
Jack keek eens rond.
"Hoor je me niet, meneer? Ik spreek tot u." zei de stuurman opnieuw.
Jack was erg verontwaardigd, en vond toch de beleefdheid niet zoo
algemeen als hij vermoed had.
Toevallig was kapitein Wilson op het dek.
"Kom hier, meneer Rustig," zei de kapitein; 't is een vaste bepaling
in den dienst, dat niemand op de verschansing mag komen, tenzij in
geval van nood. Ik doe 't nooit, de eerste luitenant niet en geen van
de officieren of van de manschappen; dus, uit beginsel van gelijkheid,
moogt gij 't ook niet doen.
"Stellig niet, meneer," antwoordde Jack, "maar ik zie toch niet in
waarom die officier met zijn glimmenden hoed zoo boos behoeft te wezen,
en mij toespreekt op een toon alsof ik niet even goed was als hijzelf."
"Dat heb ik u al uitgelegd, meneer Rustig."
"O ja, nu herinner ik 't me, 't is dienstijver; maar ik vind dien
overmatigen ijver iets heel onaangenaams in den dienst. Jammer maar
dat, zooals gij zegt, de dienst er niet buiten kan."
Kapitein Wilson glimlachte en verwijderde zich. Toen hij een oogenblik
later met den stuurman het dek op en neer liep, gaf hij hem een wenk,
dat hij niet zulke harde woorden moest gebruiken tegen den knaap,
die alleen uit onwetendheid zulk een klein vergrijp had begaan. Nu
was meneer Smallsole, de stuurman, een gemelijk persoon, die niet
hield van aanmerkingen op zijn gedrag, al stoorde hij zich weinig aan
de gevoeligheid van anderen, en daarom besloot hij het Jack bij de
eerste de beste gelegenheid betaald te zetten. Jack dineerde in de
kajuit en was bijzonder in zijn schik dat iedereen met hem klonk en
dat aan de tafel van den kapitein allen op gelijken voet schenen te
staan. Eer het dessert vijf minuten op tafel was, raakte Jack op zijn
praatstoel over zijn geliefkoosd onderwerp. Het gansche gezelschap
keek verbaasd op nu zij zulke ongehoorde stellingen aan boord van een
oorlogsschip hoorden verkondigen, maar de kapitein deed al zijn best
om Jacks opmerkingen te weerleggen zonder hem te veel te kwetsen,
en gedurende het geheele gesprek week de glimlach niet van zijn gelaat.
Deze dag kon eigenlijk aangemerkt worden als de eerste waarop Jack
in werkelijkheid zijn verschijning aan boord maakte en aan tafel
bij den kapitein kwam hij ook voor het eerst op de proppen met
zijn eigenaardige inzichten. Waren de dischgenooten, bestaande
uit den tweeden luitenant, den victualiemeester, meneer Jolliffe
en een der adelborsten, verwonderd, dat zulke afwijkende meeningen
in tegenwoordigheid van den kapitein te berde werden gebracht, nog
sterker trof hen de kalmte en luchthartigheid, waarmee kapitein Wilson
ze opnam. Jacks gewaagde beweringen deden dien avond, natuurlijk
met de noodige toevoegsels, over het geheele schip de ronde. In de
konstabelkamer plozen de officieren ze uit, de adelborsten schetterden
er over terwijl zij het dek op en neer wandelen; de kapiteinshofmeester
hield een soort van bijeenkomst achter de kombuis, en deelde de nieuwe
leer mede. De sergeant van de mariniers gaf in zijn kring als zijn
meening te kennen, dat het vervloekte onzin was. De bootsman besprak
het geval met de overige onderofficieren totdat al de grog op was en
stapte er toen van af, omdat hij het onderwerp veel te droog vond. Over
het algemeen was de gansche bemanning het er over eens, dat, zoodra ze
te Gibraltar binnen liepen, onze held den dienst zou vaarwel zeggen,
hetzij dan dat hij door den krijgsraad ter dood veroordeeld werd of
ontslagen en aan wal gezet om daar zijn geluk te zoeken. Anderen die
meer geslepenheid bezaten en er achter gekomen waren dat onze held
een jongen was, die later heel wat te erven zou krijgen, spraken er
heel anders over en hielden 't er voor, dat de kapitein wel goede
redenen zou hebben om zoo toegeeflijk te zijn--en onder degenen, die
zoo oordeelen, behoorde de tweede luitenant. Slechts vier personen
waren Jack welgezind, te weten de kapitein, de eerste luitenant,
meneer Jolliffe, de éénoogige stuurmansmaat, en Mephistopheles, de
neger, die Jack met hart en ziel begon aan te hangen, zoodra hij van
diens meeningen had gehoord.
We hebben melding gemaakt van den tweeden luitenant, meneer
Asper. Deze jonge man had een diepen eerbied voor geboorte en vooral
voor geld, waarmee hijzelf maar zeer karig bedeeld was. Als zoon van
een aanzienlijk koopman, had hij tijdens zijn adelborstjaren over
vrij wat meer middelen te beschikken gehad dan noodig of wenschelijk
was, en zijn welgevulde beurs bezorgden hem tal van vrienden, niet
alleen onder zijn eigen bakmaats, maar ook onder de officieren
van het schip, waarop hij voer. Iemand die in staat en gezind is
een hooge koffiehuisrekening te betalen, vindt altijd volgers--ten
minste naar het koffiehuis; en sommige luitenants zagen er geen
been in te dineeren, arm in arm te wandelen en frère-compagnon te
spelen met een adelborst, op wiens zak zij teerden zoolang ze aan wal
waren. Meneer Asper had juist zijn aanstelling als officier gekregen,
toen zijn vader bankroet sloeg, waarmede tevens de bron opdroogde,
waaruit hij zoo rijkelijk had geput. Sedert dien tijd had meneer
Asper gevoeld, dat het uitraakte met zijn invloed; hij kon nu niet
langer van den dienst spreken als van een last, of dat hij zijn
baantje er aan zou geven; ook was het gedaan met de onderscheiding,
die men aan zijn beurs en niet aan hemzelf had bewezen. Het ergste was
nog, dat hij allerlei gewoonten had aangenomen, die veel kostten, en
waaraan hij nu uit gebrek aan middelen niet langer kon toegeven. Geen
wonder dus dat hij met een grooten eerbied voor geld behebt raakte;
en daar hij niet langer zelf middelen kon vinden, was hij blij als
hij ergers iemand wist op te diepen op wiens kosten hij het lekkere
leventje kon lijden, waaraan hij zich zoo langen tijd gewend had
en dat hem zoo aantrok. Nu wist meneer Asper, dat onze held ruim in
zijn geld zat, want de bediende uit de Fontein had hem het bedrag der
betaalde rekening genoemd, en daarom zag hij reikhalzend uit naar de
verschijning van Jack, die zijn beste en meest vertrouwde vriend moest
worden. Het gesprek in de kajuit had hem de overtuiging geschonken,
dat Jack dankbaar zou zijn voor iederen steun, en hij had van de
gelegenheid, dat hij even met meneer Sawbridge liep te wandelen,
gebruik gemaakt, om aan dezen voor te stellen Jack op zijn wacht te
nemen. Of nu meneer Sawbridge de bedoeling van meneer Asper doorzag,
dan of hij zich verbeeldde dat onze held meer gediend zou wezen met den
tweeden luitenant dan met den stuurman, die zoo ruw uit kon vallen,
of met hemzelf, die als eerste luitenant geen enkele plichtverzaking
door de vingers mocht zien, het aanbod werd aangenomen en Jack Rustig
kreeg last om wacht te houden onder luitenant Asper.
Die eerste dag van Jack's in dienst treden was ook tevens de eerste,
waarop hij de adelborstenkajuit betrad en kennis maakte met zijn
bakmaats.
We hebben al gesproken van meneer Jolliffe, den stuurmansmaat, maar
we moeten hem nog wat nader leeren kennen. De natuur gaat soms al
erg willekeurig te werk en zij had 't er nu eenmaal op gezet, dat
meneer Jolliffe zulk een isegrimmig gezicht zou hebben als maar ooit
gezien was.
Hij had allerhevigst te lijden gehad van de kinderpokken en
waarschijnlijk waren daardoor zijn gelaatstrekken zoo verwrongen: de
ziekte had hem niet alleen erg pokdalig gemaakt maar ook zijn gezicht
met diepe groeven doorploegd. Eén oog was hij kwijt en wenkbrauwen
had hij in 't geheel niet meer; het doffe, blinde oog vormde een
schrikwekkende tegenstelling met het fel schitterende balletje aan den
anderen kant van zijn neus, waarvan ook al niet veel meer overgebleven
was dan een spitse onregelmatige punt; en de spieren van zijn kin waren
zoo samengetrokken, dat deze niet veel meer dan een aaneenschakeling
van naden en rimpels vertoonde. Hij was lang, schaal en mager, lachte
zelden en als hij 't deed, werd hij nog leelijker om aan te zien.
Meneer Jolliffe was de zoon van een deurwaarder. De ziekte had hem
aangetast in West-indië, waar ze honderden wegrukte. Hij was na al
langen tijd in dienst, met weinig of geen vooruitzicht op bevordering,
en hij had zwaar te kampen gehad met armoede, toespelingen op zijn
geringe afkomst en hatelijkheden op zijn leelijk uiterlijk. Geen smaad
was hem bespaard gebleven op de schepen, waarop hij gediend had; onder
een groote menigte voelde hij zich in 't geheel niet op zijn gemak en,
ofschoon ze hem nu niet meer lomp durfden behandelen, hij werd toch
in dienst enkel geeerbiedigd uit erkenning van zijn bruikbaarheid en
voorbeeldige plichtsbetrachting--vrienden of kameraads had hij echter
niet. Al sinds jaren was hij in zichzelf gekeerd, legde zich met ijver
toe op de studie en was jegens iedereen uiterst welwillend. Stil
en teruggetrokken van aard, sprak hij zelden in de kajuit, of
zijn kwaliteit van proviandmeester moest het vereischen. Iedereen
had eerbied voor meneer Jolliffe, maar niemand was gesteld op een
kameraad, die er uitzag om de honden aan 't blaffen te maken. Toch
erkenden allen zijn onberispelijke houding in ieder opzicht, zijn
rechtvaardigheidsgevoel, zijn verdraagzaamheid, zijn voorkomendheid
en zijn gezond oordeel. Het leven was voor hem inderdaad een last,
dien hij met geduldige onderwerping droeg.
In alle gezelschappen als ze maar minstens een half dozijn personen
tellen, kan men een praatsmaker aantreffen, en even algemeen is er
ook steeds een van het gezelschap min of meer de zondenbok. Zelfs bij
toevallige bijeenkomsten valt dit op te merken, zoo bijvoorbeeld op
een diner, waarvan de meesten der genoodigden elkaar te voren nooit
ontmoet hebben.
De praatsmaker in de adelborstenkajuit van Harer Majesteits fregat de
Harpij was een jongmensch van omstreeks zeventien, met licht krullend
haar en een blozend uiterlijk. Hij was de zoon van een schrijver aan
de werf te Plymouth en heette Vigors.
De zondebok was een vijftienjarige jongen met een bleek, pafferig
gezicht. Al kon hij niet bepaald knap genoemd worden, toch wist hij
heel wat; maar ongelukkig had hij alle zelfvertrouwen verloren door
de voortdurende schimpscheuten en spotternijen van anderen, die wel
meer radheid van tong bezaten, maar in wezenlijke kennis waarschijnlijk
niet tegen hem opgewassen waren. Hij leerde niet gemakkelijk, maar wat
hij eenmaal wist onthield hij voorgoed. Deze jongen droeg den naam
van Gossett. Zijn vader was een rijke grondeigenaar uit Lynn in het
graafschap Norfolk. Er waren destijds nog maar drie andere adelborsten
aan boord, van wie men alleen kan zeggen dat ze in niets van de gewone
afweken, dus in leeren weinig lust toonden, maar bij iederen maaltijd
een goeden eetlust meebrachten, een hekel hadden aan al wat op werken
geleek, maar steeds klaar waren voor een grap of voor een vechtpartij
"op leven of dood" om het volgende oogenblik weer dikke vrienden
te worden; vervuld van algemeene begrijpen van eer en billijkheid,
zonder er zich echter aan te storen als 't hun minder te pas kwam;
bedeeld met zulk een mengelmoes van deugden en gebreken, dat het
dikwijls onmogelijk was de ware drijfveer van een of andere daad aan
te wijzen en te bepalen in hoever een kwade eigenschap tot een goede
verzacht en een goede door louter overdrijving tot een kwade ontaard
was. De namen van dit drietal waren O'Connor, Mills en Gascoigne. De
overige kameraads van onzen held zullen we te gelegener tijd wel op
het tapijt brengen.
Na het middagmaal in de kajuit volgde Jack zijn baksmaaks Jolliffe
en Gascoigne naar het verblijf der adelborsten.
"Ik moet zeggen, Rustig," merkte Gascoigne op, dat je een verduiveld
vrijpostig heertje bent, om zoo maar tegenover den kapitein te beweren
dat ge uzelf als niets minder beschouwdet dan hem."
"Met uw verlof," antwoordde Jack, "ik doelde daarmee niet op den
kapitein persoonlijk, maar sprak in 't algemeen over de rechten van
den mensch."
"Nu," hernam Gascoigne, "'t is het eerst van mijn leven, dat ik een
adelborst zoo kras voor den dag heb hooren komen, pas maar op met je
rechten van den mensch, ze zouden je nog wel eens in de doos kunnen
helpen--er valt aan boord van een oorlogschip niets te betoogen. De
kapitein nam het verbazend luchtig op, maar je moest dat onderwerp in
't vervolg liever niet aanroeren."
"Gascoigne geeft u een goeden raad, meneer Rustig" merkte Jolliffe
op. "Aangenomen al dat uw denkbeelden juist zijn--wat ik nog niet kan
toegeven, omdat de toepassing er van mij onmogelijk schijnt--dan nog
dient de voorzichtigheid niet uit het oog verloren. Laat ze die kwestie
op den vasten wal zooveel uitpluizen als ze willen, in landsdienst
is het gevaarlijk en zou je in een leelijk parket kunnen brengen."
"Een mensch is vrij in zijn doen en laten," zei Rustig.
"Mijn kop af als dat met een adelborst het geval is," riep Gascoigne
lachend uit, "je zult 't spoedig genoeg ondervinden."
"En toch ben ik juist op zee gegaan, in de verwachting dat ik er die
gelijkheid zou vinden."
"Stellig op den eersten April!" hernam Gascoigne. "Maar spreek je
werkelijk in ernst?"
Hierop ving Jack een lang betoog aan, waarbij Jolliffe en Gascoigne
hem ongestoord lieten doorslaan, terwijl Mesty met bewondering
toeluisterde. Toen het afgeloopen was, barstte Gascoigne in een
hartelijk gelach uit en Jolliffe zuchtte.
"Waar hebt ge toch al die wijsheid vandaan?" vroeg Jolliffe.
"Van mijn vader die een groot denker is, en die stellingen voortdurend
verdedigt."
"En was 't uw vaders wensch dat ge op zee zoudt gaan?"
"Neen, hij was er volstrekt niet opgesteld, maar natuurlijk wilde
hij zich niet verzetten tegen mijn rechten en mijn vrijen wil."
"Meneer Rustig," hernam Jolliffe, "als vriend raad ik u ten stelligste
uw meeningen zooveel mogelijk voor u te houden; ik zal later wel
gelegenheid vinden er nader met u over te spreken, en u dan mijn
redenen uiteenzetten."
Nauwelijks had meneer Jolliffe uitgesproken, of Vigors en O'Connor,
die het nieuwtje van Jack's ketterij gehoord hadden, kwamen beneden.
"Gij kent de heeren Vigors en O'Connor nog niet," zei Jolliffe
tot Rustig.
Jack, die een toonbeeld van beleefdheid was, stond op en maakte
een buiging, waarop de anderen plaats namen, zonder zijn groet te
beantwoorden. Naar hetgeen Vigors van Rustig gehoord en nu gezien had,
meende hij in hem een nieuw slachtoffer gevonden te hebben om op den
kop te zitten, en hij begon er zonder complimenten maar dadelijk mee.
"Zoo, ventje, ben je aan boord gekomen om met je gelijkheid den boel
in de war te schoppen? Bij den kapitein aan tafel heb je 't er zonder
kleerscheuren afgebracht, maar dat gaat hier in de adelborstenkajuit
zoo niet, dat verzeker ik je; sommigen moeten er onder door, en dat
is met jou ook het geval."
"Als gij," antwoordde Rustig, "met dat 'er onder door moeten'
bedoelt, dat ik me moet onderwerpen, kan ik u verzekeren dat ge
u vergist. Op grond van hetzelfde beginsel, waarom ik nooit den
dwingeland zoo willen spelen over zwakkeren dan ik zelf ben, zal ik
geen onderdrukking dulden."
"Wel verdraaid! 't lijkt precies een advocaat ter zee; wacht maar,
baasje, we zullen je wijsheid spoedig genoeg op de proef stellen."
"Moet ik dan soms aannemen, dat ik niet op gelijken voet sta met mijn
baksmaats?" hernam Jack met een blik op Jolliffe. Deze wilde juist
antwoorden, maar Vigors was hem voor:
"Ja, je bent hier op voet van gelijkheid, dat wil zeggen: je hebt
een gelijk recht in de kajuit, zoolang je er niet uitgesmeten wordt
wegens onbeschaamdheid tegenover je meerderen; je hebt een gelijk
aandeel te betalen in de dingen die voor den bak gekocht worden, en
een gelijk recht om er je portie van op te schranzen, als je ze maar
krijgen kunt; je hebt een gelijk recht van spreken, zoolang je niet
gezegd wordt je mond te houden. Hierop komt 't neer, dat je gelijk
recht hebt als ieder ander om te doen wat je kunt, te nemen wat je
kunt, en te zeggen wat je kunt, dat _kunnen_ is enkel maar de vraag;
de zwakste moet hier het loodje leggen, ziedaar nu de gelijkheid in
een adelborstenkajuit. Hebt je 't nu begrepen; of verlang je soms
nog een voelbare verduidelijking?"
"Dus moet ik aannemen, dat van gelijkheid hier al even weinig sprake is
als onder de wilden, bij wie de sterkere den zwakkere onderdrukt, en
het vuistrecht het eenige recht is? Nu, zoo gaat 't op een kostschool
aan den vasten wal ook."
"Voor dit maal heb je het bij 't rechte eind. Ben je op een kostschool
geweest? Hoe ging 't daar toe?"
"Precies zooals gij 't hier wilt hebben: de zwaksten moesten het
loodje leggen."
"Welnu, voor een blind paard is een wenk evengoed als een knipoogje,
dat is 't maar, mijn waarde," zei Vigors.