Sawbridge was een flink officier, iemand die zichzelf tot luitenant

opgewerkt had, en niets bezat dan zijn tractement. In zijn zeven

en twintig jaren dienst had hij iets stroefs over zich gekregen, en

vooral jongelui van aanzienlijke familie, wier getal steeds toenam

op de schepen, kon hij niet uitstaan. Geheel zonder reden was dit

niet, want hij bemerkte dat door dien toevloed zijn eigen kansen op

bevordering verminderden. Volgens zijn oordeel werden de adelborsten

des te onbruikbaarder naarmate ze meer het heertje uithingen, geen

wonder dus dat hem de gal overliep bij het aanschouwen van al de

vertooning en drukte gemaakt door een jongmensch, dat weldra op

een zuur gezicht van hem zou ineenkrimpen, en zulks al drie weken

geleden had moeten doen. Toch was Sawbridge een rechtschapen mensch,

al bleek hij soms wat naijverig op degenen, die zich meer weelde

konden veroorloven dan hij.

"Mag ik vragen, meneer," zei Jack, die altijd buitengewoon beleefd was,

"waarmede ik u van dienst kan zijn?"

"Jawel, meneer,--met onmiddellijk naar uw schip te gaan. En mag ik

op mijn beurt eens vragen, wat de reden is, dat gij al drie weken

hier aan wal zijt zonder u te komen aanmelden?"

Jack, die volslrekt niet gesticht was over Sawbridge's bevelenden

toon en intusschen plaats had genomen, sloeg de beenen over elkaar,

speelde achteloos met zijn gouden horlogeketting en antwoordde na

een poos vrij koel:

"Maar, meneer, wie zijt gij dan toch?"

"Wie ik ben, meneer?" hernam de bezoeker van zijn stoel opspringende,

"mijn naam is Sawbridge, meneer, en ik ben de eerste luitenant van de

'Harpij.' Ziedaar het antwoord op uw vraag."

Sawbridge, die zich verbeeldde, dat het noemen zijner waardigheid

van eersten luitenant den adelborst een schrik om het hart zou doen

slaan, liet zich weer op zijn stoel vallen en nam een air van groot

gewicht aan.

"Inderdaad, meneer," antwoordde Jack, ik moet erkennen, datik uit

onbekendheid met den dienst weinig besef heb van uw eigenlijke positie

aan boord, maar uit uw gedrag zou ik opmaken, dat u een niet geringen

dunk van uzelven heeft."

"Hoor eens, jongmensch, ik wil aannemen, dat ge niet weet wat een

eerste luitenant is--uw houding tegenover mij geeft er duidelijk

blijk van--maar reken er gerust op, dat ik het u spoedig zal laten

merken. Tevens sta ik er op; dat ge onmiddellijk mee naar boord gaat."

"Het spijt me, meneer," antwoordde Jack doodbedaard, "maar ik kan aan

uw hoogst bescheiden verlangen niet voldoen. Ik zal aan boord komen,

zoodra mij dat goeddunkt, en u zult mij verplichten met u verder niet

over mij te bekommeren."

Jack trok aan het schelkoord; de bediende, die aan de deur had staan

luisteren, trad onmiddellijk binnen en eer Sawbridge, verbluft door

zoo'n verregaande brutaliteit, iets zeggen kon, gaf Jack den bediende

last meneer even uit te laten.

"Alle donders!" riep de eerste luitenant uit. "Wacht maar, ventje;

heb ik je eenmaal goed en wel aan boord, dan zal ik je het verschil

tusschen een adelborst en een eersten luitenant terdege duidelijk

maken."

"Ik erken alleen gelijkheid, meneer," antwoordde Jack; "als gelijken

zijn wij allen geboren, dat zult gij toch toestemmen, hoop ik."

"Gelijkheid--wel verdraaid! wou je soms ook het bevel over het

schip op je nemen? We zullen je spoedig uit den droom helpen. Ik

ga nu aan kapitein Wilson rapport uitbrengen over uw gedrag en dit

verzeker ik je, als ge niet nog hedenavond aan boord zijt, dan zend

ik morgenochtend met het krieken van den dag een sergeant met eenige

mariniers om je in te rekenen."

"Wees verzekerd, meneer," antwoordde Jack, "dat ook ik niet in gebreke

zal blijven aan kapitein Wilson mede te deelen, dat ik u als een

onhebbelijken ruziemaker beschouw en hem raad u niet langer aan boord

te dulden. Met zulk een ongelikten beer op een zelfde schip te wezen,

is niet om uit te houden."

"Hij moet gek zijn--stapelgek," riep Sawbridge uit, wiens verbazing

de overhand kreeg over zijn verontwaardiging.

"Neen, meneer," antwoordde Jack, "een gek ben ik niet, maar een

wijsgeer.

"Wat voor een ding?" riep Sawbridge uit, "Wacht maar, grappenmaker,

we zullen de wijsbegeerte van je wel op de proef stellen."

"Juist daarom heb ik besloten op zee te gaan, meneer," hernam Jack;

"en als gij aan boord blijft, hoop ik met u eens te redeneeren, en u te

bekeeren tot erkenning der gelijkheid en der rechten van den mensch."

"Wees er maar zeker van, dat ik je spoedig tot onderwerping aan

de krijgsartikelen zal bekeeren, als je tenminste ooit aan boord

komt. Voorloopig ga ik nu den kapitein rapport maken over uw gedrag,

en laat u bij uw diner als ge nog eetlust overgehouden mocht hebben."

"Ten zeerste verplicht, meneer, maar over mijn eetlust behoeft ge

u volstrekt niet bezorgd te maken. Het eenige wat me spijt, is dat

ik, met het oog op het nette gezelschap dat ik wacht, u niet durf

uitnoodigen onzen dischgenoot te zijn. Ik zou dat anders gaarne gedaan

hebben, nu het blijkt dat we tot hetzelfde schip behooren. Ik wensch

u goedendag, meneer."

"Twintig jaren ben ik in dienst," bulderde Sawbridge, "en nu zou me

daar zoo'n.... maar hij is gek, stapelgek." En de eerste luitenant

stormde de kamer uit.

Jack was zelf ook wat verbluft. Had Sawbridge zijn uniform aangehad,

dan was 't nog wat anders geweest, maar dat zoo'n alles behalve

indrukwekkend persoon met zwarte bakkebaarden, slordig onderhouden

haar, een ouden blauwen rok en een geel kaschmiren vest, het durfde

wagen hem op zoo'n manier toe te spreken, dat was onbegrijpelijk. Hij

noemt me een gek, dacht Jack, maar ik zal kapitein Wilson eens

netjes vertellen, hoe ik over zijn luitenant denk. Een oogenblik

later verschenen de gasten en spoedig was Jack het geheele geval

weer vergeten.

Intusschen begaf Sawbridge zich naar den kapitein en vond hem thuis. Na

een omstandig verhaal van wat er had plaats gehad, eindigde hij zijn

rapport met in drift te eischen, dat Jack onmiddellijk ontslagen of

anders voorbeeldig gestraft zou worden.

"Nu, nu, meneer Sawbridge," antwoordde kapitein Wilson, "komaan, neem

plaats, en laten we er eens over redeneeren, zooals meneer Rustig

zegt; ik wed, dat ik u tot betere gedachten breng. Wat dat straffen

betreft, ja, zie je, dat is een lastig geval, want vooreerst heeft

meneer Rustig zich nog niet op zijn schip aangemeld, en ten tweede

kon hij immers niet weten dat gij de eerste luitenant waart, want ge

hadt uw uniform niet aan."

"Dat is waar meneer," antwoordde Sawbridge, "daar had ik niet aan

gedacht."

"En wat dat ontslaan of liever niet toelaten op het schip aangaat,

meneer Rustig is aan den wal grootgebracht en heeft mogelijk zijn

heele leven geen grootere uitgestrektheid water gezien dan een

vischvijver. Van zeedienst of van wat er aan vast is, zal hij wel

evenveel begrip hebben als een kind van nog geen jaar. Ik wed dat hij

niet eens weet wat een luitenant is, en stellig heeft hij geen flauw

idee van de macht van een eersten luitenant, dat blijkt duidelijk

uit de manier waarop hij zich tegenover u gedragen heeft."

"Dat moet ik ook gelooven," antwoordde Sawbridge droogjes.

"En daar nu zijn gedrag het uitvloeisel moet zijn van volkomen

onwetendheid, mag hij, dunkt me, niet al te streng gestraft worden. Ga

't zelf maar eens na, Sawbridge."

"Misschien hebt gij gelijk, meneer, maar hij noemde zich toch een

wijsgeer en sprak over de gelijkheid en de rechten van den mensch. Hij

zei, dat hij alleen gelijkheid tusschen ons kon aannemen en wilde

dat nader uiteenzetten. Nu vraag ik u toch, meneer, wat moet er van

den dienst terechtkomen, als zoo'n adelborst over elk bevel, dat er

gegeven wordt aan 't redeneeren slaat?"

"Die opmerking is zeer juist, Sawbridge; daaraan heb ik in 't

geheel niet aan gedacht, toen ik beloofde den jongen Rustig aan

boord te zullen nemen. Ik herinner me nu dat zijn vader, die een

verre neef van me is, eenige vrij dwaze denkbeelden in zijn hoofd

had, precies dezelfde die zijn zoon bij zijn ontmoeting met u te

berde heeft gebracht. Toen ik eens bij meneer Rustig ten eten was,

had hij 't maar steeds over de beginselen der natuurlijke gelijkheid

en der rechten van den mensch, tot groot vermaak van zijn gasten en

ook van mij, moet ik bekennen. Ik maakte nog de opmerking, dat die

denkbeelden onmogelijk toe te passen waren op den dienst, want dat

't dan gedaan zou zijn met alle tucht. Hoe weinig vermoedde ik toen,

dat zijn eenige zoon, voor wien niet de minste aanleiding bestond om

het zeeleven te kiezen--want zijn vader is een rijk grondbezitter--nog

ooit met mij onder zeil zou gaan en die denkbeelden op mijn schip

komen brengen. 't Is jammer, erg jammer."

"Maar Meneer," zei Sawbridge, "als 't mij geoorloofd is mijn meening

over het geval te zeggen--zou 't niet het best zijn, zoowel voor

hemzelf als voor den dienst, dat hij maar weer naar huis werd

gezonden? Als officier zal hij enkel zichzelven en anderen last

bezorgen."

"Mijn waarde Sawbridge," hernam kapitein Wilson, nadat hij de kamer

een paar malen op en neer was gestapt, "we zijn te gelijk in dienst

gekomen, hebben verscheidene jaren aan denzelfden disch gegeten

en niet enkel langdurige vriendschap, maar ook vertrouwen op uw

degelijke kennis hebben er mij toegebracht u voor te stellen mijn

eersten luitenant te worden. Nu zal ik u eens een geval ter beslissing

voorleggen, en wat meer is, ik zal me aan uw uitspraak onderwerpen.

"Neem eens aan, dat gij evenals ik scheepskommandant waart met een

vrouw en zeven kinderen, en dat ge na jarenlang getob om in hun

onderhoud te voorzien, in weerwil van de grootste spaarzaamheid

in schulden waart geraakt. Nu gelukt het u eindelijk een flinke

aanstelling te krijgen, waardoor ge u uit alle ongelegenheden zult

kunnen redden. Maar al uw hoop dreigt in rook te vervliegen, omdat

ge geen geld hebt voor een uitrusting en voor het afdoen der meest

dringende schulden. Als nu in zulk een benarden toestand een verre

bloedverwant, dien ge ternauwernood kent, zoo edelmoedig is u duizend

gulden te leenen, zonder daarvan rente te vorderen en het geheel aan

u overlaat wanneer ge de som wenscht terug te betalen, dan vraag ik u,

Sawbridge, wat zoudt gij voor zoo iemand gevoelen?"

"Ik zou mijn leven voor hem wagen," antwoordde Sawbridge getroffen.

"Vooronderstel nu dat, louter bij toeval of door een samenloop van

omstandigheden, de zoon van dien man onder uw bescherming werd gesteld;

wat dan?"

"Ik zou als een vader voor hem zorgen."

"Maar laten we toch eens verder gaan en vooronderstellen, dat

ge niet in alle opzichten met den jongen ingenomen zijt, dat hij

dwaalbegrippen heeft ingezogen, die, als ze niet uitgeroeid worden,

verderfelijk voor hem kunnen worden. Zoudt ge hem dan om die reden

uw bescherming onttrekken en hem aan zijn lot overlaten?"

"Volstrekt niet, meneer," antwoordde Sawbridge; "integendeel, ik

zou hem zoo lang bij me houden, tot ik hem, hoe dan ook, van zijn

verkeerdheden had genezen, en op die wijze zooveel mogelijk de schuld

der dankbaarheid aan den edelmoedigen vader had betaald."

"Na al wat er gebeurd is behoef ik u wel niet te zeggen, Sawbridge,

dat het jongmensch, met wien ge in aanraking zijt geweest, de zoon

is en meneer Rustig van Boschlust de vader."

"Het eenige wat ik zeggen kan, meneer, is dat ik, niet enkel om u

genoegen te doen, maar ook uit eerbied voor iemand, die u zooveel

welwillendheid heeft betoond, het jongmensch volgaarne vergeef

wat er tusschen hem en mij is voorgevallen en bovendien al wat er

waarschijnlijk nog gebeuren zal, eer we hem in het rechten spoor

hebben."

"Hartelijk dank, Sawbridge, ik had niet anders van u verwacht, en ik

heb me in die verwachting niet bedrogen."

"Maar wat moet er nu gedaan worden, kapitein?"

"We moeten hem aan boord zien te krijgen, maar niet met een

escorte mariniers--dat zou meer kwaad dan goed doen. Ik zal hem een

uitnoodiging zenden om morgenochtend bij me te komen ontbijten en

het een en ander te bepraten. Ik wil hem geen schrik aanjagen; hij

moest anders eens hals over kop naar Boschlust terugkeeren."

"Dat mag in geen geval, want zijn vader schijnt zijn grootste vijand

te zijn. Hoe jammer dat iemand met zulk een goed hart zoo'n zwakhoofd

kan wezen!"

Meneer Sawbridge verwijderde zich en kapitein Wilson zond aan onzen

held een schriftelijke uitnoodiging om den volgenden morgen te negen

uur bij hem te komen ontbijten. Het antwoord luidde bevestigend,

maar werd mondeling overgebracht, want Jack had te veel champagne

gedronken dan dat hij een pen op het papier durfde zetten.

Zesde hoofdstuk.

Aan boord en onder zeil.

Den volgenden morgen zou Jack stellig de invitatie van den kapitein

glad vergeten geweest zijn, als niet de bediende van het logement

begrepen had, dat, na de vreemde manier waarop onze held den eersten

luitenant had ontvangen, het niet raadzaam zou wezen ook nog in

eerbied voor den kapitein te kort te schieten.

Tot dusver had Jack zijn uniform nog niet aangehad, en hij vond 't

nu een geschikte gelegenheid, te meer daar de bediende beweerde dat

hij in tenu behoorde te verschijnen. Of het soms een voorgevoel was

van wat hem te wachten stond, maar Jack voelde zich niets prettig in

zijn nieuwe plunje. Het kwam hem voor, dat hij zijn onafhankelijkheid

prijs gaf en hij kreeg grooten lust het pak met de glimmende knoopen

weer uit te smijten. Daartoe kwam het echter niet, en na zijn hoed

opgezet te hebben, begaf hij zich naar het logement van kapitein

Wilson. Deze ontving hem zeer heusch en hield zich alsof hij niets

wist van Jack's verzuim om zich tijdig aan boord aan te melden of

van diens ontmoeting met den eersten luitenant; maar eer het ontbijt

afgeloopen was, had Jack zelf het geval reeds met enkele woorden

verteld. Kapitein Wilson begon nu uit te weiden over de plichten

en den rang der verschillende personen aan boord van een schip, en

betoogde Jack hoe 't met het oog op de tucht onmogelijk was, dat er

meer dan één persoon het kommando voerde. Die eene was de kapitein,

in wiens persoon koning en vaderland vertegenwoordigd werden. Daar nu

de kapitein zijn bevelen gaf aan den luitenant en deze ze overdroeg op

de adelborsten, die ze op hunne beurt weer aan de overige bemanning

overbrachten, was 't inderdaad alleen de kapitein, die de bevelen

uitdeelde en was iedereen gelijkelijk tot gehoorzaamheid verplicht. Ja,

de kapitein zelf volgde weer de orders van zijne superieuren, den

admiraal en de admiraliteit; men kon dus met recht zeggen, dat aan

boord allen gelijkelijk tot gehoorzaamheid verplicht waren. Door

telkens op het woord _gelijkelijk_ veel nadruk te leggen, diende hij

zijn eerste les met de noodige omzichtigheid toe. Zijn geheele betoog

geleek veel op een handige pleitrede, want terwijl hij Jack duidelijk

zocht te maken dat in dienst gelijkheid volstrekt onbestaanbaar was,

trachtte hij tevens aan te toonen dat alle rangen volkomen gelijk

stonden, in zoover allen evenzeer hun plicht tegenover het vaderland

hadden te vervullen; en of nu een matroos zijne bevelen gehoorzaamde,

dan of hijzelf die van een hooger officier opvolgde, alles kwam ten

slotte daarop neer, dat ze het vaderland dienden.

Met die manier van beschouwen was Jack het vrij wel eens, en de

kapitein zorgde wel, dat hij er niet te lang bij bleef stilstaan,

maar ging spoedig tot ten ander onderwerp over, dat hij voor Jack

aangenamer achtte. Hij zette uiteen, dat de krijgsartikelen de wetten

waren volgens welke de dienst werd geregeld, en dat iedereen, van den

kapitein tot den minsten jongen aan boord, er gelijke gehoorzaamheid

aan verplicht was; dat ieder een vast rantsoen kreeg, wat voor

allen gelijk was, zoowel in hoeveelheid als in hoedanigheid; dat al

moesten er noodzakelijk rangen zijn en al moesten de bevelen van den

kapitein door allen opgevolgd worden, toch elk officier, van welken

rang ook, als een beschaafd man beschouwd werd. Kortom, kapitein

Wilson wist het zoo ver te brengen, dat Jack begon te gelooven, dat

hij de te land vergeefs gezochte gelijkheid nu eindelijk gevonden

had. Maar daar herinnerde hij zich ongelukkig de ruwheid, waarmede

meneer Sawbridge hem den vorigen avond bejegend had en hij vroeg

den kapitein, hoe die man daartoe had kunnen komen. Nu deed de taal

door den luitenant gebruikt al heel weinig aan gelijkheid denken, en

kapitein Wilson zat er wel een beetje over in. Hij betoogde echter dat

volgens de krijgsartikelen ieder, die zich van het schip verwijderde,

een vergrijp beging tegen die artikelen. Werd nu zulk een vergrijp

begaan door iemand van de bemanning, dan moest de oudste officier

daar rapport van maken, of anders was hij zelf strafbaar. Zijn eigen

verantwoordelijkheid noodzaakte hem dus wel zulk een overtreding

niet door de vingers te zien, en als hij er den schuldige in wat

al te krasse bewoordingen op wees, dan toonde hij daarmede slechts

zijn dienstijver.

"Aan zijn dienstijver valt dan stellig niet te twijfelen," antwoordde

Jack, want als het gansche vaderland op het spel had gestaan, kon

hij niet erger hebben uitgevaren."

"Hij deed dus zijn plicht; maar reken er op, dat hij 't zelf niet

aangenaam heeft gevonden. Ik sta er voor in, dat, als gij hem aan boord

ontmoet, hij even vriendelijk zal wezen alsof er niets gebeurd was."

"Hij zou me anders eens laten zien wat een eerste luitenant was. Wat

kan hij daarmee bedoeld hebben?" vroeg Jack.

"Niets dan dienstijver."

"Ja, maar zoodra ik aan boord kwam, zou hij me het verschil toonen

tusschen een eersten luitenant en een adelborst."

"Dienstijver, anders niet."

"Ook zou hij mijn verstand wel een beetje opfrisschen."

"Alles dienstijver."

"En hij zou me door een sergeant en eenige mariniers laten halen."

"Alles dienstijver."

"Ook zou hij mijn wijsbegeerte eens op de proef stellen."

"Alles dienstijver, meneer Rustig. Die ijver kan zich soms wat

overdreven uiten, maar we zouden het in den dienst niet zonder kunnen

stellen. Ik hoop en vertrouw mettertijd in u een even volijverig

officier te hebben."

Hier zette Jack een bedenkelijk gezicht, en gaf geen antwoord.

"Ik ben er zeker van," vervolgde kapitein Wilson, "dat gij in meneer

Sawbridge een uwer beste vrienden zult vinden."

"Misschien wel," antwoordde Jack, "maar onze eerste kennismaking,

beloofde niet veel."

"Dat is wel jammer. Maar wat ik u zeggen wilde, we zullen morgen

uitzeilen. Van avond komt de sloep mijn goed halen, dat is een mooie

gelegenheid om ook het uwe mee te geven. Om acht uur ga ik aan boord,

we kunnen dan van dezelfde boot gebruik maken."

Jack had daar volstrekt geen bezwaar tegen. Na zijn rekening in de

Fontein betaald te hebben, liet hij zijn koffer naar de sloep brengen

en wachtte voor zijn eigen vertrek de boodschap van den kapitein

af. Tegen negen uur in den avond bevond Jack Rustig zich goed en wel

aan boord van Zijner Majesteits fregat de Harpij.

Toen Jack aan boord kwam was het reeds donker en hij wist niet goed wat

hij zou aanvangen. De kapitein werd op het dek door de officieren in

allen vorm ontvangen, en eerbiedig gegroet. Hij beantwoordde dien

groet en Jack volgde dat voorbeeld zoo beleefd mogelijk; daarna

knoopte meneer Wilson een onderhoud aan met den eersten luitenant,

zoodat Jack voor een oogenblik aan zichzelven overgelaten was. Het

was te donker om de gezichten te onderscheiden, en voor iemand die

nog nooit aan boord van een schip was geweest, zelfs te donker om een

voet te verzetten, zoodat Jack maar stilletjes bleef waar hij was,

namelijk niet ver van de betinghouten. Maar dat duurde niet lang; de

sloep was aan de groote davits vastgehaakt en de bootsman had geroepen:

"Aanhalen, jongens!"

Op een schel gefluit en het kommando: "Op!" kwamen de matrozen

met de takels aangerend en gesprongen. In de duisternis werd Jack

omvergeloopen en een half dozijn kerels rolde over hem heen. De

matrozen, die niet wisten dat er onder anderen ook een officier

van de been was geraakt, hadden schik in de grap en bleven maar

voortwippen over degenen die gevallen waren, totdat ze eindelijk zelven

neerkwakten. Jack, die er niets van begreep, kwam leelijk te land,

en eerst nadat het sein tot vastjorren was gegeven, geraakte hij weer

overeind, nadat de halve stuurboordwacht over hem heengegaan was en

de adem hem bijna begeven had. Jack strompelde naar een der stukken

geschut, toen de officieren, die even goed als de manschappen over

de fopperij gelachen had, zijn toestand opmerkten, onder anderen ook

Sawbridge, de eerste luitenant.

"Hebt ge u bezeerd, meneer Rustig?" zei hij vriendelijk.

"Een beetje," antwoordde Jack, weer bij adem gekomen.

"Dat was een wel wat ruwe welkomstgroet," hernam de eerste luitenant,

"maar op sommige tijden heet 't aan boord: ieder voor zich en God

voor ons allen. Harpur," vervolgde hij tot den dokter, "neem meneer

Rustig mee naar de konstabelkamer, ik kom zoo spoedig mogelijk zelf

ook beneden. Waar is meneer Jolliffe?"

"Hier, meneer," antwoordde Jolliffe, een stuurmansmaat en kwam van

achter de leizeilspieren te voorschijn.

"Er is met den kapitein een nieuwe adelborst mee aan boord

gekomen. Laat een van de kwartiermeesters zorgen voor een hangmat."

Intusschen ging Jack naar de konstabelkamer, waar een glas wijn hem

weer wat opkwikte. Lang bleef hij er niet en tot veel praten bad

hij ook geen lust. Zoodra zijn hangmat klaar was, haastte hij zich

om te bed te komen en daar hij doodaf was, werd het den volgenden

morgen over negenen eer hij ontwaakte. Hij kleedde zich aan, ging

op het dek en bespeurde dat het schip al in volle zee was. Spoedig

begon hij zich onwel, ja zelfs ziek te gevoelen, zoodat een der

matrozen hem naar beneden brengen en in zijn hangmat leggen moest,

waar hij onder een hevigen wind drie dagen doorbracht, versuft door

het schokken en slingeren, terwijl hij elk oogenblik met het hoofd

tegen de scheepsbalken sloeg.

"Noemen ze dat na op zee gaan?" dacht Jack. "Geen wonder dat ze zich

hier zoo weinig om elkaar bekommeren; maar dit weet ik wel, als ik

ooit weer voet aan wal zet, dan gun ik den drommel mijn portie van

de zee, ik heb er al meer dan genoeg van."

Kapitein Wilson en meneer Sawbridge hadden beiden aan Jack gedurende

zijn ziekte meer rust gegund dan gewoonlijk aan adelborsten werd

toegestaan. Toen de storm tot bedaren was gekomen, had het schip de

hoogte van kaap Finisterre bereikt. Den volgenden morgen was de zee

volkomen rustig en er lag slechts een flauw briesje op het water.

De betrekkelijke kalmte van den afgeloopen nacht had onzen held weer

vrij wel op zijn verhaal doen komen, en toen een stoot op de fluit

het sein gaf tot het optrekken der hangmatten, kwam meneer Jolliffe,

de stuurmansmaat, hem vragen of hij er niet eens over zou denken op

te staan en zich in de kleeren te steken, dan of hij van plan was

onder de dekens naar Gibraltar te zeilen.

Jack, die zich een heel ander mensen gevoelde, wipte uit zijn hangmat

en kleedde zich aan. Volgens bevel van den kapitein had een matroos

Jack tijdens zijn ongesteldheid opgepast en deze man was hem ook nu

behulpzaam; hij opende Jacks kist en bracht hem al wat hij verlangde.

Toen hij gereed was vroeg Jack waar hij heen moest gaan, want ofschoon

al vijf dagen aan boord, toch had hij nog geen kijkje genomen in de

adelborstenkajuit. De matroos duidde hem den weg er heen uit, en Jack,

die een geweldigen honger had, klauterde over kisten en koffers tot

hij eindelijk terechtkwam in een vertrek, dat er vrij wat slechter

uitzag dan de hondenhokken bij zijn vader thuis.

"Niet alleen mijn portie van de zee," dacht Jack, "maar ook mijn

deel in de Harpij wil ik dolgraag overdoen aan ieder die er maar naar

taalt. Gelijkheid is er genoeg hier! want ik verbeeld me dat iedereen

er even slecht aan toe is."

Na aldus aan zijn gedachten lucht gegeven te hebben, bespeurde hij

dat er nog iemand in de kajuit was, en wel de stuurmansmaat Jolliffe,

die Jack eens goed stond op te nemen, wat dezen noopte tegenover

hem hetzelfde te doen. Het eerste wat Jack opmerkte was dat Jolliffe

erg van de pokken geschonden was en maar één oog had; dat ééne oog

glinsterde echter zoo fel, dat het een kooltje vuur geleek en meer

licht scheen te geven dan een gewone kaars.

"Die manier van kijken bevalt me niet", dacht Jack--"we zullen nooit

vrienden worden."

Maar Jack oordeelde hierin enkel naar den schijn, en--zooals later

zal blijken--hij vergiste zich.

"Het doet me plezier dat ik je weer op de been zie, jongmensch,"

zei Jolliffe; "je hebt langer plat op den rug gelegen dan gewoonlijk

met anderen het geval is, maar, zie je, juist de sterksten hebben

't het zwaarst te verantwoorden. Het plan om op zee te gaan is

vrij laat bij je opgekomen, doch 'beter laat dan nooit', zooals het

spreekwoord zegt."

"Ik voel heel veel lust om over de juistheid van dat gezegde eens nader

te praten," antwoordde Jack, "maar 't zou op dit oogenbik toch weinig

helpen. Ik heb een verbazenden honger, wanneer gaan we ontbijten?"

"Morgenochtend om half negen;" antwoordde Jolliffe. "Voor vandaag is

't al twee uur over den tijd."

"Moet ik 't dan maar zonder iets stellen?"

"Dat wil ik nu juist niet zeggen, want we dienen rekening te houden

met je ziekte; maar toch, een ontbijt zal 't niet wezen."

Jack Rustig · 第 3 / 20 段