XIV. DE EERSTE ONTMOETING MET BABY-OLIFANT

Eerst te vier uur was de vergadering met de ambtenaren, hoofden en

notabelen van Manna afgeloopen en kon ik in mijn fonkelnieuwe, lichte

Amerikaansche auto naar Bengkoelen terug keeren.

Een rit, langs den kustweg, van 123 kilometer. Dit is voor Zuid-Sumatra

nu niet zoo’n belangrijke afstand, maar het traject heeft zijn

bijzondere moeielijkheden, doordat er vijf breede riviermonden in

liggen, welke niet overbrugd zijn. En in den tijd, waarop deze schets

betrekking heeft, bestond er nog geen geregeld autoverkeer; mijn wagen

was de eerste automobiel, welke dit traject aflegde.

De overvaart aan de riviermonden geschiedde met vlotten van op elkaar

gebonden lagen bamboe’s; dit was voor het licht verkeer voldoende.

Weliswaar sloegen die vlotten bij bandjir’s dikwijls weg en werden in

de branding aan flarden gebeukt, en het nam eenige dagen om nieuwe

vlotten te maken, zoodat aan beide oevers een kamp ontstond van

wachtende transportkarren, maar dit gebeurde ook dikwijls wanneer

bandjir’s het oversteken gevaarlijk maakten; dat was zoo erg niet, men

had geen haast; en de karrevoerders wisten met een gezellig

dobbelpartijtje en veel slaap den tijd wel te dooden.

Mijn auto, de baanbreekster voor een nieuwen tijd, bracht de eerste

malen groote ontsteltenis voor hen, die de overvaarten geregeld

bedienden, eenvoudige brave mannen uit de binnenlanden, die met open

mond en verbleekte gezichten den snorrenden wagen met onverwachte

snelheid zagen aankomen, zonder eenig trekdier; en nog meer schrikten

zij van het gewicht van het nieuwe voertuig, dat gewoonlijk de vlotten

onderdompelde en, tot de assen in het water, van oever tot oever

overzwaaide. Het spreekt vanzelf, dat er allerlei kleine en grootere

ongelukjes gebeurden bij het op- en afrijden van de wankele vlotten,

die volstrekt niet altijd behoorlijk konden worden vastgemeerd aan de

telkens door bandjir’s aangevreten oevers.

En indien automobielen wezens waren met rede begaafd, dan zouden zij,

die gefolterd zijn om en bij bamboe-vlotten in Zuid-Sumatra,

gedenkschriften hebben nagelaten, welke reeds lang aanleiding zouden

hebben gegeven tot het bijeen roepen van een congres tegen koloniale

gruwelen.

Nu hebben alleen de eigenaren pijnlijke herinneringen, welke vastgelegd

zijn in bundels kwitanties van auto-herstellers.

Maar toen ik dien dag in mijn licht Amerikaantje stapte, had ik

dergelijke souvenirs nog niet, en dien keer werden ze mij toevallig

bespaard.

Het was een bijzonder warme dag geweest, op het nog kale plein voor de

nieuwe Controleurswoning trilden de hittegolven.

Maar indien men eenmaal in beweging is, hindert de hitte niet meer, en

zij was het dan toch ook, die de heerlijke geur gestoofd had uit de

kruidnagelboomen langs den weg. Prachtige boomen zijn het, en zij

zouden doen denken, dat de cultuur loonend zou zijn voor deze

kuststrook, een verwachting, die ook Raffles had. Maar de verschillende

proeven zijn mislukt, en van de laatste ervan zijn alleen deze boomen

overgebleven; bij de inheemsche bevolking houden zij de herinnering

wakker aan den Controleur, die ze liet aanplanten [22], en dien zij nog

steeds den Kruidnagel-meneer noemen, toean tjabé tjongkah, een man, die

streng èn goed was en daarom dankbaar herdacht wordt.

De zon daalde tropisch snel, en nu trad de mooiste periode van den

Indischen dag in,—als de scherpe lichtcontrasten plaats maken voor de

halftinten, als de hemel niet zoo strak blauw meer is en de wolken zich

voorbereiden om zich te tooien met de wondere pracht van kleuren,

waarmee de zon haar en den hemel tinten zal.

Bij een der rivierovergangen moest rust worden gehouden, de veerlieden

hadden het nog druk met het herstellen van het vlot, dat op een of

andere manier een knauw had gekregen. Ik was er dankbaar voor, omdat

het bosch aan de kust hier een eigenaardige bekoring heeft, en ik

glipte weg in de stilte onder de machtige aroe-boomen. [23]

Het fijne loof van deze casuarinen doet op het eerste gezicht sterk

denken aan naalden en men noemt ze wel eens denneboomen, ook omdat de

afgevallen grijsbruine naalden den bodem dik bedekken, als in een

dennebosch; maar verder gaat de vergelijking niet op met deze reuzen

van veertig, vijftig meter hoog en met hun ijl, grijsgroen loof, dat

elken harsgeur mist.

De bodem is er droog en egaal bedekt door de doode naalden, die op hun

weg van boven dikwijls een tijdlang hangen blijven aan de

losbladderende schors der boomen. Door de ijle struiken, die het

onderhout vormen, ziet men den oceaan, geheel open tot aan de zuidpool.

De witte rollers eindigen eeuwig weer in een laatsten rimpel, die zich

in bochtige, telkens veranderende lijn, zacht uitstrijkt over het

heldere, vlakke zand.

Het bruisen van de branding wordt in het ijle loof nagefluisterd; maar

beneden, tusschen de zware stammen, heerscht de stilte. En als er in de

gloeiende middaguren van mooie dagen geen zuchtje wind is, als de

kleffe zeelucht niet verwaait, dan hangt de stilte loodzwaar neer; de

cicade, die hier het eenige levende wezen schijnt en die halfweg een

stam zijn hoog-snerpend deuntje telkens weer herhaalt, kan die stilte

niet verbreken, accentueert nog meer de eeuwige rust en de

verlatenheid.

Aan den horizont streepte een lange rookveer, daar stoomde een boot,

een mailstoomer misschien naar Holland, naar onze kinderen...

Een scherpe steek op mijn hand riep mij plotseling uit het lieve

vaderland terug. Een roode mier was van den stam, waar ik tegen geleund

stond, op mij overgewandeld en nam bezit van de onverwachte prooi; zij

zijn verzot op vleesch, deze kararangga’s, ze slaan de vervaarlijke

kaken er stevig in, en zegevierend tilt het achterlijfje zich loodrecht

op.

Arme drommels, hij en ik, wat waren we een oogenblik in de war! Ik was

even, in een droom, in het verre vaderland, hij, in zijn vitaliteit,

dacht zich zóó zeker van zijn prooi. Ik maakte zijn greep los en zette

hem weer op zijn stam, waar hij even verdwaasd neerzat, maar dan vlug

de pijnlijke kaken bevoelde, het achterlijfje in verbazing hoog in de

lucht.

En nu ik weer tot de werkelijkheid terug gekeerd was, merkte ik niet

meer alleen te zijn; aan het strand liepen twee kleine meisjes in haar

nationaal badkostuumpje een eind de zee in; ook hier doen de kinderen

aan „pootje baden”; maar zij waren zoo doodverlegen, toen zij den

vreemden man ontdekten, dat ik me bepaald schuldig voelde en mij weg

haastte, naar de auto, die reeds aan den overkant van de rivier stond

te wachten; en Amin, mijn brave chauffeur, keek zacht verwijtend, wij

moesten immers nog zóó ver!

Het weggedeelte dat nu volgde, voert door een der eenzaamste streken

van Sumatra, welke men per auto kan doorkruisen. Links, aan de

westzijde, loopt een smalle rand van jong bosch, dat het uitzicht op

den oceaan afsluit. Aan den oostelijken kant strekken zich zwaar

begroeide moerassen uit, ontstaan door de bandjir’s der rivieren als

zij worden teruggedreven door den springvloed uit zee, en waardoor de

lage oevers en het vlakke land overstroomd worden. Breeduit getakte

ficusboomen steunen als met tal van licht gekleurde armen hun

reusachtig dak, de zijtakken vormen loopbruggetjes naar andere boomen

in een chaos van groen en van lianen en hoog klimmende, doornige

rotans. De bodem is grootendeels drassig en staat in den regentijd diep

onder water; er groeien pandanen en andere scherpbladige planten, en

overal staan boschjes van jonge rotan, alles dicht, doornig en scherp.

En worstelt de mensch zich door dien chaos, dan hangen overal, altijd

juist ter hoogte van zijn oor, de bekende weerhaakjes aan de punt der

sierlijke vederbladeren van den rotan, en telkens doen zij hun werk en

zij bijten het gevangen oor nijdig hun bijnaam in: „wait-a-bit!”

In deze ondoordringbare moerasbosschen, waar men maar zelden het geluid

van vogels hoort, zal de wereld van klimmende dieren misschien de

overhand hebben, maar zij zijn ook een dorado voor slangen en

varanen[23]; en het wilde varken vindt er altijd nog droge plaatsen

genoeg om er in groote gezelschappen te leven. Zelfs de slimme olifant

komt er geregeld; hij heeft er, van geslacht op geslacht, zijn veilig

gebleken paden in vast getrapt en ze in de moerasranden uitgeschuurd.

Wee! den jager—ik ondervond het later persoonlijk—die zich foppen laat

en zonder dubbel op zijn hoede te zijn, een aangeschoten olifant volgt

in zulke bosschen, in de overtuiging, dat de tonnen-zware reus

hulpeloos en verloren is in die moerassen. Den Grooten van het woud

deren bovendien de dorens van pandan en rotan niet, zij eten zelfs met

smaak de jonge, stekelige uitspruitsels; en als zij de weeke onderlip

maar met den slurf beschermen en de oogen dicht knijpen, dan loopen

zij, op hun massieve rubber-zolen, door de dichtste dorenbosschen als

een voetbal door het gras.

Die moerasbosschen zijn niet zwaar bevolkt, maar zij huisvesten

eigenlijk alle dieren, behalve den tapir en den neushoorn. Ook de

malaria-muskieten, de gevaarlijkste sluipmoordenaars van Indië, wonen

er, en zij zijn een terreur voor de schaarsche bevolking van deze kust.

Het was dien dag bijzonder stil langs den eenzamen weg. Ik had gehoopt

den zwarten panter terug te zien, die er eens mijn weg gekruist had, de

slanke, hoogbeenige kat met den overdreven langen staart. Maar zelfs de

varkens, die er in den laten namiddag gewoonlijk de bermen van den weg

omwoelen, ontbraken; ik moest mij tevreden stellen met één reusachtigen

varaan, die vlak voor de auto overstak en die slechts, door er een

vervaarlijke versnelling in te zetten, nog juist aan de voorwielen

ontsnapte; in het gras aan den kant stak hij zijn bespottelijk lange

tong tegen ons uit.

Amin lachte. Hij was in zijn schik met den nieuwen wagen, die zoo

geruischloos liep; dat was toch wel heel wat anders dan onze oude Fiat,

hoe trouw deze ons ook gediend had; hij zat met trotsch-rechten rug aan

het wiel, en ook hij genoot blijkbaar van de invallende koelte na den

gloeienden dag, die in een vlammenzee van ons afscheid nam.

Snel viel nu de duisternis in, zonder merkbare schemering, en de

bosschen werden zwart, nog vóór de wolkjes aan den hemel afstand konden

doen van de zachte tinten in oneindige afwisseling, die het laatste

licht hun gaf.

Aan den onderrand van het bosch, waar het àl zwarter werd, kriekten de

krekels hun liedje, slechts hier en daar begeleid door het gezellig

kwakken van een kikker in zijn plas.

En voort snorde de motor langs den witten grindweg. Het was al hoog

tijd om de lantarens op te steken, maar Amin reed steeds zoo lang

mogelijk zonder lichten; hij had enkele jaren een vrachtauto gereden

met zulke slechte carbid-lampen, dat hij het veiliger achtte tot de

uiterste grens op zijn scherpe oogen te vertrouwen, ook de

carbid-lantarens van de Fiat waren verre van schitterend; en ik liet

dergelijke dingen geheel aan hem over, den trouwen, zwijgzamen

kameraad, die met zijn baas en zijn wagen heel wat meegemaakt heeft in

de wildernis.

Maar nu werd het oppassen. Al was de witte weg nog duidelijk te

onderscheiden, het bosch was zwart als inkt geworden, en men kan in de

woeste streken van Sumatra nimmer weten, wat plotseling uit den

boschrand schieten kan. Amin en ik hebben samen wonderlijke dingen

beleefd, en men moet zelf de sensatie hebben genoten een snoezige

tijgerwelp in het licht der lantarens voor de autowielen te zien

hobbelen, met de stellige overtuiging, dat een razende moeder in den

zwarten boschrand mee-galoppeert, om de wilde bekoring van een nachtrit

door een wildernis als deze te begrijpen.

Nog drie bochten in den weg en wij zouden voor de Ngálam staan, de

grilligste en gevaarlijkste van alle riviermonden, nog slechts 45

kilometer van huis.

Wij scherpten beiden de oogen.

Was het niet, of daar, even uit de bocht, een huis stond? Maar...

midden op den weg, dat kon toch niet, en hier woonde geen levende ziel.

Wat ik daar zag, was ook zwarter, en had boller vormen.

Wàt kon dàt zijn?! „Stop, Amin, ada hal, daar is iets vreemds!”

Hij ontdekte het op hetzelfde oogenblik, remde met alle macht en zette

de motor af. De ontzaglijke stilte van den nacht kwam over ons, geen

krekel zong, alleen heel in de verte gromde zacht de branding. En

zestig meter vóór ons, lag op den weg een zwarte, platte heuvel.

„Allah!”... en Amin rilde, „wat is dat, meneer?”

„Allem...” fluisterde ik, „dat moeten wel olifanten zijn, Amin!”

„Olifanten??”... zei hij doodverbaasd; hij was geen jager, en ik wist,

dat hij nog nooit een olifant gezien had; „maar meneer, zullen we dan

gauw draaien en terug gaan naar de pasanggrahan in Talo?”

„Amin, dat kàn niet; als wij probeeren te vluchten, komen ze stellig op

ons af; en je weet, hoe ze met ossekarren doen, ze pakken de ossen

tusschen de boomen weg en zeilen de huif van kadjangmatten de boomen

in; zulke dingen zullen ze met onzen wagen ook probeeren, èn met ons.”

Maar wat dan?! We moesten toch iets doen. Al fluisterden wij, de dieren

moesten al lang begrepen hebben, dat daar iets was, dat hun

daadwerkelijke belangstelling waard was; alleen het vreemde, het voor

hen nieuwe geluid moet hen bevangen hebben. Voorzoover wij zien konden,

kwam er geen beweging in den zwarten klomp.

„Maar u hebt toch een geweer!” vond Amin plotseling uit, en het kostte

mij moeite hem duidelijk te maken, dat men niet met een gladloops

jachtgeweer in het donker optrekt tegen een front van opgeschrikte

olifanten. Maar wat dàn?? pijnigde ik mijn hersens; bovendien ik wilde

zoo graag meer weten van dien geheimzinnigen zwarten klomp, maar hoe?

Het was weer Amin, die een helder oogenblik had, en nu bracht hij de

beslissing: „Mijn vriend Kono, die oude Javaansche chauffeur, heeft me

eens gezegd: als je ooit het ongeluk hebt ’s avonds een olifant op den

weg te ontmoeten, steek dan dadelijk je lantarens op, daar zijn ze bang

voor,” en met stak Amin de hand in zijn zak, op zoek naar lucifers.

Maar tegelijk bedachten wij onnoozelen ons eindelijk, dat deze nieuwe

wagen electrische lampen had... en klik! daar lag de zwarte klomp

bestraald door twee felle bundels licht. Inderdaad, rustende olifanten!

en zij sloten ons geheel van de bewoonde wereld af; waarschijnlijk

kwamen zij uit de moerassen en zij genoten van den nog warmen weg. Maar

dadelijk stond een hunner op, en anderen volgden. Oogen knipperden,

ooren wapperden, slurven slingerden, maar er was geen flikkering van

zwaar ivoor. Het gezelschap, ongeveer tien man sterk, waggelde zeer

onrustig heen en weer. Wat zouden zij doen? de seconden leken minuten;

ze konden blijkbaar maar niet tot een beslissing komen.

Eindelijk scheidde een der grootste dieren zich af en wandelde links

het bosch in; ik zie nog voor me de lijn van tegenzin en ergernis in

den korten nek, en ik voel nog de ontzaglijke spanning van dit

oogenblik... zouden de anderen volgen, en wat zouden zij dàn doen, als

zij eens in de beschermende schaduw waren??

„Gauw, Amin, zet de motor aan, wij moeten zoo snel mogelijk er langs,

als ze allen van den weg zijn.”

„Ja, maar...”

„Heusch, jongen, het moet; het is onze eenige kans!”

De motor ronkte, Amin rilde, ik misschien eveneens, maar ook het

sportvuur laaide op.

Het zoemen van de motor deed de dieren tot een beslissing komen. Een

tweede olifant volgde den eerste in het bosch, en daarachter kwam een

nog grooter dier, een moeder blijkbaar, want, achter tegen haar

aangedrukt, schommelde een alleraardigst rond olifantje, een

reuzespeelbal van circuspaarden op dikke zuiltjes, de baby van den

troep.

Negen dieren zagen wij zoo, stuk voor stuk, in den boschrand

verdwijnen, de weg was vrij!

„Vooruit Amin, bismillah, de Heer helpe ons!”

Amin zette kloek de zaak in, het ging om ons leven, en de eerste zestig

meter gaven ons een spanning, welke ik nimmer vergeten zal. Nog tien

meter... de weg was nog vrij... en wij stoven langs de fatale plek. Wij

keken beiden snel links, ik zag, dat Amin schrikte, een reusachtig dier

stond geen vijf meter van ons... vooruit!!

Dan scheurde de lucht plotseling door een schetterende fanfare als uit

honderd klaroenen, de betoovering door het felle licht was voorbij, nu

gingen acht slurven en één heel klein slurfje recht in de lucht en

achttien ooren werden plat aangedrukt... „tèèèèèèèèèèt, alarm! de

vijand!!”

Aan het stuurwiel klonk een rauwe gil... „O, Allah, daar komen ze!” en

Amin trapte het gas in de motor, de lichte wagen sprong gehoorzaam

vooruit, maar als een dronken man, want in Amin’s nek was iets niet

pluis, met ontstellende kracht sloeg hij eenige malen met de eene hand

op de opstandige nekharen, en de andere had alle zekerheid verloren...

„Ja, Allah, ze zitten ons naaaaaaa!!!”

Ik keek om, maar zag niets achter ons aanhollen... toen barstte ik uit

in een onbedaarlijk lachen om de malle vertooning.

Maar ik klopte Amin op den schouder, en wij wenschten elkaar geluk, dat

men dien avond thuis niet vergeefs op ons zou wachten.

Zoo was de eerste kennismaking met Baby-Olifant. Ik had hem in den

boschrand niet meer zien staan, maar ik zou hem twee jaar later terug

zien in een avontuur, waar mijn zoon, student met verlof, en ik slechts

door een wonder heelhuids af kwamen; Baby’s moeder kwam daarbij te

vallen, later sneuvelde ook zijn oom door onze kogels, in een

moerasbosch, waar hij ons aanviel en mij bijna de gelegenheid ontnam om

ooit deze schets over Baby’s familie te schrijven. Maar een venijnige

tante nam de zorg voor het weesje over. En eens lazen wij uit de

sporen, dat tante en Baby, achtergeraakt bij den troep, plotseling in

wilden ren een nieuwen weg door het bosch hadden gebroken; en wij

begrepen aan welk gevaar het jonge baasje ontsnapt was, omdat wij

midden in het versche spoor van Baby’s achterpoot een nog verscher

spoor zagen van Hem, wiens naam men in de wildernis niet noemen mag.

Waar mensch en tijger buren zijn · 第 33 / 34 题