De neushoornvogel Anggang had een vergadering bijeen geroepen van tal
van ontevredenen in de vogelwereld.
De bijeenkomst had een revolutionair karakter, het doel was niet minder
dan het afzetten van den koning aller vogels. Tot op het oogenblik, dat
de neushoornvogel de leiding nam van de oppositie, was Kang-kok koning
geweest in de Maleische landen, en al de eeuwen door had vrede en
voorspoed geheerscht. De radja was maar klein en bescheiden, maar hij
was rechtvaardig en wijs; zóó wijs, dat hij wist te voorspellen of het
oogstjaar een overvloed van granen en vruchten zou brengen. Nu nog
weten de menschen, dat de rijstoogst gelukken zal, indien de
vriendelijke vogel welbespraakt is en gedurende weken achtereen aan den
rand van het bosch zijn naam in herinnering brengt. Het is een
vervelend rijmpje op den langen duur, omdat de vogel in toon en maat
rotsvast is, maar het geluid is lief en vertrouwelijk, en de hoofdzaak
is, dat zijn wijfje op haar nest het hoogelijk schijnt te waardeeren en
dat het eentonig liedje haar niet gaat vervelen: kang-kang-kang-kòk...
kang-kang-kang-kòk.
In het bijzonder waren het de groote vogels, die in opstand kwamen. Zij
vonden het belachelijk door zulk een onaanzienlijk vogeltje te worden
geregeerd.
„Kijk eens naar mijn lichaam,” had de neushoornvogel Anggang gezegd,
„luister eens naar mijn machtig geluid, en let eens op de kroon op mijn
hoofd!” en de vergadering had besloten Kang-kok af te zetten en den
reus als opperhoofd te erkennen.
Maar spoedig had men berouw. De nieuwe koning wees alle boschvruchten
toe aan de leden van zijn geslacht, en deze veelvraten lieten niets
over voor de kleintjes.
En er werd weer een vergadering belegd, en men besloot Kang-kok in eere
te herstellen. Maar deze had zijn geheele geslacht weg gezonden uit het
ondankbare land, naar Java, en hij zelf kon niet vergeten wat men hem
had aangedaan. Toch zwichtte hij ten slotte voor den aandrang der
berouwvollen, zij mochten één kangkok-ei van Java halen.
Goede raad was duur, wie zou dat doen? Eindelijk bedacht een klein
vogeltje uit de rimba, dat zijn vriend de zweefvlinder het wel zou
klaar spelen, die glijdt zoo lang op zijn groote vleugels van crême met
zwarte dotten, zonder één slag te doen, hij zou het ei wel over kunnen
brengen.
De goede vlinder kweet zich goed van de moeielijke taak; de boeboet
broedde het ei uit met zulk een toewijding, dat deze rosse spoorkoekoek
er een kaal buikje van overhield, tot den huidigen dag; en de zwarte
vorkstaart, die zelfs de grootste roofvogels in de vlucht durft
bestoken, hield de wacht. En toen het koningskind volwassen was en tot
radja werd verheven, kwam het geheele geslacht Kang-kok terug in de
Maleische landen.
De reus met het gekroonde hoofd en den gulzigen bek, zal zich er niet
veel van hebben aangetrokken, dat hij den koningstitel verloor. Hij
slikt er niet minder vruchten om, en zijn machtig geluid domineert nog
heel het bosch.
Hoor! Boven het breede ravijn klinkt een galm uit de witte wolken, twee
zwarte stippen teekenen zich af. „A-ngok” klinkt het nasaal-zwaar over
de zwijgende rimba, waar al wat leeft schijnt te luisteren. En nu het
reuzenpaar nadert, komt een wonderlijk geluid aanbruisen, het zware,
rhythmische geluid van den vleugelslag. „Sjoep, sjoep”, blaast en fluit
de lucht tusschen de veerschachten en langs de vleugelbeenderen met hun
dunwandige cellen en verbazingwekkenden luchtvoorraad. Als de twee
vleugelparen even hetzelfde tempo hebben, is het krachtige geluid
bepaald dreigend, maar het is altijd zoo, dat men ernaar moet
luisteren, alleen de cicade zet zijn eeuwig gezeur voort. Duidelijk is
nu de machtige kop aan den uitgestrekten hals te zien, ook het zwarte
lichaam; de staart is wit, maar in het midden loopt over alle veeren
een breede, zwarte band; die staartveeren van den anggang waren vroeger
het helden-teeken voor de Dajaks; alleen zij, die een kop hadden
gesneld, mochten de scheede van hun zwaard ermede tooien.
Is de anggang—zóó verstaat het Maleische oor den roep, die met „a-ngok”
is weergegeven—dus een domineerend man, hij is niet de grootste
neushoornvogel in Indië. Maar de allergrootste, die van snavelpunt tot
staarteind anderhalven meter meet, is zoo schuw en komt zooveel minder
algemeen voor, dat slechts weinig Europeanen zijn bestaan kennen.
Ivoor-vogel noemen hem de inheemschen naar den massieven kop-kroon,
waaruit vooral de Dajaks op Borneo fraaie versierselen snijden. De
Hollanders hebben hem „lachvogel” gedoopt; deze naam schijnt geheel ten
onrechte te zijn gegeven indien men alleen maar het begin hoort van het
concert, dat hij in de allerhoogste boomen van de rimba geeft, en dat
hij, door schrik bevangen, dikwijls afbreekt; de bangerd, die door
angst moet boeten, dat hij, in vorige incarnatie als mensch, zijn
schoonmoeder heeft vermoord. Heel verdekt stelt hij zich op en spiedt
angstig rond; de staart, eindigend in twee veeren, welke bijna negentig
centimeter lang zijn, hangt loodrecht neer. Is alles rustig? beweegt
zich daar beneden niets? rondom? nergens gevaar??... „Oeoek!” galmt het
nu boven het stille bosch, maar dan spiedt hij langen tijd weer rond of
zijn roep niet eenig gevaar heeft wakker geroepen. Eindelijk komt de
tweede roep, na een iets kortere pauze de volgende, en hoe veiliger hij
zich langzamerhand voelt, hoe korter worden de pauzes, wiskunstig
zuiver, en eindelijk, als men zich verwonderd afvraagt waar dit naar
toe gaat, eindigt de reuzevogel in een honend gelach, niet meer „oe”
maar duidelijk „a”...hahahaha! De Maleische legende gaat niet zóó ver,
maar het is, of hij vreest den geest van zijn schoonmoeder te zullen
oproepen; ontdekt hij die niet, gaat alles goed, dan lacht hij om haar
en om zijn eigen angst.
Kleiner dan de anggang zijn de neushoornvogels met zwarten snavel, en
de witsnavels, die in groote gezelschappen en in oneindig gesnater tot
in de kampoeng’s komen als er rijpe ficus-vruchten te smullen zijn.
Maar zij zijn stoeiende kwajongens vergeleken bij den waardigen
anggang, die door zijn karakter en zijn fierheid zelfs den lachvogel in
de schaduw stelt. En de mensch kent hem zooveel beter, omdat de
anggang, jong gevangen, zich spoedig in den nieuwen toestand schikt;
binnen enkele weken kan hij verlost worden van het traditioneele touw
aan een der pooten en geniet in volkomen vrijheid van zijn bestaan, als
huisgenoot van den mensch; hij moet echter telkens wat gekortwiekt
worden, omdat hij zich anders aan verre vluchten wagen zou en door zijn
tamheid een gemakkelijke prooi zou worden voor anderen dan zijn baas.
Verschillende anggang’s hebben wij in den loop der jaren in Indië
gehad, geen zoo lang als den laatste in de rij, onzen braven Jozef.
Jozef was geboren in een boomholte. De Maleier, die hem bij mij bracht,
had in het bosch, niet ver van zijn ladang-huisje, gezien, dat een
anggang een gat in een boom met klei dicht metselde en hij had
begrepen, dat hij bezig was zijn wijfje voor vier weken of meer van de
drukke boschwereld af te scheiden. Slechts een klein gat blijft in het
metselwerk gespaard, waardoor de hardwerkende man zijn ega voedert. Hij
doet dit uit jalouzie, zegt men, en hij moet zóó jaloersch zijn, dat
hij zich verontwaardigd van verdere voedering afwendt als hij ontdekt,
dat een andere anggang-man zich bij het nest ophoudt en naar binnen
gluurt. De arme, onschuldige moeder en haar kroost sterven dan den
hongerdood, aangezien zij geheel is aangewezen op de voederballetjes
van insecten, boomvruchten en deelen van kruipende dieren gefabriceerd,
welke manlief haar in den puntigen snavel aanreikt.
Jozef’s moeder had blijkbaar geen aanleiding tot jalouzie opgeleverd;
toen het groote oogenblik van verlossing was aangebroken zal het
ouderpaar het metselwerk met vereende krachten hebben verwijderd, en op
zekeren dag zag de Maleier op de takken van den boom een door het
lange, bewegingloos zitten nog stijve moeder en haar kroost,
wonderlijke wanstaltige wezens. In de omgeving had de man geen andere
anggang’s opgemerkt en toen hij eenigen tijd later, ingelicht door een
dwaas geweld dat een anggang laag bij den grond maakte, tusschen de
struiken een jong vond, begreep hij een lid van het hem bekende gezin
te hebben gevangen. Hij en zijn kinderen voerden het dier met pisang
(bananen) en gekookte rijst, zooals de doorsnêe binnenlander gewoon is
alle gevangen vogels te voederen; zij zijn dan zeer verbaasd, indien
een of andere roofvogel weigert te eten en zich maar „koppig” neerzet
om in de kleine kooi te sterven; ditmaal ging het best, toevallig kon
men den kleinen anggang geen beter voedsel in den grooten bek wringen.
En toen er een behoorlijke prijs voor hem kon worden gevraagd, werd hij
aan ons verkocht.
Wij wisten al, dat een anggang niet geliefkoosd kan worden; aaien over
den kop of over den rug is een genot voor papegaaien en loeri’s, maar
buiten deze „kopje-krauw’s” zijn vogels er niet bijzonder van gediend.
Maar als men een jongen anggang, die zich al enigszins aangepast heeft
aan de nabijheid van den mensch, liefkoozend toespreekt, dan reageert
hij in een zachten, onderdrukten eenklank, dien wij als „jóos” hoorden.
Daarom heetten bij ons de anggang’s Jozef, en deze Jozef reageerde
altijd, als men een lief buiginkje in zijn naamklank bracht.
Jozef had in een klein, vies hokje gezeten, zijn toilet was slecht
verzorgd, de lange oogharen om de verstandige oogen met hun
menschelijke oogleden, waren dicht bezet met roode luisjes, en het deed
hem geweldig pijn toen hij er voorzichtig van verlost werd; hij heeft
mij dat in jaren niet geheel kunnen vergeven.
Jozef was eigenlijk wanstaltig, vooral in de eerste jaren van zijn
leven, toen hij nog niet volgroeid was, een proces, waarover de anggang
minstens drie jaren doet. Vooral de nestharen aan den zwaren nek
stonden zoo weinig gesoigneerd, en dan die malle kop! Eerst later, toen
de roode kroon aanzwol en de veeren glad waren, zag Joos er
representabel uit, maar toch bleef hij een wonderlijk geheel, vooral
als hij mal rondhupte op de grove grijpvoeten; zij waren ganschelijk
niet daarvoor geschapen, toch deed hij het met blijkbaar pleizier, al
moest op een langen tocht wel telkens halt worden gemaakt. Trouwens,
daarvoor waren ook andere redenen; er kon niets boven hem vliegen of
bewegen, tot zwaluwen hoog in de wolken toe, of Jozef draaide den kop
90 graden en bekeek het object in peinzend filosofeeren met het naar
boven gewende oog, en hij trok er zich niets van aan, als de menschen
er om lachten.
Jozef was den geheelen dag bezig, in beweging, of als wijs filosoof;
zelden sliep hij overdag als er menschen in de buurt waren met wie hij
op zijn manier voeling zocht. Zijn dagelijksche omgang was de
tuinjongen, die voor planten en dieren zorgde, het gras op de gazons
kort hield en de paden wiedde. Vooral bij dit laatste werk was Jozef
vol daadwerkelijke belangstelling, en uren lang zat hij bij den „kebon”
en keek toe, zocht telkens den hemel af met één oog en zei zoo nu en
dan heel zacht: jóos. Maar in het bijzonder gold zijn belangstelling de
heel mooie witte steentjes op de grindpaden, hij zocht ze uit, voelde
ze aan, slingerde ze een paar decimeter de lucht in en ving ze weer op.
Jozef was een geweldig vanger, hij miste nooit. Toen dit opviel, werden
natuurlijk allerlei vangproeven met hem genomen, en nooit hebben wij
gezien, dat hij den kleinsten rijstkorrel miste!
Niet doorloopend had de kebon zijn gezelschap, dat hing van de
gebeurtenissen van den dag af. Toen onze kinderen tijdens den
wereldoorlog uit Holland overkwamen, ging een belangrijk deel van zijn
affectie op hen over. En als de meisjes in de achtergalerij aan
handwerkjes bezig waren, kon hij een ganschen morgen naast haar op het
traliewerk om de galerij zitten, droomerig filosofeerend of zich
uitslovend om een buit gemaakt kleurig wollen draadje op te slingeren
en weer op te vangen, waarbij hij uit den aard der zaak met groote
moeilijkheden te kampen had.
In dit rustig bestaan kwam opeens een zeer belangrijke gebeurtenis een
nieuw veld van belangstelling en arbeid openen. De kinderen hadden
ergens twee heel jonge aapjes uit de handen van plagende jongens gered,
en de tuinjongen had een jong biggetje, dat op onbegrijpelijke wijze
ergens uit een Chineesch varkenshok was ontsnapt en in een bijna drogen
put was terechtgekomen, uit de modder gevischt. Nu kon het niet anders,
of er moest een groote volière worden gebouwd, waarin deze menagerie
tot haar recht kon komen. Al spoedig vermeiden de aapjes zich op
rekstokken en schommeltjes, in de volière aangebracht, en een hunner
deed dagelijks een rit op den rug van het heftig protesteerend
biggetje. Voor Jozef een nieuwe wereld, en een drukte en actie als hem
zelf geheel vreemd waren. Maanden lang was hij belangstellend
toeschouwer, van buiten het gaas, en al dichter en dichter waagde hij
zich bij de grijphandjes der apen, die met plotselinge uitvallen
trachtten den staart van Jozef te pakken te krijgen als hij daartoe de
kans gaf. Maar een straffende tik met het bijltje, zooals wij Jozef’s
snavel noemden, deed hen terug deinzen, om dadelijk weer de goede kans
te beloeren. Soms hielden zij Jozef met een plagend handje bezig, om,
met een uitgestreken gezicht, behoedzaam een achterpoot door de grove
mazen van het gaas rechtuit te schuiven en zoodoende den aanlokkelijken
staart te benaderen. Maar het bleef steeds een zachtaardig spelletje en
nimmer deden zij elkaar bepaald kwaad. Zoo was een groote vriendschap
ontstaan, en als zij in den middag hun maaltje rijst en bananen of
andere vruchten kregen, was het bij de volière een gezellige drukte, de
aapjes en het biggetje binnen, Jozef als belangstellend publiek buiten
de volière.
Op een goeden dag zagen wij iets zeer merkwaardigs gebeuren.
Jozef had een blijkbaar voldoende portie pisang opgeslokt en bleef met
een stuk banaan in den snavel zitten. Plotseling nam hij een besluit,
wipte tot vlak tegen het gaas en stak een der aapjes het stukje pisang
toe, dat dadelijk en met graagte werd aanvaard; de wangzakjes waren
eigenlijk al vol, geen nood, met den rugkant van ’t handje werd duwend
toch nog plaats gemaakt. Dat moest toeval zijn! Wij wisten hoe
„menschelijk” Jozef was, maar dit leek ons zoo ongelooflijk, dat hier
aan zuiver toeval moest worden gedacht. Maar neen, sinds dien dag bleef
Jozef de heertjes geregeld bedienen. Vooral Klappie, de kleine
klapperaap met zijn guitig varkensstaartje, werd bevoorrecht en de
kleine schavuit beschouwde dit spoedig met een zeker air van
quasi-onverschilligheid als een hem toekomend recht. Als hij zag, dat
het moment gekomen was, schurkte hij zich in een hoekje van de volière,
op den grond, de handjes op schoot, het hoofd onverschillig afgewend.
En de brave Jozef hupte aan en presenteerde hem het smakelijk hapje,
dat met één handje, als was het hem eigenlijk te veel, genadig werd
aanvaard. Als wij gasten hadden, werd telkens de vertooning gegeven,
velen hebben zich dan ook van dit merkwaardig gebeuren overtuigd.
Toen kwam de groote verhuizing naar Palembang, onze kinderen hadden ons
alweer verlaten, en zoo namen wij afscheid van de aapjes en het
biggetje, dat inmiddels een vet knorrepotje geworden was; zij gingen
over in handen van een anderen dierenvriend; door hun de vrijheid te
geven, zooals wij met onze boschvogels hadden gedaan, zouden wij de
ontaarde kereltjes den dood hebben ingejaagd. Maar Jozef reisde
natuurlijk met ons mede. Het residentshuis te Palembang heeft aan de
achterzijde een groot erf, geheel door bijgebouwen en zware hekken
afgesloten en beplant met verschillende schaduwrijke vruchtboomen, een
dorado voor Jozef. Hij zal zijn aapjes wel zeer gemist hebben; wel
hadden wij een jongen hond, maar deze had het veel te druk met
ronddribbelen dan dat hij een rustig vriendje voor Jozef kon zijn. Maar
de slimmerd wist raad, hij wachtte tot het hondje ergens lag te slapen,
benaderde hem en trachtte een of andere lekkernij tusschen de
dichtgeknepen lippen te wringen! maar de ontsteltenis was telkens
groot, het dier kon niet vatten, dat Jozef’s scherp bijltje als teeken
van vriendschap en zorgende liefde hem in het tandvleesch prikte, en
telkens vloog hij met een naren gil op en ontvluchtte kermend het nog
juist ontsnapte levensgevaar. Arme Jozef keek dan wel heel ongelukkig,
en hij draaide het eene oog naar de wolken om den hemel tot getuige te
nemen van zijn nobele bedoelingen.
Toen kwam op een morgen een man uit de Boven-Moesi met een jong hert te
koop, een bok, maar er was nog geen spoor van de eerste geweiknobbels.
Hans werd nu Jozef’s kameraad, een wild hert uit de ruige struiken en
een vogel uit de hooge boomen gezworen kameraden!
Toch duurde het maanden voor de twee gewend waren aan elkaars
onmiddellijke nabijheid, maar toen was ook voor Jozef het oogenblik
daar, om blijk te geven van zijn affectie. Ook Hans was er in het
geheel niet van gediend, voor hem was het eenvoudig om aan het bijltje
te ontkomen, hij stak den kop de lucht in, de ooren in den nek, maar
telkens weer deed de brave vogel zijn best, en te oordeelen naar wat
later gebeurde, moeten zijn pogingen toch niet altijd zijn afgewezen.
Op een goeden morgen namelijk werden wij geroepen door onze kokkin, wij
moesten dadelijk komen kijken, nu gebeurde er iets, dat de
bediendenschaar in groote verbazing bracht!
De kokki had ’s morgens vroeg een partijtje aardappels, die begonnen
uit te loopen, te luchten gelegd op het groote waterreservoir van
beton, dat op het achtererf van de woning is aangebracht. Hans rook,
dat daar iets naar zijn gading lag, maar al ging hij ook op de teenen
staan en spande zijn hals als een vioolsnaar, de zoekende mummellippen
reikten nog niet aan den rand van den bak. Nu zag Jozef zijn kans, hij
vloog op het reservoir, zocht de beste aardappels uit en reikte die
zijn vriend aan!
Dit is voor ons, dierenvrienden, die allerlei dieren hebben gehad en
getracht hebben al hun eigenaardigheden te leeren kennen door goed voor
hen te zijn, een moment geweest, dat nu nog telkens wordt opgehaald als
het merkwaardigste, dat wij van onze „redelooze” vrienden hebben
beleefd. En eerst nu, dat ik de geschiedenis van braven Jozef vastleg,
heb ik hem begrepen. Het kan niet anders, of Jozef voelde in zich den
drang te doen wat zijn vader en zijn grootvaders hadden gedaan, toen
zij hun ingemetseld wijfje de zorgvuldig bespaarde hapjes door het
klei-venstertje aanreikten; Jozef’s vaderhart sprak! En al klinkt dit
mal, als men een vergelijking treft tusschen den aard en de
lichaamsgrootte van een hert en een vogel en daarbij het hert als de
moeder met de babies denkt, Jozef voelde zich de vader en hij voldeed
aan de groote wet, die hem de voederplicht had opgelegd.
Jozef is natuurlijk met ons mee verhuisd naar Médan, met Hans. Maar
deze werd al spoedig de baas van het hertenparkje, en Jozef heeft
nimmer meer een bijzonderen dagelijkschen vriend onder de dieren gehad.
Trouwens, hij had er nu ook weinig tijd voor, want hij had het
oppertoezicht op zich genomen over alle dieren op het erf der
gouverneurswoning te Médan, dat eerder de betiteling van park verdient
en waar een gezin van dierenvrienden zich naar hartelust aan hun
hobbies kan wijden.
Zijn dagelijksche mensch-vriend was nog steeds de trouwe tuinjongen van
Bengkoelen en meer en meer sloot Jozef zich bij hem aan en keek toe,
dat hij geen der mede-dieren te kort deed. En er waren er zoo eenige.
Het werk begon in de vroegte bij de kippen, waaraan de tuinjongen de
uiterste zorg besteedde; hij, Lakasah, was zeer trotsch op de Plymouth
Rocks, die kregen de eerste zorg; dan volgde het kleine toom Rhode
Islands, maar daar keek hij op neer sinds er een veerenpikker onder
was, die zijn baas maar niet wilde opruimen. Jozef vond kippen weinig
interessant; of hij deed maar zoo, want kuikens hadden zéér zijn
belangstelling, zóó zeer, dat hij eens verrast werd, juist bezig om een
achterlijk stumperdje een waardig graf te bezorgen. Dat kuiken bleef
telkens achter, als moeder-kip met haar kroost voort-kloekte; Jozef zag
zijn kans, zijn onderbewustzijn sprak van heerlijke muizen en kruipend
gedierte, die een belangrijk deel uitmaken van het anggang-menu in de
wildernis, de moederkip was achter een struik verdwenen, hij hoefde
niet te vreezen, dat ze als een fregat met volle zeilen op hem af zou
stormen... en het nimmer missende bijltje deed zijn werk goed.
Bij de groote kooi van den béo, den praatvogel, bleef Jozef dikwijls
een tijd achter op den dagelijkschen rondegang van Lakasah. Hij, Jozef,
die alleen maar zoo nu en dan zijn zacht geluid deed hooren, moet wel
respect gehad hebben voor den béo, den meest perfecten praatvogel ter
wereld; kon deze niet roepen en spreken en fluiten als de menschen; en
dan zijn meesterlijk kuchen en hoesten!... was daar weer die akelig
rochelende Chineesche koeli, die maanden geleden steenen had
aangesjouwd? waarom ging daar, plotseling, knarsend de zware garagedeur
open, terwijl ze dicht zat? Ja, ja, dat doe ik! zei de béo met een
houten gezicht; langs zijn gelen snavel loerden de scherpe kraaloogen
naar den stillen Jozef met zijn reuzekop.
Dan ging hij maar weer voort, Lakasah achterna. Nòg zoo’n schreeuwer
kreeg nu diens bezoek; hij was een vlamroode loerie van Ternate, dien
een dankbare Maleische jongen, ginds ambtenaar geworden, mij had
toegezonden; daarom was de loerie erkentelijk aanvaard, maar hij zette
zoo nu en dan de geheele omgeving op stelten; hij kon engelachtig lief
teemen en vleien; bij het afroepen van de namen van de bedienden was
zijn geluid al meer een oorverscheurend geschater, maar als hij het op
zijn heupen had en Ternataansch sprak, tenminste onverstaanbaar, dan
kwam er in zijn toespraken zulk een gloed, dat het razen en vloeken
leek, zóó, dat een fuselier er eens van bloosde.
Nu was Dora aan de beurt, de baby-orang hoetan, die op dezen tijd van
den dag haar fleschje melk savoureerde; maar Dora was geen
hartsvriendin van Jozef, zij was hem te sluw. Voor de menschen was zij
een zacht, drenzend kind en lief keken haar mooie, bruine oogen; maar o
wee! als een of ander dier, dat ze aandurfde, onder haar bereik kwam;
dan schoot de gespierde arm onverwachts uit, en Jozef had ondervonden,
dat die arm veel en veel langer was dan men zou verwachten.
Zoo verrichtte Jozef bij nog vele andere dieren zijn dagelijkschen
rondgang, en daarna meldde hij zich bij de huisvrouw, als kwam hij
rapport uitbrengen. Meer en meer hechtten wij ons aan het brave,
gezellige dier, dat haast geen dier meer was; er was ook zoo’n
menschelijke uitdrukking gekomen in de oogen met hun mooie, lange
oogharen; beste, brave Joos.
Op een namiddag, in den zomer van 1923, zat Jozef te rusten op een
lagen tak, kijkend naar de dalende zon. Hij had mij met zijn zachten
roep gegroet, toen ik hem voorbij ging, naar het tennisveld. Dadelijk
daarop moet het gebeurd zijn, want ik had het veld nog niet bereikt,
toen Lakasah mij achterna kwam rennen, doodsbleek en met trillende
lippen, om mij te zeggen, dat Jozef dood in het gras lag, onder den
tak, waar hij zijn baas den laatsten groet gebracht had. Een
hartverlamming moet hem van ons hebben weggenomen.
Dien avond was de lach gestorven in het gouverneurshuis te Médan.