XIII. JOZEF, DE NEUSHOORNVOGEL

De neushoornvogel Anggang had een vergadering bijeen geroepen van tal

van ontevredenen in de vogelwereld.

De bijeenkomst had een revolutionair karakter, het doel was niet minder

dan het afzetten van den koning aller vogels. Tot op het oogenblik, dat

de neushoornvogel de leiding nam van de oppositie, was Kang-kok koning

geweest in de Maleische landen, en al de eeuwen door had vrede en

voorspoed geheerscht. De radja was maar klein en bescheiden, maar hij

was rechtvaardig en wijs; zóó wijs, dat hij wist te voorspellen of het

oogstjaar een overvloed van granen en vruchten zou brengen. Nu nog

weten de menschen, dat de rijstoogst gelukken zal, indien de

vriendelijke vogel welbespraakt is en gedurende weken achtereen aan den

rand van het bosch zijn naam in herinnering brengt. Het is een

vervelend rijmpje op den langen duur, omdat de vogel in toon en maat

rotsvast is, maar het geluid is lief en vertrouwelijk, en de hoofdzaak

is, dat zijn wijfje op haar nest het hoogelijk schijnt te waardeeren en

dat het eentonig liedje haar niet gaat vervelen: kang-kang-kang-kòk...

kang-kang-kang-kòk.

In het bijzonder waren het de groote vogels, die in opstand kwamen. Zij

vonden het belachelijk door zulk een onaanzienlijk vogeltje te worden

geregeerd.

„Kijk eens naar mijn lichaam,” had de neushoornvogel Anggang gezegd,

„luister eens naar mijn machtig geluid, en let eens op de kroon op mijn

hoofd!” en de vergadering had besloten Kang-kok af te zetten en den

reus als opperhoofd te erkennen.

Maar spoedig had men berouw. De nieuwe koning wees alle boschvruchten

toe aan de leden van zijn geslacht, en deze veelvraten lieten niets

over voor de kleintjes.

En er werd weer een vergadering belegd, en men besloot Kang-kok in eere

te herstellen. Maar deze had zijn geheele geslacht weg gezonden uit het

ondankbare land, naar Java, en hij zelf kon niet vergeten wat men hem

had aangedaan. Toch zwichtte hij ten slotte voor den aandrang der

berouwvollen, zij mochten één kangkok-ei van Java halen.

Goede raad was duur, wie zou dat doen? Eindelijk bedacht een klein

vogeltje uit de rimba, dat zijn vriend de zweefvlinder het wel zou

klaar spelen, die glijdt zoo lang op zijn groote vleugels van crême met

zwarte dotten, zonder één slag te doen, hij zou het ei wel over kunnen

brengen.

De goede vlinder kweet zich goed van de moeielijke taak; de boeboet

broedde het ei uit met zulk een toewijding, dat deze rosse spoorkoekoek

er een kaal buikje van overhield, tot den huidigen dag; en de zwarte

vorkstaart, die zelfs de grootste roofvogels in de vlucht durft

bestoken, hield de wacht. En toen het koningskind volwassen was en tot

radja werd verheven, kwam het geheele geslacht Kang-kok terug in de

Maleische landen.

De reus met het gekroonde hoofd en den gulzigen bek, zal zich er niet

veel van hebben aangetrokken, dat hij den koningstitel verloor. Hij

slikt er niet minder vruchten om, en zijn machtig geluid domineert nog

heel het bosch.

Hoor! Boven het breede ravijn klinkt een galm uit de witte wolken, twee

zwarte stippen teekenen zich af. „A-ngok” klinkt het nasaal-zwaar over

de zwijgende rimba, waar al wat leeft schijnt te luisteren. En nu het

reuzenpaar nadert, komt een wonderlijk geluid aanbruisen, het zware,

rhythmische geluid van den vleugelslag. „Sjoep, sjoep”, blaast en fluit

de lucht tusschen de veerschachten en langs de vleugelbeenderen met hun

dunwandige cellen en verbazingwekkenden luchtvoorraad. Als de twee

vleugelparen even hetzelfde tempo hebben, is het krachtige geluid

bepaald dreigend, maar het is altijd zoo, dat men ernaar moet

luisteren, alleen de cicade zet zijn eeuwig gezeur voort. Duidelijk is

nu de machtige kop aan den uitgestrekten hals te zien, ook het zwarte

lichaam; de staart is wit, maar in het midden loopt over alle veeren

een breede, zwarte band; die staartveeren van den anggang waren vroeger

het helden-teeken voor de Dajaks; alleen zij, die een kop hadden

gesneld, mochten de scheede van hun zwaard ermede tooien.

Is de anggang—zóó verstaat het Maleische oor den roep, die met „a-ngok”

is weergegeven—dus een domineerend man, hij is niet de grootste

neushoornvogel in Indië. Maar de allergrootste, die van snavelpunt tot

staarteind anderhalven meter meet, is zoo schuw en komt zooveel minder

algemeen voor, dat slechts weinig Europeanen zijn bestaan kennen.

Ivoor-vogel noemen hem de inheemschen naar den massieven kop-kroon,

waaruit vooral de Dajaks op Borneo fraaie versierselen snijden. De

Hollanders hebben hem „lachvogel” gedoopt; deze naam schijnt geheel ten

onrechte te zijn gegeven indien men alleen maar het begin hoort van het

concert, dat hij in de allerhoogste boomen van de rimba geeft, en dat

hij, door schrik bevangen, dikwijls afbreekt; de bangerd, die door

angst moet boeten, dat hij, in vorige incarnatie als mensch, zijn

schoonmoeder heeft vermoord. Heel verdekt stelt hij zich op en spiedt

angstig rond; de staart, eindigend in twee veeren, welke bijna negentig

centimeter lang zijn, hangt loodrecht neer. Is alles rustig? beweegt

zich daar beneden niets? rondom? nergens gevaar??... „Oeoek!” galmt het

nu boven het stille bosch, maar dan spiedt hij langen tijd weer rond of

zijn roep niet eenig gevaar heeft wakker geroepen. Eindelijk komt de

tweede roep, na een iets kortere pauze de volgende, en hoe veiliger hij

zich langzamerhand voelt, hoe korter worden de pauzes, wiskunstig

zuiver, en eindelijk, als men zich verwonderd afvraagt waar dit naar

toe gaat, eindigt de reuzevogel in een honend gelach, niet meer „oe”

maar duidelijk „a”...hahahaha! De Maleische legende gaat niet zóó ver,

maar het is, of hij vreest den geest van zijn schoonmoeder te zullen

oproepen; ontdekt hij die niet, gaat alles goed, dan lacht hij om haar

en om zijn eigen angst.

Kleiner dan de anggang zijn de neushoornvogels met zwarten snavel, en

de witsnavels, die in groote gezelschappen en in oneindig gesnater tot

in de kampoeng’s komen als er rijpe ficus-vruchten te smullen zijn.

Maar zij zijn stoeiende kwajongens vergeleken bij den waardigen

anggang, die door zijn karakter en zijn fierheid zelfs den lachvogel in

de schaduw stelt. En de mensch kent hem zooveel beter, omdat de

anggang, jong gevangen, zich spoedig in den nieuwen toestand schikt;

binnen enkele weken kan hij verlost worden van het traditioneele touw

aan een der pooten en geniet in volkomen vrijheid van zijn bestaan, als

huisgenoot van den mensch; hij moet echter telkens wat gekortwiekt

worden, omdat hij zich anders aan verre vluchten wagen zou en door zijn

tamheid een gemakkelijke prooi zou worden voor anderen dan zijn baas.

Verschillende anggang’s hebben wij in den loop der jaren in Indië

gehad, geen zoo lang als den laatste in de rij, onzen braven Jozef.

Jozef was geboren in een boomholte. De Maleier, die hem bij mij bracht,

had in het bosch, niet ver van zijn ladang-huisje, gezien, dat een

anggang een gat in een boom met klei dicht metselde en hij had

begrepen, dat hij bezig was zijn wijfje voor vier weken of meer van de

drukke boschwereld af te scheiden. Slechts een klein gat blijft in het

metselwerk gespaard, waardoor de hardwerkende man zijn ega voedert. Hij

doet dit uit jalouzie, zegt men, en hij moet zóó jaloersch zijn, dat

hij zich verontwaardigd van verdere voedering afwendt als hij ontdekt,

dat een andere anggang-man zich bij het nest ophoudt en naar binnen

gluurt. De arme, onschuldige moeder en haar kroost sterven dan den

hongerdood, aangezien zij geheel is aangewezen op de voederballetjes

van insecten, boomvruchten en deelen van kruipende dieren gefabriceerd,

welke manlief haar in den puntigen snavel aanreikt.

Jozef’s moeder had blijkbaar geen aanleiding tot jalouzie opgeleverd;

toen het groote oogenblik van verlossing was aangebroken zal het

ouderpaar het metselwerk met vereende krachten hebben verwijderd, en op

zekeren dag zag de Maleier op de takken van den boom een door het

lange, bewegingloos zitten nog stijve moeder en haar kroost,

wonderlijke wanstaltige wezens. In de omgeving had de man geen andere

anggang’s opgemerkt en toen hij eenigen tijd later, ingelicht door een

dwaas geweld dat een anggang laag bij den grond maakte, tusschen de

struiken een jong vond, begreep hij een lid van het hem bekende gezin

te hebben gevangen. Hij en zijn kinderen voerden het dier met pisang

(bananen) en gekookte rijst, zooals de doorsnêe binnenlander gewoon is

alle gevangen vogels te voederen; zij zijn dan zeer verbaasd, indien

een of andere roofvogel weigert te eten en zich maar „koppig” neerzet

om in de kleine kooi te sterven; ditmaal ging het best, toevallig kon

men den kleinen anggang geen beter voedsel in den grooten bek wringen.

En toen er een behoorlijke prijs voor hem kon worden gevraagd, werd hij

aan ons verkocht.

Wij wisten al, dat een anggang niet geliefkoosd kan worden; aaien over

den kop of over den rug is een genot voor papegaaien en loeri’s, maar

buiten deze „kopje-krauw’s” zijn vogels er niet bijzonder van gediend.

Maar als men een jongen anggang, die zich al enigszins aangepast heeft

aan de nabijheid van den mensch, liefkoozend toespreekt, dan reageert

hij in een zachten, onderdrukten eenklank, dien wij als „jóos” hoorden.

Daarom heetten bij ons de anggang’s Jozef, en deze Jozef reageerde

altijd, als men een lief buiginkje in zijn naamklank bracht.

Jozef had in een klein, vies hokje gezeten, zijn toilet was slecht

verzorgd, de lange oogharen om de verstandige oogen met hun

menschelijke oogleden, waren dicht bezet met roode luisjes, en het deed

hem geweldig pijn toen hij er voorzichtig van verlost werd; hij heeft

mij dat in jaren niet geheel kunnen vergeven.

Jozef was eigenlijk wanstaltig, vooral in de eerste jaren van zijn

leven, toen hij nog niet volgroeid was, een proces, waarover de anggang

minstens drie jaren doet. Vooral de nestharen aan den zwaren nek

stonden zoo weinig gesoigneerd, en dan die malle kop! Eerst later, toen

de roode kroon aanzwol en de veeren glad waren, zag Joos er

representabel uit, maar toch bleef hij een wonderlijk geheel, vooral

als hij mal rondhupte op de grove grijpvoeten; zij waren ganschelijk

niet daarvoor geschapen, toch deed hij het met blijkbaar pleizier, al

moest op een langen tocht wel telkens halt worden gemaakt. Trouwens,

daarvoor waren ook andere redenen; er kon niets boven hem vliegen of

bewegen, tot zwaluwen hoog in de wolken toe, of Jozef draaide den kop

90 graden en bekeek het object in peinzend filosofeeren met het naar

boven gewende oog, en hij trok er zich niets van aan, als de menschen

er om lachten.

Jozef was den geheelen dag bezig, in beweging, of als wijs filosoof;

zelden sliep hij overdag als er menschen in de buurt waren met wie hij

op zijn manier voeling zocht. Zijn dagelijksche omgang was de

tuinjongen, die voor planten en dieren zorgde, het gras op de gazons

kort hield en de paden wiedde. Vooral bij dit laatste werk was Jozef

vol daadwerkelijke belangstelling, en uren lang zat hij bij den „kebon”

en keek toe, zocht telkens den hemel af met één oog en zei zoo nu en

dan heel zacht: jóos. Maar in het bijzonder gold zijn belangstelling de

heel mooie witte steentjes op de grindpaden, hij zocht ze uit, voelde

ze aan, slingerde ze een paar decimeter de lucht in en ving ze weer op.

Jozef was een geweldig vanger, hij miste nooit. Toen dit opviel, werden

natuurlijk allerlei vangproeven met hem genomen, en nooit hebben wij

gezien, dat hij den kleinsten rijstkorrel miste!

Niet doorloopend had de kebon zijn gezelschap, dat hing van de

gebeurtenissen van den dag af. Toen onze kinderen tijdens den

wereldoorlog uit Holland overkwamen, ging een belangrijk deel van zijn

affectie op hen over. En als de meisjes in de achtergalerij aan

handwerkjes bezig waren, kon hij een ganschen morgen naast haar op het

traliewerk om de galerij zitten, droomerig filosofeerend of zich

uitslovend om een buit gemaakt kleurig wollen draadje op te slingeren

en weer op te vangen, waarbij hij uit den aard der zaak met groote

moeilijkheden te kampen had.

In dit rustig bestaan kwam opeens een zeer belangrijke gebeurtenis een

nieuw veld van belangstelling en arbeid openen. De kinderen hadden

ergens twee heel jonge aapjes uit de handen van plagende jongens gered,

en de tuinjongen had een jong biggetje, dat op onbegrijpelijke wijze

ergens uit een Chineesch varkenshok was ontsnapt en in een bijna drogen

put was terechtgekomen, uit de modder gevischt. Nu kon het niet anders,

of er moest een groote volière worden gebouwd, waarin deze menagerie

tot haar recht kon komen. Al spoedig vermeiden de aapjes zich op

rekstokken en schommeltjes, in de volière aangebracht, en een hunner

deed dagelijks een rit op den rug van het heftig protesteerend

biggetje. Voor Jozef een nieuwe wereld, en een drukte en actie als hem

zelf geheel vreemd waren. Maanden lang was hij belangstellend

toeschouwer, van buiten het gaas, en al dichter en dichter waagde hij

zich bij de grijphandjes der apen, die met plotselinge uitvallen

trachtten den staart van Jozef te pakken te krijgen als hij daartoe de

kans gaf. Maar een straffende tik met het bijltje, zooals wij Jozef’s

snavel noemden, deed hen terug deinzen, om dadelijk weer de goede kans

te beloeren. Soms hielden zij Jozef met een plagend handje bezig, om,

met een uitgestreken gezicht, behoedzaam een achterpoot door de grove

mazen van het gaas rechtuit te schuiven en zoodoende den aanlokkelijken

staart te benaderen. Maar het bleef steeds een zachtaardig spelletje en

nimmer deden zij elkaar bepaald kwaad. Zoo was een groote vriendschap

ontstaan, en als zij in den middag hun maaltje rijst en bananen of

andere vruchten kregen, was het bij de volière een gezellige drukte, de

aapjes en het biggetje binnen, Jozef als belangstellend publiek buiten

de volière.

Op een goeden dag zagen wij iets zeer merkwaardigs gebeuren.

Jozef had een blijkbaar voldoende portie pisang opgeslokt en bleef met

een stuk banaan in den snavel zitten. Plotseling nam hij een besluit,

wipte tot vlak tegen het gaas en stak een der aapjes het stukje pisang

toe, dat dadelijk en met graagte werd aanvaard; de wangzakjes waren

eigenlijk al vol, geen nood, met den rugkant van ’t handje werd duwend

toch nog plaats gemaakt. Dat moest toeval zijn! Wij wisten hoe

„menschelijk” Jozef was, maar dit leek ons zoo ongelooflijk, dat hier

aan zuiver toeval moest worden gedacht. Maar neen, sinds dien dag bleef

Jozef de heertjes geregeld bedienen. Vooral Klappie, de kleine

klapperaap met zijn guitig varkensstaartje, werd bevoorrecht en de

kleine schavuit beschouwde dit spoedig met een zeker air van

quasi-onverschilligheid als een hem toekomend recht. Als hij zag, dat

het moment gekomen was, schurkte hij zich in een hoekje van de volière,

op den grond, de handjes op schoot, het hoofd onverschillig afgewend.

En de brave Jozef hupte aan en presenteerde hem het smakelijk hapje,

dat met één handje, als was het hem eigenlijk te veel, genadig werd

aanvaard. Als wij gasten hadden, werd telkens de vertooning gegeven,

velen hebben zich dan ook van dit merkwaardig gebeuren overtuigd.

Toen kwam de groote verhuizing naar Palembang, onze kinderen hadden ons

alweer verlaten, en zoo namen wij afscheid van de aapjes en het

biggetje, dat inmiddels een vet knorrepotje geworden was; zij gingen

over in handen van een anderen dierenvriend; door hun de vrijheid te

geven, zooals wij met onze boschvogels hadden gedaan, zouden wij de

ontaarde kereltjes den dood hebben ingejaagd. Maar Jozef reisde

natuurlijk met ons mede. Het residentshuis te Palembang heeft aan de

achterzijde een groot erf, geheel door bijgebouwen en zware hekken

afgesloten en beplant met verschillende schaduwrijke vruchtboomen, een

dorado voor Jozef. Hij zal zijn aapjes wel zeer gemist hebben; wel

hadden wij een jongen hond, maar deze had het veel te druk met

ronddribbelen dan dat hij een rustig vriendje voor Jozef kon zijn. Maar

de slimmerd wist raad, hij wachtte tot het hondje ergens lag te slapen,

benaderde hem en trachtte een of andere lekkernij tusschen de

dichtgeknepen lippen te wringen! maar de ontsteltenis was telkens

groot, het dier kon niet vatten, dat Jozef’s scherp bijltje als teeken

van vriendschap en zorgende liefde hem in het tandvleesch prikte, en

telkens vloog hij met een naren gil op en ontvluchtte kermend het nog

juist ontsnapte levensgevaar. Arme Jozef keek dan wel heel ongelukkig,

en hij draaide het eene oog naar de wolken om den hemel tot getuige te

nemen van zijn nobele bedoelingen.

Toen kwam op een morgen een man uit de Boven-Moesi met een jong hert te

koop, een bok, maar er was nog geen spoor van de eerste geweiknobbels.

Hans werd nu Jozef’s kameraad, een wild hert uit de ruige struiken en

een vogel uit de hooge boomen gezworen kameraden!

Toch duurde het maanden voor de twee gewend waren aan elkaars

onmiddellijke nabijheid, maar toen was ook voor Jozef het oogenblik

daar, om blijk te geven van zijn affectie. Ook Hans was er in het

geheel niet van gediend, voor hem was het eenvoudig om aan het bijltje

te ontkomen, hij stak den kop de lucht in, de ooren in den nek, maar

telkens weer deed de brave vogel zijn best, en te oordeelen naar wat

later gebeurde, moeten zijn pogingen toch niet altijd zijn afgewezen.

Op een goeden morgen namelijk werden wij geroepen door onze kokkin, wij

moesten dadelijk komen kijken, nu gebeurde er iets, dat de

bediendenschaar in groote verbazing bracht!

De kokki had ’s morgens vroeg een partijtje aardappels, die begonnen

uit te loopen, te luchten gelegd op het groote waterreservoir van

beton, dat op het achtererf van de woning is aangebracht. Hans rook,

dat daar iets naar zijn gading lag, maar al ging hij ook op de teenen

staan en spande zijn hals als een vioolsnaar, de zoekende mummellippen

reikten nog niet aan den rand van den bak. Nu zag Jozef zijn kans, hij

vloog op het reservoir, zocht de beste aardappels uit en reikte die

zijn vriend aan!

Dit is voor ons, dierenvrienden, die allerlei dieren hebben gehad en

getracht hebben al hun eigenaardigheden te leeren kennen door goed voor

hen te zijn, een moment geweest, dat nu nog telkens wordt opgehaald als

het merkwaardigste, dat wij van onze „redelooze” vrienden hebben

beleefd. En eerst nu, dat ik de geschiedenis van braven Jozef vastleg,

heb ik hem begrepen. Het kan niet anders, of Jozef voelde in zich den

drang te doen wat zijn vader en zijn grootvaders hadden gedaan, toen

zij hun ingemetseld wijfje de zorgvuldig bespaarde hapjes door het

klei-venstertje aanreikten; Jozef’s vaderhart sprak! En al klinkt dit

mal, als men een vergelijking treft tusschen den aard en de

lichaamsgrootte van een hert en een vogel en daarbij het hert als de

moeder met de babies denkt, Jozef voelde zich de vader en hij voldeed

aan de groote wet, die hem de voederplicht had opgelegd.

Jozef is natuurlijk met ons mee verhuisd naar Médan, met Hans. Maar

deze werd al spoedig de baas van het hertenparkje, en Jozef heeft

nimmer meer een bijzonderen dagelijkschen vriend onder de dieren gehad.

Trouwens, hij had er nu ook weinig tijd voor, want hij had het

oppertoezicht op zich genomen over alle dieren op het erf der

gouverneurswoning te Médan, dat eerder de betiteling van park verdient

en waar een gezin van dierenvrienden zich naar hartelust aan hun

hobbies kan wijden.

Zijn dagelijksche mensch-vriend was nog steeds de trouwe tuinjongen van

Bengkoelen en meer en meer sloot Jozef zich bij hem aan en keek toe,

dat hij geen der mede-dieren te kort deed. En er waren er zoo eenige.

Het werk begon in de vroegte bij de kippen, waaraan de tuinjongen de

uiterste zorg besteedde; hij, Lakasah, was zeer trotsch op de Plymouth

Rocks, die kregen de eerste zorg; dan volgde het kleine toom Rhode

Islands, maar daar keek hij op neer sinds er een veerenpikker onder

was, die zijn baas maar niet wilde opruimen. Jozef vond kippen weinig

interessant; of hij deed maar zoo, want kuikens hadden zéér zijn

belangstelling, zóó zeer, dat hij eens verrast werd, juist bezig om een

achterlijk stumperdje een waardig graf te bezorgen. Dat kuiken bleef

telkens achter, als moeder-kip met haar kroost voort-kloekte; Jozef zag

zijn kans, zijn onderbewustzijn sprak van heerlijke muizen en kruipend

gedierte, die een belangrijk deel uitmaken van het anggang-menu in de

wildernis, de moederkip was achter een struik verdwenen, hij hoefde

niet te vreezen, dat ze als een fregat met volle zeilen op hem af zou

stormen... en het nimmer missende bijltje deed zijn werk goed.

Bij de groote kooi van den béo, den praatvogel, bleef Jozef dikwijls

een tijd achter op den dagelijkschen rondegang van Lakasah. Hij, Jozef,

die alleen maar zoo nu en dan zijn zacht geluid deed hooren, moet wel

respect gehad hebben voor den béo, den meest perfecten praatvogel ter

wereld; kon deze niet roepen en spreken en fluiten als de menschen; en

dan zijn meesterlijk kuchen en hoesten!... was daar weer die akelig

rochelende Chineesche koeli, die maanden geleden steenen had

aangesjouwd? waarom ging daar, plotseling, knarsend de zware garagedeur

open, terwijl ze dicht zat? Ja, ja, dat doe ik! zei de béo met een

houten gezicht; langs zijn gelen snavel loerden de scherpe kraaloogen

naar den stillen Jozef met zijn reuzekop.

Dan ging hij maar weer voort, Lakasah achterna. Nòg zoo’n schreeuwer

kreeg nu diens bezoek; hij was een vlamroode loerie van Ternate, dien

een dankbare Maleische jongen, ginds ambtenaar geworden, mij had

toegezonden; daarom was de loerie erkentelijk aanvaard, maar hij zette

zoo nu en dan de geheele omgeving op stelten; hij kon engelachtig lief

teemen en vleien; bij het afroepen van de namen van de bedienden was

zijn geluid al meer een oorverscheurend geschater, maar als hij het op

zijn heupen had en Ternataansch sprak, tenminste onverstaanbaar, dan

kwam er in zijn toespraken zulk een gloed, dat het razen en vloeken

leek, zóó, dat een fuselier er eens van bloosde.

Nu was Dora aan de beurt, de baby-orang hoetan, die op dezen tijd van

den dag haar fleschje melk savoureerde; maar Dora was geen

hartsvriendin van Jozef, zij was hem te sluw. Voor de menschen was zij

een zacht, drenzend kind en lief keken haar mooie, bruine oogen; maar o

wee! als een of ander dier, dat ze aandurfde, onder haar bereik kwam;

dan schoot de gespierde arm onverwachts uit, en Jozef had ondervonden,

dat die arm veel en veel langer was dan men zou verwachten.

Zoo verrichtte Jozef bij nog vele andere dieren zijn dagelijkschen

rondgang, en daarna meldde hij zich bij de huisvrouw, als kwam hij

rapport uitbrengen. Meer en meer hechtten wij ons aan het brave,

gezellige dier, dat haast geen dier meer was; er was ook zoo’n

menschelijke uitdrukking gekomen in de oogen met hun mooie, lange

oogharen; beste, brave Joos.

Op een namiddag, in den zomer van 1923, zat Jozef te rusten op een

lagen tak, kijkend naar de dalende zon. Hij had mij met zijn zachten

roep gegroet, toen ik hem voorbij ging, naar het tennisveld. Dadelijk

daarop moet het gebeurd zijn, want ik had het veld nog niet bereikt,

toen Lakasah mij achterna kwam rennen, doodsbleek en met trillende

lippen, om mij te zeggen, dat Jozef dood in het gras lag, onder den

tak, waar hij zijn baas den laatsten groet gebracht had. Een

hartverlamming moet hem van ons hebben weggenomen.

Dien avond was de lach gestorven in het gouverneurshuis te Médan.

Waar mensch en tijger buren zijn · 第 32 / 34 题