AANTEEKENINGEN

[1] Permandjika Allah, een verbastering van het Arabisch firman Allah

het goddelijk woord. De gegeven overlevering uit Manna, in de

residentie Bengkoelen, is een kostelijk voorbeeld van de vermenging van

mohammedaansche, uitheemsche en daardoor onbegrepene zaken, en de

bekoorlijke zielsuitingen van den „heiden” met zijn terugblik naar den

Hindoe-Javaanschen tijd (de klei van Modjopahit!), met zijn goden en

zijn Natuur. Merkwaardig is de verheffing van die wilde dieren, voor

welke de Maleiers het meeste ontzag hebben, tot „ouderen” van den

mensch.

[2] Dit haar-toilet, in het bijzonder onder vrouwen, is in het

gezinsleven een uiting van hartelijkheid. Men ziet in de binnenlanden

dikwijls een aaneengesloten rijtje van vrouwen en meisjes in de

voorgalerij van een huis, op de bermen van den weg of in hoeken van

marktpleintjes, gezellig bezig om elkaar dezen dienst te bewijzen.

[3] Bamban (emban) is een Maranta: Donax grandis. De steel is als hard

bies. Naar het ovale blad noemt men een speer-lemmet van dien vorm;

deze gelijkenis zal dit gedeelte van de meest vermaarde overlevering in

Zuid-Sumatra hebben doen ontstaan.

[4] Deze overlevering van Bittertong moeten wij als volgt begrijpen. In

de Pasemah-hoogvlakte, waar het verhaal speelt, zijn tal van hoogst

merkwaardige beelden gevonden van menschen- en dierenfiguren (door mij

beschreven in Bijlage D. van het Oudheidkundig Verslag, Batavia, 1ste

kwartaal 1922, met 43 foto’s) waarschijnlijk vervaardigd in de eerste

eeuwen onzer jaartelling, maar waaromtrent nog geen zekerheid bestaat.

Nadat de volksstam, wiens grootheid die beelden waren, waarschijnlijk

Negrito’s, door onbekende oorzaken verdween en de geheele streek

volkomen verlaten was, maakte het zware bosch er zich weder meester

van. Eerst eeuwen later kwamen nieuwe bewoners, zij waanden zich de

eerste ontginners van het land, en toen zij onder en tusschen de

wortels van de reuzen van het woud „versteende menschen en dieren”

vonden, moest wel worden gedacht aan bovenaardsche invloeden. En zoo

werd de legende van Bittertong geboren, den zwerver, die op zijn

tochten overal menschen en dieren tot steen vervloekte; die van

bloeiende nederzettingen een rotspartij maakte, enkel en alleen omdat

men om hem lachte of het hem niet naar den zin maakte. Voor zijn

rekening komt ook, in de beneden-landen van Palembang, het verdwijnen

van Çiwaitische en Boeddhistische vestigingen aan de rivieren en de

meren, waarvan men slechts nog de roode baksteenen vindt der tjandi’s

en urnen, kralen en scherven. Hij „terroriseerde” geheel Zuid-Sumatra,

van den Vlakken Hoek aan de zuidpunt tot in Djambi’s bovenlanden, van

Aboeng in Tanah Lampoeng tot Moeko-Moeko aan de wilde westkust.

Met andere woorden: overal, waar bij de plaatselijke bevolking de

legende van Pahit Lidah (Bittertong) levendig is, daar kan men er vrij

zeker van zijn, dat er overblijfselen van oudheden te vinden zijn of

geweest zijn.

Bittertong was dus niet één man, men moet hier denken aan een volksstam

(Hindoe-Javanen of Hindoe-Maleiers), die over Zuid-Sumatra uitzwermde

na het tijdvak, waarin de knappe beeldhouwers van Pasemah leefden, of

aan het eind van die periode.

[5] gepofte padi.

[6] in dunne bamboe-kokers gestoomde kleefrijst.

[7] Setoewo, de tijger.

[8] In 1906 leerde ik een datoek (volkshoofd) kennen, die niet ver van

Fort de Kock woonde, en die als doekoen vermaard was, vooral omdat hij

zijn kunde als medicijnman ontleenen zou aan de kennis der Orang

Boenian; hij verklaarde met een Boenianvrouw getrouwd te zijn. Ik won

het vertrouwen van dezen man, en hij verhaalde mij, wat ik in deze

schets bekend maak. Na lang aandringen kreeg ik van hem gedaan, dat hij

mij naar het witte huis der Verborgenen zou brengen. Ik stelde slechts

één voorwaarde: dat ik mijn revolver niet thuis zou laten; de braafheid

van die „onzichtbaren” kon wel eens tegenvallen. Daartegenover stond,

dat ik hem duizend gulden beloofde bij welslagen; een ontmoeting met

spookmenschen zou daarmee niet duur betaald zijn! Hij vroeg eenigen

tijd om ons bezoek voor te bereiden, en tot mijn stijgende verbazing

trok hij zich niet terug... tot aan den vooravond van den grooten dag.

Toen kwam hij mij waarschuwen, dat ik misschien deerlijk verwond zou

worden door de doornige bamboe, dat mijn kleeren zouden scheuren, dat

ik ziek zou worden; en toen niets hielp, verklaarde hij, dat zijn

verhaal een verzinsel was. Ik heb dus de Verborgenen niet mogen zien!

Maar ik weet, dat in het binnenste van enkele vooraanstaande

Minangkabauers, die van de zaak afwisten, de overtuiging voortleeft,

dat de datoek mij niet de waarheid heeft gezegd door te verklaren, dat

hij maar wat verzonnen had: hij had immers aan de mooie Boengo moeten

beloven, dat hij nimmer andere menschen mee zou brengen naar den

Grooten Steen... „Wat is de Waarheid?!”

[9] Copsichus musicus, de Indische lijster; op Java: koetjitja, kadjer;

om zijn kleurteekening noemt men hem wel eens: ekstertje; hij is de

eenige mooi-fluitende tuinzanger op Java en Sumatra en leeft om en bij

de huizen, ook in de grootste steden. Slechts de nachtegaal-lijster,

die hier en daar aan den woudrand voorkomt en die als een nachtegaal

slaat, overtreft hem in zijn zang. De Minangkabauers noemen de

morgenschemering „moerai bakitjau”: als de moerai zingt.

[10] wettig, geoorloofd.

[11] rijstpelmolen, door waterkracht gedreven.

[12] Maleische titel van den Controleur in West-Sumatra.

[13] In naam van God, zoo waarlijk helpe mij God.

[14] „Nat!”

[15] „zingende” boomkrekels. Stridulantia, Cicadidae. De mannelijke

leden dezer rechtvleugelige insecten, een familie der Cicaden

(onderorde der Snavelinsecten) dragen in zich een muziek-orgaan, dat

bij enkele der grootste soorten zoo krachtig werkt, dat het scherpe,

snerpende geluid het menschelijk oor een oogenblik geheel verdooft,

indien men den „zanger” tot op korten afstand nadert. Onder de twee

groote, lederachtige schubben, welke de verlengstukken zijn van het

achterborststuk, ligt een driehoekige holte, welke als bodem een dun

overlangs geplooid vlies heeft; dit „trommelvlies” is bevestigd in een

hoornachtig raam; een krachtige spier werkt door middel van een pees op

den naar den rug gekeerden rand van het raam; door haar samentrekkingen

geraakt het vlies in trillende beweging. Het resultaat is ongelooflijk

voor een insect van enkele centimeters grootte; maar niet minder

verbazingwekkend is het uithoudingsvermogen van deze dieren, die uren

en uren achtereen, slechts met zeer korte pauzes, hun eentonige solo’s

rondsnerpen. Soms houden enkelen van verschillende soort een

oorverdoovend concert in het stille bosch, maar de een trekt zich niets

van den ander aan en zij laten zich volstrekt niet door elkaar van de

wijs brengen. Enkele soorten komen tot in de steden, vliegen ’s avonds

dikwijls als projectielen tegen de lampen aan en verspreiden schrik in

damesgezelschappen. Men ziet ze wel tegen lantarenpalen gekleefd, waar

het aanlokkend licht hen bracht, en zij schetteren er hun hoogste lied

alsof ze „thuis” waren, de groote oogen puilend uit het gezwollen

voorhoofd.

Bij de oude Grieken gold een cicade, zittend op een harp, als het

zinnebeeld der muziek, omdat een cicade zich neerzette op de plaats

waar een snaar van Eunomus’ harp gesprongen was, toen deze met Ariston

kampte om den eereprijs, en zoodoende Eunomus de overwinning bezorgde.

Maar beter dan met het trillen van een harpsnaar kan men het geluid van

de cicade vergelijken met een nasaal snerpend kindertrompetje. Mooi is

het dus niet, maar men zou het in de mystiek van het Indische bosch

niet gaarne missen. En mij deed het altijd denken aan de stille,

Hollandsche heide, als, in de hittetrilling van een warmen zomerdag, de

gele gors in de enkele noten van zijn bescheiden deuntje het liedje van

verlatenheid zingt.

[16] een cultuuronderneming.

[17] Varanen worden in de wandeling „leguanen” genoemd; daarom is in de

schets over den „krankzinnigen controleur” het woord leguaan gebruikt,

ofschoon het uiteraard juister is van „varaan” te spreken (Varanus

salvator). Dit dier kan een lengte bereiken van ongeveer twee meter.

Het vleesch is voor vele volksstammen in Azië een lekkernij; het is

inderdaad fijn van smaak, maar zóó vet, dat het niet raadzaam is om een

Westerling, die er een proef van neemt, te herinneren aan het voedsel,

dat de varaan gaarne tot zich neemt!

[18] Dr. Doyer en diens echtgenoote.

[19] Europeaan, eerst kort in de tropen.

[20] Toen de Heer W. Groeneveldt en ik deze eerste les van een solitair

kregen, was ik assistent-resident te Fort van der Capellen, hij was als

jong bestuursambtenaar aan mij toegevoegd. Op onze dienstreizen in de

diepe binnenlanden, waarbij wij dikwijls dagen achtereen door de rimba

liepen om ook de bevolking in verre uithoeken te bezoeken, deed zich

dikwijls de gelegenheid voor om op groot wild te jagen, dat gevaar en

last opleverde voor die inheemsche bevolking. Jachtpartijen in de

binnenlanden geven veel meer en in veel ruimer mate kans om de

mannelijke bevolking te leeren kennen, dan mogelijk is bij de gewone

ambtelijke verhoudingen; de kennismaking heeft ongedwongen plaats en er

wordt onderling vertrouwen gewekt door den band, welke zich tusschen

mannen vormt bij gezamenlijk doorstaan gevaar.

[21] Bij „het militair” in Indië spreekt men van de Militaire

Willemsorde als „het ridder”; zelfs het geslacht van een Javaansche

keukenprinses ondergaat wijziging: „het kokki”. „Pil” is de

vermakelijke titel van den officier van gezondheid bij Jan Fuselier;

een goed dokter weten onze brave Jantje’s en „Kromo’s” (Inlandsche

soldaten) zéér te waardeeren.

[22] De controleur Hellfrich, later resident van Bengkoelen, en daarna

gouverneur van Curaçao.

[23] Casuarina equisetifolia L., ook tjemara genoemd.

Waar mensch en tijger buren zijn · 第 34 / 34 题