Menschen, die in ernst meenen te weten wat stank is, zonder den
Indischen stinkdas in zijn beste momenten te kennen, lijden aan
zelfoverschatting.
Stank is een afschuwelijk woord, maar werkelijk, hier moet duidelijk
Hollandsch gesproken worden; elke verzachtende uitdrukking is een laf
ontwijken van de waarheid, laten wij voor dezen keer nu eens precies
mogen zeggen, waar het op staat.
De lucht, geproduceerd door den telegoe, is de waarachtige stank; niet
dood en vies, maar stank, die leeft; stank, die niet maar gewoon
passief stinkt, maar die agressief is en je naar de keel grijpt; stank,
waarmee men trotsche legers in ellendige, vluchtende horden kan
omzetten.
Zooals blijkt spreek ik met eenig gezag, berustend op kennis; en die
kennis drong zich gewelddadig aan mij op.
„Jullie gaan een bungalow aan den voet van het Barisan-gebergte
bouwen?” zei een vriend-natuuronderzoeker, „als je dan maar niet veel
last hebt van Mydaus meliceps, telegoe heeten ze hier, op Java sigoeng.
Die beesten hebben in den endeldarm een paar zakjes, waarin door
klieren een olieachtige stof wordt afgescheiden; wordt de telegoe
geprikkeld of achtervolgd, dan spuit hij de stinkstof naar buiten in
een dunne straal, die zich dadelijk in een fijnen sproeiregen verdeelt;
en daar die stinkstof in de lucht snel vervliegt, is het of de heele
omgeving plotseling één en al stank is, knoflook en zwavel en ik weet
al niet wat.”
„Nou ja,” zei ik lachend, „dat luchtje hebben wij hier en daar wel eens
geroken, maar zóó erg is dat toch niet!”
„Neen?! wij spreken elkaar nader; wat jullie kennen, is de lucht van
een dier, dat misschien op een kilometer afstand passeert. Maar je hebt
nog nooit zoo in de wildernis aan den rand van de bosschen gewoond;
vooral in Zuid-Sumatra komen zij juist dáár veel voor; en als je van
nabij met hen kennis maakt, wel, dan kun je er verhaaltjes van
vertellen. Let maar eens op, als ze onder je huis doorloopen en zij
worden door een of andere oorzaak boos, dan wordt iedereen wakker van
de lucht, en al je zilver slaat zwart aan...”
Wij lachten weer. Of het domheid is, of gewoonte? maar in zulke
gevallen lacht men. Eerder had ik al eens gelachen, toen de kroonprins
van Asahan mij te Fort de Kock vertelde, dat in zijn land visschen in
de oeverstruiken klimmen; en weer had ik gelachen, toen men mij
vertelde, dat zeeschildpadden bij het eieren leggen aan het strand door
ongeduldige eierzoekers geholpen worden bij het graven van het gat.
Sedert dien had ik zelf klimvisschen in actie gezien, en ik had in
middernachtelijk uur rustig gereden op den rug van een reusachtige
schildpad, vóór zij weer de zee in dook. Toch lachte ik nu weer... al
die berichten van menschen zijn dikwijls zoo overdreven, ik zou zelf
wel eens nuchter beoordeelen, wat er van die fraaie verhalen waar was.
En ik zou er de kans wèl voor krijgen!
De bungalow was klaar en wij betrokken haar; het terrein daar en in de
omgeving was eenige tientallen jaren geleden bouwland geweest, toch
waren enkele zware boomen uit het oorspronkelijke oerwoud er blijven
staan; later schoot er jong bosch op, behalve op die stukken, waar het
vee was toegelaten en waar de alang-alang heerscheres was, dat
manshooge wilde gras met breede bladklingen, dat bijna niet is uit te
roeien. Er stonden dus verscheidene reusachtige rimbaboomen, jonger
bosch en kreupelhout, en er waren velden alang-alang, waar de zon
blakerde. Voedsel en schuilplaatsen voor allerlei wild; er waren dan
ook varkens, en de Gestreepte kwam er wel eens op hen jagen; in de
struiken ritselden bevende dwergherten, de beer blafte in de boomen aan
den waterkant, en de marters dartelden in zon en koelte. Niet véél wild
was er, maar van alles wat. Apen echter in geweldige hoeveelheden, die
maakten van daar uit hun strooptochten naar de velden der menschen,
en... er waren stinkdassen!
En nu leerden we spoedig, wat „stank” is.
Kuchend werden we in een nacht wakker, een malariapatiënte, die bij ons
logeerde, hoestte het eerst alarm.
Of deze telegoe onder het op palen staande huis doorliep, dan wel boven
den wind de bungalow passeerde, weet ik niet. Evenmin, of hij zich boos
maakte om de nieuwigheid, om het huis dat er vroeger niet was. Maar de
uiting van prikkelbaarheid was er!
Den volgenden morgen hebben wij in vollen gezinsraad een prijsvraag
behandeld: beschrijf die lucht! Ieder trachtte te zeggen, welk souvenir
de lucht had opgewekt, en ieder dacht daarbij aan moeielijke momenten
op zee.
Men stelle zich voor zeeziek te liggen in een hut op een oud
vrachtschip, dat doortrokken is van de vettige, ranzige lucht van
copra, terwijl in die hut tevens een partij civetkatten is
ondergebracht. Het schip heeft een licht-installatie van carbid; ergens
bij de hut is een lek en de knoflookwalm druipt rijkelijk uit de
leiding, toch zet iemand in die omgeving scheepskoffie, en de
aller-ordinairste cichoreilucht kruipt ook de hut in, en zij neemt nog
een scherpen zwaveldamp van ergens mee... en dit geheel kleeft zich aan
den zeezieken mensch, ineens, geweldig, overal tegelijk, en het gaat
niet voorbij, het blijft, het kleeft overal aan.
Tegen den middag rook onze patiënte weer in heftige mate de nare lucht
en zij riep verschrikt: „daar komt er weer een!”
Valsch alarm. Ze had zich den thermometer aangelegd, waarbij haar
handen den nikkelen kop van het instrumentje hadden aangeraakt. En toen
wij ook kwamen ruiken, aan de thermometer en aan ander metaal, toen
bleek alles aangestoken, en snel werd het zilver gepoetst om zwart
worden te voorkomen.
Nu werd de omgeving van het huis zoo spoedig mogelijk van lage struiken
en hoog gras gezuiverd, en wij hadden bij onze gewoonlijk korte
verblijven in de bungalow in de bergen slechts zelden meer last van
dergelijke nachtelijke bezoeken. Een niet te onderschatten factor
daarbij waren onze honden, stadsdieren, die onbegrijpelijk gesteld
bleven op nadere kennismaking. Na elke ontmoeting kwamen zij diep
ongelukkig thuis, wentelden zich overal, schuurden tegen alles en
verspreidden rondom de walgelijke lucht; dagen achtereen moesten zij
worden vastgelegd en gebaad; eerst later bleek, hoe die ontmoetingen
zich moeten hebben afgespeeld, jaren later; en toen eerst wist ik, dat
ik aan mijn nieuwsgierigheid om de bron van alle kwaad eens te zien,
eerder had kunnen voldoen; dat namelijk de telegoe een sloom dier is,
dat men met eenig geduld, maar met groote voorzichtigheid tevens,
gemakkelijk kan volgen; sloom, niet uit makheid, maar omdat hij niemand
vreest.
Wij waren weer eens „boven”, in onze bungalow. In den vroegen morgen
wekte ons een hevig tumult onder de bedienden in de bijgebouwen, kreten
van afgrijzen en het opwekkend geluid van iemand, die in onmin verkeert
met zijn maag. Het geheel tooverde voor onze oogen de zee, een railing
waarover gebogen de gedaanten van wezens, die tevoren mensch waren. Dus
was er weer een stinkdas in het spel!
Wij vlogen naar buiten; een heftige, kleffe telegoelucht greep ons naar
de keel.
Djamak, een onzer bedienden, had in den heel vroegen morgen een klein
dier zien kruipen in het gras. Djamak was goed-Moslim, maar dit
varkensjong, dat blijkbaar zijn moeder was kwijt geraakt, durfde hij
toch wel aan te pakken; het zou zulk aardig speelgoed zijn voor
„nonnie”, ons jongste dochtertje. Hij zou het maar wagen; trouwens, als
hij het maar in zijn baadje ving, hoefde hij niet met de handen in
aanraking te komen met het „haram” diertje.
Djamak, de goeierd, toog op het oorlogspad. Wat zou meneer blij zijn!
die hield zoo van dieren, en Djamak had dikwijls gemerkt, dat het zijn
baas hinderde, dat hij zoo niets van beesten wist; meneer vond hem
bepaald suf. Maar nu! hij zou ieder verrassen met een door hem zelf
gevangen dier; hij zou er niet bij vertellen, dat hij den sukkel
eigenlijk maar voor het oprapen had gehad, zóó sloom wiegelde het dier
door het gras.
Opgepast, nu krummelde het naar een holte in het grasveld, daar zou hij
de jas over het dier gooien, zijn nieuwe, witte jas, die mevrouw hem
had gegeven. Hij sloop achter het dier aan; was het eigenlijk wel een
wild varkentje? hij wist niets van dieren af, maar dat snuitje was toch
een varkenssnoet, en wat zou het ànders zijn. Maar waarom was dat beest
heelemaal niet bang? Even wachten, het had blijkbaar den vervolger
opgemerkt. Djamak stond doodstil.
De telegoe keek aandachtig naar hem. Wat wilde dat lange, sluipende
dier? Het ging hem bepaald vervelen. Hij had zijn nachtelijken tocht
wat te ver voortgezet; hij had heerlijke larven en regenwormen
gevonden; en toen het maagje gevuld was, had hij keurig toilet gemaakt,
want de telegoe is zeer coquet. Maar nu wilde hij ongehinderd naar
huis, naar zijn ruim ketelhol, dat hij onder sterke boomwortels had
gegraven. Waarom sloop dat gekke dier toch achter hem aan?
Hij stelde zijn batterij op en wachtte rustig, misschien speelde een
duivelsche glimlach om zijn kalen snoet.
Nu!... dacht Djamak, en mèt gooide hij zijn baadje over zijn buit...
maar tegelijk sloeg hij met een akeligen gil achterover. Iets vets en
kleffigs wurgde hem en legde hem zijn maag boven op het hoofd; en onder
het baadje door liep de telegoe, stank op pooten, wiegelend weg; hij
kon tevreden zijn, het schot zat. Arme Djamak, in een ondeelbaar
oogenblik van jager slachtoffer geworden, trok nu de levendige
belangstelling van ieder; juist wat hij gewenscht had, maar wel op een
andere manier. En zijn mooie jas was bedauwd met fijne droppeltjes
olie, die gele vlekjes werden, voor altijd.
Maar waar was het dier? Nu wilde ik het zien en hebben. Iemand had het
zien kruipen naar een stapel brandhout, en dáár, in een hoekje gedoken,
zat het; de gebeurtenis had hem toch wel even uit zijn evenwicht
gebracht. Ik benaderde hem, een zakdoek, vier dubbel gevouwen, stijf
tegen den neus gedrukt. Maar zóó was de atmosfeer doordrongen van de
walgelijke lucht, dat ik terugdeinsde en mijn neusgaten met watten
moest afsluiten, vóór ik het dier met een schot hagel in de hersens
doodde. Ik had den mond van het geweer voorzichtig tot vlak boven zijn
kop gebracht om een tweede olie-explosie te voorkomen. Of dit gelukte,
weet ik niet. Wel, dat wij de beide stankcentra diep moesten omspitten,
dat het slagveld werd ontsmet en begoten, en dat wij den derden dag
daarna moesten besluiten weg te gaan, omdat het leven onmogelijk was
geworden. Maar ’s nachts viel een zware regen en den volgenden morgen
bleek de stinkstof vrijwel afgespoeld te zijn van alle vaste dingen,
waarop ze zich had vastgekleefd.
Dien avond spraken wij den plaatselijk besturenden ambtenaar en
vertelden hem alles in kleuren en „geuren”. Hij en zijn vrouw waren
zeer verwonderd, want ook zij hadden denzelfden morgen diezelfde lucht
in huis geroken, voor hen een nieuwe sensatie, en de bedienden hadden
hun het woord telegoe genoemd. En toen nagegaan werd, wat de bron van
die lucht was geweest, bleek, dat mijn oppasser, even na het schot, met
een portefeuille stukken naar het controleurshuis was gegaan en
zoodoende de geheele atmosfeer ook dáár had bedorven.
Er zijn op het gebied van „luchtjes” merkwaardige dingen in Indië.
De doerian, de bekende vrucht met haar geweldige dorens, die ook vele
Europeanen als groote lekkernij beschouwen, wordt wel eens....
„gasfabriek” betiteld, en onze voorouders uit het laatst der 16de eeuw
schreven reeds van haar:... „datment niet en kan compareren met
geenderley fruyten vande werelt: want in smaeck ende goetheydt
affirmeren dat het alle fruyten te boven gaet: maer eerst alsmense op
doet, riecken gelyck oft het verrotten ayun waer: maer inden smaeck
heeftmen die leckerheyt.”
De wondermooie Rafflesia, de grootste bloem ter wereld, en de prachtige
Amorphophallus verspreiden in de wildernis na den vollen bloeitijd een
vehemente lucht, die haar allerlei leelijke bijnamen heeft bezorgd; en
er zijn mossen en varens, die de geheele atmosfeer in den omtrek in
jodoform schijnen om te zetten.
Maar geen van deze plantaardige bronnen van kwalijke luchtjes kan zich
in de verste verte meten met den telegoe. Van ’s menschen standpunt
gezien, vraagt men zich af, hoe de stinkdas tevreden kan zijn te leven
in een atmosfeer, zooals hij zich die schept. Mijn dochtertje drukte
het dien morgen in haar eigen woorden uit: „Hoe houden de jonge
telegoetjes het bij zóó’n stinkadoris van ’n moeder uit!”