XII. TELEGOE, DE STINKDAS

Menschen, die in ernst meenen te weten wat stank is, zonder den

Indischen stinkdas in zijn beste momenten te kennen, lijden aan

zelfoverschatting.

Stank is een afschuwelijk woord, maar werkelijk, hier moet duidelijk

Hollandsch gesproken worden; elke verzachtende uitdrukking is een laf

ontwijken van de waarheid, laten wij voor dezen keer nu eens precies

mogen zeggen, waar het op staat.

De lucht, geproduceerd door den telegoe, is de waarachtige stank; niet

dood en vies, maar stank, die leeft; stank, die niet maar gewoon

passief stinkt, maar die agressief is en je naar de keel grijpt; stank,

waarmee men trotsche legers in ellendige, vluchtende horden kan

omzetten.

Zooals blijkt spreek ik met eenig gezag, berustend op kennis; en die

kennis drong zich gewelddadig aan mij op.

„Jullie gaan een bungalow aan den voet van het Barisan-gebergte

bouwen?” zei een vriend-natuuronderzoeker, „als je dan maar niet veel

last hebt van Mydaus meliceps, telegoe heeten ze hier, op Java sigoeng.

Die beesten hebben in den endeldarm een paar zakjes, waarin door

klieren een olieachtige stof wordt afgescheiden; wordt de telegoe

geprikkeld of achtervolgd, dan spuit hij de stinkstof naar buiten in

een dunne straal, die zich dadelijk in een fijnen sproeiregen verdeelt;

en daar die stinkstof in de lucht snel vervliegt, is het of de heele

omgeving plotseling één en al stank is, knoflook en zwavel en ik weet

al niet wat.”

„Nou ja,” zei ik lachend, „dat luchtje hebben wij hier en daar wel eens

geroken, maar zóó erg is dat toch niet!”

„Neen?! wij spreken elkaar nader; wat jullie kennen, is de lucht van

een dier, dat misschien op een kilometer afstand passeert. Maar je hebt

nog nooit zoo in de wildernis aan den rand van de bosschen gewoond;

vooral in Zuid-Sumatra komen zij juist dáár veel voor; en als je van

nabij met hen kennis maakt, wel, dan kun je er verhaaltjes van

vertellen. Let maar eens op, als ze onder je huis doorloopen en zij

worden door een of andere oorzaak boos, dan wordt iedereen wakker van

de lucht, en al je zilver slaat zwart aan...”

Wij lachten weer. Of het domheid is, of gewoonte? maar in zulke

gevallen lacht men. Eerder had ik al eens gelachen, toen de kroonprins

van Asahan mij te Fort de Kock vertelde, dat in zijn land visschen in

de oeverstruiken klimmen; en weer had ik gelachen, toen men mij

vertelde, dat zeeschildpadden bij het eieren leggen aan het strand door

ongeduldige eierzoekers geholpen worden bij het graven van het gat.

Sedert dien had ik zelf klimvisschen in actie gezien, en ik had in

middernachtelijk uur rustig gereden op den rug van een reusachtige

schildpad, vóór zij weer de zee in dook. Toch lachte ik nu weer... al

die berichten van menschen zijn dikwijls zoo overdreven, ik zou zelf

wel eens nuchter beoordeelen, wat er van die fraaie verhalen waar was.

En ik zou er de kans wèl voor krijgen!

De bungalow was klaar en wij betrokken haar; het terrein daar en in de

omgeving was eenige tientallen jaren geleden bouwland geweest, toch

waren enkele zware boomen uit het oorspronkelijke oerwoud er blijven

staan; later schoot er jong bosch op, behalve op die stukken, waar het

vee was toegelaten en waar de alang-alang heerscheres was, dat

manshooge wilde gras met breede bladklingen, dat bijna niet is uit te

roeien. Er stonden dus verscheidene reusachtige rimbaboomen, jonger

bosch en kreupelhout, en er waren velden alang-alang, waar de zon

blakerde. Voedsel en schuilplaatsen voor allerlei wild; er waren dan

ook varkens, en de Gestreepte kwam er wel eens op hen jagen; in de

struiken ritselden bevende dwergherten, de beer blafte in de boomen aan

den waterkant, en de marters dartelden in zon en koelte. Niet véél wild

was er, maar van alles wat. Apen echter in geweldige hoeveelheden, die

maakten van daar uit hun strooptochten naar de velden der menschen,

en... er waren stinkdassen!

En nu leerden we spoedig, wat „stank” is.

Kuchend werden we in een nacht wakker, een malariapatiënte, die bij ons

logeerde, hoestte het eerst alarm.

Of deze telegoe onder het op palen staande huis doorliep, dan wel boven

den wind de bungalow passeerde, weet ik niet. Evenmin, of hij zich boos

maakte om de nieuwigheid, om het huis dat er vroeger niet was. Maar de

uiting van prikkelbaarheid was er!

Den volgenden morgen hebben wij in vollen gezinsraad een prijsvraag

behandeld: beschrijf die lucht! Ieder trachtte te zeggen, welk souvenir

de lucht had opgewekt, en ieder dacht daarbij aan moeielijke momenten

op zee.

Men stelle zich voor zeeziek te liggen in een hut op een oud

vrachtschip, dat doortrokken is van de vettige, ranzige lucht van

copra, terwijl in die hut tevens een partij civetkatten is

ondergebracht. Het schip heeft een licht-installatie van carbid; ergens

bij de hut is een lek en de knoflookwalm druipt rijkelijk uit de

leiding, toch zet iemand in die omgeving scheepskoffie, en de

aller-ordinairste cichoreilucht kruipt ook de hut in, en zij neemt nog

een scherpen zwaveldamp van ergens mee... en dit geheel kleeft zich aan

den zeezieken mensch, ineens, geweldig, overal tegelijk, en het gaat

niet voorbij, het blijft, het kleeft overal aan.

Tegen den middag rook onze patiënte weer in heftige mate de nare lucht

en zij riep verschrikt: „daar komt er weer een!”

Valsch alarm. Ze had zich den thermometer aangelegd, waarbij haar

handen den nikkelen kop van het instrumentje hadden aangeraakt. En toen

wij ook kwamen ruiken, aan de thermometer en aan ander metaal, toen

bleek alles aangestoken, en snel werd het zilver gepoetst om zwart

worden te voorkomen.

Nu werd de omgeving van het huis zoo spoedig mogelijk van lage struiken

en hoog gras gezuiverd, en wij hadden bij onze gewoonlijk korte

verblijven in de bungalow in de bergen slechts zelden meer last van

dergelijke nachtelijke bezoeken. Een niet te onderschatten factor

daarbij waren onze honden, stadsdieren, die onbegrijpelijk gesteld

bleven op nadere kennismaking. Na elke ontmoeting kwamen zij diep

ongelukkig thuis, wentelden zich overal, schuurden tegen alles en

verspreidden rondom de walgelijke lucht; dagen achtereen moesten zij

worden vastgelegd en gebaad; eerst later bleek, hoe die ontmoetingen

zich moeten hebben afgespeeld, jaren later; en toen eerst wist ik, dat

ik aan mijn nieuwsgierigheid om de bron van alle kwaad eens te zien,

eerder had kunnen voldoen; dat namelijk de telegoe een sloom dier is,

dat men met eenig geduld, maar met groote voorzichtigheid tevens,

gemakkelijk kan volgen; sloom, niet uit makheid, maar omdat hij niemand

vreest.

Wij waren weer eens „boven”, in onze bungalow. In den vroegen morgen

wekte ons een hevig tumult onder de bedienden in de bijgebouwen, kreten

van afgrijzen en het opwekkend geluid van iemand, die in onmin verkeert

met zijn maag. Het geheel tooverde voor onze oogen de zee, een railing

waarover gebogen de gedaanten van wezens, die tevoren mensch waren. Dus

was er weer een stinkdas in het spel!

Wij vlogen naar buiten; een heftige, kleffe telegoelucht greep ons naar

de keel.

Djamak, een onzer bedienden, had in den heel vroegen morgen een klein

dier zien kruipen in het gras. Djamak was goed-Moslim, maar dit

varkensjong, dat blijkbaar zijn moeder was kwijt geraakt, durfde hij

toch wel aan te pakken; het zou zulk aardig speelgoed zijn voor

„nonnie”, ons jongste dochtertje. Hij zou het maar wagen; trouwens, als

hij het maar in zijn baadje ving, hoefde hij niet met de handen in

aanraking te komen met het „haram” diertje.

Djamak, de goeierd, toog op het oorlogspad. Wat zou meneer blij zijn!

die hield zoo van dieren, en Djamak had dikwijls gemerkt, dat het zijn

baas hinderde, dat hij zoo niets van beesten wist; meneer vond hem

bepaald suf. Maar nu! hij zou ieder verrassen met een door hem zelf

gevangen dier; hij zou er niet bij vertellen, dat hij den sukkel

eigenlijk maar voor het oprapen had gehad, zóó sloom wiegelde het dier

door het gras.

Opgepast, nu krummelde het naar een holte in het grasveld, daar zou hij

de jas over het dier gooien, zijn nieuwe, witte jas, die mevrouw hem

had gegeven. Hij sloop achter het dier aan; was het eigenlijk wel een

wild varkentje? hij wist niets van dieren af, maar dat snuitje was toch

een varkenssnoet, en wat zou het ànders zijn. Maar waarom was dat beest

heelemaal niet bang? Even wachten, het had blijkbaar den vervolger

opgemerkt. Djamak stond doodstil.

De telegoe keek aandachtig naar hem. Wat wilde dat lange, sluipende

dier? Het ging hem bepaald vervelen. Hij had zijn nachtelijken tocht

wat te ver voortgezet; hij had heerlijke larven en regenwormen

gevonden; en toen het maagje gevuld was, had hij keurig toilet gemaakt,

want de telegoe is zeer coquet. Maar nu wilde hij ongehinderd naar

huis, naar zijn ruim ketelhol, dat hij onder sterke boomwortels had

gegraven. Waarom sloop dat gekke dier toch achter hem aan?

Hij stelde zijn batterij op en wachtte rustig, misschien speelde een

duivelsche glimlach om zijn kalen snoet.

Nu!... dacht Djamak, en mèt gooide hij zijn baadje over zijn buit...

maar tegelijk sloeg hij met een akeligen gil achterover. Iets vets en

kleffigs wurgde hem en legde hem zijn maag boven op het hoofd; en onder

het baadje door liep de telegoe, stank op pooten, wiegelend weg; hij

kon tevreden zijn, het schot zat. Arme Djamak, in een ondeelbaar

oogenblik van jager slachtoffer geworden, trok nu de levendige

belangstelling van ieder; juist wat hij gewenscht had, maar wel op een

andere manier. En zijn mooie jas was bedauwd met fijne droppeltjes

olie, die gele vlekjes werden, voor altijd.

Maar waar was het dier? Nu wilde ik het zien en hebben. Iemand had het

zien kruipen naar een stapel brandhout, en dáár, in een hoekje gedoken,

zat het; de gebeurtenis had hem toch wel even uit zijn evenwicht

gebracht. Ik benaderde hem, een zakdoek, vier dubbel gevouwen, stijf

tegen den neus gedrukt. Maar zóó was de atmosfeer doordrongen van de

walgelijke lucht, dat ik terugdeinsde en mijn neusgaten met watten

moest afsluiten, vóór ik het dier met een schot hagel in de hersens

doodde. Ik had den mond van het geweer voorzichtig tot vlak boven zijn

kop gebracht om een tweede olie-explosie te voorkomen. Of dit gelukte,

weet ik niet. Wel, dat wij de beide stankcentra diep moesten omspitten,

dat het slagveld werd ontsmet en begoten, en dat wij den derden dag

daarna moesten besluiten weg te gaan, omdat het leven onmogelijk was

geworden. Maar ’s nachts viel een zware regen en den volgenden morgen

bleek de stinkstof vrijwel afgespoeld te zijn van alle vaste dingen,

waarop ze zich had vastgekleefd.

Dien avond spraken wij den plaatselijk besturenden ambtenaar en

vertelden hem alles in kleuren en „geuren”. Hij en zijn vrouw waren

zeer verwonderd, want ook zij hadden denzelfden morgen diezelfde lucht

in huis geroken, voor hen een nieuwe sensatie, en de bedienden hadden

hun het woord telegoe genoemd. En toen nagegaan werd, wat de bron van

die lucht was geweest, bleek, dat mijn oppasser, even na het schot, met

een portefeuille stukken naar het controleurshuis was gegaan en

zoodoende de geheele atmosfeer ook dáár had bedorven.

Er zijn op het gebied van „luchtjes” merkwaardige dingen in Indië.

De doerian, de bekende vrucht met haar geweldige dorens, die ook vele

Europeanen als groote lekkernij beschouwen, wordt wel eens....

„gasfabriek” betiteld, en onze voorouders uit het laatst der 16de eeuw

schreven reeds van haar:... „datment niet en kan compareren met

geenderley fruyten vande werelt: want in smaeck ende goetheydt

affirmeren dat het alle fruyten te boven gaet: maer eerst alsmense op

doet, riecken gelyck oft het verrotten ayun waer: maer inden smaeck

heeftmen die leckerheyt.”

De wondermooie Rafflesia, de grootste bloem ter wereld, en de prachtige

Amorphophallus verspreiden in de wildernis na den vollen bloeitijd een

vehemente lucht, die haar allerlei leelijke bijnamen heeft bezorgd; en

er zijn mossen en varens, die de geheele atmosfeer in den omtrek in

jodoform schijnen om te zetten.

Maar geen van deze plantaardige bronnen van kwalijke luchtjes kan zich

in de verste verte meten met den telegoe. Van ’s menschen standpunt

gezien, vraagt men zich af, hoe de stinkdas tevreden kan zijn te leven

in een atmosfeer, zooals hij zich die schept. Mijn dochtertje drukte

het dien morgen in haar eigen woorden uit: „Hoe houden de jonge

telegoetjes het bij zóó’n stinkadoris van ’n moeder uit!”

Waar mensch en tijger buren zijn · 第 31 / 34 题