XI. PENJOE, DE TRAGE ZEESCHILDPAD

Het was een nacht van louter zilver en zwart.

Hier, aan het witte duinen-strand van Poelau Djemoer, met zijn zwarte

rotsen waar de branding op beukte, waren geen andere kleuren in den

fellen maannacht. De sterren waren in den zwarten hemel terug geweken

voor den toovergloed van den zilveren brand, en inktzwart was de zee,

waar slechts zoo nu en dan een bolle deining met vloeiend zilver werd

begoten.

Boven, op een rots, stond de vuurtoren; zonder dit licht zou de groote

scheepvaart in de Straat van Malaka, de wereldstraat van Azië, niet

mogelijk zijn. Behalve de lichtwachter met zijn helpers woonden op dit

eenzame eiland slechts enkele Maleiers, in een hutje aan den voet van

den rotsheuvel; zij verzamelden schildpadeieren, welke zij voor ’n paar

gulden de honderd in de groote havenplaatsen aan den Sumatra-wal

verkochten.

Het was juist een maand geleden, dat ik deze plek op een mijner

dienstreizen bezocht had, en toen ik in het hutje der Maleiers een

groote kist had zien staan, half gevuld met schildpad-eieren, waren mij

de verhalen in herinnering gekomen, welke men mij in Zuid-Sumatra

verteld had over schildpadden en haar eieren; wanneer deze dieren aan

wal waren om eieren te leggen, zouden zij gemakkelijk te benaderen

zijn, ja, de eierzoekers zouden wel eens meehelpen om het gat te graven

waarin de eieren worden gelegd, om maar tot spoedige resultaten te

komen! En ik had den Maleiers ongeloovig gevraagd, of zij mij niet eens

ooggetuige konden laten zijn van hun nachtelijke ontmoetingen met

eierleggende schildpadden. Zeker, hadden zij gezegd, en of ik dien

nacht niet kon overblijven? Er was weliswaar weinig kans, want het was

dien dag zwaar weer geweest en er stond hooge zee, maar het was niet

uitgesloten, dat enkele dieren toch aan wal zouden komen in den nacht;

het zou wel moeielijk zoeken zijn, er waren verschillende legplaatsen

en de mannen hadden met hun lichte prauw kreken over te steken om alle

plekken af te zoeken. Of ik het niet zoo zou kunnen schikken, dat ik

een anderen keer, ook bij volle maan, een nacht kon overblijven? als de

zee dan niet zoo hol was, konden zij er voor instaan, dat ik

schildpadden zou zien en ze zien eieren leggen!

Dat was wel heel sterk! had ik gedacht. Het was toch wel vreemd, dat

men dien dag er in het geheel niet op gebrand was om mij te overtuigen,

dat onmogelijk schijnende dingen werkelijk toch wel mogelijk zouden

zijn.

En nu wilde het toeval, dat ik nu, juist een maand later, weder naar

het zuiden ging. Het doel van mijn reis waren de Chineesche panglong’s,

de houtkapperijen bij Bengkalis, waar Singapore jaarlijks meer kubieke

meters hout weghaalt dan de geheele jaarlijksche productie van

djati-hout op Java bedraagt; daar waren dingen voorgevallen tusschen de

Chineezen onderling, zóó ernstig, dat ik onverwijld een plaatselijk

onderzoek wilde instellen.

Een schoolmeisje met vacantie maakte dit gedeelte van de reis mee; ik

had haar het verhaal van mijn vorig bezoek gedaan en zij smeekte om

Poelau Djemoer aan te laten doen, nu het weer volle maan was; zij vond

het wel „eng”, maar toch ook „dol” om eens op den rug van een

zeeschildpad rond te rijden! Het eiland lag op de route, wij zouden

laat in den avond aankomen, en enkele uren kon ik wel aan de

schildpadden besteden... als men ons tenminste niet duchtig bij den

neus had met al die verhalen. Maar dit was op zichzelf al de moeite van

een onderzoek waard.

Nauwelijks lag ons kleine schip voor anker, of aan den wal verscheen

een lichtje, dat in rhytmisch zwaaien bewoog; men had ons op het eiland

zien aankoersen en er liepen menschen, die nu stellig een prauwtje van

het strand het water in zouden slepen om ons te bezoeken.

Een half uur later stonden de lichtwachter en twee Maleiers aan dek.

Zij hadden de fluit van de „Diana” herkend, het was volle maan,

misschien was de gouverneur aan boord, die zoo ernstig beloofd had

ééns, als de maan vol was, te zullen komen om schildpadden te zien.

Toch waren zij verrast, dat ze zich niet vergist hadden, zij wisten,

dat de gewestelijke bestuurder te Médan slechts zelden tijd kon vinden

voor reizen naar de zuid, die zoovele dagen in beslag namen.

„En hoe staat het met de schildpadden?”

„Nou, meneer, voorzoover wij weten zijn er nog geen aan wal, maar als u

wat geduld wilt hebben zult u ze toch wel kunnen zien, wij verwachten

ze vannacht stellig, want de zee is rustig en het wordt nu de goede

tijd van het jaar.”

„Maar hoe lang zou het dan nog duren?”

„Dat kunnen we onmogelijk zeggen, maar mogen wij zoo afspreken, dat een

van ons telkens drie malen achtereen met een licht zal zwaaien aan het

strand, als er penjoe’s aan wal zijn? Wij zullen de wacht hier aan

boord waarschuwen om u te wekken als u wilt gaan slapen.”

De mannen roeiden in hun kleine prauw weer naar den wal, al spoedig

zagen wij alleen maar het deinend lichtje van de lantaren, welke zij in

den voorsteven hadden gezet, flets rossig in het zilveren maanlicht.

Wij besloten te wachten, een goed boek helpt den tijd wel dooden. Eerst

twee uur later kwam een matroos ons waarschuwen, dat het sein aan den

wal gegeven was. Zouden we nu werkelijk schildpadden zien? Vier man

zaten al in de neergestreken sloep, de halve bemanning; onder het

roeien werd druk gepraat, ook voor hen was het een nieuwtje, al hadden

zij er dikwijls van hooren vertellen; en dat het schoolmeisje mee aan

wal ging, werd blijkbaar zeer interessant gevonden. Toen wij het strand

naderden, bleek de branding nog vrij woelig te zijn, maar de lantaren

aan den wal wees ons de beste plek om te landen.

„Zijn er werkelijk schildpadden?” vroeg ik in spanning.

„Ja meneer, er zijn pas twee dieren aan wal, maar wij wilden u niet

langer laten wachten. Zie, dit is het spoor van een ervan, de andere is

wat verderop.”

Van het water liep een spoor, van zeker een halven meter breed, het

lage witte duin op; in het midden leek het ’t spoor van een aan wal

getrokken prauw, aan de kanten stonden op regelmatige afstanden de

indrukken van grabbelende pooten. Inderdaad, hier had een dier uit de

donkere zee het veilig tehuis verlaten om aan de groote wet, het

scheppen van een kroost, te voldoen. Zij, schildpadden konden niet, als

de visschen, haar schat aan het water toevertrouwen; maar haar instinct

wees haar den weg, dien ook haar moeders en grootmoeders hadden

gevolgd, naar eenzame stranden waar rul, diep zand was om de eieren te

verbergen en ze tot leven te stoven in de gloeiende zonnewarmte. En zij

kozen den diepen nacht om heimelijk den grooten tocht te doen. De

armen, zij weten niet, hoe slim de allergevaarlijkste aller dieren is,

en hoe het speuren dien mensch gemakkelijk gemaakt wordt door het

breede spoor, dat zij in het zand slepen en dat alleen door hevigen

regen of door stormwind wordt uitgewischt.

In oogenblikken, dat men wondere dingen der Natuur zal zien, is het of

’s menschen geest glimlacht; of deze stelling ook voor anderen dan

devote bewonderaars der natuur opgaat, weet ik niet; wel, dat ik het

voor de tweede maal in mijn leven zoo voelde. Jaren tevoren, toen men

mij voor het eerst in het Barisangebergte de Rafflesia Arnoldi zou

laten zien, volgde ik met dezelfde gewaarwording een Maleier, die deze

wondere reuzebloem had gevonden. Ik wist, hoe groot de blijde trots was

voor dr. Arnold, toen hij in 1818, te Poelau Lebar aan de Manna-rivier,

„the biggest flower of the world” vond, en hoe opgetogen Raffles en

Lady Raffles waren, toen Arnold met de geweldige parasiet hun tent

binnen kwam... nu zou ook ik die wonderbloem zien. Daar lag zij op den

grond in het stille bosch, bijna een meter in middellijn; de vijf

prachtig kastanjekleurige bladeren, dicht bezaaid met de crême

„wratten”, omvatten de kom, waarin, als een altaar, de centrale zuil

ligt; toen glimlachte mijn geest niet meer maar zonk als het ware neer

voor dit wonder, in vrome dankbaarheid.

Hier gold het „maar” een schildpad en nu bleef de glimlach, want

overheerschend was een gevoel van verbazing, al was het gemengd met

medelijden voor het dier, dat in onweerstaanbaren drang haar omgeving

geheel vergeten scheen. Zij was druk in de weer; de klauwige voorpooten

graaiden met kracht het zand langs de flanken naar achter het lichaam,

en de twee platte achterpooten vlijden het zand vast aan.

„Wat doet ze nu?” vroeg ik.

„Zij heeft haar eieren gelegd en nu graaft ze den kuil dicht en slaat

het zand vast aan.”

Wij gingen dicht om het met volle kracht doorwerkende dier zitten, en

met een stokje tikte ik haar zacht op den grooten kop, benieuwd of zij

hem in zou trekken; zij protesteerde wel even, hijgde kreunend, maar er

kwam niet de minste stoornis in houding of arbeid; integendeel, meer

dan ooit kwam het er op aan haar schat snel te verbergen. Graai! graai!

ging het vóór, en plak! plak! haastten zich de achterpooten. Arme

drommel, een struis steekt tenminste den kop nog weg en verbeeldt zich

dan alleen te zijn, de schildpad ziet het allergrootste gevaar om zich

heen letterlijk in de oogen, en verbeeldt zich, dat die oogen niet

zien.

„Jullie doet deze dieren toch nooit kwaad?”

„Neen, meneer, wij zijn veel te blij, dat ze geregeld hier komen,

verscheidene van de dieren kennen wij aan de kleur of aan schelpen, die

zich aan hun schild vastkleven.”

„Maar als ge door regen of wind de sporen niet vindt, of als ge ’s

nachts niet waakt, hoe vindt ge dan de eieren?”

„Dan zoeken wij overdag naar plekken waar het zand sporen vertoont

verstoord te zijn, en wij sondeeren het met een ijzeren laadstok;

voelen wij een hardere plek, dan steken we voorzichtig door, en als we

de eieren raken, dan is de punt van den stok kleverig en er blijven

zandkorrels aan hangen. Maar soms vinden wij niets, het is veel beter

’s nachts alle plekken, waar zij gewoonlijk komen, langs te gaan; een

goed deel van den nacht loopen wij rond en waden de kreken door, die de

stukken strand van elkaar scheiden. Wij zullen nu eens zien, hoeveel

eieren deze schildpad gelegd heeft.”

De mannen sleepten voorzichtig de alles trotseerende moeder eenige

meters van haar nest weg; hoeveel zij woog, is niet te zeggen, maar zij

mat van neus tot staart precies een meter. En nu werd de hardere plek

op het nest behoedzaam ontgraven. Maar wij beiden hadden te doen met de

bedrogen moeder en hielden haar in dit moment van diepe vernedering en

teleurstelling gezelschap... zóó voelt de mensch het aan; maar de

schildpad sloeg op de nieuwe plek onmiddellijk weer aan den arbeid,

haar hersens liepen blijkbaar minstens een kwartier achter, zij had

niets van de manoeuvre begrepen, slechts die eene gedachte bezielde

haar: graaf! je bent nog niet klaar, verberg je schat! en de voorpooten

graaiden weer, en de andere twee plakten weer dicht, steeds sneller;

eindelijk drong het tot haar door, dat zij toch niet geheel onbespied

was op haar strand! Zoo verwoed graaiden de voorpooten, dat ons het

zand om de ooren fladderde toen wij achter haar gingen zitten.

Men had het nest met eieren nu ontbloot, wij telden er 108; eieren als

ping-pong ballen, maar zachter, verscheidene met de deuk erin, welke

die ballen na eenig gebruik vertoonen. Het schoolmeisje stond erop de

moeder enkele van haar eieren te laten zien, maar ze keek niet eens

verbaasd en zwoegde al maar door, ze was alle maat en tijd kwijt.

Maar nu zagen de mannen in het felle maanlicht een ander exemplaar,

grooter nog en donkerder; die had blijkbaar haar plicht gedaan, en zij

wandelde, geen twintig meter van ons af, terug naar zee. Wij hadden ons

dier voldoende geplaagd, de nieuweling werd nu het middelpunt van onze

belangstelling, en al spoedig moest zij het opgewonden schoolmeisje

haar kracht als rijdier toonen; het bleek, onder een anderen ruiter,

dat zij zich zelfs met een levend gewicht van 90 kilo nog kon

voortbewegen. Dit dier was volgens de mannen een hun welbekende, heel

oude schildpad, haar rug zat vol met allerlei aanwassen, schelpen,

welke slechts met groote moeite met een sterk slagmes konden worden

losgewipt.

Wij hadden nu genoeg gezien, en hadden straks, thuis, wat te vertellen.

Maar, zouden anderen het nu wel gelooven? Zou men aannemen, dat het

mogelijk is, als het ware op bestelling, wilde dieren uit de diepe zee

te ontmoeten, ja zelfs een rit op hun rug te maken?

„Jammer, dat ik dit dier niet fotografeeren kan,” zei ik, plotseling

terneergeslagen, tot onze vrienden van het eiland.

De mannen wisten raad, zij legden de oude schildpad op den rug, we

konden dan in den vroegen morgen terug komen om opnamen te doen. Heel

aangenaam zal het dier dezen tijdelijken levensdraai wel niet gevonden

hebben, al legde het vrij spoedig den kop rustig neer, maar ik was zoo

wreed om aan te nemen, dat ze toch geen overwegende bezwaren tegen ons

plan kon hebben; bovendien, misschien zou ze over eenige uren pas

begrijpen, dat ze niet bepaald meer in haar gewone doen was!

En zoo is het gelukt om ons nachtelijk avontuur bij daglicht op de

plaat vast te leggen. Zelfs gelukte het ’t moment te fotografeeren,

waarop onze schildpad het veilig tehuis indook; toen zij het water

voelde, werd de snelheid plotseling zeer groot, en de hersens werkten

normaal, want zij keek naar den naast haar rennenden man en ontvluchtte

hem; dat zij daarbij geen verschil maakte tusschen een boozen jager en

mij, den goedwillenden fotograaf, kan men de geplaagde stakker niet

kwalijk nemen.

Eerst bij dag hadden wij ontdekt, dat het dier een gedeelte van een

voorpoot miste, en ik dacht al aan haaien en dergelijk gespuis. Maar de

mannen vertelden ons, dat eens in een nacht een Chinees bij hen was

geweest, en dat de onverlaat dit dier een stuk van den poot had

afgehakt, verzot als hij was op het aroma van schildpadvleesch. Ook

Europeanen zijn niet ongevoelig voor schildpadsoep, maar ik geloof

niet, dat deze lekkernij ooit middels amputatie verkregen wordt. Wel

denk ik, dat het gevoelscentrum van onze arme, trage Penjoe op dàt

fatale moment prompt zal hebben gewerkt.

„Wat zal moeder kijken, als ze mij gekiekt ziet op die schildpad,” zei

het schoolmeisje, „maar wat zal ze woedend zijn op dien valschen

Chinees... zóó’n engerd!”

Waar mensch en tijger buren zijn · 第 30 / 34 题