Het was een nacht van louter zilver en zwart.
Hier, aan het witte duinen-strand van Poelau Djemoer, met zijn zwarte
rotsen waar de branding op beukte, waren geen andere kleuren in den
fellen maannacht. De sterren waren in den zwarten hemel terug geweken
voor den toovergloed van den zilveren brand, en inktzwart was de zee,
waar slechts zoo nu en dan een bolle deining met vloeiend zilver werd
begoten.
Boven, op een rots, stond de vuurtoren; zonder dit licht zou de groote
scheepvaart in de Straat van Malaka, de wereldstraat van Azië, niet
mogelijk zijn. Behalve de lichtwachter met zijn helpers woonden op dit
eenzame eiland slechts enkele Maleiers, in een hutje aan den voet van
den rotsheuvel; zij verzamelden schildpadeieren, welke zij voor ’n paar
gulden de honderd in de groote havenplaatsen aan den Sumatra-wal
verkochten.
Het was juist een maand geleden, dat ik deze plek op een mijner
dienstreizen bezocht had, en toen ik in het hutje der Maleiers een
groote kist had zien staan, half gevuld met schildpad-eieren, waren mij
de verhalen in herinnering gekomen, welke men mij in Zuid-Sumatra
verteld had over schildpadden en haar eieren; wanneer deze dieren aan
wal waren om eieren te leggen, zouden zij gemakkelijk te benaderen
zijn, ja, de eierzoekers zouden wel eens meehelpen om het gat te graven
waarin de eieren worden gelegd, om maar tot spoedige resultaten te
komen! En ik had den Maleiers ongeloovig gevraagd, of zij mij niet eens
ooggetuige konden laten zijn van hun nachtelijke ontmoetingen met
eierleggende schildpadden. Zeker, hadden zij gezegd, en of ik dien
nacht niet kon overblijven? Er was weliswaar weinig kans, want het was
dien dag zwaar weer geweest en er stond hooge zee, maar het was niet
uitgesloten, dat enkele dieren toch aan wal zouden komen in den nacht;
het zou wel moeielijk zoeken zijn, er waren verschillende legplaatsen
en de mannen hadden met hun lichte prauw kreken over te steken om alle
plekken af te zoeken. Of ik het niet zoo zou kunnen schikken, dat ik
een anderen keer, ook bij volle maan, een nacht kon overblijven? als de
zee dan niet zoo hol was, konden zij er voor instaan, dat ik
schildpadden zou zien en ze zien eieren leggen!
Dat was wel heel sterk! had ik gedacht. Het was toch wel vreemd, dat
men dien dag er in het geheel niet op gebrand was om mij te overtuigen,
dat onmogelijk schijnende dingen werkelijk toch wel mogelijk zouden
zijn.
En nu wilde het toeval, dat ik nu, juist een maand later, weder naar
het zuiden ging. Het doel van mijn reis waren de Chineesche panglong’s,
de houtkapperijen bij Bengkalis, waar Singapore jaarlijks meer kubieke
meters hout weghaalt dan de geheele jaarlijksche productie van
djati-hout op Java bedraagt; daar waren dingen voorgevallen tusschen de
Chineezen onderling, zóó ernstig, dat ik onverwijld een plaatselijk
onderzoek wilde instellen.
Een schoolmeisje met vacantie maakte dit gedeelte van de reis mee; ik
had haar het verhaal van mijn vorig bezoek gedaan en zij smeekte om
Poelau Djemoer aan te laten doen, nu het weer volle maan was; zij vond
het wel „eng”, maar toch ook „dol” om eens op den rug van een
zeeschildpad rond te rijden! Het eiland lag op de route, wij zouden
laat in den avond aankomen, en enkele uren kon ik wel aan de
schildpadden besteden... als men ons tenminste niet duchtig bij den
neus had met al die verhalen. Maar dit was op zichzelf al de moeite van
een onderzoek waard.
Nauwelijks lag ons kleine schip voor anker, of aan den wal verscheen
een lichtje, dat in rhytmisch zwaaien bewoog; men had ons op het eiland
zien aankoersen en er liepen menschen, die nu stellig een prauwtje van
het strand het water in zouden slepen om ons te bezoeken.
Een half uur later stonden de lichtwachter en twee Maleiers aan dek.
Zij hadden de fluit van de „Diana” herkend, het was volle maan,
misschien was de gouverneur aan boord, die zoo ernstig beloofd had
ééns, als de maan vol was, te zullen komen om schildpadden te zien.
Toch waren zij verrast, dat ze zich niet vergist hadden, zij wisten,
dat de gewestelijke bestuurder te Médan slechts zelden tijd kon vinden
voor reizen naar de zuid, die zoovele dagen in beslag namen.
„En hoe staat het met de schildpadden?”
„Nou, meneer, voorzoover wij weten zijn er nog geen aan wal, maar als u
wat geduld wilt hebben zult u ze toch wel kunnen zien, wij verwachten
ze vannacht stellig, want de zee is rustig en het wordt nu de goede
tijd van het jaar.”
„Maar hoe lang zou het dan nog duren?”
„Dat kunnen we onmogelijk zeggen, maar mogen wij zoo afspreken, dat een
van ons telkens drie malen achtereen met een licht zal zwaaien aan het
strand, als er penjoe’s aan wal zijn? Wij zullen de wacht hier aan
boord waarschuwen om u te wekken als u wilt gaan slapen.”
De mannen roeiden in hun kleine prauw weer naar den wal, al spoedig
zagen wij alleen maar het deinend lichtje van de lantaren, welke zij in
den voorsteven hadden gezet, flets rossig in het zilveren maanlicht.
Wij besloten te wachten, een goed boek helpt den tijd wel dooden. Eerst
twee uur later kwam een matroos ons waarschuwen, dat het sein aan den
wal gegeven was. Zouden we nu werkelijk schildpadden zien? Vier man
zaten al in de neergestreken sloep, de halve bemanning; onder het
roeien werd druk gepraat, ook voor hen was het een nieuwtje, al hadden
zij er dikwijls van hooren vertellen; en dat het schoolmeisje mee aan
wal ging, werd blijkbaar zeer interessant gevonden. Toen wij het strand
naderden, bleek de branding nog vrij woelig te zijn, maar de lantaren
aan den wal wees ons de beste plek om te landen.
„Zijn er werkelijk schildpadden?” vroeg ik in spanning.
„Ja meneer, er zijn pas twee dieren aan wal, maar wij wilden u niet
langer laten wachten. Zie, dit is het spoor van een ervan, de andere is
wat verderop.”
Van het water liep een spoor, van zeker een halven meter breed, het
lage witte duin op; in het midden leek het ’t spoor van een aan wal
getrokken prauw, aan de kanten stonden op regelmatige afstanden de
indrukken van grabbelende pooten. Inderdaad, hier had een dier uit de
donkere zee het veilig tehuis verlaten om aan de groote wet, het
scheppen van een kroost, te voldoen. Zij, schildpadden konden niet, als
de visschen, haar schat aan het water toevertrouwen; maar haar instinct
wees haar den weg, dien ook haar moeders en grootmoeders hadden
gevolgd, naar eenzame stranden waar rul, diep zand was om de eieren te
verbergen en ze tot leven te stoven in de gloeiende zonnewarmte. En zij
kozen den diepen nacht om heimelijk den grooten tocht te doen. De
armen, zij weten niet, hoe slim de allergevaarlijkste aller dieren is,
en hoe het speuren dien mensch gemakkelijk gemaakt wordt door het
breede spoor, dat zij in het zand slepen en dat alleen door hevigen
regen of door stormwind wordt uitgewischt.
In oogenblikken, dat men wondere dingen der Natuur zal zien, is het of
’s menschen geest glimlacht; of deze stelling ook voor anderen dan
devote bewonderaars der natuur opgaat, weet ik niet; wel, dat ik het
voor de tweede maal in mijn leven zoo voelde. Jaren tevoren, toen men
mij voor het eerst in het Barisangebergte de Rafflesia Arnoldi zou
laten zien, volgde ik met dezelfde gewaarwording een Maleier, die deze
wondere reuzebloem had gevonden. Ik wist, hoe groot de blijde trots was
voor dr. Arnold, toen hij in 1818, te Poelau Lebar aan de Manna-rivier,
„the biggest flower of the world” vond, en hoe opgetogen Raffles en
Lady Raffles waren, toen Arnold met de geweldige parasiet hun tent
binnen kwam... nu zou ook ik die wonderbloem zien. Daar lag zij op den
grond in het stille bosch, bijna een meter in middellijn; de vijf
prachtig kastanjekleurige bladeren, dicht bezaaid met de crême
„wratten”, omvatten de kom, waarin, als een altaar, de centrale zuil
ligt; toen glimlachte mijn geest niet meer maar zonk als het ware neer
voor dit wonder, in vrome dankbaarheid.
Hier gold het „maar” een schildpad en nu bleef de glimlach, want
overheerschend was een gevoel van verbazing, al was het gemengd met
medelijden voor het dier, dat in onweerstaanbaren drang haar omgeving
geheel vergeten scheen. Zij was druk in de weer; de klauwige voorpooten
graaiden met kracht het zand langs de flanken naar achter het lichaam,
en de twee platte achterpooten vlijden het zand vast aan.
„Wat doet ze nu?” vroeg ik.
„Zij heeft haar eieren gelegd en nu graaft ze den kuil dicht en slaat
het zand vast aan.”
Wij gingen dicht om het met volle kracht doorwerkende dier zitten, en
met een stokje tikte ik haar zacht op den grooten kop, benieuwd of zij
hem in zou trekken; zij protesteerde wel even, hijgde kreunend, maar er
kwam niet de minste stoornis in houding of arbeid; integendeel, meer
dan ooit kwam het er op aan haar schat snel te verbergen. Graai! graai!
ging het vóór, en plak! plak! haastten zich de achterpooten. Arme
drommel, een struis steekt tenminste den kop nog weg en verbeeldt zich
dan alleen te zijn, de schildpad ziet het allergrootste gevaar om zich
heen letterlijk in de oogen, en verbeeldt zich, dat die oogen niet
zien.
„Jullie doet deze dieren toch nooit kwaad?”
„Neen, meneer, wij zijn veel te blij, dat ze geregeld hier komen,
verscheidene van de dieren kennen wij aan de kleur of aan schelpen, die
zich aan hun schild vastkleven.”
„Maar als ge door regen of wind de sporen niet vindt, of als ge ’s
nachts niet waakt, hoe vindt ge dan de eieren?”
„Dan zoeken wij overdag naar plekken waar het zand sporen vertoont
verstoord te zijn, en wij sondeeren het met een ijzeren laadstok;
voelen wij een hardere plek, dan steken we voorzichtig door, en als we
de eieren raken, dan is de punt van den stok kleverig en er blijven
zandkorrels aan hangen. Maar soms vinden wij niets, het is veel beter
’s nachts alle plekken, waar zij gewoonlijk komen, langs te gaan; een
goed deel van den nacht loopen wij rond en waden de kreken door, die de
stukken strand van elkaar scheiden. Wij zullen nu eens zien, hoeveel
eieren deze schildpad gelegd heeft.”
De mannen sleepten voorzichtig de alles trotseerende moeder eenige
meters van haar nest weg; hoeveel zij woog, is niet te zeggen, maar zij
mat van neus tot staart precies een meter. En nu werd de hardere plek
op het nest behoedzaam ontgraven. Maar wij beiden hadden te doen met de
bedrogen moeder en hielden haar in dit moment van diepe vernedering en
teleurstelling gezelschap... zóó voelt de mensch het aan; maar de
schildpad sloeg op de nieuwe plek onmiddellijk weer aan den arbeid,
haar hersens liepen blijkbaar minstens een kwartier achter, zij had
niets van de manoeuvre begrepen, slechts die eene gedachte bezielde
haar: graaf! je bent nog niet klaar, verberg je schat! en de voorpooten
graaiden weer, en de andere twee plakten weer dicht, steeds sneller;
eindelijk drong het tot haar door, dat zij toch niet geheel onbespied
was op haar strand! Zoo verwoed graaiden de voorpooten, dat ons het
zand om de ooren fladderde toen wij achter haar gingen zitten.
Men had het nest met eieren nu ontbloot, wij telden er 108; eieren als
ping-pong ballen, maar zachter, verscheidene met de deuk erin, welke
die ballen na eenig gebruik vertoonen. Het schoolmeisje stond erop de
moeder enkele van haar eieren te laten zien, maar ze keek niet eens
verbaasd en zwoegde al maar door, ze was alle maat en tijd kwijt.
Maar nu zagen de mannen in het felle maanlicht een ander exemplaar,
grooter nog en donkerder; die had blijkbaar haar plicht gedaan, en zij
wandelde, geen twintig meter van ons af, terug naar zee. Wij hadden ons
dier voldoende geplaagd, de nieuweling werd nu het middelpunt van onze
belangstelling, en al spoedig moest zij het opgewonden schoolmeisje
haar kracht als rijdier toonen; het bleek, onder een anderen ruiter,
dat zij zich zelfs met een levend gewicht van 90 kilo nog kon
voortbewegen. Dit dier was volgens de mannen een hun welbekende, heel
oude schildpad, haar rug zat vol met allerlei aanwassen, schelpen,
welke slechts met groote moeite met een sterk slagmes konden worden
losgewipt.
Wij hadden nu genoeg gezien, en hadden straks, thuis, wat te vertellen.
Maar, zouden anderen het nu wel gelooven? Zou men aannemen, dat het
mogelijk is, als het ware op bestelling, wilde dieren uit de diepe zee
te ontmoeten, ja zelfs een rit op hun rug te maken?
„Jammer, dat ik dit dier niet fotografeeren kan,” zei ik, plotseling
terneergeslagen, tot onze vrienden van het eiland.
De mannen wisten raad, zij legden de oude schildpad op den rug, we
konden dan in den vroegen morgen terug komen om opnamen te doen. Heel
aangenaam zal het dier dezen tijdelijken levensdraai wel niet gevonden
hebben, al legde het vrij spoedig den kop rustig neer, maar ik was zoo
wreed om aan te nemen, dat ze toch geen overwegende bezwaren tegen ons
plan kon hebben; bovendien, misschien zou ze over eenige uren pas
begrijpen, dat ze niet bepaald meer in haar gewone doen was!
En zoo is het gelukt om ons nachtelijk avontuur bij daglicht op de
plaat vast te leggen. Zelfs gelukte het ’t moment te fotografeeren,
waarop onze schildpad het veilig tehuis indook; toen zij het water
voelde, werd de snelheid plotseling zeer groot, en de hersens werkten
normaal, want zij keek naar den naast haar rennenden man en ontvluchtte
hem; dat zij daarbij geen verschil maakte tusschen een boozen jager en
mij, den goedwillenden fotograaf, kan men de geplaagde stakker niet
kwalijk nemen.
Eerst bij dag hadden wij ontdekt, dat het dier een gedeelte van een
voorpoot miste, en ik dacht al aan haaien en dergelijk gespuis. Maar de
mannen vertelden ons, dat eens in een nacht een Chinees bij hen was
geweest, en dat de onverlaat dit dier een stuk van den poot had
afgehakt, verzot als hij was op het aroma van schildpadvleesch. Ook
Europeanen zijn niet ongevoelig voor schildpadsoep, maar ik geloof
niet, dat deze lekkernij ooit middels amputatie verkregen wordt. Wel
denk ik, dat het gevoelscentrum van onze arme, trage Penjoe op dàt
fatale moment prompt zal hebben gewerkt.
„Wat zal moeder kijken, als ze mij gekiekt ziet op die schildpad,” zei
het schoolmeisje, „maar wat zal ze woedend zijn op dien valschen
Chinees... zóó’n engerd!”