X. DE KRANKZINNIGE CONTROLEUR

Om de „kletstafel” in de sociëteit te Kota Balei zaten vier mannen

zacht te deinen in hun wipstoelen, de voeten rustend op de ijzeren

staaf, die de pooten van de ronde tafel verbond. Het tweede bittertje,

dat den prikkel moest geven voor de juiste waardeering van de copieuze

rijsttafel, die thuis hun deel zou zijn, was juist door den „djongos”

gebracht. Deze had daarop zijn post verlaten, een deurpost namelijk,

waar hij slaperig tegen had staan leunen totdat hij voor de tweede

ronde was geroepen. Nu had hij weer den tijd om in de buffetkamer,

achter een deur, een lekker tukje te doen; een leege petroleumkist was

voor dat doel in het hoekje gezet, het was voor de inlandsche bedienden

het beste plekje van de sociëteit.

Een der vier mannen had op dit oogenblik gewacht, hij wilde niet, dat

de bediende iets zou kunnen opvangen van wat hij te zeggen had.

„Dokter, ik hoor, dat u verteld zou hebben, dat u mijn collega van

Langen gaat bezoeken op uw aanstaande dienstreis naar de binnenlanden,

en dat u zich spottend zou hebben uitgelaten over zijn

geestestoestand?”

De dokter, een genaturaliseerd vreemdeling, als eerstaanwezend officier

van gezondheid belast met de geneeskundige inspectie in het gewest

waarvan Kota Balei de hoofdplaats was, lachte pedant.

„Spottend? nou, dat weet ik zoo niet. Maar wat ik wel weet, is, dat uw

chef, de resident, mijn opinie heeft gevraagd over enkele brieven, die

uw collega geschreven heeft en mij over hem gesproken heeft, vooral

over de wijze waarop van Langen zoo nu en dan tegen den resident

optreedt, die dan toch zijn chef is. Wij medici kunnen over dergelijke

dingen zoo moeielijk met leeken spreken, meneer Robbers, maar het komt

mij bepaald noodzakelijk voor om uw collega eens te observeeren, of hij

namelijk wel geheel normaal is. U zult dat toch zeker wel aan mij

willen overlaten, niet waar?”

„U hebt onlangs in gezelschap gezegd, dat van Langen „van Lotje getikt

is”, en dat kan nu wel heel grappig zijn, maar de leek wil zich de

moeite geven om u eens in te lichten, wat van Langen doorgemaakt heeft,

dan krijgt u eens een anderen kijk op de zaak.

„Van Langen was de knapste jongen van mijn jaar, van geest en van

uiterlijk; brave, geestige kerel, goed zwemmer en cricketer, de meest

getapte student in Delft. Geen wonder, dat de meisjes dol op hem waren.

Een bekende Haagsche nuf begon hem meer en meer in te palmen, een

bijzonder knap kind, maar een egoïst en koud als ijs. Voor haar was de

hoofdzaak, dat hij haar boven anderen verkoos, maar van werkelijke

liefde geen spoor. Zoo dachten wij, zijn vrinden, erover en hij heeft

met mij gebroken omdat ik hem dat gezegd heb, juist voor de verloving

publiek werd. Wij vonden het doodzonde, we wisten hoe fijngevoelig en

goed hij was, en we zagen in de toekomst niets dan narigheid.

„Zij trouwden dadelijk nadat hij afgestudeerd was en vertrokken naar

Indië. Zeven jaar later ontmoette ik hem weer voor het eerst, in een

hotel. Hij kwam dadelijk naar mij toe, pakte me bij m’n schouders en

zei met onzekere stem: „ben je nog boos? jij hebt gelijk gehad!”

„Arme kerel, wat zag hij eruit. Zes jaar hel achter den rug—toen ging

zij er met ’n ouwe kerel vandoor, maar die was rijk. Van Langen was een

gebroken man. Wij noemden hem in Delft een aanstaand

gouverneur-generaal, en nu gold hij als ongeschikt voor het

binnenlandsch bestuur! Men zond hem naar Oost-Borneo, naar den

grenspost tegen Serawak aan; daar had hij het grensschild en den

vlaggemast te bewaken, een ellendig oord en niets te doen. Twee

Controleurs zijn daar volslagen menschenschuw weggegaan, een is er

krankzinnig geworden, men zond er niet bepaald de goede krachten naar

toe, dat spreekt. Van Langen kreeg het er natuurlijk ook te kwaad, men

kan in zoo’n oord niet alleen zijn met z’n verdriet. De gezaghebber van

een gouvernementsstoomer, die de plaats zoo nu en dan bezocht, kon het

niet over zijn hart verkrijgen hem daar zoo te laten zitten en nam hem

mee, met eenige moeite, want hij was ook al wat schuw. Toen zond men

hem met ziekteverlof naar Holland en na een lange rustkuur was hij zoo

opgeknapt, dat hij in Indië terug kwam. Hij heeft nu heel wat van z’n

ouwe fut terug, maar hij kan zich wel eens geducht opwinden als hij

tegenover oneerlijke en onbillijke dingen staat, en hij ergert zich

groen aan ambtelijke futiliteiten. Hij noemt de dingen dan te veel bij

den naam en drijft er den spot mee; dat de resident dit wel eens heel

onaangenaam vindt, weet ik, maar dat hij niet normaal zou zijn, is

onzin. De resident had hem niet dadelijk weer naar de binnenlanden

moeten zenden; als ik geen kinderen had, die hier op school moeten

gaan, zou ik graag met hem ruilen, hij woont er heerlijk, ’n mooi land,

prachtig uitzicht op het meer. Hij heeft behoefte aan gezelligheid, dat

is alles; er is te veel bitterheid gekomen in z’n leven, maar de

blijheid begint het weer te winnen. Ik geef toe, dat hij niet uitbundig

vrindelijk is tegenover iedereen en wel eens den indruk maakt wat stug

te zijn, maar men weet ook niet alles, en daarom wilde ik u dit even

vertellen.”

„Och, meneer Robbers, dat zijn zoo van die gevoelskwesties, die wij

medici niet in de eerste plaats als object van beoordeeling nemen. Het

publiek spreekt van „menschenschuw”... enfin, ik zal de gelegenheid

hebben om hem te leeren kennen en hem persoonlijk ongemerkt te

observeeren; de resident heeft mij dit uitdrukkelijk opgedragen. Over

’n paar weken zal ik zelf mijn vaststaand oordeel hebben, niet waar?

Door onze practijk hebben wij een heel anderen kijk op dergelijke

ziektegevallen dan leeken, die zich dikwijls door het gevoel laten

meeslepen.”

„Ja, ja; dat geef ik in zooverre toe, dat u wel niet veel last van uw

gevoel zal hebben. Maar dit wilde ik u nog zeggen, ik geef u den raad

om mijn vrind van Langen niet meer belachelijk te maken; van een dokter

verwacht men dit allerminst.”

De oud-militair in het gezelschap knikte tevreden, de vierde man, een

piepjonge baar, verschoot van kleur.

De dokter slikte even. Hij dacht plotseling aan iets, dat hem al een

paar dagen geweldig dwars zat; hij had een gesprek opgevangen van een

sergeant, die een zieken makker in het hospitaal had opgezocht. De

sergeant had eenige jaren geleden de bestorming van den kraton te Koeta

Radja meegemaakt en had er „het ridder” [21] verdiend; in het kleine

garnizoen van Kota Balei was hij een man, met wien men rekening had te

houden. De dokter had hem tot zijn zieken kameraad hooren zeggen: „Moet

jij je door de Pil laten opereeren?? Nou, dan zou ik m’n testament maar

maken; wij hebben hem ook in Atjeh gehad; toen hij daar kwam, heette

hij Jan Mes, omdat-ie d’r dadelijk met het mes bij is, maar toen-ie een

paar makkers kapot gesneden had, hebben wij er Jan Mis van gemaakt”...

Hij moest nu met „het civiel” wat voorzichtig zijn, het is niet prettig

als ’t zoo van twee kanten inregent.

„Controleur, ik heb niet de opzet gehad om uw vrind belachelijk te

maken, maar ik zie het als medicus nu eenmaal anders, en ik ben toch

vrij om mijn eigen oordeel te hebben, niet waar?”

„Laten we er maar niet verder over praten, ik heb gezegd wat ik te

zeggen had... djongos!!”

De bittertjes werden betaald, Robbers en de oud-militair stonden op en

gingen samen weg; de piepjonge baar herinnerde zich plotseling een

dringende afspraak.

Eenige dagen later liet de dokter den controleur van Langen weten, dat

hij van plan was een dienstreis door de binnenlanden te maken, en hij

vroeg voor een middag en den nacht om logies. De reis tot het meer deed

men in die jaren der vorige eeuw met een licht voertuig, door twee

inlandsche paardjes getrokken. Als de besturende ambtenaar, die aan den

oever van het meer woonde, gewaarschuwd was, vond men op het punt, waar

de bergweg het meer bereikte, de sloep van den controleur, men werd na

een uur roeien bij zijn dienstwoning gebracht, en vandaar werd de reis

door de bergen voortgezet met gouvernements-rijpaarden, die er waren

gestationneerd.

Toen de dokter aan het meer kwam, was er geen boot aan de aanlegplaats.

Hij dankte het wagentje af, zette zijn koffer aan den oever, ging er op

zitten, en wachtte. Een eenzaam hengelaar in een klein prauwtje was het

eenige in de doodstille omgeving en op het roerlooze watervlak, dat

zich zoo nu en dan bewoog; voorzichtig pagaaide hij, met eene hand, om

zich telkens enkele meters te verplaatsen. Heel in de verte kraaide een

haan, het deed de stilte nog drukkender worden.

Hoe lang zou hij hier nog hebben te wachten? Wat een gemis aan

deferentie voor hem, een der eerste autoriteiten van de hoofdplaats!

Die ambtenaren van het binnenlandsch bestuur, met hun groote macht in

de binnenlanden, verbeeldden zich... maar, dat was waar ook, deze

B.B.-man was immers niet goed wijs, hij had natuurlijk vergeten zijn

boot te zenden... ellendige kerel! Er zat niets anders op, dan den

eenzamen visscher te bewegen hem over te brengen; dat zou geld kosten,

’n onverwachte knauw in zijn declaratie, maar hij kon toch niet eeuwig

blijven wachten en de koetsier was al lang met zijn wagentje

vertrokken.

„Hooooi!!” praaide hij den hengelaar, „kom eens even hier!”

Langzaam, zeer tegen zijn zin, roeide de man naar den kant.

„Heb je de sloep van den controleur niet gezien?”

„Neen, toean, en als er menschen komen voor den controleur, dan is die

boot hier al heel vroeg, want de roerganger heeft in de buurt een jonge

vrouw!” grijnsde de hengelaar; hij was een oud mannetje en hij kende

zijn wereld.

De dokter bekeek roeier en bootje. Een wanhopig geval, vond hij; ’n

oud, zwak mannetje, en ’n kleine, vieze prauw, maar er was geen andere

weg. Na eenig tegenstribbelen en door een in cijfers uitgedrukte

belofte, gelukte het hem man en kano in te huren. De koffer, die het

hoogstnoodige goed voor de aanstaande reis bevatte, moest zoo droog

mogelijk blijven; daartoe werd ze op het eenige, losse zitplankje

gelegd, in de voorsteven van het bootje. Voor de twee mannen zocht de

hengelaar een paar stokken aan den wal, deze werden op maat gekapt en

tusschen de boorden geklemd; hijzelf had genoeg aan één stokje, de

dokter kreeg er twee om op te zitten.

„Eerst even hoozen,” zei de oude man, en hij zette zich aan het werk

met een klapperdop, die in het bootwater dreef tusschen eenige doode

visschen; hij schepte en schepte totdat de bodem van de kano zichtbaar

werd; ziezoo!

Voor een Europeaan, die wat stijf en onhandig is, vormt het zitten in

’n kleine, ranke, lekke prauw, een episode. De voeten op den bodem te

moeten zetten, waar men het water heel langzaam ziet binnen siepelen,

is al niet aangenaam, maar veel moeielijker is ’t het vraagstuk op te

lossen, of men trachten zal zijn evenwicht te behouden door de knieën

aaneengesloten te houden, dan wel ze tegen de boorden te vleien. En als

men dan als eenige basis van z’n bestaan twee stokjes heeft, die in

bespottelijk korten tijd aanvoelen als gloeiende staven, als men braadt

in de felle zon op windstil water en men ademt slechts kwalijke

vischlucht in, dan wordt wel een zware wissel getrokken op ’s menschen

blijheid.

De dokter was heel stijf en heel onhandig; hij kon niet zwemmen en was

doodsbang voor dat diepe water zoo vlak naast zich; maar vooral: hij

liep tegen de honderd kilo, zoo klein hij was, en het was in ’t

bijzonder dat gewicht, dat hem letterlijk neerdrukte en de stokken in

hem deed insnijden. En dan de ergernis, te zien en te voelen, hoe het

vieze, visschige water in zijn brandnieuwe, witte schoenen drong... en

die zon! Hoe kon men in Europa toch spreken van „het lieve zonnetje”,

neen, de soldaten in Indië hadden wel gelijk, bij hen heet ze „de

koperen ploert”. Mijn God, hoe kon dat ouwe mannetje zoo behaaglijk op

z’n ééne stokje zitten, terwijl hij alle zelfbeheersching noodig had...

zelfbeheersching? maar daar was geen sprake meer van; hij leed, en hij

moest blijven lijden, nooit had hij zoo de waarde beseft van dat

bekende gezegde van „in het schuitje zitten”.

Maar die controleur, zoo’n ellendige malloot!

Hij had de boorden van de prauw stevig vastgeklemd om het evenwicht te

houden, maar nu moest hij het contact van lichaam en gloeiende staven

eenigszins verbreken, hij leed onmatig. Jan Mes zette zich op de handen

op, de armen gestrekt... dat gaf opluchting. Maar nu begonnen al gauw

de boorden van de kano in de handpalmen te snijden... dan maar weer

zitten... maar een gesmoorde gil ontsnapte hem... „aai!”

„Ajer?” (water) zei ’t ouwe mannetje, „ja hoor, er is weer veel water

in de boot!” Hij legde de pagaai neer en reikte naar den drijvenden

klapperdop.

„Nee, nee! roei door, man! ik zal wel hoozen, roei op!!”

Maar de dokter hoosde niet, want hij had geen derde hand.

Toen de kano aan de aanlegplaats voor de controleurswoning was

vastgemeerd, wentelde zich een gebroken man aan wal. Gelukkig was daar

niemand, die deze vreugdelooze aankomst zag; voor den visscher schaamde

hij zich niet, die had al lang gemerkt, dat zijn passagier niet

heelemaal gelukkig was.

Toen hij tot loopen in staat was... den volgenden morgen moest hij tien

uur paardrijden!... hielp de visscher den koffer naar het huis van den

controleur dragen. Hij ging den dokter voor, de trap op van de

voorgalerij. Maar toen zijn hoofd ter hoogte van den vloer was, dook

hij ineen alsof hij een schot verwachtte; ontdaan zette hij den koffer

neer, zei met heesche stem: „daar zit de controleur”, en meteen liep

hij op de teenen de trap af en zette het op een loopen, naar zijn

prauw.

De dokter was geen held, wat wachtte hem daar in die voorgalerij? Maar

hij kon toch dien visscher niet achterna gaan! Met een onaangenaam

gevoel in zijn nekharen sloop hij de trap op... wat was hij begonnen!

Er klonk geen revolverschot, maar toch was er wel eenige aanleiding

voor den ouden hengelaar geweest om maar schielijk naar huis te gaan.

In de voorgalerij lag op een luiaardstoel een Europeaan met bloot

bovenlijf, een gebatikte „slaapbroek” maakte zijn eenige kleedij uit;

de beenen lagen over de lange leuningen van den stoel, de bloote voeten

recht vooruit; hij staarde verdwaasd naar het meer door een bos op het

voorhoofd neerhangend haar. En dit was de besturende ambtenaar, hier de

vertegenwoordiger van Nederland, van Zijne Majesteit den Koning!

Maar de dokter vermande zich, dit was immers een patiënt.

„Is u de controleur van Langen?”

Een geeuw was het eenig antwoord uit de verder beweginglooze massa.

„Heeft u mijn brief ontvangen? Ik ben de inspecteur van den

geneeskundigen dienst.”

„Brief? Wel mogelijk,” zei nu een loome, maar beschaafde stem.

„Weet u dat dan niet zeker?”

„Neeeee”... en de controleur geeuwde een langen geeuw.

„Mag ik vragen waarom niet?”

„Ja, dat mag; omdat ik alleen maar brieven door mijn schrijver laat

open maken als ik er lust in heb.”

„En...”

„Dat heb ik al ’n heelen tijd niet.” Van Langen sloot de oogen; stilte

alom.

Wat nu? Hemel, wat deed een zeker deel van zijn lichaam den dokter

pijn; en men liet hem rustig staan, terwijl de ander in zaligheid lag

te geeuwen. Hij moest een snel opkomende woede bedwingen; hij

verbeeldde zich zelfs den lust te onderdrukken om dien luien, vadsigen

malloot eens door elkaar te rammelen, maar dit bleef bij verbeelding,

want er was iets in dien halfnaakten man, in zijn schouders en armen,

dat hem dien lust tot vechten als levensgevaarlijk deed inzien.

„Mag ik bij u logeeren voor één nacht? ik wilde morgen doorreizen,

zooals ik u schreef.”

„Logeeren? Och ja, waarom niet, sla zelf maar eens op die gong”... op

inlandsche manier wees hij met uitgestoken lippen naar een gong, die

vlak naast hem was opgehangen.

De dokter verbeet zich, maar hij suste zijn getarten mannenmoed, die

man was immers een patiënt; en hij sloeg op de gong.

Van Langen had de oogen weer gesloten. Ergens achter het huis hinnikte

een paard, het eenige geluid in de beklemmende stilte. De dokter kon

zich nauwelijks staande houden, hij zou zelf maar een stoel nemen. Maar

er was geen tweede stoel in de voorgalerij... zoo’n ellendige gek...

Eindelijk sloop uit het huis een slordig gekleede bediende de

voorgalerij in.

„Toean?”

De oogen openden zich, „meneer blijft hier eten en slapen.”

„Saja”, en zacht sloop de djongos weer weg.

Weer een geeuw, nu luid en lang gerekt. „Hè, hè, lang niet zoo lekker

gerust, dokter.”

„O, u heeft last van slapeloosheid?”

„Wat?! Welneen, man, alleen heb je aan den nacht niet genoeg en overdag

is het zoo akelig schel in den Oost.” Hij rekte zich heerlijk en kwam

overeind.

„Hé, zit u eigenlijk niet? Geen stoel?? O, dat is waar ook, de kippen

hadden de stoelen zoo bevuild, dat ik ze maar eens een paar dagen te

weeken heb laten leggen, in het meer.”

„Te weeken?... stoelen?...”

„Och ja, dat is zoo makkelijk, alles wat vuil is wordt in het meer

geweekt, de visschen knabbelen alles brandschoon af. Hè, hè, hè, ik heb

een heerlijken morgen achter den rug, al hebt u me ook gestoord Ik ben

toch wel blij, dat u er bent, want ik heb een heerlijk stuk wild, voor

mij alleen is ’t te veel en u zult wel honger hebben.”

De dokter voelde het eerste symptoom van opleving. Zóó gek was van

Langen toch niet, of hij begon blijkbaar te beseffen, dat hij een

autoriteit voor zich had. Jan Mes was bepaald gestreeld.

„Mag ik even mijn reispak verwisselen?”... van z’n schoenen sprak hij

maar liever niet.

„Wel neen, blijf zooals je bent, ik doe ’t ook; ik zal u maar

voorgaan.”

Een reiziger kon in die jaren der vorige eeuw vreemde dingen beleven in

de binnenlanden van Indië, maar deze dokter zal toch wel de eenige gast

aan de tafel van een bestuursambtenaar zijn geweest, die zijn gastheer

in zoo luchtige kleedij mocht aanschouwen. Van Langen had enkele goede

momenten, maar wat was hij al ver heen!

In de eetkamer, waar vechtende stieren maar heel weinig kwaad zouden

hebben kunnen doen, stond in een hoek een ongedekte tafel; twee wrakke

stoelen hadden nog juist zooveel aan rotan-zitting over, dat men er

niet doorheen gleed.

„Ga zitten, dokter, ga zitten!”

De dokter ging voorzichtig zitten. Hij deed dit met groote voorzorg,

niet alleen om de wrakheid van den stoel. Maar het viel mee, hij hing

meer dan dat hij zat en juist dit was hem momenteel zeer aangenaam,

eindelijk rust! Wat ’n situatie anders!

Maar nu verscheen de slordige djongos en hij zette twee diepe borden op

tafel; in die borden lagen een glas, een mes en een lepel en vork.

„Help uzelf!” zei de controleur vergenoegd, „’t zal ons smaken, hoor!”

Alle ingrediënten werden uit de borden gevischt, Jan Mes’ barometer

daalde.

Maar daar gleed de djongos weer binnen met twee schalen, die hij met

grootsch gebaar op de gezellige tafel plaatste. Een heerlijke

braadlucht steeg op uit de eene schaal, waarop een prachtig stuk vet

vleesch lag; het leek wel een moot gebraden reuzepaling. De andere

schaal was bedekt met geelbruine schijven, welke de dokter herkende als

geroosterde oebi (cassave).

Van Langen sneed aan, wipte een flink stuk vleesch op ’s dokters bord,

nam zelf een geweldige portie en viel onmiddellijk aan.

„Heerlijk, dokter, heerlijk, je moet toch maar boffen! U neemt zelf wel

oebi, ik heb geen tijd meer.” Vergenoegd grommend, met groote happen,

verslond hij het van vet druipend vleesch.

De dokter begreep, dat het maal zou bestaan uit hetgeen hem voorgezet

was, maar enfin... het vleesch rook in elk geval heerlijk, en hij was

dol op wild. De smaak was kostelijk, nooit nog had hij zulk vleesch

geproefd.

„Inderdaad, meneer van langen, ’t is heerlijk vleesch, wat is ’t

eigenlijk?”

„Dokter, ik heb nu heusch geen tijd, straks zal ik u ’t heele

jachtverhaal vertellen.” Van Langen at niet meer, hij schrokte als een

hongerige hond. De dokter werd aangestoken, hij kwam wat op z’n verhaal

na zijn meertocht en had een prachtigen honger; de oebi was zoo taai

als leer, maar ’t vleesch, ’t heerlijke vleesch! Wat trof dat goed, dat

hij zóó dol was op wild! ook hij smulde gulzig... ja, hij wilde graag

nog ’n stuk hebben...

„Ziezoo!” zei de Controleur en veegde met den rug van de hand langs den

vetten mond, servetten kende men hier niet. „Eet nu maar rustig door,

dokter, dan steek ik vast ’n strootje op, en ik zal u nu vertellen, hoe

ik aan deze heerlijke wildbout gekomen ben. Eet u maar door, ’t is de

kans in uw leven.”

„Ja, ’t is bepaald heerlijk, maar...”—en de dokter hikte even—„’t is

wel vet, wel heel erg vet”...

„Nou, dat zal waar zijn, maar ’t was ook ’n zeldzaam exemplaar. Ik

roeide gisteren langs den oever en had m’n geweer meegenomen, er zijn

in dit seizoen nog wel eens wilde eenden op ’t meer. Nu was er in die

streek een hertejacht gehouden, ’n dag of acht geleden; men had een bok

aangeschoten en volgde het dier op de bloedsporen; aan den rand van een

rots, die vrijwel loodrecht naar ’t meer daalt, hielden de sporen op,

blijkbaar was ’t hert hier naar beneden gestort. Maar die plek staat

bij de Inlanders in een slechten reuk en men was te bang voor z’n

hachje om de jacht te vervolgen. Toen ik onder langs die rotspartij

roeide, zag ik tusschen de biezen een hertehoorn uitsteken; ik begreep,

dat het dier in dat lage water aan z’n eind was gekomen, maar ’t gekke

van ’t geval was, dat het gewei bewoog...”

„Maar... ik eet hier toch niet ’t vleesch van ’n hert, dat acht dagen

lang heeft liggen sterven??”...

„Wel nee, man! ’t dier was al lang dood. Maar weet je waarom ’t gewei

bewoog? Een leguaan[17] had zich in ’t beest gevreten, ’t was

waarachtig of ’t nog leefde; dat zie je dikwijls, en ’t kan heel

bedriegelijk zijn.”

„Maar meneer van Langen, ik eet toch geen”... de dokter had ’t gevoel,

dat het genoten vet ergens in zijn lichaam in opstand kwam.

„Laat me nu rustig m’n verhaal uitvertellen. Ik roeide heel zacht tot

vlak bij ’t kreng; ik moet zeggen, dat er mannenmoed voor noodig was,

want de lucht was verpletterend”....

De dokter kreunde; ergens in zijn binnenste steeg een vetprop hooger en

hooger.

„Toen trapte ik ’n riem in ’t water en hield tegelijk m’n geweer klaar.

Een lange kop loerde nieuwsgierig uit den halfverganen herteromp, ik

gaf hem ’n portie zwaren hagel, en nu is dit vleesch ’t beste stuk van

z’n staart; geen wonder, dat ’t zoo lekker vet... maar wat heb je,

dokter??”

„Mijn God, meneer!”... de dokter vloog op, de voorgalerij in, de trap

af, het vet was de baas geworden, de leguaan wreekte zich!

Van Langen was hem achterna gerend. „Jonge, jonge, dokter, wat spijt me

dat nou, is dat nu zóó erg? En je bent zoo dol op wild! Als je

vergevorderd wild eet, zul je ’t fijn adellijk vleesch noemen, en nu

kun je er niet eens tegen, dat ik vertel van gezond wild, dat adellijk

vleesch eet?? Ik vind leguanestaart altijd een traktatie... toe maar,

dokter, benauwd?” en hij klopte zijn slachtoffer vriendelijk op den

rug.

„Ik zei, dat ikzelf ’t zoo bijzonder lekker vind, zoo heerlijk vet...

arme kerel, wat ben je misselijk, ’t lijkt hier wel zwaar weer aan

boord! Maar heusch, ik dacht er u een groot pleizier mee te doen, zoo’n

lekker vet stuk vleesch! Ja, ga er bij zitten man, tot de bui voorbij

is.”

De dokter zeeg neer op den harden grond, hij had één oogenblik de

gloeiende staven vergeten, maar werd er nu weer onbarmhartig aan

herinnerd. De gekwelde man rolde zich op zij; goede hemel! en het leven

was dien morgen nog zoo mooi geweest.

„Arme kerel! ga maar gauw wat liggen, de logeerkamer is klaar, ga maar

mee!”

Met een barstend hoofd en slepende beenen volgde de dokter den

controleur. Hij bracht het slachtoffer naar de bijgebouwen van het

huis, welke ook op palen waren gebouwd. Een der bediendenkamers diende

als logeerkamer, in een hoek lag tenminste een matras, zoo maar op den

vloer.

„Wel te rusten, dokter, ’t beste hoor! Ik ga ook wat liggen, straks zal

ik u eens laten zien, hoe ik mijn paarden heb gedrild”.... de deur ging

dicht.

Jan Mes wankelde naar de matras en liet zich als een steen er op

vallen; de slag was donderend, want de matras was maar zeer licht

gevuld met een enkel bosje gras. Gehoorzamend aan de wet der

zwaartekracht kwam de dokter eerst neer op de gloeiende staven, toen

sloeg het barstende hoofd door, achterover, trachtte door den vloer te

beuken.

Eenige minuten lag hij daar, op zij gewenteld; versuft, geradbraakt,

hijgend van ellende en hoofdpijn. Hij had zijn plan volvoerd, had den

controleur ongemerkt geobserveerd en was in het bezit geraakt van een

eigen oordeel... maar tot welken prijs!

Nu de deur dicht was, kwam er alleen maar licht door de reten van een

slecht sluitend venster, dat op de knip zat. Boven hem gonsde een heir

van muskieten en op de zoldering van boombast krabde een rat; en er was

niet eens een klamboe om hem tegen al die afschuwelijke beesten te

beschermen. Moest hij hier den nacht doorbrengen?! Hij moest een

slaapmiddel hebben, waar was zijn koffer? Dood ongelukkig stond de

dokter op en zette de deur open. Er was geen stoel en geen tafel in de

kamer, het eenige meubel was een laag archiefrak, dat hier blijkbaar

was opgeborgen; misschien lag de koffer op een der planken; maar hij

vond er niets dan stof en, ergens in een hoek geslingerd, wat

schrijfpapier en enkele enveloppes; zelfs lagen er potlooden en eenige

postzegels rondgestrooid. Wat een toestand! wat ’n slordige vent!

De resident moest nu spoedig weten, hoe erg het met van Langen gesteld

was; hij zou van hier nog schrijven. Maar hij kon ’t dien avond niet

doen, want er was niet eens een lamp in de kamer; bovendien, hij kon

hier toch niet blijven, die man was in staat hem nog veel erger dingen

voor te zetten, die kans wilde hij niet loopen. Dan maar liever naar de

kampoeng, hij zou na een paar uur slaap verdwijnen. Maar dan moest nu

dadelijk de brief geschreven worden, hij zou wel iemand vinden, die den

brief morgen aan den schrijver van den controleur zou brengen, die was,

zooals overal in de binnenlanden, hulp-postcommies. Dan maar dadelijk;

gelukkig, dat die slordervos hier papier en potlood had slingeren.

Staande aan het rak, schreef hij een relaas in potlood aan den

resident. Hij bracht verslag uit van wat hem alzoo overkomen was; van

Langen was weliswaar nog niet gevaarlijk gebleken voor zijn

omgeving—edelmoedig noemde hij zichzelf niet als uitzondering hierop—,

maar hij achtte het geval toch hopeloos; hij zou over drie weken, op

zijn terugreis, trachten van Langen langs een zoet lijntje mee te

krijgen naar Kota Balei, maar dan moest de patiënt zoo spoedig mogelijk

naar Java, de resident wilde wel zorgen, dat er een hut werd

gereserveerd op de volgende boot.

Ziezoo! dat papier en de postzegels kwamen hem nog te pas. Het duizelde

hem, maar hij had nu toch een gevoel van voldoening, dat hij zijn

ambtsplicht gedaan had; of, met andere woorden, in zijn diepste binnen

gefluisterd: hij zou dien vent wel mores leeren!

Nu ging de dokter in de deur staan en riep: „djongos!!”

„Djongos! djongos!!” krijschte een béo in zijn kooi hem na, en het

paard ergens in zijn stal hinnikte.

„Djongos!!! Ha, ha, ha,” lachte de praatvogel, „o! toean, doedoek, ga

zitten meneer!!”

Bl... beest! Hij zou de andere bediendenkamers zelf maar eens nagaan,

het heele personeel lag blijkbaar te slapen. Hij trof het, in de kamer

naast de zijne ronkte de djongos.

„Waar is mijn koffer? En geef mij gauw wat water!”

De bediende vloog op, haalde de koffer, die ergens in het gras was

gelegd, en kwam even later met een groezelige flesch water; een glas

kon hij niet bezorgen, want de glazen stonden in de etenskast, in huis,

meneer sliep en hij was bang zijn baas wakker te zullen maken.

„Ben jij hier alleen?”

„Ja, toean.”

„Zeg eens, die meneer van jou...”

„Allah, toean! Ik houd ’t hier niet meer uit!”

„De controleur is gek, geloof ik, niet?”

„O, meneer, ’t is verschrikkelijk als hij zoo’n bui heeft.”

„Waar zijn de oppassers?”

„Als de controleur zóó is, zijn ze bang, ze zijn weggeloopen; als er

wat met meneer gebeurt, willen zij niet als getuigen opgeroepen

worden.”

„Maar is meneer gevaarlijk? slaat hij jullie wel eens?”

„O, toean, ik durf u niet alles te zeggen...”

„Nee, djongos, dat hoeft ook niet meer. Maar ik wil hier niet blijven,

ik ga nog even wat liggen en dan moet je mij straks naar de kampoeng

brengen en ervoor zorgen, dat ik ergens kan slapen. En zoek van avond

de oppassers op en zeg hun, dat ik morgen heel vroeg weg wil, zij weten

wel hoe het stationneeren van de paarden gewoonlijk geregeld wordt.”

„Ja meneer, dat zal ik doen.”

Zelfs op een vloer van harde planken en in een wolk van muskieten kan

een gebroken man slapen als een goede dosis slaapmiddel in hem is.

Goddank, de dokter voelde het weldadig gevoel van rust komen, nu zou

hem niets meer deren...

Geen vijf minuten kon hij geslapen hebben, toen eenige donderende

slagen onder tegen den vloer hem op deden vliegen. Waar was hij? wat

was dat??... o, dat hoofd, wat nu weer? Schoten? opstand?

aardbeving?... leguanen??

In den vloer waren overal breede naden tusschen de planken, de dokter

loerde. Onder hem stond van Langen, in dezelfde luchtige kleedij van

daareven, een chambrière in de hand. Hij kon er juist staan, zijn wilde

haren raakten bijna den vloer. Eenige paarden waren aan korte touwen

aan de palen gebonden, twee onder de matras van den gast.

Klets! ging de chambrière, en alle paarden sloegen in de grootste

opwinding met de hoofden tegen den vloer.

Nu werd het den dokter te machtig. Hij zei eenige bijzonder leelijke

woorden in zijn eigen taal.

„Haha!” riep de controleur vroolijk, „bent u al wakker? Kom dan ’s

kijken hoe ik mijn paarden dril!”

De maat was vol; Jan Mes sloop met zijn koffer de kamer uit, zocht den

djongos op en liet zich langs het achtererf naar de kampoeng brengen.

In een armzalig huisje kreeg hij onderdak; hij voegde aan zijn brief

nog toe, wat er nu nog gebeurd was en gaf hem aan den djongos mee, die

voor de verzending zorgen zou. De dokter bracht een slechten nacht door

op een onsmakelijke matras van zijn nieuwen gastheer, en in den vroegen

morgen heesch men hem op het makste paard en op het zachtste zadel. De

volgende tien uren waren niet de beste in zijn leven. Hij hoopte nu

maar vurig, dat de resident den controleur Robbers dadelijk zou

inlichten over den collega, dien hij had durven verdedigen.

De resident deed dit dan ook, hijzelf had woorden gehad met Robbers,

die hem hardheid tegenover van Langen had durven verwijten; hij kon een

gevoel van leedvermaak geen weerstand bieden.

Robbers hoorde hem zwijgend aan en was diep onder den indruk. Die arme

kerel, was hier nu niets aan te doen... hij was dus tòch abnormaal.

Enkele dagen later kwam de nieuwbenoemde eerstaanwezend ambtenaar van

den waterstaat bij Robbers om hem inlichtingen te vragen voor de eerste

dienstreis, welke de architect wilde maken ter kennismaking met zijne

ambtenaren in de binnenlanden en om verschillende gouvernementswerken

en gebouwen te inspecteeren. Hij was een braaf, opgewekt man, maar hij

had geruchten gehoord over den controleur aan het meer, waar ook zijn

weg heen voerde, en nu kwam hij Robbers vragen, hoe hij een verzoek aan

van Langen om hulp op reis zou moeten inkleeden.

„Ja, ’t is een lastig geval. Ik zal u maar precies zeggen, wat de

dokter in zijn huis heeft ondervonden. Hoe ’t mij ook spijt voor mijn

vrind van Langen, ik moet nu ook wel gaan gelooven, dat hij niet

heelemaal normaal is. Ik zou u raden hem wel te waarschuwen en hem op

te zoeken, maar ik geloof, dat u wel het best doet om onderdak te

zoeken bij zijn schrijver, die heeft een aardig huisje en hij zal u

stellig wel willen logeeren, ik zal u een briefje voor hem meegeven.”

Robbers vertelde den architect het gesprek in de sociëteit en wat de

resident hem, na het bezoek van den dokter aan van Langen, had

meegedeeld. Beide mannen hadden grooten humorzin, en ofschoon de

gekwelde esculaap uit den aard der zaak de humoristische zijde van het

geval niet belicht had in zijn rapport aan den resident, danste er een

ondeugend vlammetje in Robbers’ oogen, en beiden verkneukelden zich

inwendig.

„Nou, meneer Robbers, na wat u over uw vrind gezegd hebt, waag ik het

er op. Maar ik zal toch maar ’n beetje oppassen, arme kerel!”

Een week later bereikte ook de architect den oever van het meer. Hij

had ervoor gezorgd er vroeger te zijn dan de gewoonte was, en hij

dankte den koetsier niet af, men kon niet weten of het hem ook gelukken

zou een inlandsche prauw in te huren.

„Maar meneer,” riep de koetsier, „kijk ’s!”

Om een landtong, dicht bij de aanlegplaats, draaide een keurige witte

sloep recht op hen af. Er werd hard geroeid, trotsch woei de

Nederlandsche vlag van den achtersteven. De sloep van den controleur.

Blij verrast haastte de architect zich naar de aanlegplaats. Nooit nog

had hij in de diepe binnenlanden van eilanden buiten Java gereisd, en

voor de eerste maal ondervond hij de ontroering, welke de Hollander

voelt, als hij plotseling, zoo „ver van de wereld”, de mooie, de eigen

driekleur ziet wapperen.

„Is de controleur niet ziek?” vroeg hij den roerganger.

„Wel neen, meneer, de controleur is nooit ziek. Hij laat u zijn groeten

overbrengen. Het spijt mij, dat u heeft moeten wachten, maar u is hier

veel vroeger dan de gewoonte is.”

Welk een weelde te tronen in een keurige sloep, als men erop gerekend

heeft het met een klein prauwtje te moeten stellen. Sterke mannen in

net uniform deden het water klotsen aan den boeg, en knutterend

wapperde de dierbare vlag.

De architect genoot, maar was in stomme verbazing. Hij wilde graag meer

vragen maar voelde, dat hij dit niet kon doen.

Een weergaloos natuurschoon aan den oever gleed voorbij, in hooge

boomen stoeiden de apen, hier en daar slopen zij langs den waterkant op

jacht naar krabben; rondom doemden groene heuvels op, daarachter de

blauwe bergen. En zie! ginds kwamen inlandsche woningen in zicht, en

boven een bosch van klapperboomen woei weer de driekleur, aan den

vlaggemast vóór de controleurswoning.

„Kijk,” zei de roerganger, „daar staat meneer aan de aanlegplaats.”

„Is dàt de controleur??”

Een goed gekleed, beschaafd man met een prettig, open gezicht, stak hem

de hand toe om hem uit de sloep te helpen.

„Welkom! goede reis gehad? Ik heb uw brief ontvangen en u blijft

natuurlijk bij mij logeeren. Is ’t niet een heerlijk land hier? Ik kijk

me nooit zat aan het meer met zijn telkens wisselende tinten, aan de

bergen ginds, die alles domineeren. Elke dag is er weer nieuwe

blijheid!”

De architect drukte hem geroerd de hand, wie had zulk een ontvangst

durven verwachten!

„Kom! u zult wel ’n hapje willen eten na zoo’n reis, we zullen maar

dadelijk de proef nemen of mijn kokki haar zaakjes nog kent.”

Weer leguaan?? vroeg de architect zich even bang af. Alles leek nu wel

heel mooi, maar een abnormaal man is onberekenbaar.

Een paar goed gedrilde oppassers brachten de bagage naar het

controleurshuis, aan den voet van de trap stond een keurig gekleede

djongos. In de goed gemeubileerde voorgalerij werd even een bittertje

gedronken, daarna volgde een korte kennismaking met de logeerkamer, aan

den voorkant van het huis, waar men een heerlijk uitzicht had op het

meer, en daarna voerde de controleur zijn door verbazing geslagen gast

aan tafel. Een tafel, onverbeterlijk gedekt, met vroolijke bloemen, en

een maal, dat men den Koning zou kunnen voorzetten.

De controleur praatte druk, over zijn werk, over de bruggen welke in

zijn ressort werden gebouwd en over andere werken, noodig geacht in het

belang van de bevolking. Uit alles bleek zijn kennis van zaken, zijn

blijde toewijding voor het bestuurswerk en voor de belangen der

inheemschen.

Zijn gast kon maar niet op gang komen, het was hem of hij droomde. Maar

hij was te braaf en te eerlijk, dan dat hij deze vreemde beklemming

langer kon dragen.

„Meneer van Langen, u moet het mij niet kwalijk nemen, maar ik moet u

iets vragen. U hebt hier een dag of veertien geleden toch den dokter

gehad?”

„De dokter?? Nou!”... en de controleur lachte een blijden, uitbundigen

lach. „En nu verwondert het u zeker, dat u een beetje anders ontvangen

wordt?! Is het dat niet? zeg ’t maar ronduit. Maar u komt toch ook niet

om te constateeren, dat ik met molentjes loop! Robbers had mij in

bedekte termen geschreven, dat mijn briefwisseling met den resident

„zonderlinge vermoedens” gewekt had en dat de dokter eens zou komen

kijken; daar begreep ik uit, wat het bezoek van dien pedanten vent

beteekende, en ik heb ’t hem zoo makkelijk mogelijk gemaakt!”

„Maar”...

„Wat maar? Vraag maar op, ik heb aan Robbers opzettelijk niets

geschreven; vraag en vertel, dan hoor ik meteen, wat die knul van ’n

dokter aan den resident heeft gerapporteerd.”

„Ja, die leguaan...”

„O hemel, man, spreek er niet van! Ik ben er zelf twee dagen ziek van

geweest. En je goed te houden, als je zelf doodmisselijk bent en je

ziet een ander zich ’t binnenste buiten keeren. ’t Was een

onbehoorlijke geschiedenis, maar was-ie tòch niet goed?”

Beide goedlachsche mannen brulden. Zelfs de keurige djongos kreeg het

te kwaad en ging even de kamer uit.

„En die paarden?”

„Ja, wat vind je al niet uit om zoo’n man ’n goed lesje te geven. Maar

hij was al weg, lang voor ik mijn programma had afgewerkt. Ik had ’t

zoo goed voor elkaar. Het kan mij nu nog spijten, dat ik er niet van

heb kunnen genieten, hoe de man zou reageeren op een spook in zijn

kamer; jammer, hij is er stil vandoor gegaan, en Ali heeft hem erbij

geholpen, maar hij heeft er ’n standje voor gehad, hè Ali?”

„Was deze djongos dan in het complot?”

„Natuurlijk! maar verder niemand. Er was toevallig een bruiloft in een

naburige kampoeng, en daar heb ik mijn kokki en de oppassers heen

gestuurd. Ik vond ’t niet goed om een Europeaan zóó te pakken te nemen

in hun tegenwoordigheid, maar Ali is een ouwe getrouwe, die houdt z’n

mond. Het was ’n lust, hoe die dokter erin geloopen is, en ik had

welverdiende voldoening toen Ali mij den brief aan den resident liet

zien, ik had hem dolgraag gelezen! Het schrijven van dien brief heb ik

hem ook makkelijk gemaakt, door in zijn overigens niet overvulde kamer

wat papier en potlooden en zelfs postzegels te strooien. Mijn

postzegels heeft hij gebruikt om aan mijn chef te schrijven, dat ik

stapelgek ben! Is ’t niet heerlijk? Ik heb hard gewerkt voor dit

blijspel, al mijn meubels moesten het huis uit en in mijn

kantoorlokalen worden opgeborgen; ’t heette, dat er groote schoonmaak

moest gehouden worden. Maar ik had het er voor over, niet alleen die

pedante knul, ook de resident moest een lesje hebben!”

Nu ging er weer een brief naar „beneden”, de architect lichtte Robbers

over het geval in; deze stapte snel naar den resident, en het kostte

hem heel wat moeite zich goed te houden en zoo zakelijk mogelijk te

blijven.

En dienzelfden dag nog renden ijlboden den dokter achterna met een

brief van den resident. De brief was zwaar gelakt en in de hoeken waren

een paar kippeveeren gestoken en met lak bevestigd; dit was voor

iederen looper, die den brief van zijn voorganger overnam, het bewijs,

dat groote spoed vereischt was. En in dien brief gaf de resident aan

Jan Mes den raad om langs een anderen weg naar Kota Balei terug te

keeren, en hij verzocht hem in gansch niet vriendelijke termen om in

het vervolg wat meer op zijn hoede te zijn.

Om de kletstafel in de sociëteit zaten dien dag weer eenige mannen te

deinen op hun wipstoelen, de voeten op de ijzeren staaf. En Robbers

maakte den dokter voor eeuwig belachelijk; niet alleen met dat doel

vertelde hij het verhaal in kleuren en geuren, maar vooral om zijn

braven makker te rehabiliteeren.

Waar mensch en tijger buren zijn · 第 29 / 34 题