IX. DE SOLITAIR EN HOE WIJ DOOR HEM GEJAAGD WERDEN

Met Groeneveldt en een totok [19] was ik op reis in het

bovenstroomgebied van de Batang Hari, de geweldige, die als

Djambi-rivier in de Straat van Malaka valt.

Het was in 1909; slechts enkele militaire patrouilles hadden deze

streken bezocht, maar uit den tijd van hun gezag, eenige jaren tevoren,

toen een aantal kwaadwilligen in Djambi een flinke les niet langer

konden ontberen, dateerden de breede voetpaden tot aan ver gelegen

dorpen. Zóó dicht waren de oerwouden waardoor die paden slingerden, dat

er nergens gras groeide; en de klei-bodem was oorzaak, dat er de

indrukken van de gespijkerde schoenzolen der militairen maanden en

maanden waren blijven staan,—een herinnering aan de macht van den

witmensch bij de goedige bevolking, die zelve nooit eenig kwaad bedoeld

had.

In den morgen hadden wij, zwijgend in het heerlijke bosch, een zwarten

panter verrast, die zich vermeide langs den rimba-boulevard. Ons

aankomen had stellig een aanzwellend rhythmus, dat hem niet beangst

had, een rhythmus in de lucht en in het dreunen van den grond, maar

zonder kwetsende stemgeluiden. Maar toen wij in blij ontzag, misschien

met een enkel onderdrukt geluid, plotseling stil stonden op de bocht

van het pad, draaide hij verrast den kop om. Nog slanker scheen hij nu

op de hooge beenen, nog langer leek de dreigend zwaaiende, overdreven

lange staart... en wèg was hij.

En ’s middags was het mij gelukt voor onze „keuken” een kidjang te

schieten, een reebok, die op de zilte asch van een pas gebrande ladang

afkwam; weken lang zouden wij kunnen smullen van de dèndèng, het pittig

gekruide en gedroogde vleesch, dat vooral van hertedieren zoo croquant

en smakelijk is.

En toen wij na den straffen dag in het oude bivakje kwamen, dat

indertijd door de militairen was opgezet aan een beek bij een kleine

kampoeng, toen wij zagen hoe innig saai er alles uitzag, toen grepen

Groeneveldt en ik maar gauw naar het geweer om de verveling te

ontloopen. Wij konden nog even vóór den donker probeeren het juiste

plekje te vinden, waar een ever zou staan te wroeten in een braak

liggend veld, of een bezoek zou brengen aan een manggaboom aan den

kampoengrand, die zijn vruchten vallen liet.

Wij wandelden het terrein geheel door; sporen genoeg, maar geen

varkens. Misschien had de oudste ever bekend doen maken, dat een tijger

in de buurt was? Hoe dikwijls was het ons opgevallen, dat de dieren

elkaar op onbegrijpelijke wijze schijnen te waarschuwen; wij zeiden op

jacht dikwijls als het wild maar niet te vinden was: „’t heeft zeker

weer in de varkenscourant gestaan, dat wij komen zouden!”

Het was heelemaal mis dien avond. En tot overmaat van ramp viel

plotseling een zware bui uit de lucht, juist toen het donker werd.

Wij besloten te schuilen onder een hoog op palen gebouwd huisje, een

der enkele waaruit deze nederzetting bestond.

Wij hoorden het houtvuur op de stookplaats knetteren, er waren dus

menschen in huis. Toen hoorden wij zacht krakende voetstappen, dan

eindelijk de gedempte stem van een oude vrouw, die zeide, dat het kind

nu wel sliep; en dan spraken zij eindelijk, zacht maar duidelijk,

altijd maar weer over het kind, de trots van grootmoeder en dochter.

Wat voelt men zich uitgesloten, wanneer men daar binnen zoo gemoedelijk

en huiselijk de zachte stemmen hoort en het gezellig vuurtje er

meeknettert van knusse warmte en lekkere pot. En ons kletterde de regen

van het dak langs onze neuzen neer.

Ginds, heel ver in den zwarten nacht, was het weerlicht niet van de

lucht. Hoe lang zouden wij hier nog moeten wachten? en dan naar dat

„gezellige” bivak; eerst nog een bad in het drabbig geworden

beekje,—wat zou het paadje naar het water glibberig zijn... kom, wij

moesten er toch maar door.

Wij stootten elkaar plotseling aan... waarover praatten nu de vrouwen?

„Gadjah toenggal,” een solitair, hadden wij beiden hooren zeggen; in

onze jagerhersens was plotseling het electrische schelletje

overgegaan... wat werd daar van een solitair gezegd?

De jonge vrouw haalde nog eens op, wat haar man verteld had. Den

vorigen avond had hij in de korte schemering nog even wat boeloeh

moeten snijden, om thuis van de gespleten reepen een vischfuik te

vlechten.

’t Was wel wat laat geworden, omdat hij moeite had een paar oude

stengels van de taaie bamboe uit te zoeken; jonge kon hij niet

gebruiken, die worden te gauw door houtwurm doorzeefd.

Juist toen hij zich bukte om de op lengte gekapte stukken bijeen te

rapen, had hij ’t gevoel, dat er een huis vlak achter hem voorbij ging;

maar dadelijk wist hij, dat het een olifant moest geweest zijn, stellig

de reusachtige solitair, die nu al eenige weken in deze streek onrust

bracht en geheele aanplantingen verslond en vertrapte.

Wij luisterden ademloos, gespannen als een veer.

Het was voor den man, die met een groot kladi-blad boven het hoofd, de

kampoeng-parapluie, door den regen thuis kwam, een geweldige schrik bij

het licht van zijn flambouw van verdord klapperblad plotseling twee

witmenschen met blinkende geweren onder zijn huis te zien staan.

„Kilat” (weerlicht) ontviel hem, en hij verraadde daarmee, dat hij aan

het weerlichten dacht, en dus aan olifanten, wier ivoorglans immers

flikkert tot tegen den zwarten hemel.

Maar hij had al gehoord van onze komst, was spoedig over den schrik

heen, en fluks lieten wij hem alles van den solitair vertellen. Hij was

een kante kerel en bood aan ons in het lage bosch te brengen, waar het

dier in den morgen gewoonlijk sliep of rondkuierde. Een plannetje werd

gemaakt, en toen de regen opgehouden had, konden wij den totok in het

gezellige bivak verrassen met een uitnoodiging om even een olifant mee

te gaan schieten.

Groeneveldt en ik kenden op dat oogenblik een olifant alleen nog maar

uit dierentuin en circus; verder konden wij nog eenige verhalen van

anderen ophalen... nou ja, gevaar is overal en altijd op jacht; het was

alleen wel jammer, dat deze solitair nog maar één tand had; de andere

was afgebroken, had onze man verteld. Maar enfin, over de verloting van

dien eenen tand zouden wij wel nader spreken...

Toen den volgenden morgen de zon in het lage bosch begon te schijnen

waar ergens de solitair moest slenteren, slopen daar eenige dappere,

gewapende mannen langs het weinig begane pad. Velen tegen een,

ettelijke dood en verderf dreigende geweren tegenover den goedzak met

den éénen tand.

Vooraan liep onze Maleier geruischloos op zijn sterke, lenige voeten,

een vlijmscherp kapmes in de hand, een vervaarlijk wapen in de hand van

den man van het bosch, die nooit zijn huis verlaat zonder speer of

slagwapen.

Achter hem liep een grijzende hadji, een bekend jager. In den tijd, dat

het Gouvernement nog premies betaalde voor het dooden van tijgers, had

hij, die als vroom Moslim niet meer geloofde aan den band tusschen den

mensch en den Gestreepte, heel wat tijgers gedood. Hij besloop de

dieren in hun slaap, en stopte hun een kogel, of een van een brug

losgeraakt moertje of een ander stuk ijzer, in het oor; dàn was hij

zeker, dat zijn oude tromplader hem niet in den steek liet. Nu had hij

zijn roer thuis gelaten, hij schaamde zich tegenover de Hollandsche

jagers, die zoo uitmuntend gewapend en zoo brani (moedig) zijn...

Achter den hadji kwam ik, mijn trouwen dubbelloop van Jan Visser van

Deventer in de hand. Ik had in ’t geheel niet op olifanten gerekend, ik

had trouwens in die dagen nog geen zwaardere buksen. Dan kwam de totok,

gewapend met een legergeweer, dat hij van een luitenant had geleend,

met wien hij de reis van Holland gemaakt had. Groeneveldt en ik waren

uiterst jaloersch, dat nu juist dat geweer in zijn handen was; wij

hielden ons het hart vast bij de gedachte, dat hij ervan gebruik zou

moeten maken, want hij was een beste jongen, maar geen jager; de

geheele geschiedenis is voor hem geen pretje geweest.

Groeneveldt, getooid met een koket jagershoedje, sloot den optocht.

Groeneveldt rookt buiten elke willekeurige sigaar en schiet met elk

willekeurig geweer, dat hem voor de hand komt.

Hij was nu gewapend met een heel oude Beaumont-karabijn; hoe hij er aan

gekomen was, kunnen wij ons beiden niet meer herinneren. Maar

onvergetelijk is ons dat geweer gebleven, omdat het een geheim ongemak

had en op willekeurige momenten, juist als men het allerminst

verwachtte, plotseling met een ijselijken knal afging; maar ook, omdat

het ons daardoor het leven heeft gered.

Wij slopen voort, reeds was de nabijheid van den olifant ons

gesignaleerd, onze Maleiers lazen in de sporen de situatie.

Nu waarschuwde onze voorman door een handbeweging om toch vooral stil

te zijn.

Nog weer een waarschuwend gebaar. Zagen de Maleiers al iets daar in dat

kreupelhout? lag hij daar te slapen? Zij suggereerden ons het sluipen,

wij waren nog nooit achter een olifant geweest, en wij slopen, als

dieven in den nacht. Wij reageerden met domme lachjes op

onbegrijpelijke, opgewonden gebaren of gezichtstrekken, die zoo iets

moesten beteekenen als „daar ligt-ie ergens, hij slaapt”, of „als

jullie nou maar goed schiet, want wij kunnen niets!” en dergelijke

opwekkende dingen, die o! wonder, opeens heelemaal niet meer opwekkend

waren.

Nu een heel dringend gebaar, sssst... dáár... sssst; nu vooral niet op

brekende takjes trappen, sssssst... waar?????... de halzen lang gerekt,

de neuzen bleek, elke zenuw een vioolsnaar...

„Pang!!!!”

... een vreeselijk schot tusschen ons in. De totok kromp in lenige

lichaamswringing naar links, de rechterhand greep in hevigen schrik

naar de rechterheup... „o, God!”

En Groeneveldt, ontdaan, aschgrauw, keek met schuldige, maar o! zoo

verbaasde oogen eerst naar de heup van zijn voorman, dan naar zijn

geweer.

„Hè!” zei de totok, „is dàt schrikken!”

„Maar man, ben je dan niet gewond???”

„Wel neen!”—en wij keken elkaar aan, en brulden, en huilden van het

lachen... maar Groeneveldt en ik danken nòg onze boschgodjes, dat die

eene kogel niet een paar centimeter meer links was, want de totok had

wel degelijk naar een kogel gegrepen, waarvan hij den windstoot gevoeld

had.

De solitair moet wel wonderlijke dingen hebben gedacht, toen hij zich

muisstil op de zelf ingetreden paden verwijderde. Maar vriendelijk

waren zijn gedachten niet, en nu maakte hij zijn plannen, en hij nam de

leiding.

Al spoedig hadden de Maleiers de versche sporen gevonden, voetsporen en

dampende mest.

Ook zagen wij schuurplekken tegen boomen, waar stukjes modder de hoogte

aangaven van de schouders, van de schoft. Wij maten zoo modderplekken

op een hoogte van 2½ meter en een voetspoor op een vochtige plek had

een middellijn van 43 centimeter. Wij zagen boomen van een dij-dikte

geknakt, ontworteld... en het enthousiasme steeg bij elke nieuwe

ontdekking niet, omdat wij niet bepaald meer de absolute overmacht

gevoelden, en omdat de verloting van dien eenen tand ons wat verder weg

gelegen voorkwam dan den vorigen avond in het bivakje.

Wij volgden hem, hij bracht ons door zwaarder bosch naar een lichte

plek, een oude ladang, twee jaren geleden verlaten en nu met dichten

opslag van ongeveer vijf meter hoog begroeid, een dorado voor een

olifant, een festijn van de smakelijkste takken en bladeren en bast,

voor ons een ondoordringbare muur van groen.

Maar hij was er rustig ingewandeld en lokte ons langs zijn nieuwe pad,

waar de mestballen nog dampten. Ik kon het gevoel niet van mij afzetten

een fuik binnen te loopen, maar wat wil een man met een geweer in die

gevallen anders doen, dan het risico nemen van de jacht op groot wild.

Jagen mag per slot van rekening niet maar dooden alleen zijn. Jaag

niet, indien gij er tegen op ziet zelf ook eens in den slechten hoek te

moeten zitten... vooruit dus, de fuik in, ik moest trouwens aan de

jongeren het voorbeeld geven... maar mijn trouwe dubbelloop begon aan

te voelen als een proppeschieter, en men vraagt zich in dergelijke

gevallen af: wat doe je hier!

In een ontzaglijke spanning liepen wij achter de Maleiers aan; waren

zij niet bang? of wisten zij precies waar het dier was? Zouden wij nu

plotseling tegenover hem staan, en wat dan? moest ik met mijn

dubbelloop...

Hoor! daar gaf de olifant het mij later zoo welbekende signaal, met een

doffen slag viel een boom, de solitair stond aan den boschrand links

van ons.

Zenuwachtig verrast, dat hij zich zoo spoedig aankondigde, keken de

Maleiers mij aan.

„Maar dat is toch een houthakker; zóó’n boom!?”

„Neen, toean, dàt is hij!” zei de hadji met een kort, stil lachje.

Wij wisten al, dat hij een reus was, maar... welk een ontzettende

tegenstander. En toch: hoe heerlijk, hoe alles in ons beheerschend was

de jachthuiver!

Zóó voelde ik het later, met een goede buks in de hand, maar toen...

Blafte daar een beer of een oude ever? dat machtige geluid, dat het

bosch deed trillen...

„Hij heeft ons opgemerkt,” zei de hadji, hij keek onbewogen, maar ik

zag, dat hij in enorme spanning was.

„Wat nu?” vroeg ik zacht.

„Wachten,” zei hij kortaf en bukte zich, alsof de struiken hem iets te

zeggen hadden; hij luisterde naar de doodelijke stilte. Wij stonden op

ongeveer dertig meter van den boschrand, dien wij hadden verlaten, in

een gloeiende, nauwe steeg met muren van groen...

Toen kwam over de stille toppen van het kreupelhout een verward geluid

van langzaam slepen, van kraken en breken.

De solitair had ons, waar hij ons hebben wilde en zocht nu in den wind

onze lucht. Wij wisten toen nog niet, wat dat te beteekenen had, maar

wij konden er toch geen bezwaar tegen maken, dat Groeneveldt bescheiden

zijn geweer laadde.

Wij fluisterden elkaar toe manmoedig elkander te zullen steunen...

ieder herdacht nog even zijn zonden.

Plotseling werd het stil, even slechts. Hij had ons gevonden.

En dan scheurde de wereld door één uitdagend, snerpend gedaver, de

aanvalstrompet van den boozen solitair, en dadelijk daarop kwam door

het ondoordringbare kreupelhout een sneltrein recht op ons af.

Toen begreep ik eerst precies, wat de duivelsche opzet was van dezen

jagenden solitair, die de rollen had omgedraaid, en ik wist, dat wij

verloren waren, indien wij bleven staan; wij konden slechts enkele

meters voor ons uit zien, en niets kon ons voor den eersten aanval

beschermen.

„Terug naar het bosch!” riep ik. Ergens naast mij zag ik een der

Maleiers tusschen de lage struiken weg schuivelen, een tulband was hem

voor, ook laag bij den grond.

Toen gingen ook wij terug, wij trachtten tòch door de struiken den

kortsten weg te vinden naar de zware boomen van het bosch.

Toen kwam in het tumult, dicht bij het naderend gedaver, een

vreeselijke ontploffing, en dadelijk daarop een ontzettende stilte...

„Groeneveldt!”

Ergens uit de ruigte gromde een toonloos antwoord, niet een geluid van

wanhoop of schrik, maar van ergernis en verbazing, en dadelijk daarop:

„waar is-ie?”

Ja, waar was hij?

Ieder wist, dat de solitair niet meer dan een meter of tien van ons af

was, toen het schot viel. Wie had geschoten, wat was er gebeurd, en

waar was hij? Stond hij ons te beloeren voor een tweeden aanval?

Toen wisten wij nog niet, hoe een olifant muisstil op zijn

caoutchouc-zolen langs het zelf ingetreden pad terug gaat, als hij bang

wordt; wij konden ons niet voorstellen, dat de kolos, zóó dicht bij

ons, onhoorbaar zou kunnen loopen in de dreigende stilte, die

ingevallen was dadelijk na het schot...

Eerst onder de boomen waren wij van de verrassing bekomen, en daar

vertelden de Maleiers, dat de solitair terug was gegaan.

„Ja... ’t is natuurlijk weer dat beroerde geweer geweest,” zei

Groeneveldt, „ik schrok me ’n aap!” En wij begrepen nog niet dadelijk,

dat die oude Beaumont met zijn ongemak ons het leven had gered.

„Waar is je hoed, Groeneveldt?”

„Daar ergens”... een vermoeide handbeweging in de richting van de

ontploffing.

„Haal dien dan even”... zei ik vriendelijk.

Nimmer zal ik den blik vergeten, die mij schuinweg werd toegezonden en

die bijna de diepe ergernis van het antwoord overtrof... „Ik zou met

dit geweer dien hoed daar halen?????”...

Er zijn momenten, dat men niet vatbaar is voor humor; wij waren op dat

oogenblik in dat stadium; maar het is voor ons een van de kostelijkste

herinneringen uit onzen gouden jachttijd gebleven.

Nu werd krijgsraad gehouden.

Het was wel fnuikend, dat onze Maleiers den snel geslonken heldenmoed

van den superieuren witmensch hadden bijgewoond. Hier moest op de

tanden gebeten worden.

En hoe gering ook de innerlijke kracht was waarmee ik de beslissing

uitsprak, met pathos werd gezegd, dat wij den solitair weder moesten

opzoeken.

Nu pleegde mijn trouwe kameraad insubordinatie. [20] Hij sprak:

„Ik heb altijd gedaan wat mij is opgedragen, maar met deze spuit dat

beest achterna, hoor ’s”... en dit in een doffe dropping jaw-toon...

De Maleiers wisten raad. Zij begrepen, waar zij den solitair zouden

kunnen vinden. Onze man zou hem op een of andere manier weten op te

jagen naar ons toe, en dan kon hij maar één pad volgen.

„Gaat u maar mee!” en de hadji bracht ons op een heuveltje waar enkele

beklimbare boomen stonden, juist niet dik genoeg om veilig te zitten.

Groeneveldt en ik zochten ieder een boom uit. De totok keek

besluiteloos rond, vergeleek de dikte van alle stammen. Mijn boom leek

hem de beste, en zoo klom hij achter mij aan; de hadji was al halfweg

den top.

„Haast je wat!” riep ik naar beneden, „ik zie ginds alang-alang

branden, dat zal onze man hebben gedaan om hem op te jagen.”

Toen werd de totok zenuwachtig, vroeg of Groeneveldt’s boom niet beter

was, zoo niet dikker dan toch taaier... maar plotseling werd ik door

iets anders bezig gehouden; ginds, niet ver van het grasvuurtje, twee

honderd meter van ons af, zag ik boven den rand van laag bosch een

wandelende fontein van roode aarde; toen zag ik een blazende slurf, dan

werd het geheele lichaam zichtbaar van een enormen olifant met één

zwaren, bruingelen tand. Hij was blijkbaar woedend, draaide al blazend

heen en weer, besluiteloos.

„Daar komt-ie!” hoorden wij onzen man gillen... dit deed den totok een

beslissing nemen, als een aal gleed hij mijn stam af...

„Meneer,” zei de hadji, „ziet u die open plek, daar komt hij langs,

schiet u dan, meneer!” Die plek lag honderd meter van ons af; moest ik

op dien afstand, met een ronden kogel uit mijn gladloop, dien razenden

kolos neerleggen???...

„Stil toch!”... de totok schraapte luidruchtig met klimmende beenen en

laarzen langs Groeneveldt’s stam... „schiet toch op, man!”

In een sukkeldrafje kwam de solitair, grijsbruin van halfopgedroogde

modder, de kale plek oploopen... donderend klonk mijn schot, maar al

riep de hadji bemoedigend „kena” (raak), ik zelf had niet de minste

zekerheid een goed schot te hebben gedaan, en dan nog!

Wat echter met de meeste stelligheid tot ons doordrong, was het feit,

dat onze totok bezig was zelfmoord te bedrijven. Op ongeveer vier meter

boven den grond, juist de meest aangename hoogte voor de slurf van een

olifant, hingen twee menschenbeenen te slingeren...

„Schiet nou op, hij is dadelijk hier!”

„Ik kàn niet meer”...

„Waarom niet?”

„Dat wéét ik niet”...

„Ja maar, je hangt nu nèt zoo hoog, dat”...

„Dat weet ik wel, maar ik kàn niet meer”...

„Wel allemachtig, maar hou je beenen dan toch stil”...

Doodsche stilte, Groeneveldt keek op het slachtoffer neer, als een

kaptein over den rand van zijn brug, zijn mondhoeken trokken

verdacht...

Goddank bleef alles stil, de solitair koos zich tòch een anderen weg.

Eerst later hoorden wij, dat hij acht kilometer doorgeloopen was, door

zware heiningen en aanplantingen heen. Menschen, die op een goed

omrasterd rijstveld werkten, hoorden een rauwen gil en zagen hun

grootmoeder door de lucht vliegen: de solitair liep haar met huisje en

al onderste boven.

Toen wij over het gevoel van gepaste schaamte heen waren—wij hadden in

den heel vroegen morgen aan onze Maleiers gevraagd of hun kapmessen wel

scherp genoeg waren, voor den tand—toen vroeg ik den hadji, hoe dit

beest toch zóó slim geworden zou zijn.

Nimmer vergeet ik den leuken grijns op het verweerde gezicht. „Nou

meneer, eerlijk gezegd hadden wij kampoeng-menschen al zeventien maal

op hem geschoten. Ik zelf heb al eens vlak naast hem gestaan en heb hem

onder de kin geraakt, twee maal heb ik hem in de polsen geschoten,

niets hielp. Maar dat hebben wij u niet eerder willen vertellen, want

dan lachen jullie ons maar uit; jullie zijn zoo knap, en zoo... brani!”

Waar mensch en tijger buren zijn · 第 28 / 34 题