VIII. DE LICHTTOREN AAN DEN VLAKKEN HOEK

Zestig meter oprijzend uit het vlakke, eenzame land, staat daar de

slanke witte toren, wiens fonkelend oog den zeeman, die in den donkeren

nacht uit den oceaan op Sumatra aanstuurt, uren tevoren waarschuwt, dat

hij den Vlakken Hoek aan de straat van Soenda nadert.

Op de zwarte koraalbanken aan zijn voet, blakerend in de felle

zonnehitte, zoeken bij laag water bedachtzaam wandelende reigers, witte

en grijze, naar vischjes en garnalen. Een enkele zeearend laat zijn

schaduw stil glijden over het water en langs het lichtgeel blinkend

strand, tusschen het blauw der zee en het kriewelig groen van de dichte

strandbosschen.

Tusschen de pool en Zuid-Sumatra houdt geen eiland de eeuwige deining

van den oceaan tegen. Het kan dagen aaneen bladstil zijn aan de kust,

terwijl een zware, bolle deining uit het westen of zuiden den horizont

kartelt en de groote schepen om en om gooit op hun vaart langs de

vermaarde „Wild Coast”.

Bij stormweer beuken er de rollers in één bulderenden donder, en in den

mist van verstuivend brandingschuim wordt de strandlijn grauw en

vervagen de bosschen.

De aarde dreunt van de beukende slagen, de toren rilt en knarst in zijn

lendenen.

En in wilde nachten vliegen doodvermoeide vogels zich in den orkaan te

pletter tegen het licht, dat hun zonnegloren en blijde warmte scheen.

Aan de landzijde is de vlakke bodem bedekt met bosch; hier en daar zijn

lichtgroene pleinen van dicht alang alang-gras, waar eens bouwvelden

geweest zijn.

Dicht bij den toren is een aanplant van cocos-palmen; maar de beren uit

het bosch, de woestelingen met hun twintig vreeselijke kris-nagels, den

aardigen kop wiegend boven het oranje-gele befje aan den hals, hebben

uit de toppen der klapperboomen den zoeten palmiet gesnoept; zoo werd

de groeikracht van de boomen vernield, en het is alsof een bliksemflits

van top op top is overgesprongen om alle te dooden.

Bij die afstervende palmen ligt een kleine begraafplaats. Enkele graven

van Europeanen, met verweerde opschriften, maken de troostelooze

verlatenheid nog meer drukkend. Tot voor enkele jaren waren hier

Europeesche lichtwachters, wel eens met vrouw en kinderen...

Cornelis Marianus Tarenskeen

geboren 1885

verdronken 8 April 1894

Verdronken als negenjarig ventje, ergens daar bij het sissende schuim

tusschen de zwarte koraalbanken, waar hij voor ziek zusje, dat in

brandende koorts lag te ijlen, schelpjes zocht.

Nu wonen er slechts Inlandsche wachters. Zij voelen niet zóó het

afgesneden zijn van de wereld als zij er zijn mèt hun vrouwen.

En vooral, zij hooren niet zóó: de stilte!

In het stille bosch, buiten de omheining om den toren, kan elk vallend

blad leven beteekenen, en het flauwste geluid van knappend hout kan een

ontstellende beteekenis hebben.... dáár leeft de stilte.

Binnen, in de omheining, zijn langs den torenvoet de fel-witte paadjes

stijf uitgesneden; een eenzaam geitje beknabbelt de half verzengde

grasrandjes met langzame bewegingen in de verschrikkelijke

hitte-trilling van het omsloten binnenplaatsje. Halfbewustelooze katten

kijken oogknippend naar het dier, dat zich in zulk een hitte zóó druk

maakt in die felle zon; zij, die vet gevoed worden door de vrouwen der

lichtwachters, die alleen maar wachten op de aflossing van hun mannen.

Daar, in die ruimte, waar de mensch zich heeft afgesloten om veilig te

zijn voor de gevaren van de wildernis, dáár is de stilte dood,

verschrikkelijk.

De eerste inlandsche hoofd-lichtwachter, die den laatsten Europeaan

afloste, was Si Tong, door zijne drie lichtwachters en hun vier koelies

betiteld met den hem toekomenden eerenaam van „hoop” (hoofd).

Ieder van de wachters van den vuurtoren wordt om de drie maanden

„aploes” (afgelost). Eens in de maand komt de witte

Gouvernements-stoomer van Batavia, brengt nieuwe menschen en

„rangsoen”: rijst, droge visch, zout enz., en voert afgelosten en

zieken terug naar hun land, naar Java.

Van de kleine Blimbing-baai, waar het witte schip ankert, is een smalle

weg aangelegd naar den toren, een kilometer lang, spatrecht door de

gloeiende vlakte, akelig, desolaat strak. Eens in de maand loopen dan

enkele menschen langs dien weg, totdat de baai weer leeg is, en alles

weer stiller dan ooit.

De vlakke wildernis is gedeeltelijk moerasbosch, waar in de vette slib

alleen de krabben snappen en de lugubre varaan [17] met mal-lange

likkende tong den spiedenden kop vèr vooruit steekt; gedeeltelijk vrij

laag bosch, waar het gewone kleine gedoe leeft van apen, tijgerkatten,

varkens, marters en bunzingen. In die wildernis komen ook wel de

grootere dieren, ook de Gestreepte, ook de zwarte panter en de

nevel-panter, die waarschijnlijk in één nest lagen. Zij besluipen de

herten en de reeën en de dwerghertjes met hun fijne beentjes en groote,

bange oogen; — deze zijn voor de lenige katten een fijner hapje dan het

dagelijksch maal aan varkensvleesch, en zij leveren voor de fulpen

lichamen heel wat minder gevaar op dan de kop van den volwassen ever

met de verschrikkelijke, onwrikbaar ingeplante slagtanden.

En eens in het jaar, als de tijd aangebroken is dat allerlei fijne

gerechten, zekere jonge twijgen en bladeren en smakelijke jonge

boombast, voor hen klaar staan aan zee, dan komen de Grooten van het

woud met hun diepe, inwendige geluiden, met hun klaroengeschal. Zij

komen van ver uit de binnenlanden, van hooge berghellingen. Op hun

eindelooze rondreis slepen zij ook in de bosschen aan den Vlakken Hoek

breede paden, die zich vereenigen en weer scheiden, een wirwar, waar

alleen de achtergebleven bolvormige mestsporen den leek overtuigen, dat

het geen menschenhand was, die deze wegen deed ontstaan. Gezellig

oorflappend, afscheurend in lange reepen den heerlijken bast van de

afgeknakte jonge boomen, schommelen de reuzen voort; tot aan het

strand, tot bij den toren, dien zij niet meer vreezen; en zij nemen een

bad in zee, en schuren zich, knippend de leuke oogjes, de jeukplekken

van het bolle lichaam aan de glasharde, scherpe koraal.

Het meest vermaard is de Vlakke Hoek door zijn wilde karbouwen.

Buffels, men weet niet van waar gekomen,—misschien van een

nederzetting, lang geleden door haar bewoners plotseling verlaten, in

wilde vlucht voor den ergsten duivel van Sumatra vóór de Hollanders hem

bestreden: de pokken. Eerst verwilderden de dieren, toen kwamen zij

langzamerhand in volslagen wilden staat. Degenen, die horens dragen,

welke door den benedenwaartschen stand den tijger niet afdoend kunnen

afweren in zijn aanval, zijn gedoemd door de klauwen van den Bonte te

sneuvelen. Maar zij, die op den rotsvasten nek een goed verdedigden kop

dragen, en die weten, dat de Oudste der dieren zich nog wel eens

bedenkt voor hij zijn dunne huid, zijn zachten buik waagt aan de scherp

aangepunte horens,—die blijven gespaard en vermenigvuldigen zich. En

zoo zijn de kudden van eenige honderden wildemannen ontstaan, die sinds

menschenheugenis aan den Vlakken Hoek voorkomen.

Dit is ook op Java bekend, en zoo nu en dan komen jagers van daar met

het witte schip mede en slaan hun tenten op; zij jagen, dikwijls onder

groote ontberingen, op den wilden karbouw en gaan een maand later weer

naar Batavia terug.

Eens, toen Si Tong al baas was op den toren, was ook een Europeesche

vrouw meegekomen, met haar man, een Hollandsch dokter [18]. Wonderlijke

zielen die witte menschen, die moeite en ellende en gevaar in de

wildernis komen zoeken, terwijl zij het thuis zoo goed hebben! Maar

toch was de Njahi, zoo werd de chefsche op den toren genoemd,

wonderlijk getroffen door den moed van haar witte zuster, die aan den

Vlakken Hoek den eeretitel had verwonnen van Njonjah Brani, de

Durfvrouw.

Zijzelf—zoo klein en fijn als zij was—voelde zich toch eigenlijk ook

wel „brani”, en vooral, zij wilde er ook wel zoo flink uitzien als de

Durfvrouw, die een pantalon droeg als haar man!

Tong had ook al eens, van een veilig plekje in een boom, een karbouw

geschoten. Hij was dus niets minder dan die jagers, en toen zij een

broek van hem had aangetrokken en met hem mee uittrok, voelde zij zich

niet minder dapper dan de mevrouw. Alleen, zij zou zich niet zoo mal

wagen als die blanke menschen; die hadden altijd haast en konden niet

rustig op een veiligen boomtak wachten op komend wild.

Zoo werden Tong en zijn vrouw jagers, en het duurde niet lang, of het

ging hun vervelen op het wild te wachten; ook hen beving de jachtlust,

dien zij eerst niet konden begrijpen en voor domheid hielden. En Njahi

kroop achter haar man aan door de hooge alang-alang als zij een hert

beslopen, al klopte het hart haar in de keel uit vrees voor hem, die de

stemming kleurt in de wouden en wildernissen van Sumatra, en die

dikwijls juist begeert wat ons voor het geweer komt.

Zoo had dit menschenpaar het goed in de eenzaamheid, omdat zij genot

vonden in de natuur, en zij leefden gelukkig en waren oppermachtig op

den toren, bewonderd door de kameraden.

Wel werd de kleine bezetting in een nacht van Maart 1919 opgeschrikt

door een hevige aardbeving, die den toren uit zijn voegen rukte, maar

een inspecteur van Batavia constateerde, dat grondige reparatie alles

spoedig weer in orde zou brengen.

Toen het verschrikkelijke gebeurde op 31 Mei, waren de werklieden

alweer vertrokken, en alles ging weer zijn gewonen gang. Dien morgen,

het schemerde nauwelijks, kwam Nata zijn „hoop” vertellen, dat hij

versche buffelsporen had gevonden aan het strand, en dat deze naar een

uitgestrekt alang alang-veld leidden. Hier kon vrouwelijke flinkheid,

zelfs „met de broek aan”, niet helpen, bij dit karwei moest Tong zich

van mannensteun verzekeren.

„Ajo, Saïn, wij gaan een karbouw schieten!” zei hij tot zijn fermsten

lichtwachter.

„Ajo!” zei Saïn, „maar Bang (abang, oudere broer) ik heb pas ééns een

geweer afgeschoten,—gejaagd heb ik nog nooit.”

Nou ja, zoo heel erg was dat toch eigenlijk niet, in elk geval was een

buffel voor Saïn een bekend beest, hij zou niet, op het zien alleen,

van angst beven als voor een tijger of een olifant.

Dàt vond de geheele mannelijke populatie, de vrouwen werden er buiten

gehouden, zelfs de kleine, dappere njahi.

De wilde buffel ontdekte de twee mannen tegelijk toen zij hem in het

lange gras beslopen.

De snuivende kop—neus, voorhoofd en horens in één horizontaal

vlak—roerloos maar dreigend, joeg Saïn geen bijzonderen schrik aan, en

zoo goed en kwaad het ging legde hij het oog aan het geweer en trok

af... maar de patronen van de enkele Gouvemementsgeweren, welke aan

lichtwachters ter beschikking worden gesteld, zijn oud, Saïn’s patroon

weigerde. En nu sloeg hem de schrik in de beenen, want het ketsgeluid

deed het driftige dier onmiddellijk tot den aanval overgaan. Maar Tong

bleef rustig en een goed schot deed den buffel schuinweg verdwijnen in

een boschje lage struiken, waar hij, blijkbaar zwaar gewond, even moest

overdenken wat verder te doen.

De twee mannen kwamen nu overeen ieder in een van de enkele hoogere

boomen in het boschje te klimmen, om van daar het aangeschoten dier

neer te leggen. Hem op den vlakken grond in de dichte ruigte op te

zoeken, achtten zij een poging tot zelfmoord.

Ieder, die ooit ondervonden heeft, hoe slecht zich Inlanders dikwijls

aan jacht-afspraken houden, voelt met angstige zekerheid het eind van

dit avontuur naderen.

Het was Tong, die, misschien omdat hij zijn kameraad het succes niet

gunde, het gewonde dier tòch opzocht. En Saïn schoot, zooals in

dergelijke gevallen altijd gebeurt, met niet-falende zekerheid een

niet-weigerenden patroon af op de langzaam in de struiken bewegende

schijf... en vond niet den buffel, maar zijn jachtkameraad roerloos

liggen.

De arme kerel, die toch zóó weinig schuld had, durfde niet naar den

toren. Uren later vond men hem ergens tegen de omheining gehurkt,

starend in de ontzaglijke stilte, met het stijve lichaam van zijn baas

tegen zich aan. En toen hij eindelijk antwoorden kon op hem gestelde

vragen, toen hij de wilde smart van de kleine njahi zag, verzon hij

leugens, en hortend kwamen verhalen van een geweer, dat onverwachts

vanzelf was afgegaan.

En een onderzoek had plaats; maar eerst nadat de arme njahi brani op

het witte schip was, naar Batavia, had Saïn den moed te zeggen, dat hij

gelogen had.

Op het witte schip lag een kleine vrouw te snikken, op het dek, bij de

railing.

Men had haar een kajuit willen geven,—toen een matras, om op het dek

rustig te kunnen uitslapen haar groot verdriet. Maar zij kroop tegen de

railing aan, om zoo dicht mogelijk te zijn bij het land, waar op de

verlaten begraafplaats onder de stervende palmen een nieuw graf gekomen

was; zoo lang mogelijk wilde zij den Vlakken Hoek zien met zijn witten

toren.

Zoo sliep zij in, op het harde dek. En zij, die niet wisten en de arme

ziel zagen liggen, konden een glimlach niet bedwingen... omdat zij niet

begrepen, waarom dat kleine vrouwefiguurtje een gelapte mannebroek

droeg.

Waar mensch en tijger buren zijn · 第 27 / 34 题