Zestig meter oprijzend uit het vlakke, eenzame land, staat daar de
slanke witte toren, wiens fonkelend oog den zeeman, die in den donkeren
nacht uit den oceaan op Sumatra aanstuurt, uren tevoren waarschuwt, dat
hij den Vlakken Hoek aan de straat van Soenda nadert.
Op de zwarte koraalbanken aan zijn voet, blakerend in de felle
zonnehitte, zoeken bij laag water bedachtzaam wandelende reigers, witte
en grijze, naar vischjes en garnalen. Een enkele zeearend laat zijn
schaduw stil glijden over het water en langs het lichtgeel blinkend
strand, tusschen het blauw der zee en het kriewelig groen van de dichte
strandbosschen.
Tusschen de pool en Zuid-Sumatra houdt geen eiland de eeuwige deining
van den oceaan tegen. Het kan dagen aaneen bladstil zijn aan de kust,
terwijl een zware, bolle deining uit het westen of zuiden den horizont
kartelt en de groote schepen om en om gooit op hun vaart langs de
vermaarde „Wild Coast”.
Bij stormweer beuken er de rollers in één bulderenden donder, en in den
mist van verstuivend brandingschuim wordt de strandlijn grauw en
vervagen de bosschen.
De aarde dreunt van de beukende slagen, de toren rilt en knarst in zijn
lendenen.
En in wilde nachten vliegen doodvermoeide vogels zich in den orkaan te
pletter tegen het licht, dat hun zonnegloren en blijde warmte scheen.
Aan de landzijde is de vlakke bodem bedekt met bosch; hier en daar zijn
lichtgroene pleinen van dicht alang alang-gras, waar eens bouwvelden
geweest zijn.
Dicht bij den toren is een aanplant van cocos-palmen; maar de beren uit
het bosch, de woestelingen met hun twintig vreeselijke kris-nagels, den
aardigen kop wiegend boven het oranje-gele befje aan den hals, hebben
uit de toppen der klapperboomen den zoeten palmiet gesnoept; zoo werd
de groeikracht van de boomen vernield, en het is alsof een bliksemflits
van top op top is overgesprongen om alle te dooden.
Bij die afstervende palmen ligt een kleine begraafplaats. Enkele graven
van Europeanen, met verweerde opschriften, maken de troostelooze
verlatenheid nog meer drukkend. Tot voor enkele jaren waren hier
Europeesche lichtwachters, wel eens met vrouw en kinderen...
Cornelis Marianus Tarenskeen
geboren 1885
verdronken 8 April 1894
Verdronken als negenjarig ventje, ergens daar bij het sissende schuim
tusschen de zwarte koraalbanken, waar hij voor ziek zusje, dat in
brandende koorts lag te ijlen, schelpjes zocht.
Nu wonen er slechts Inlandsche wachters. Zij voelen niet zóó het
afgesneden zijn van de wereld als zij er zijn mèt hun vrouwen.
En vooral, zij hooren niet zóó: de stilte!
In het stille bosch, buiten de omheining om den toren, kan elk vallend
blad leven beteekenen, en het flauwste geluid van knappend hout kan een
ontstellende beteekenis hebben.... dáár leeft de stilte.
Binnen, in de omheining, zijn langs den torenvoet de fel-witte paadjes
stijf uitgesneden; een eenzaam geitje beknabbelt de half verzengde
grasrandjes met langzame bewegingen in de verschrikkelijke
hitte-trilling van het omsloten binnenplaatsje. Halfbewustelooze katten
kijken oogknippend naar het dier, dat zich in zulk een hitte zóó druk
maakt in die felle zon; zij, die vet gevoed worden door de vrouwen der
lichtwachters, die alleen maar wachten op de aflossing van hun mannen.
Daar, in die ruimte, waar de mensch zich heeft afgesloten om veilig te
zijn voor de gevaren van de wildernis, dáár is de stilte dood,
verschrikkelijk.
De eerste inlandsche hoofd-lichtwachter, die den laatsten Europeaan
afloste, was Si Tong, door zijne drie lichtwachters en hun vier koelies
betiteld met den hem toekomenden eerenaam van „hoop” (hoofd).
Ieder van de wachters van den vuurtoren wordt om de drie maanden
„aploes” (afgelost). Eens in de maand komt de witte
Gouvernements-stoomer van Batavia, brengt nieuwe menschen en
„rangsoen”: rijst, droge visch, zout enz., en voert afgelosten en
zieken terug naar hun land, naar Java.
Van de kleine Blimbing-baai, waar het witte schip ankert, is een smalle
weg aangelegd naar den toren, een kilometer lang, spatrecht door de
gloeiende vlakte, akelig, desolaat strak. Eens in de maand loopen dan
enkele menschen langs dien weg, totdat de baai weer leeg is, en alles
weer stiller dan ooit.
De vlakke wildernis is gedeeltelijk moerasbosch, waar in de vette slib
alleen de krabben snappen en de lugubre varaan [17] met mal-lange
likkende tong den spiedenden kop vèr vooruit steekt; gedeeltelijk vrij
laag bosch, waar het gewone kleine gedoe leeft van apen, tijgerkatten,
varkens, marters en bunzingen. In die wildernis komen ook wel de
grootere dieren, ook de Gestreepte, ook de zwarte panter en de
nevel-panter, die waarschijnlijk in één nest lagen. Zij besluipen de
herten en de reeën en de dwerghertjes met hun fijne beentjes en groote,
bange oogen; — deze zijn voor de lenige katten een fijner hapje dan het
dagelijksch maal aan varkensvleesch, en zij leveren voor de fulpen
lichamen heel wat minder gevaar op dan de kop van den volwassen ever
met de verschrikkelijke, onwrikbaar ingeplante slagtanden.
En eens in het jaar, als de tijd aangebroken is dat allerlei fijne
gerechten, zekere jonge twijgen en bladeren en smakelijke jonge
boombast, voor hen klaar staan aan zee, dan komen de Grooten van het
woud met hun diepe, inwendige geluiden, met hun klaroengeschal. Zij
komen van ver uit de binnenlanden, van hooge berghellingen. Op hun
eindelooze rondreis slepen zij ook in de bosschen aan den Vlakken Hoek
breede paden, die zich vereenigen en weer scheiden, een wirwar, waar
alleen de achtergebleven bolvormige mestsporen den leek overtuigen, dat
het geen menschenhand was, die deze wegen deed ontstaan. Gezellig
oorflappend, afscheurend in lange reepen den heerlijken bast van de
afgeknakte jonge boomen, schommelen de reuzen voort; tot aan het
strand, tot bij den toren, dien zij niet meer vreezen; en zij nemen een
bad in zee, en schuren zich, knippend de leuke oogjes, de jeukplekken
van het bolle lichaam aan de glasharde, scherpe koraal.
Het meest vermaard is de Vlakke Hoek door zijn wilde karbouwen.
Buffels, men weet niet van waar gekomen,—misschien van een
nederzetting, lang geleden door haar bewoners plotseling verlaten, in
wilde vlucht voor den ergsten duivel van Sumatra vóór de Hollanders hem
bestreden: de pokken. Eerst verwilderden de dieren, toen kwamen zij
langzamerhand in volslagen wilden staat. Degenen, die horens dragen,
welke door den benedenwaartschen stand den tijger niet afdoend kunnen
afweren in zijn aanval, zijn gedoemd door de klauwen van den Bonte te
sneuvelen. Maar zij, die op den rotsvasten nek een goed verdedigden kop
dragen, en die weten, dat de Oudste der dieren zich nog wel eens
bedenkt voor hij zijn dunne huid, zijn zachten buik waagt aan de scherp
aangepunte horens,—die blijven gespaard en vermenigvuldigen zich. En
zoo zijn de kudden van eenige honderden wildemannen ontstaan, die sinds
menschenheugenis aan den Vlakken Hoek voorkomen.
Dit is ook op Java bekend, en zoo nu en dan komen jagers van daar met
het witte schip mede en slaan hun tenten op; zij jagen, dikwijls onder
groote ontberingen, op den wilden karbouw en gaan een maand later weer
naar Batavia terug.
Eens, toen Si Tong al baas was op den toren, was ook een Europeesche
vrouw meegekomen, met haar man, een Hollandsch dokter [18]. Wonderlijke
zielen die witte menschen, die moeite en ellende en gevaar in de
wildernis komen zoeken, terwijl zij het thuis zoo goed hebben! Maar
toch was de Njahi, zoo werd de chefsche op den toren genoemd,
wonderlijk getroffen door den moed van haar witte zuster, die aan den
Vlakken Hoek den eeretitel had verwonnen van Njonjah Brani, de
Durfvrouw.
Zijzelf—zoo klein en fijn als zij was—voelde zich toch eigenlijk ook
wel „brani”, en vooral, zij wilde er ook wel zoo flink uitzien als de
Durfvrouw, die een pantalon droeg als haar man!
Tong had ook al eens, van een veilig plekje in een boom, een karbouw
geschoten. Hij was dus niets minder dan die jagers, en toen zij een
broek van hem had aangetrokken en met hem mee uittrok, voelde zij zich
niet minder dapper dan de mevrouw. Alleen, zij zou zich niet zoo mal
wagen als die blanke menschen; die hadden altijd haast en konden niet
rustig op een veiligen boomtak wachten op komend wild.
Zoo werden Tong en zijn vrouw jagers, en het duurde niet lang, of het
ging hun vervelen op het wild te wachten; ook hen beving de jachtlust,
dien zij eerst niet konden begrijpen en voor domheid hielden. En Njahi
kroop achter haar man aan door de hooge alang-alang als zij een hert
beslopen, al klopte het hart haar in de keel uit vrees voor hem, die de
stemming kleurt in de wouden en wildernissen van Sumatra, en die
dikwijls juist begeert wat ons voor het geweer komt.
Zoo had dit menschenpaar het goed in de eenzaamheid, omdat zij genot
vonden in de natuur, en zij leefden gelukkig en waren oppermachtig op
den toren, bewonderd door de kameraden.
Wel werd de kleine bezetting in een nacht van Maart 1919 opgeschrikt
door een hevige aardbeving, die den toren uit zijn voegen rukte, maar
een inspecteur van Batavia constateerde, dat grondige reparatie alles
spoedig weer in orde zou brengen.
Toen het verschrikkelijke gebeurde op 31 Mei, waren de werklieden
alweer vertrokken, en alles ging weer zijn gewonen gang. Dien morgen,
het schemerde nauwelijks, kwam Nata zijn „hoop” vertellen, dat hij
versche buffelsporen had gevonden aan het strand, en dat deze naar een
uitgestrekt alang alang-veld leidden. Hier kon vrouwelijke flinkheid,
zelfs „met de broek aan”, niet helpen, bij dit karwei moest Tong zich
van mannensteun verzekeren.
„Ajo, Saïn, wij gaan een karbouw schieten!” zei hij tot zijn fermsten
lichtwachter.
„Ajo!” zei Saïn, „maar Bang (abang, oudere broer) ik heb pas ééns een
geweer afgeschoten,—gejaagd heb ik nog nooit.”
Nou ja, zoo heel erg was dat toch eigenlijk niet, in elk geval was een
buffel voor Saïn een bekend beest, hij zou niet, op het zien alleen,
van angst beven als voor een tijger of een olifant.
Dàt vond de geheele mannelijke populatie, de vrouwen werden er buiten
gehouden, zelfs de kleine, dappere njahi.
De wilde buffel ontdekte de twee mannen tegelijk toen zij hem in het
lange gras beslopen.
De snuivende kop—neus, voorhoofd en horens in één horizontaal
vlak—roerloos maar dreigend, joeg Saïn geen bijzonderen schrik aan, en
zoo goed en kwaad het ging legde hij het oog aan het geweer en trok
af... maar de patronen van de enkele Gouvemementsgeweren, welke aan
lichtwachters ter beschikking worden gesteld, zijn oud, Saïn’s patroon
weigerde. En nu sloeg hem de schrik in de beenen, want het ketsgeluid
deed het driftige dier onmiddellijk tot den aanval overgaan. Maar Tong
bleef rustig en een goed schot deed den buffel schuinweg verdwijnen in
een boschje lage struiken, waar hij, blijkbaar zwaar gewond, even moest
overdenken wat verder te doen.
De twee mannen kwamen nu overeen ieder in een van de enkele hoogere
boomen in het boschje te klimmen, om van daar het aangeschoten dier
neer te leggen. Hem op den vlakken grond in de dichte ruigte op te
zoeken, achtten zij een poging tot zelfmoord.
Ieder, die ooit ondervonden heeft, hoe slecht zich Inlanders dikwijls
aan jacht-afspraken houden, voelt met angstige zekerheid het eind van
dit avontuur naderen.
Het was Tong, die, misschien omdat hij zijn kameraad het succes niet
gunde, het gewonde dier tòch opzocht. En Saïn schoot, zooals in
dergelijke gevallen altijd gebeurt, met niet-falende zekerheid een
niet-weigerenden patroon af op de langzaam in de struiken bewegende
schijf... en vond niet den buffel, maar zijn jachtkameraad roerloos
liggen.
De arme kerel, die toch zóó weinig schuld had, durfde niet naar den
toren. Uren later vond men hem ergens tegen de omheining gehurkt,
starend in de ontzaglijke stilte, met het stijve lichaam van zijn baas
tegen zich aan. En toen hij eindelijk antwoorden kon op hem gestelde
vragen, toen hij de wilde smart van de kleine njahi zag, verzon hij
leugens, en hortend kwamen verhalen van een geweer, dat onverwachts
vanzelf was afgegaan.
En een onderzoek had plaats; maar eerst nadat de arme njahi brani op
het witte schip was, naar Batavia, had Saïn den moed te zeggen, dat hij
gelogen had.
Op het witte schip lag een kleine vrouw te snikken, op het dek, bij de
railing.
Men had haar een kajuit willen geven,—toen een matras, om op het dek
rustig te kunnen uitslapen haar groot verdriet. Maar zij kroop tegen de
railing aan, om zoo dicht mogelijk te zijn bij het land, waar op de
verlaten begraafplaats onder de stervende palmen een nieuw graf gekomen
was; zoo lang mogelijk wilde zij den Vlakken Hoek zien met zijn witten
toren.
Zoo sliep zij in, op het harde dek. En zij, die niet wisten en de arme
ziel zagen liggen, konden een glimlach niet bedwingen... omdat zij niet
begrepen, waarom dat kleine vrouwefiguurtje een gelapte mannebroek
droeg.