VII. ONDER DEN VOORPOOT VAN EEN OLIFANT

Het had den vorigen avond sterk geweerlicht, de mannen van het dorp

waren er dan ook van overtuigd, dat er ergens in de buurt olifanten

moesten zijn, al was het vroeg in den tijd.

Wat daar telkens even flikkert aan den hemel, stil, zonder eenig

gerommel, is immers de weerschijn van het ivoor der olifantstieren.

Maar men had in de naaste omstreken nog geen sporen gevonden; wel waren

er berichten uit de oeloe, den bovenloop der rivier, dat de olifanten

er zich dit jaar vroeger hadden vertoond dan gewoonlijk.

In den vroegen morgen lichtte een kleine jongen een vischfuik, die aan

den rivieroever was opgesteld, enkele kilometers bovenstrooms van het

dorp, en parmantig stapte hij met den buit naar huis. Maar plotseling

liet hij de visch vallen en rende terug naar het dorp... op bet pad bij

de rivier had hij ’t rookende „visitekaartje” van een olifant zien

liggen, de mestballen, ter grootte van een babyhoofd, die de

tegenwoordigheid van de Grooten van het woud verraden. Dampend nog! hoe

dicht dus was hij het dier, misschien een kudde gepasseerd.

Nu waarschuwde men elkaar, snel werden alle omheiningen van de

bouwvelden nog eens terdege nagezien. Tegen het wilde varken, den

grootsten vijand van den inlandschen landbouwer, kan men volstaan met

een dichte, lage heg; en als aan den buitenkant een sloot wordt

gegraven met steil afgestoken kanten, zijn de aanplantingen veilig voor

den knorrenden wroeter. Maar in de olifantstreken is het zaak de

omheiningen hoog en zwaar te maken. Nog dikker maakte men nu den wal

van zware takken en stronken; dit waren de overblijfsels van wat enkele

maanden geleden nog zwaar bosch was, gekapt na den regentijd en in den

drogen moesson zooveel mogelijk opgebrand, waarna de humusrijke bodem

den rijstkorrel kan ontvangen.

Een oude, tanige vrouw, die aan den uitersten rand der kampong woonde

en die buiten het wereldsch gedoe was komen te staan, had van de

waarschuwing niets gemerkt; zij slofte haar dagelijkschen gang naar den

boschrand om wat hout te sprokkelen, dat kon de eenzame nog wel dragen.

Ginds hadden haar man en zij, dadelijk na hun huwelijk, ook een ladang

gehad, een rijstveld zóó vruchtbaar, dat zij er drie jaar achtereen een

goeden oogst hadden gehad. En zij hadden er het laatste jaar zooveel

doerianpitten geplant, dat er een zwaar doerianbosch was opgegroeid,

zoodat de jongere generatie dezen grond verder had ontzien. Of de

eerste vruchten al afvielen? dan moesten de kleinkinderen er snel een

hutje bouwen en er de wacht houden, want iedereen is verzot op

doerians, menschen en dieren, en op de markt brengen zij heel wat op.

Waarlijk, bij dien stam, tusschen de overal opgeschoten struiken, lag

al een gélende, groote vrucht; gelukkig, dat ’t nog niet de

olifantentijd was, de geweldige dorens, waaraan de vrucht haar naam

ontleent, zijn voor deze dieren geen bezwaar.

Juist reikte de hand van het oudje naar de begeerlijke vrucht, toen uit

de lucht, langs den boom, iets als een loodkleurige reuzeslang

neerkwam, en toen zij opkeek, zag zij langs een olifantenslurf de

ondeugende oogen valsch lachen, en zij zag nòg een dier en nòg een...

zij was doodgemoedereerd midden in een kudde gewandeld.

Niet alleen waanzinnige angst, ook razernij omdat de doerian haar

betwist werd, gaven het oude mensch de kracht en de bezieling tot een

akeligen, loeienden gil. De olifanten schalmeiden in snerpend gedaver

terug, zoodat in de kampong de spelende kinderen opschrikten en het

geblaf en gekijf der gladakkers even verstomde. Maar het nare geloei

was hun toch te machtig, en stil hobbelden zij weg naar rustiger

oorden.

De oude Karim, de groote jagersman in deze landstreek, inspecteerde

dien dag zijn arsenaal. Het buskruitmagazijn was nog goed gevuld; uit

het vaatje buskruit, dat door den besturenden ambtenaar aan het

distriktshoofd was verstrekt ter uitroeiing van schadelijk gedierte,

was aan Karim niet minder dan twee flesschen vol toegewezen, en hij had

ze voorzichtig in den grond begraven; dat kruit was best en niet duur,

want het kwam uit den militairen voorraad, op aanvraag van den

controleur; vroeger, toen men het achterbaks moest zien te krijgen,

werden de Inlanders geducht afgezet door Chineezen of Maleische

handelaars. Met z’n kogels stond het minder goed. In het zakje,

bruinberookt aan den keukenwand hangend, vond Karim nog maar drie

kogels, die in zijn voorlader pasten; ook nog een paar ijzeren moeren

en boutjes, die hij van een werkman van den waterstaat had overgenomen

toen hij „in de stad” een jongen beer had verkocht, die in een

hertestrik verdwaald was. Die boutjes waren heel best om er een

slapenden tijger mee in het hart te schieten, maar voor het

één-centimeter pantser van een olifant deugden zij niet.

„Vader,” zei zijn zoon Oesoef, „ge moet den nieuwen meneer van Tambang

[16] nog eens wat puntkogels vragen, hij hoopt altijd nog, dat u hem

eens een olifant laat schieten, hij geeft ze u stellig.”

„Hai! daar zeg je wat. We zullen naar Tambang gaan en meneer

waarschuwen, dat er olifanten zijn, ik heb het hem moeten beloven; ik

krijg dan stellig mijn puntkogels, en misschien kan meneer nu wel mee;

als hij een stier kan schieten, krijg ik een goed cadeautje.”

„Vader, je hebt nog drie kogels, laten wij zelf eerst eens gaan zien;

als ge een grooten stier schiet, zonder meneer, is toch de volle waarde

van de tanden voor ons alleen.”

En zoo gingen zij den volgenden morgen samen op pad. Maar de troep was

wonderlijk opgeschrikt, eerst na drie dagen lang de sporen te zijn

gevolgd, diep de bergen in, hoorden Karim en zijn zoon het bekende

vreugdebrullen en het vallen van boomen... de ouverture van vrijwel elk

jachtavontuur, waarin mensch en olifant een rol spelen. Zij beslopen

den troep, niet om dadelijk te schieten; een inlandsen jager weet heel

goed welke kansen zijn hachje loopt, als hij met zijn voorlader als

openlijk aanvaller optreedt. Zij zochten een zwaren, beklimbaren boom

uit en wachtten, spiedend op een veiligen tak. Zij troffen het, de

troep trok op korten afstand onder hen door, zij telden zes koeien en

een volwassen maar nog jongen stier met weinig ivoor; gezellig

oorflappend en met diepe, inwendige geluiden, kuierde het gezelschap

langzaam voort. Toen het bosch weer stil was, lieten de jagers zich

afglijden; Karim was zeer teleurgesteld, zoo’n stier was de moeite niet

waard.

„Wij zullen hun nog eens den weg afsnijden Oesoef, misschien hebben wij

niet den heelen troep gezien.”

Met een grooten omweg trokken zij snel op, om de kudde vóór te komen.

De dieren wandelden een uitlooper van den berg af, langs een vrij diep

ravijn. Het lag voor de hand in dit ravijn neer te dalen, de

overliggende helling weer te beklimmen en aan den overkant de richting

te volgen evenwijdig aan die, waarin de kudde liep; zij konden daar

sneller loopen, zonder de olifanten op te schrikken.

Maar het neerdalen in het ravijn moest zoo stil mogelijk geschieden,

het kon zijn, dat de kudde nog in de buurt was.

Als schaduwen gleden de mannen op hun lenige, bloote voeten de helling

af, elk dood takje moest vermeden worden, alleen niet-zwiepende boomen

dienden bij de afdaling tot steun. De bedding van het ravijn, waar een

beekje over zware rolsteenen klaterde, was op die plek met zware bamboe

begroeid. Zij rustten even in de schaduw, en zij schepten zich met de

hand het koele water naar den happenden mond. Beiden zwegen, het water

kletterde van steen op steen en het geluid weerkaatste in het dichte

blad der gebogen bamboetoppen, die den hemel afsloten.

Maar wat was dat? Een ruischen, in de bamboe tegen de straks te

beklimmen helling, brak de stilte; daar bewoog zich een dier, dat

blijkbaar doodstil had staan wachten om de beteekenis van de lichte

geluiden aan den overkant van het ravijn te begrijpen, maar dat nu weer

gerustgesteld was.

Dan ratelde een daverend, knerpend schot door de donkere stilte, een

bamboe die met ontzaglijke kracht gebroken werd.

„Ja, Allah!” kreunde Oesoef zacht; hij zag, dat zijn vader verbleekte,

naar zijn geweer greep en hem wenkte om zich met hem achter een groot

rotsblok te verschuilen. Zoo wachtten zij. Het geruisen werd sterker,

de bamboe’s spetterden, en toen zagen zij op tien meter afstand een

reusachtigen olifant, met zware gele tanden, naar het water kuieren,

een solitair, uit den troep gestooten door den nieuwen, jongen leider.

Vluchten was onmogelijk; trouwens, Karim was den eersten schrik spoedig

te boven en hij zag zijn kans.

Een ervaren Europeesch jager zou geheel beheerscht zijn door de bange

vraag: sta ik wel onder den wind? maar inlandsche jagers realiseeren

niet, welk een belangrijke factor dit is, en zij letten er in het

schijnbaar volslagen windstille bosch niet op, omdat zij niet weten hoc

fijn de reuk van een olifant is. Karim speculeerde slechts op de

slechte oogen van het dier, en hij kon dit nu rustig doen, omdat de

luchtstroom in het ravijn toevallig gunstig was. Toen de solitair stond

te drinken, schoof Karim zich op langs het groote steenblok; hij mikte

lang, op een der polsen van het dier; te beproeven met een schot uit

zijn voorlader de hersens te raken, zou kruit verspillen en voor hen

levensgevaarlijk zijn; de pols is kwetsbaarder, en als het nu maar

gelukt een olifant zoodanig kreupel te schieten, dat hij zich moeielijk

kan voortslepen, dan kan men hem nòg en nòg eens weer in den pols

schieten, totdat hij een makkelijke prooi wordt.

Daverend klonk de voorlader, en stil zonk de doodelijk verschrikte reus

neer; maar dadelijk stond hij weer op en vluchtte; niet snel echter,

want het eene been sleepte. Stralend keken de jagers elkaar aan, maar

zij spraken niet, dit wreede spel moest voorzichtig herhaald worden,

het ging zoo goed.

In twee dagen tijd schoot Karim zijn drie kogels in dezelfde pols. Maar

toch sleepte het dier zich nog voort, den berg af, klimmen was hem niet

meer mogelijk.

En toen hij nu nòg niet liggen bleef, moest Karim wel besluiten den

meneer van Tambang erbij te halen. Hij had nu aanspraken gekregen op

dezen olifant met zijn prachtige tanden; hij kon hem gerust verlaten,

heel ver kon hij niet meer gaan, en anderen zouden hem zoo diep in het

bosch wel niet vinden.

Zij keerden naar de kampoeng terug, en twee dagen later kreeg de heer

S. op Tambang bezoek van Karim, den jagersman.

„Toen Oesoef en ik in ’t bosch waren, ontmoetten wij hem. Ik dacht aan

u en heb hem drie schoten in den pols gegeven, en toen ben ik u

dadelijk gaan waarschuwen. Als u nu zou kunnen gaan, en ik mag mee in

uw auto, dan kunnen wij rijden tot kampoeng Ramboetan, en morgen breng

ik u langs een boschpad op de snelste manier naar den olifant. Hij kan

bijna niet meer loopen.”

„Waar is Oesoef?”

„Hij kreeg vannacht koorts, wij kwamen laat thuis omdat ik zoo spoedig

mogelijk bij u wilde zijn. Ik denk, dat de vermoeienis en de schrik van

zijn eerste ontmoeting met een olifant het hem hebben gedaan. Ik heb

hem thuis gelaten, maar u neemt zeker nog wel iemand mee?”

Ja, dat vond de meneer van Tambang ook. Hij wist bovendien, dat een

inlandsen jager ongaarne alleen op avontuur gaat met een witmensch. Hij

voelt verantwoordelijkheid, en men kan nooit weten wat er gebeuren kan.

„Wij zullen mandoer Amat meenemen, Karim, die kan dan ook ons potje

koken; hij kan van alles, al is hij een oude man.”

Karim en Oesoef waren den troep dwars door het zware terrein

nageloopen; voor S. koos hij nu de route via Ramboetan, veel langer

indien men loopen moest, maar per auto een belangrijke bekorting.

In Ramboetan werd de nacht doorgebracht. In de vroege morgenuren viel

de eerste zware regen van ’t seizoen, het voorspel van den langen

regentijd. Toen de zon opging, fonkelden de regendruppels aan de

bladeren, een heerlijke, frissche morgen, een goed begin. S. nam zijn

zwaren Mauser-karabijn op den schouder, Amat en Karim hadden ieder een

vrachtje aan kleeren, eetwaren, wat borden en kook-gerei.

Het pad langs de rivier voerde door een jong bosch, dat op gezette

tijden door olifanten doorkruist werd; in de laatste week, zoo hadden

de kamponglieden verteld, had zich hier geen troep meer vertoond.

Op S., die eerst kort op Sumatra was, en nog nooit achter olifanten was

geweest, werkten scherp de indrukken in, welke een olifantenterrein op

een nieuweling maakt. De wirwar van breede, schoone paden in de ruigte

van de wildernis; de onwaarschijnlijk zware, geknakte boomen; de resten

van afgescheurde reepen boombast, die wandelend worden verorberd en de

richting van den eter aangeven; de ongelooflijke hoogte van

schuurplekken aan schuinstaande boomen, het is alles zóó afwijkend van

de gewone rust in het bosch, zóó geweldig, dat het aandoet als iets,

dat in lang vervlogen tijden moet hebben plaats gehad, iets, dat men

wel nimmer zelf zal meemaken. Maar dan zijn er de bewijzen van het

reëele, van het onlangs gebeurde, de mestballen. En hier, in dit

terrein, lagen zij in soorten, groote en kleine, van oudere en jongere

formatie. Van een kort geleden bezoek getuigden de mestballen, waarin

padikorrels als op een kweekbed waren opgeschoten, het was duidelijk,

dat een aanval was gedaan op de rijstschuren bij de kampong. Soms

worden deze geheel vernield, soms weer keurig uitgepompt door een gat,

dat een olifant in een der bamboewanden stoot. Er zijn olifanten, die

er een speciale sport van maken; eens vergiste zich een stier; een

vrouw, die in haar keuken bezig was, zag plotseling een zwaren

olifantstand door den wand dringen.

De meneer van Tambang stond verrast naar de bolvormige

rijst-kweekbedden te kijken.

„U vindt dat merkwaardig, maar kijkt u hier eens,” zei Karim.

Op een plek, waar een troep blijkbaar gerust had, lag een partij mest

van ouderen datum; uit de bal-resten schoten jonge mangga’s op, en van

die plek, het bosch in, liep een spoor van overal jonge manggaboompjes.

„Maar Karim, hoe is ’t mogelijk, dat er zóóveel mest ligt?”

„Ja meneer, dat is altijd zoo. De olifanten hebben zulke groote

lichamen, dat zij ontzaglijke hoeveelheden blad en bast en vruchten

moeten eten, en de vezels verteren niet en blijven lang liggen. Wij

zullen onderweg eens kijken, of er ook gekleurde mestballen zijn; wij

kunnen dikwijls daaraan zien, welke bladeren zij gegeten hebben.”

Zij verlieten nu het jongere bosch en betraden het oerwoud. De meneer

van Tambang haalde de boschlucht diep in; hij genoot, van het bosch,

van de verhalen van den ouden jager met zijn eerwaardig gezicht en zijn

heldere, pientere oogen.

„Laten we even op dezen omgevallen stam gaan zitten en vertel me nog

eens uitvoerig wat ge van onzen olifant weet.”

„Ik kan u niets meer vertellen dan ik al gedaan heb. O ja, ik vertelde

u nog niet van die sporen van zijn tanden in de tebing? Vlak bij de

plek, waar hij uit het bamboebosch brak, was aan den ravijnkant een

kleine aardstorting, zoodat er een loodrecht stuk wand was ontstaan,

een tebing zeggen wij. Nadat hij na mijn eerste schot was weggloopen,

ontdekten wij in die tebing de sporen van een van zijn tanden, ik kon

mijn voorarm gemakkelijk in ’t gat steken, zóó zwaar zijn z’n tanden.”

„Waarom rammen olifanten zulke gaten in den grond?”

„Wij zeggen, dat ze zich zoo oefenen in het stooten, zij doen het ook

in den paartijd, dan zijn ze erg wild, misschien doen zij het ook in

booze buien; u heeft het toch zeker wel dikwijls van stieren gezien,

hoe ze den grond met hun horens omwoelen.”

Karim greep naar zijn voet, een springbloedzuiger had zich op de

wandeling tusschen zijn teenen vastgezet.

„Kijk ’s,” zei hij, „ziet u die daar?”

Vóór de voeten van S. stonden, tusschen de bladeren op den grond, twee

bloedzuigertjes rechtop, dun nog, dus hongerig en hunkerend naar

menschenbloed; het voetje stevig vastgezogen, de rest van het zwarte

streepje zwaaiend, wuivend, wild zoekend de goede richting naar de fel

begeerde prooi. Een wist het plotseling, en in enkele spanpassen had

hij den rand van den schoen beet. Er kwamen er meer, haastig, van

verscheiden kanten, verschillend in kleur en dikte, allen ernaar

hunkerend om zich tien maal dikker te zuigen aan menschen-bloed.

„Karim, ge weet zoo veel, wat eten die beesten toch als zij geen

menschenbloed krijgen; vrijwel alle oerwouden moeten er van vergeven

zijn en hoe enkele menschen komen er maar. Zij zitten immers nooit op

wilde dieren?”

„Neen, toean. Wij zeggen, dat ze lucht en humus eten; maar het is

wonderlijk, hoe vinden zij ons; zij hebben niet eens oogen of een neus.

Hoe ouder en vruchtbaarder het bosch is, hoe meer patjet’s.”

„Nu moet ge mij nog iets vertellen. Ik hoorde vannacht, toen ik even

wakker was, een geluid, dat uit een boom vlak naast ’t huis waar wij

sliepen, kwam; het leek wel een uiltje.”

„O, meneer, hebt u dat gehoord?” Karim schrikte.

„Ja, wat zou dat?”

„O, voor u is dat niks, maar wij vinden het niet prettig, en sommigen

zeggen, dat het ongeluk brengt als het boeak-uiltje zoo vlak bij een

huis roept. Zij was vroeger een zuster van de maan, en als ze die ziet,

roept ze al maar door. Maar dat zijn voor de witmenschen domme

verhaaltjes, is ’t niet?... Maar wilt u voor u-zelf eens kijken hoe

laat het is, als de zon zóó staat” - en hij wees op den zonnestand van

drie uur - „kunnen wij er zoowat zijn”.

Het was elf uur. Het terrein begon al steiler te worden; de

olifantsporen hadden zich afgebogen, de mannen liepen nu in ongerept

oerwoud, alleen het bijna onzichtbare paadje van boschproduktenzoekers,

dat zij volgden, sprak van verstoring van de eeuwige rust. Maar veel

gebruik werd er niet van gemaakt; nu en dan stond Karim, die vooraan

liep, het lange kapmes in de hand, even stil om zich niet te vergissen;

hier en daar waren boomen over het paadje gevallen en moest een nieuw

pad worden gezocht. Moeielijk was dit niet, in het oerwoud is de bodem

gewoonlijk begroeid met lagere planten en struiken, voor zwaren opslag

van boomen is de schaduw te overwegend; alleen daar, waar omgevallen

boomen een gat hebben gemaakt in het groene dak, roept de zon dichten

opslag in het leven, daar hebben gevallen zaden en door vogels

overgebrachte vruchtenzaden een goede kans. Boven, in boomholten en in

de oksels van takken, doen de vogels hun onopzettelijk werk overal. En

het zijn in het bijzonder de zaden van ficus-vruchten, die zij daar mèt

de vruchtbare mest brengen. Slaan deze aan, dan zenden enkele soorten

hun wortels naar den bodem, en zij worden straks pilaren; andere

omwikkelen er den gastvrijen boom mee, en het slot voor alle

moederboomen is, dat zij vroeg of laat verstikt worden en ten onder

gaan. Zóó ontstaan trotsche, rechtstammige reuzen, ficusboomen wier

kroon een kwart hectare beslaat, maar ook die wonderlijke à

jour-stammen, een netwerk van wortels met een kern van wegrottend hout,

het overblijfsel van de oude moederboom, die den parasiet niet kon

afschudden.

„Kijk eens, meneer, hoe deze groote boom gewurgd is; wij zeggen van

iemand, die geleend geld niet terugbetaalt en daardoor zijn weldoener

ongelukkig maakt: hij leent als de ficus.” Zoo wees Karim den toean van

Tambang de reuzen van het woud; maar de fijne aroma’s van orchideeën en

van boom-bloesems, waarmee de grond hier en daar bedekt was, ontgingen

hem; ook trof het hem, den man van alle-dag-in-het-bosch, niet, hoe zoo

nu en dan een vogeltrek de plechtige stilte verbrak, het fluiten en

tjilpen van vogels van allerlei soorten en grootte, die zelf hun

verbazing uitschetterden van zich vereenigd te zien, met een doel dat

voor den mensch verborgen is.

Een enkele maal vloog een neushoornvogel hoog over de dichte

boomtoppen; men zag hem niet met zijn langgerekten hals en den rooden

snavelkroon, maar het sjoep-sjoep van den vleugelslag domineerde het

bosch geheel; zelfs een oewir-oewir, de eeuwig snerpende cicade, die

alleen maar zijn liedje zeurig eindigt om, tastend naar den goeden

toon, weer te beginnen, zelfs hij werd geïmponeerd en wachtte, tot dat

wonderlijke, rhytmische geluid uit den hooge vervaagd was.

„Wat is dàt, Karim?”

Van de overzijde van bet diepe ravijn, waarlangs het paadje voerde,

kwam een nieuw geluid. Oeüw, oeüw..., klonk het galmend, eerst

langzaam, dan sneller en sneller, en plotseling, heel onverwachts,

klonk een zuiver menschelijke stem, die „waaa!!” riep; dan viel een

geheel orkest vroolijk in, en het concert eindigde met haastige

stootjes, die al zwakker werden.

„Dat zijn siamang’s meneer, kent u die dan niet?”

„Neen, ik ben altijd op Java geweest, daar heb ik dit nooit gehoord, en

dit is mijn eerste dag in de rimba.”

„Zie,” zei Karim, „daar zitten ze, ze hebben ons zeker gezien.”

In de kroon van een der grootste boomen aan den overkant, zaten en

hingen en zwaaiden een tiental zwarte gibbons, die groote staartlooze

apen, wier embryologische ontwikkeling zoozeer gelijkt op die van den

mensch.

„Maken die apen zóó’n geluid? Apen?”

„Ja meneer, alleen de kleinere apen zonder staart, de oengko’s gillen

ook zoo, maar dat is een veel hooger geluid en niet zoo mooi.”

„Maar dat ééne geluid, net de stem van een mensch, doen zij dat ook?”

„Ja, dat is een ander dan die het roepen begint; dit doet een van de

grootsten; zij zetten de huid onder de kin als een blaasbalg op; als

wij ze jong vangen, worden ze heel tam, en zij hangen het liefst aan je

lichaam; als ze groot worden, maken ze dat geluid ook en je hoort het

in de heele kampong. Maar nu mogen we niet langer stilstaan meneer,

anders wordt het te laat.”

„Karim, vindt ge het ook heerlijk in het oerwoud?”

„Och, meneer, ik ben mijn heele leven in het bosch geweest.”

„Ja maar, heb je dan niet het gevoel, dat het eigenlijk nergens zoo

heerlijk, zoo mooi is als hier?”

Karim glimlachte en keek wat verbaasd.

„Toean, ’t is altijd zóó geweest, ik weet niet anders of de rimba is de

rimba. Maar ik zou dood gaan, als ik in een stad moest wonen, daar moet

je al je eten koopen.”

Nu glimlachte de witmensch, maar hij voelde, dat Karim hem moeielijk

kon vatten; voor hem, den nieuweling, was deze dag een openbaring, hij

was volkomen gepakt door de geweldige bekoring van het oerwoud.

Maar zij moesten voort, hij haalde diep adem, vooruit! Ginds wachtten

nieuwe emotie’s. Na eenige uren zagen zij licht tusschen de boomen, zij

trokken nu door jonger bosch, een vlak terrein, waar enkele jaren

geleden de ladang’s waren van een kleine nederzetting aan den bovenloop

der rivier.

„Nu voorzichtig,” zei Karim, „wij zijn niet ver meer van de plek waar

ik hem verlaten heb, hij kan onmogelijk ver zijn.”

Karim had niet gerekend op de taaiheid van zijn olifant. Wel vonden zij

de plek, waar hij het arme dier met zijn derden kogel gepijnigd had,

ook resten van bast en takken, en mestballen, maar geen olifant. Het

terrein was wederom een plaats van geregeld festijn van olifanten,

overal waren open plekken, en hier en daar lagen modderige plassen, het

had hier in de bergen blijkbaar dagenlang geregend. Karim was

teleurgesteld.

„Meneer, blijft u met Amat hier, ik zal zijn spoor wel vinden.”

„Laten we dan eerst wat eten, Karim, wij hebben nog rijst van

vanmorgen.”

„Dank u meneer, ik moet hem wel gauw vinden, eet u maar samen,” en

onhoorbaar sloop de brave weg, met het onafscheidelijk kapmes als eenig

wapen.

Amat en zijn baas onderzochten den etensdrager en vonden er genoeg naar

hun gading; een halfvergane boomstam, droevig restant van het

oorspronkelijke bosch, diende als bank en tafel.

Zij spraken zacht, het was best mogelijk, dat de solitair in de buurt

was.

Het jonge bosch leek in geen enkel opzicht op het oerwoud, dat achter

hen lag. Hier was het saai; waar de bodem niet door de olifanten was

beloopen, was alles zwaar begroeid met kreupelhout en allerlei opslag.

Ook wilde bananen waren opgeschoten in het felle zonlicht, en groote

struiken van djilatang, den boombrandetel; voor den mensch is de

aanraking van de bloote huid met zijn bladeren funest, maar insecten

vreten er rustig ronde gaatjes in; bij voorliefde zou men zeggen, er

zijn weinig andere bladeren in de wildernis, die zoo algemeen de

belangstelling van de insecten hebben. En overal waren poear’s

opgeschoten, die gemberachtigen met hun merkwaardige bloemen, van

enkele soorten op lange stelen, van andere plat op den grond, roode en

rood-en-gele sterren; en de lange bladstelen met de donkere, glanzende

bladeren, die zich zoo goed leenen voor dakbedekking van bivakjes voor

enkele dagen, schoten steil op, tien meter hoog soms.

Eén enkele calanthe was een sieraad in den groenen chaos; zij hadden

deze aardorchidee ook in het bosch gezien, maar die soort heeft

onaanzienlijke bloemen, die eigenlijk niet ontluiken; deze hier droeg

een prachtigen tros van witte bloemen aan een langen stengel,

opschietend tusschen haar matgroene, breede bladeren.

„Die zullen we meenemen, meneer, ik was vroeger djongos bij een mevrouw

in Batavia, die had een heele rij van deze bloemen in de voorgalerij,

en ik splitste de wortels en we kregen steeds meer bloemen, en mevrouw

maakte er prachtige bouquetten van.”

Amat stond op en liep naar de calanthe, maar een knappend geluid van

dor hout deed hem bevroren stilstaan.

Het was Karim maar. „En?”...

Karim was zichtbaar opgewonden. „Gaat u gauw mee, meneer,” fluisterde

hij, „hij kon nog vrij goed loopen maar niet klimmen, en daarom kon hij

den bergrug niet op, die tot aan de rivier om dit vlakke terrein loopt;

hierheen!”

„Heb je hem gezien?”

Karim knikte slechts, hij was zóó zichtbaar onder den indruk, dat den

blanken jager een lichte huiver langs den ruggegraat liep. Hoe verder

zij kwamen, hoe meer bleek het geheele terrein door den opgesloten

solitair te zijn „afgegraasd”, overal geknakte jonge boomen en slierten

van bast, die hij verspillend had laten liggen. Vooral

semantoeng-boomen (ficus alba), waar ook de tapirs zoo verzot op zijn,

had de olifant uitverkoren; rondom ravage.

„Heeft die olifant dat alles alléén gedaan?”

Weer knikte Karim en beduidde den meneer van Tambang niet meer te

spreken en voorzichtig te loopen. Zij slopen voort.

De stekende namiddagzon brandde fel in dit lage bosch; de nieuweling

vond het er benauwd warm, maar inwendig was ook een vuurtje gaan

branden, de spanning en de huiver van de jacht op het allergrootste

wild, waaraan bijna niemand ontkomt.

Plotseling kwam het sein.

In de benauwende stilte kraakte hout en een boom plofte neer, een paar

honderd meter vóór hen. Karim stond plotseling stil en greep zijn toean

bij den arm. Hij glimlachte zuurtjes; zelfs voor hem, oude jagersman,

was dit bekende geluid nog ontstellend. Men rekent er op, men wacht,

wacht, en hoopt, en als het plotseling komt, als Hij zich aankondigt in

zijn ontzettende kracht, dan staat het bloed even stil.

S. nam de geladen buks van den schouder. Ook hij was overweldigd door

den schok, maar nu laaide het sportvuur op, en Karim moest hem

tegenhouden toen hij vooruit schoot.

Langzaam, voorzichtig gingen zij verder, Amat mocht achter blijven, op

zóóiets was de brave man niet ingeschoten.

De solitair waande zich alleen en veilig. De arme drommel leed, maar

het eten ging hem nog goed af. Hij stond aan den voet van den bergwand,

den rand van het oerwoud tevens; van een der groote boomen hing een

liaan neer, een rotan, hij trok die met zijn slurf verder naar beneden

en smulde van de jonge uitspruitsels, alsof er geen rotandorens

bestonden; dit smaakte hem nog beter dan de bast van den pas gevelden

jongen boom.

Zoo zagen de twee mannen hem met zijn reusachtige tanden, geen dertig

meter van hen verwijderd.

Maar zij waren beiden lang niet uitgeleerd in den kamp tegen den

grootste aller viervoeters; hij kreeg hun lucht en draaide zich

plotseling naar hen toe. Karim schoot weg ergens in de ruigte, maar

zijn toean zag zijn kans en legde rustig aan op den geweldigen kop,

toen de stier, hinkend in een sukkeldrafje, op hen afkwam; zonder

schetterende geluiden, maar doelbewust; de solitair kwam zich wreken.

Toen hij tot tien meter genaderd was, knetterde de Mauser een scherpen

zweepslag door het bosch; het grauwzwarte reuze-lichaam stortte in de

knieën, midden in een plas modder. De blijde jager deed wat zoovele

nieuwelingen vóór hem hebben gedaan en wat nog zoovelen zal berouwen:

hij vloog in felle jachtkoorts op zijn buit toe.

Hij heeft nimmer kunnen zeggen, hoe het eigenlijk gebeurde, hij zag een

gevaarte bliksemsnel voor zich oprijzen en voelde in den nek iets

zachts, dat groot en kil was. Eerst later begreep hij, dat het de

omhelzing was van een slurf en herinnerde hij zich een

verschrikkelijken gil gehoord te hebben, die niet van den solitair

kwam,... dàn een hevige slag...

Toen S. weer wist nog te leven, voelde hij, dat hij op den rug lag in

kleffe, diepe modder, en dat een verschrikkelijk gewicht op zijn

rechterdij drukte; en toen hij de oogen opende, keek hij recht in een

paar valsche oogen, een lange tand raakte bijna zijn gezicht. Hij zag

nu ook, dat de olifant den rechter voorpoot op zijn dij had gezet. Nu

trok het dier zijn poot slepend heen en weer, steeds over de half

verpletterde dij. Wat wilde het dier toch? als het die bemodderde poot

maar niet op zijn gezicht zette! Inderdaad, dat scheen het doel;

langzaam-aan schuivend, over de borst, naderde de dreigende kolom het

gezicht van het slachtoffer, en nu drukte hij het geheele hoofd in de

modder...

In zulke oogenblikken wordt een mensch soms plotseling vreemd helder,

zijn zenuwen brengen hem in een opwinding, die hem los maakt van het

stoffelijke.

Het slachtoffer had plotseling lust om te lachen, immers: wat zou er nu

gebeuren? hij dacht aan een kokosnoot onder een stoomhamer, zou het

ding nu uit elkaar spatten? „krak”! of „pang”?!

Maar de modder werkte veerend; hij meende wel een licht kraken te

voelen, maar dadelijk daarop was het vreeselijke gewicht weer op zijn

borst, en toen hij de modderoogen weer open kon krijgen, zag hij, dat

de olifant nog in dezelfde positie stond. De poot schoof nu over zijn

borst; het dier stond er niet met zijn volle gewicht op, hij zwengelde

er maar voortdurend als besluiteloos mee heen en weer. Maar het werd

verschrikkelijk, de jager meende zeker te weten, dat zijn dij al lang

gebroken was, dat nu al zijn ribben afknapten. Maakte het dier er maar

een eind aan! Maar nu verplaatste de folterende poot zich naar de

maagstreek van het slachtoffer, en walste hem plat, zoodat de inwendige

mensch naar alle richtingen uitgeperst werd...

Vreemd, hij werd zijn bestaan wéér bewust, en wist dat hij dus nògal

niet dood was.

Maar nu voelde hij, dat aan zijn voeten getrokken werd... een nieuwe

foltering, hij kon het niet meer dragen en sloot zijn oogen.

Maar het trekken duurde voort, zacht, behoedzaam; welke duivelsche

grappen haalde het dier nu met hem uit?

„Toean! Toean!” fluisterde een angstige stem.

„Karim?” hoorde hij een heesche stem vragen.

„Ja Allah, toean! leeft u nog?”

„Maar waar is de olifant?”

„Naast u, meneer, dood!”

Hij kwam pas weer tot bewustzijn in het ziekenhuis op zijn eigen

onderneming; en naast zijn bed, tegen den wand, stonden twee

reusachtige olifantstanden.

Eerst weken later mochten Karim en Amat hem vertellen, hoe zij hem

voorzichtig op een snel gemaakte draagbaar hadden vervoerd; twee

nachten en twee dagen hadden zij met den bewusteloozen man in het bosch

doorgebracht, en zij hadden ’s nachts een afdakje van bladeren boven

hem gemaakt en groote vuren gebrand van doode takken, om de tijgers uit

de buurt te houden.

Eén van de tanden zag ik later bij den meneer van Tambang, toen een

knappe dokter alle beenderen en botjes zóó goed geordend had, dat hij

weer staan en gaan kon; de andere hing aan den wand in Karim’s woning.

„Wat die olifant bezield heeft? Ik weet het nog niet; Karim zegt, dat

het dier op dien eenen poot, den gewonde, niet staan kon; maar mijn

dokter denkt, dat ik dàt randgedeelte van de hersens geraakt heb, dat

zijn pooten, of dien eenen gewonden poot, beheerschte, en dat de dood

eerst na enkele minuten intrad; ik heb daar geen verstand van en de

heele affaire lijkt mij wel een half uur geduurd te hebben, maar het

zal wel zoo zijn; en juist op het moment, dat het dier mij begon te

walsen, moet hij omgevallen zijn.”

„Ge hebt wel een harde eerste les gehad!”

„Dat heb ik. Maar wat ik óók heb ondervonden, is de trouw van mijn

kameraden, de trouw van een man voor een man, het hoogste goed; en dat

is mij alle ellende wel waard.”

Waar mensch en tijger buren zijn · 第 26 / 34 题