VI. DE MENSCHEN-ETER

In de pasanggráhan van Tandjoeng, aan den bovenloop der Kampar-rivier,

stond de mandoer, belast met de bewaking van dit rusthuis voor

doortrekkende ambtenaren, aan de telefoon en trachtte het

midden-stationnetje Moeára Máhat op te bellen.

„Moeara Mahat! Moeara Mahat!??”... tok-tok, tok-tok, trommelde hij op

het telefoonkastje, zooals Inlanders in de binnenlanden wel meer doen,

denkend, dat dit helpen zal om de aandacht van den opgeroepene te

trekken.

„Moeara Mahat??”... och, hij was wel gewoon lang op antwoord te

wachten... tok-tok, tok-tok...

Het telefoonlijntje, door het gouvernement aangelegd langs het rijpad

aan den rivieroever, dat door het oerwoud loopt, is alleen bedoeld om

de uitoefening van het bestuur in deze zoo afgelegen streken te

vergemakkelijken; om de mandoer’s der rusthuizen te waarschuwen, als de

controleur, de besturende ambtenaar, deze streek zal doortrekken om de

meer bevolkte stroomop gelegen landen te bezoeken.

Niet dikwijls maakt de controleur die reis, en het aantal andere

ambtenaren, voor wie de mandoer een bed moet opmaken en een eenvoudige

„rijsttafel” moet trachten te koken, is zeer gering. Deze rusthuizen

liggen telkens een dagreis van elkaar verwijderd; maanden lang staan

zij leeg in dit gebied van Sumatra van de diepste wouden, de grootste

pythons en de meeste tijgers.

Als het telefoonbelletje er rinkelt, staan de mandoers dan ook lang

niet altijd klaar, zoodat lang wachten op antwoord gewoonte is. Elke

post wordt door een zeker aantal malen bellen opgeroepen, maar als een

mandoer het belletje maar hoort, legt hij alvast het nieuwsgierig oor

te luisteren, al weet hij ook, dat anderen elkaar zoeken. De lijn, die

toch al zooveel te lijden heeft van takken en omgevallen boomen,

ondervindt veel hinder van nieuwsgierige mandoers.

De man van Tandjoeng hoorde een zwak hanekraaien in den microphoon, het

was stellig de nieuwe mandoer van Batoe Bersoerat, die daar stond te

luisteren, hij was met een massa kippen „van beneden” gekomen... „niet

hinderen, Batoe Bersoerat!” en plotseling brak het lied van den haan

af.

De mandoer van Tandjoeng was een man van geduld, maar dezen éénen keer

was hij wel zeer gejaagd, want hij had een vreeselijk bericht voor den

controleur te Bangkinang, en Moeara Mahat had de verbinding te geven.

Hoor, een zacht, hem wel bekend geluid ruischte langs de lijn, de

nauwelijks overgebrachte donder van de beruchte stroomversnelling, waar

Kampar en Mahat haar ontmoeting vieren... Moeara Mahat!

„Hier Moeara Mahat!”

„„Verbind mij dadelijk met den controleur, gauw!””

„„Toean Koemandoer? [12] Ja Allah, toean, ik heb zulke slechte

berichten. Het nagri-hoofd van Si Biroeang heeft iemand hierheen

gezonden om u te laten weten, dat die tijger nu weer een vrouw heeft

neergeslagen, en hij vraagt of u niet helpen kan; de menschen op de

afgelegen rijstvelden durven bijna niet meer uit hun huisjes te

komen.””

„Weer een, mandoer? de hoeveelste is dit nu al?”

„„De zeventiende, toean. Hij wil niets anders meer eten. Het geeft

niets, of men in de vallen geiten of honden zet, hij loopt ze voorbij.

De geheele bevolking van Si Biroeang is in doodelijken angst en men

hoopt nu maar op uw hulp; dit laat het nagrihoofd u zeggen.””

Het was een vreeselijk bericht, maar de controleur lachte stil om de

almacht, welke weder aan het Bestuur werd toegedacht.

„’t Is goed mandoer, zeg aan den boodschapper, dat hij de menschen in

Si Biroeang moet zeggen, dat ik probeeren zal tijgerjagers van Java

hier te krijgen, en zeg ook, dat ik een premie van ƒ 100,— uitloof voor

dien tijger. Zul je dat duidelijk zeggen?”

„„Insja Allah [13], Toean!””

Een week later stond in eenige van de Java-couranten de volgende

advertentie:

Tijgerjagers!

In Si Biroeang aan de Kampar-rivier heeft een koningstijger reeds

17 menschen neergeslagen, hij terroriseert de geheele streek en

spot met vallen en andere vangmiddelen.

Kom, en verlos de bevolking van dezen terreur!

de Controleur van Boven-Kampar

Besseling.

Maar helaas, wel traden de bekende tijgerjagers gebroeders Ledeboer met

den controleur in briefwisseling, maar de reis was zelfs hun te

bezwaarlijk en te tijdroovend; van Padang aan de Westkust uit, is het

een volle spoordag tot Paja Koemboeh, dan 45 kilometer tot Kota Baroe,

en daarna nog ruim drie dagen te voet in zwaar terrein naar Si

Biroeang, verscholen in de ontzaglijke rimba.

En de tijger werd steeds brutaler.

Tok-tok... tok-tok... tok-tok... Bangkinang?!... de achttiende, de

negentiende... waar was het eind?

Reeksen ladang’s, droge rijstvelden, werden verlaten en overgelaten aan

wroetende varkens en stelende apen, aan rille herten en logge tapir’s.

Zou het eind zijn, dat men allen zou moeten wegtrekken, zooals heel

Rambahan in de IX kota’s bij Si Djoendjoeng was leeggeloopen voor den

Bonten Oude?

Nù nog vertelt men in de Boven-Kampar van dien éénen tijger, en hoe de

sidderende mensch hem eindelijk toch de baas werd.

De eerste menschen, op wie hij een aanval waagde, waren een man, zijn

vrouw en haar moeder, die bij Bandjar Karikan het bosch ingingen om

kastanjes (barangan) en de eerste frissche tampoesvruchten te zoeken.

Hij was een oude tijger. Reeds eerder had hij dit rechtop gaande, trage

wild willen bespringen, toen hij begon te voelen, dat zijn snelheid

verminderde en dat de rosse flits van een vluchtende ree niet meer te

achterhalen was; toen hij bang werd voor de slagtanden van een ouden

ever, in boozen grijns nog verder ontbloot. Maar hij durfde niet, al

sloop hij ’s nachts reeds lang om de woningen der menschen om zijn kans

te zoeken. Overdag waagde hij zich niet zóó dichtbij, maar toch had hij

al een slachting verricht onder de huisdieren van den mensch; hoe dom

liet een hond zich neerslaan, en hoe idioot gedroegen zich de geiten,

als zij nieuwsgierig kwamen aanloopen op het klaaglijk geblèer van een

kameraad, die hij weghaalde! Bij de koeien was het alleen maar oppassen

voor de horens... maar de menschen hadden hun vee nu scherp bewaakt,

ook in het veld, en hij was bang voor dat allertraagste wild. Waarom

eigenlijk? en waarom kon hij de menschenlucht maar niet verdragen?

Maar nu liet hij zich niet meer afschrikken, te violent kwelde hem de

honger. Nu zou hij het doen... en hij drukte zich naast het pad neer in

de struiken.

De man zag hem ’t eerst, enkele meters vóór zich, en hij begreep aan de

houding van het dier het ontzettend gevaar. Vluchten was onmogelijk

meer, het eenige wat zij konden doen, was neerhurken, een „gewone”

tijger schrikt, als hij een mensch ziet neerhurken als om hem te

bespringen.

„Hurken!!” riep hij de vrouwen toe, die vlak achter hem liepen op het

smalle pad. Vergeefs! met één sprong wierp het dier zich op den man,

sloeg de tanden in zijn dij, en trok... maar de kloeke vrouw klemde

zich met heel haar lichaam aan den man vast; weer rukte hij, maar de

moed van de vrouw gaf den man zijn bezinning terug, hij greep zijn

kapmes, dat hem van schrik uit de hand gevallen was en gaf het dier

bliksemsnel een houw over den kop, boven de felle oogen.

Ai! dat viel den Bonten Oude niet mee, hij liet zijn prooi los en was

in enkele sprongen in het bosch verdwenen. Maar in de stille kampoeng

liet hij de vreeselijke zekerheid achter, dat een menschen-eter geboren

was, de grootste vijand van den mensch aan den rand van het oerwoud.

Een menschen-eter!

Ieder kind in de boschstreken van Sumatra weet wel, dat er tijgers

voorkomen. Zelfs daar, waar zij in betrekkelijk grooten getale leven,

in de zoogenaamde „tijgerstreken”, is de bevolking er in haar fatalisme

vrij onverschillig onder. Er zijn immers wel meer gevaren in de rimba,

waar olifanten, rhinocerossen en woeste beren zijn; nog veel meer aan

den rand van het oerwoud, waar het altijd booze varken en de valsche,

sexueele apen vooral voor vrouwen en kinderen gevaar opleveren; en, al

komen giftige slangen en pythons slechts hier en daar in bedenkelijke

mate voor, ook voor hen dient men op zijn hoede te zijn. Niet voor

niets verlaat in vele boschstreken het kapmes of de speer den man

nooit, zoodra hij zich van huis en erf verwijdert; zelfs de vrouwen

wapenen er zich dan met een kapmes.

Vooral in de wildernis, welke aan den rand van het oerwoud opslaat,

nadat de mensch den boschgrond na ontginning weer verlaat, en waar men

brandhout hakt en eetbare planten en vruchten zoekt, kan men een kapmes

niet ontberen. En dat mes moet tevens als wapen dienst kunnen doen,

omdat daar de meeste dieren voorkomen. Immers, daar is koelte en

gedempt licht en heerlijke eenzaamheid in de aangrenzende rimba, en,

ernaast, warmte en zonnebrand op de bouwvelden der menschen. Daar

groeien alle planten, in het duister, in den schemer en in het licht,

welke de wilde planteneters noodig hebben. En zij weer trekken de

roofdieren aan, die nergens een betere kans hebben om de altijd

hongerige maag te vullen.

De herten, de reeën en de dwerghertjes zouden in het oerwoud alleen

niet genoeg voedsel meer vinden, de varkens evenmin; en aan den

boschrand worden door den mensch allerlei heerlijkheden geplant, welke

zij rekenen tot de hun toekomende hapjes; zelfs rhinocerossen en

tapir’s zijn verzot geraakt op de malsche aanplantingen van den mensch,

terwijl de olifanten zich verbeelden het niet meer te kunnen stellen

buiten den opslag van jonge boomen en de plantages der menschen.

En hoe genieten niet de vleesch-eters van de aanwezigheid van vee, van

honden, geiten en kippen, welke de mensch wel zoo goed is voor hen op

te kweeken.

De schuwe katten worden hierdoor naar de woonsteden der bevolking

getrokken. Ook de allergrootste; hij, dien men in het bosch nimmer bij

den naam noemt, omdat hem dit slecht zou stemmen; omdat men ontzag

verschuldigd is aan den Oudste der wezens op aarde en er een nauwe band

is tusschen de ziel van den mensch en van hem, den Grooten Heer, den

Grootvader, den Gestreepte, den Bonten Oude.

Volstrekt niet altijd is de tijger dan ook de vijand van den mensch,

hij verdedigt hem zelfs wel eens tegen onzichtbare gevaren; en niemand

denkt erover hem kwaad te doen, zoolang hij de gewone tijger blijft, de

jager op herten en reeën, de verdelger van het wilde varken, den

schadelijksten vijand van den moslimschen landbouwer, die zelf het

smakelijk varkensvleesch niet eten mag.

Maar indien de tijger zijn bangheid overwint, als hij, door honger

gedreven, den mensch aanvalt,—het door hem onderschatte, maar het

allergevaarlijkste aller dieren,—dan eerst wordt hij een vijand, het

bloeddorstige beest, zooals de blanken hem beschouwen. Zijn vrees is

dan verdwenen en zijn brutaliteit grenst aan het ongelooflijke; maar

hij blijft voorzichtig, sluipt onhoorbaar rond, en berekent met groote

sluwheid zijn kansen; en zoo wordt hij een verschrikking, die overal

loert en dreigt.

Dit alles wisten de menschen aan de Boven-Kampar maar al te goed; men

hoopte alleen nog maar, dat de houw over het voorhoofd den menscheneter

slecht zou bekomen.

De kastanjetijd was voorbij, de getah-zoekers vonden nog slechts een

enkele tampoes.

Toen gebeurde het, dat een man, die naar zijn ladanghuisje terugkeerde

van het beekje, waar hij in den namiddag gebaad had, plotseling de

grauw-gele lichtflits uit het bosch zag schieten. Ontwijken was

onmogelijk, de tijger sloeg hem met één slag het hoofd uit elkaar, maar

toch had hij kans gezien het dier in den sprong een steek in de borst

te geven, en ook ditmaal droop de menscheneter af, omdat hij maar niets

begreep van die plotselinge, vlijmende pijn, nu alweer, terwijl de

prooi zoo ongevaarlijk leek. Maar aan het pad vond men den man liggen,

en er ging een rilling door Si Biroeang, want de stervende had nog

kunnen fluisteren, dat de tijger een breed, onbehaard litteeken had

boven de oogen, en hij had gezegd te waken voor de vrouwen en kinderen.

Weer merkte men een tijdlang niets van den menscheneter; de nieuwe wond

moest helen, bovendien deden de tegenvallers hem besluiten een ander

jachtterrein te zoeken.

Plotseling dook hij op te Panalian in de Boven-Rokan. Langs de

voetpaden, slingerend om de voor den mensch vrijwel onbegaanbare

ravijnen, is het een groote afstand; maar voor een tijger, het ideaal

van lenige kracht, tellen de moeielijkheden van het terrein niet, hij

sluipt er dwars doorheen.

Een vader kwam met zijn zoontje van het beekje, dat hen van water

voorzag. Hun ladang lag hoog aan den rimba-rand, het was een heele

klimpartij naar het huisje, en het smalle paadje was wel heel erg

begroeid; de verhalen van Si Biroeang waren overgewaaid, en al was hier

geen menscheneter in de buurt, het pad moest morgen eens flink open

gekapt worden, voor moeder en de meisjes.

Het kind zag het, hoe een reusachtige zwart-gele kat uit de struiken op

den rug van zijn vader vloog en hem neervelde, de rug opgekromd, alle

de klauwen in het lichaam van den man. Toen keek het dier blazend naar

het kind om, zette de tanden in den nek van zijn prooi en sleurde hem

in enkele sprongen het bosch in. Het zesjarig ventje was van schrik

gevallen, hij kon maar niet op zijn beentjes staan en kroop op handen

en knieën naar moeder, om haar te vertellen, dat vader was meegenomen

door een groot dier met een streep boven de oogen.

Nu brak een ontzettende tijd aan voor de menschen van Panalian en Si

Biroeang. Nu hier, dan daar viel een slachtoffer, nimmer kon men gissen

waar de volgende slag zou vallen.

Aan het kleine pleintje van Panalian zat een oude man boven aan de trap

op den deurdrempel van zijn huisje, starend naar de ondergaande zon en

naar zijn maistuin, waar de zware kolven rijpten. Het werd laat en hij

wist, dat de zoon van zijn buurman nog niet thuis gekomen was; hij

hoorde het praten van de ongeruste ouders, die de voordeur reeds hadden

gesloten.

Eindelijk, daar kwam hij, een flinke aardige jongen van zeventien jaar,

maar, ja Allah, vergiste de oude man zich niet?! zag hij niet in de

struiken achter den jongen den vreeselijken lichtschijn...

„Loop!” gilde hij... „daar komt-ie!!”

Maar nauwelijks keek de jongen om, of suizend, laag bij den grond,

bliksemsnel, was de menscheneter bij hem, en duidelijk zag de bevende

oude den kop met het vreeselijke teeken.

Drie honderd vaâm sleepte de tijger zijn prooi het bosch in. Daar vond

men den volgenden morgen het lijk, maar de buik was geheel uitgevreten,

ook het hart en de longen waren weggehaald, die eet de tijger het

liefst.

Toen trok men weg van de ladang’s, en zelfs in de kampoeng durfde men

in den namiddag niet meer de huizen uit.

Overal werden vallen gemaakt, maar de klaaglijk blatende geitjes en de

akelig huilende honden, die het ondier in de val moesten lokken, zagen

hem onverschillig voorbijgaan.

Ach, leefde Hadji Akoet nog, die had wel raad geweten. Hij was immers

de eenige geweest, die elken olifant op den vlakken grond aandurfde.

Maar ten slotte had ook hij het afgelegd, een moeder-olifant, die zijn

aandacht niet had getrokken, had hem met de vier pooten plat gewalst en

men had zijn lijk thuis gebracht als een zak bloedende brij.

Datoek Bandaro, die er met zijn werpnet op uit was geweest, had gezorgd

vroeg thuis te zijn. Het was een nieuw net, lang had hij eraan

geknoopt, maar het was dan ook een lust in de hand geweest, en veel

blinkende visch hadden moeder en dochters voor het avondeten gebakken.

De mooie djála had de datoek vóór het huis, tusschen twee slanke

rijstschuren, te drogen gehangen.

„Toe vader, wacht nu niet te lang met uw net binnen te halen, ’t wordt

al donker!”

„Ja, kind.” Het was toch maar goed, dat de kinderen zelf eraan dachten

om voorzichtig te zijn, en het net zou nu wel zoo wat droog zijn.

„Toe nou, vader!”... Nog even moest hij een strootje rollen; de tabak

was wat kruimelig, het nipah-blaadje zoo stug; maar nu zou hij toch

gaan, het werd al avond. Bambang, de geest van het avondrood, gluurde

met bloederige oogen tusschen de boomen. Gauw maar, en hij haastte zich

naar het net en beurde het met uitgestrekte armen, naar boven kijkend

waar de hangpunten waren... toen kwam een vreeselijke slag in de volle

borst...

„Basah!” [14] hoorden de huisgenooten hem gillen, en alles was voorbij.

Twee dagen later kwam een arm vrouwtje van de rivier, waar zij al hare

laboe’s had gevuld, die aardige karaffen van gedroogde kalebas, welke

men als ze nog jong zijn afbindt en in elken gewenschten vorm kan laten

groeien. Zij moest water hebben om te koken en voor den nacht, het

weeuwtje had heel wat kindermonden te voeden. Zorgvuldig schikte zij de

volle laboe’s in haar kain (lenden-kleed), dat er onder het loopen niet

te veel uit zou storten.

De kinderen, die binnen op moeder wachtten, hoorden vóór den trap een

doffen slag... stellig weer een cocosnoot, door eekhorens aangeboord en

nu, verdroogd, uit den boom gewaaid.

Maar moeder kwam maar niet thuis, en toen de kinderen eindelijk angstig

de deur openden, zagen zij naast moeder’s kain de laboe’s liggen, kapot

en verstrooid... haar had de tijger meegenomen. Zij was het twintigste

slachtoffer.

Toen gebeurde het midden over dag, in de rijstvelden.

De vrouwen stonden er te manoewai, de rijpe padi-aren werden met het

scherpe mesje afgesneden en in het mandje gelegd, dat de vrouwen op

haar heup droegen; de mannen hielpen bij het verzamelen van den oogst.

Een heldere, vroolijke dag. Hier, waar zij elkander allerlei grappen

toeriepen over de golvende, gouden padi, in het open veld, hier vergat

men angstig te zijn voor het dagelijks dreigende gevaar. En toen het

middag werd, rustte men uit op een oud grafheuveltje midden in de

sawah’s, en men dronk koffie en at wat kleefrijst in de schaduw van de

enkele lage boompjes.

Dan ging men weer aan het werk. Gloeiend trilde de lucht nu boven de

roerlooze velden, en eenzaam, hoog in de lucht, krijschte een

kiekendief zijn akeligen kreet, als een ontstellende waarschuwing, men

weet niet vanwaar noch waarom.

En aan den boschrand stond de koning van de rimba, en mat den afstand

tusschen het bosch en de menschen... hij had in dagen niet gegeten. En

niemand zag, hoe hij even later voortsloop, langs een sawah-dijkje,

naar de àl matter klinkende stemmen der menschen.

Insah stond het dichtst bij het bosch. Zij haastte zich, haar kind, een

half jaar oud, hing in een slendang op haar rechterheup te slapen,

bevangen door de warmte; zij zou nog twee mandjes snijden, dan moest

zij gauw naar huis, het werd te gloeiend voor haar eersteling.

Steeds matter werden de stemmen, eindelijk klonk alleen nog, zoo nu en

dan, de akelige waarschuwing van den rondglijdenden roofvogel...

Insah’s zuster zag hem het eerst, sluipend langs een dijkje achter de

jonge moeder, en als waanzinnig gilde zij Insah toe om haar te

waarschuwen... te laat, in bliksemsnellen aanval was hij bij de jonge

vrouw, greep haar in een dij en sprong met haar weg.

„O, Allah! mijn kind!” hoorde men haar gillen, en toen zagen zij, die

daar als versteend stonden, dat Insah trachtte haar slendang los te

trekken om haar kind te redden, maar het gelukte haar niet. Eerst bij

den geweldigen afzet van den tijger om over de omheining langs den

boschrand te springen, rukte de knoop los, en de nog steeds roerlooze

menschenkinderen zagen, hoe Insah in goddelijke moederliefde alleen aan

haar kind dacht, het vrij kreeg en het, in den sprong, achter zich in

de dichte padi wierp...

Twintig, dertig menschen hadden dit ongelooflijke gezien, terwijl zij,

roerloos nog en zwijgend, daar stonden in de ontzaglijke stilte in den

trilgloed.

Maar toen, plotseling,... werden zij allen waanzinnig? Met één

verschrikkelijken kreet, in een delirium van woede, vlogen mannen en

vrouwen den tijger achterna... dat kon niet, dat mocht niet... o, God,

hoe was dat mogelijk...

De sidderende menschjes waren zelf wild dier geworden, waanzinnig van

schrik en dol van woede vlogen zij voort, het bosch in. Daar, in de

ruigte tusschen de boomen, kon de tijger met zijn prooi niet snel

vooruit komen, en nu braken achter hem tientallen menschen in

krankzinnig gebrul door de struiken op hem af.

Was hij blijven staan, bij Allah, men was hem te lijf gegaan, zóó maar,

zonder wapens, met nagels en tanden! liever dood, dan zóó iets te zien

gebeuren en niets te doen. De tijger moet zelf begrepen hebben, dat dit

geen menschen meer waren, maar tot uiterste dolheid gedreven dieren, te

veel om te weerstaan, en hij liet zijn prooi vallen en vluchtte.

Maar het moedertje van liefde leefde niet meer, de schrik moet haar

gedood hebben, in het mandje, dat nog aan haar hals hing, lagen nog

enkele aren. Zij was het een-en-twintigste slachtoffer!

En de menschen konden slechts nóg voorzichtiger worden; vallen werden

niet eens meer gemaakt nadat een man, die een dergelijke „pindjára” in

elkaar timmerde, van achteren was aangevallen; uitgemaakt werd nu, dat

het dier de plannen der menschen doorzag, het maken van vallen was

vergeefsche moeite.

De enkele menschen, die hun rijpende padi op de bergladang’s niet

geheel in den steek konden laten, wilden zij niet hongeren, waagden

zich slechts in gezelschappen van vier en vijf naar de rivier om water

te halen en er te baden. Het was of overal de verschrikking loerde, of

men ingesloten was door dien éénen tijger.

Op een der meest afgelegen plekken woonde in een hutje een man in de

volle kracht van den levensherfst. Hij was weliswaar niet zóó moedig

als Hadji Akoet, maar toch was hij een groot jager, en alleen omdat hij

nog stand hield, waren ook anderen gebleven en nog niet naar het dorpje

gevlucht.

De zon was reeds lang achter de hooge rimba ondergegaan, nu kleurde zij

de witte wolkjes rood, daarna donker-violet. In het bosch zetten

honderden cicaden [15] hun snerpend avondlied in, en log, met

droefgeestigen slag, dreven kalong’s voorbij, die reusachtige

vleermuizen, die uitvliegen als het avond wordt om vruchten te zoeken

in het bosch en in de kampoeng’s. Het lieve moerai-lijstertje zong

haastig nog de laatste noten van zijn laatste lied; hij moest in den

vroegen morgen weer de eerste zijn om de natuur en de menschen wakker

te zingen.

Zwarter dan zwart werd nu de boschrand, vreemde onbestemde geluiden

mengden zich in het lied der cicaden, de galmende stem van den geest,

die de semamboe-rotan bewaakt, de diepe bas van den reuzekikker; de

schrikgeluiden van vogels, die in hun eersten dommel werden verstoord,

misschien door een slang of door den spookachtigen luiaard, nu vlug

geworden in de boomtoppen daar het zonnelicht hem de oogen niet meer

verblindde. In den donkeren hemel slechts enkele sterren, geen kalong’s

meer, wel wapperende vleermuizen, die gejaagd worden door dien zwarten

roofvogel, die pas uitvliegt als het donker wordt; zij flapperden in

telkens van richting veranderende vlucht, onbestemd, spookachtig, met

akelige kindergeluidjes.

Zwarter en stiller werd het bosch, het zware geluid van den reuzekikker

overheerschte nu, eerst een hik, dan een volle galm...

Wie van de menschenkinderen aan den rand van het diepe woud hoorde het,

dat mal hooge geluid ginds in de verte,... Aaaoeoe, en dadelijk daarop

een zacht gedreun, als een waarschuwende vulkaan...

HIJ was het, voor niemand bang in den nacht in zijn wonderwoud; den kop

laag neer, de voorpooten wijd uit elkaar... Aaaaaoeoe... de Tijger op

het oorlogspad!

„Wat er ook gebeurt, welke geluiden jullie ook hooren,—denk eraan,

niemand komt uit zijn hut, ieder wacht den morgen af!” had de groote

jager gezegd.

Zijn ladang-huisje had een trapje met niet minder dan twaalf

treden,—hoe hoog en veilig lag hij daar op den vloer te slapen, geweer

en speer naast zich.

Maar door den donkeren nacht met wondere geluiden sloop de

verschrikking nader, hongeriger dan ooit, nu de menschen zóó op hun

hoede waren; hij moest eten, en rook hij niet, dat hier een mensch

was... Welk gevaar! maar het hongervuur in zijn ingewanden dreef hem;

hij klom als een kat langs een kruishout der palen naar boven tot aan

de omwanding van boombast; wèl scherp drongen de nagels in het hout,

zoodat de menschen later de duidelijke sporen vonden; en nu klom hij

langs de omwanding, waar de klauwen vasten greep hadden, steeds hooger,

tot aan de „singok”, de opening onder het dak... en vandaar stortte hij

zich op den rustig slapenden man.

Een rochelend gebrul hoorden de buurlieden midden in den nacht,—zij

begrepen niet, maar krompen ineen van vrees, en bleven waken en rillen.

En om vier uur in den morgen hoorden zij een vreemd, laag-mauwend

geluid langs den boschrand wegvagen, als van een kat, die bang is dat

een kameraad haar een lekker hapje zal afnemen.

Eerst toen de zon hoog stond, wist de geheele streek, dat men slechts

een stuk van een dij had terug gevonden in het ladanghuisje met het

trapje van twaalf treden. En de rilling ging tot Bangkinang, tot

Padang, over het twee-en-twintigste slachtoffer.

Maar nu vereenigden zich de mannen om aan dit verschrikkelijke leven

een eind te maken. Het moest toch mogelijk zijn den tijger door een

lokaas te vangen; als hij maar hongerig genoeg was, als de menschen dus

nòg voorzichtiger en waakzamer werden. En niet een gewone val zou

worden gemaakt, maar een katjòendang; twee zware klapperboomen werden

geveld, aan elkaar gebonden en laag schuin opgezet, de uiteinden werden

met sterke rotan’s verbonden aan andere boomen, maar beneden liep een

dun touwtje en het minste rukje daaraan kon de stevige rotan’s dadelijk

doen losglippen.

En toen de nacht kwam, huilde een vastgebonden hond in een gegraven gat

onder het dunne touwtje; en elken volgenden nacht galmde zijn

schrikkelijk huilen door de stille kampoeng, waar de menschen in

uiterste waakzaamheid bijeen scholen.

Niemand heeft het in dien eenen donkeren, wilden nacht gehoord, maar de

grond dreunde en de hond huilde niet meer.

En toen den volgenden morgen de moerai met zijn heerlijk lied de

menschen wekte, vond men onder den katjoendang een tijger verpletterd,

een reus met afgebroken slagtanden en schurftigen rug, boven de oogen

een breed litteeken...

„Moeara Mahat, Moeara Mahat!” tok-tok, tok-tok,... toen vloog de

juichkreet langs de draad, dat de geteekende menschen-eter eindelijk

gevallen was.

Waar mensch en tijger buren zijn · 第 25 / 34 题