De officier, commandant van onze kleine patrouille, had mij al eenige
malen gevraagd, of ik onze gidsen wel vertrouwde. Het kwam hem voor,
dat wij zoo langzaam den berg afdaalden en het wel heel lang duurde,
voor wij zicht kregen op de vlakte, ons doel. Daar ergens was een
bivak, waar de hoofdtroep ons wachtte en waar men zich stellig al
ongerust maakte; het achtervolgen van een bende kwaadwilligen, die ons
in een hinderlaag hadden gelokt, had ons meer tijd genomen dan
aanvankelijk verwacht werd. Wij wilden er alles op zetten om vóór den
nacht weer bij onze kameraden te zijn. Ik kon den luitenant niets
anders zeggen dan dat ik gemerkt had, dat de gidsen volkomen thuis
waren in deze ontzaglijke oerwouden en elk wildpad kenden, maar ook,
dat wij terdege op onze hoede moesten zijn.
Maar dit was waarlijk geen wonder. Toen wij hopeloos verdwaald waren
geraakt in een labyrinth van uitlokkende, breede olifantspaden, in een
bosch zonder opvallende herkenningsteekens en donker onder een
zonloozen hemel, hadden wij het geluk gehad plotseling op een paar
jonge Atjehers te stooten, die op den terugweg naar huis waren, torsend
de door hen verzamelde boschprodukten. Na veel moeite en onder
aanlokkelijke beloften, hadden wij hen overgehaald hun vrachten te
laten liggen en ons het bosch uit te brengen, naar de vlakte. Zij
wisten niet, vanwaar wij kwamen en wat ons den vorigen dag overkomen
was, maar zij moesten begrijpen, dat er dingen gebeurd waren, die hun
niet aangenaam konden zijn; het was een woelige tijd daar in het woeste
bovenstroomgebied van de Roode Rivier. Bovendien zouden zij er twee
dagen mee verliezen.
De eerste uren van onzen snellen marsch hadden zij geen woord gezegd,
het kon niet anders of zij zonnen op middelen om van ons weg te komen.
Om onheil te voorkomen, hadden wij hen de vlijmscherpe wapens laten
afgeven, en zij waren onder bijzonder toezicht gesteld van twee onzer
beste maréchaussees; die hadden het temperament en het fanatisme der
Atjehers reeds verscheidene malen aan den lijve ondervonden, en zij
waren wat grimmig gestemd door de dingen, die ons den vorigen dag waren
overkomen.
Maar tijdens een korte rust had ik wat met de gidsen gepraat, en zij
wisten nu, dat ik een bestuursambtenaar was en geen militair; en mijn
kennis van hun taal was juist voldoende om hen wat op hun gemak te
stellen en hen ervan te overtuigen, dat wij van onzen kant tegenover
hen niets kwaads in het schild voerden. En toen wij verder gingen langs
het nauwelijks zichtbare boschpaadje, allen achter elkaar en ik
tusschen hen beiden in, lieten zij zich langzamerhand wat meer gaan, en
ik leerde van hen veel van allerlei groot wild, waarop zij gewoon waren
te jagen, op hun manier. Zoo wezen zij mij, hoe ze op verschillende
rhinocerospaden doodende vallen hadden gespannen, plekken, waar zij
succes hadden gehad, en zij vertelden welke goede prijzen zij hadden
gemaakt voor den hoorn, die voor Chineezen nog steeds groote waarde
heeft als medicijn tegen verschillende kwalen.
„Zie,” zeiden ze, „hier hebben wij verleden maand weken lang overnacht,
wij hadden hier in den omtrek verscheiden vallen gespannen.”
Wij hielden even halt. Op vier gekapte paaltjes en eenige kruishouten
lag een vloertje van takken, een stellage van ’n meter boven den grond,
met een dakje van pocar, die gemberachtige plant, welker lange, breede
bladeren zich zoo goed hiervoor leenen.
„Hadden jullie geen wanden om dit hutje?”
„Neen, zoo hoog is het hier niet, dat wij ’t koud hadden; u ziet
trouwens hier nog de asch van het vuurtje, dat wij brandden, maar dat
deden wij vooral om de muskieten weg te rooken.”
In de asch stond het stempel van het Sumatraansche woud, een geweldig
tijgerspoor.
„Maar... kijk hier eens! Was deze toen ook hier in de buurt?” vroeg ik
verrast.
Zij keken onverschillig naar het spoor van hem, dien men in de
wildernis nimmer bij zijn naam noemt. Eindelijk zei de jongste:
„O, die waren altijd om ons heen, en deze hier kennen wij heel goed”
„En jullie sliepen hier? zonder omwanding en bij zoo’n klein vuurtje?!”
De oudste glimlachte, beiden zwegen.
„Maar zeg mij nu eens, waren jullie werkelijk niet bang?”
De jongste lachte nu breed en keek mij aan.
„Toean, wij waren niet bang, zij beschermen ons immers!”
„Hoe bedoel je dat?”
„Wel toean, u weet dat zoo niet, maar mijn kameraad is pawang rimba,
baas in het oerwoud, begrijpt u het nu? Wat zouden wij te vreezen
hebben!”...
„Wat vertellen ze toch van dat tijgerspoor?” vroeg de luitenant, die
bezorgd gekeken had naar de inmiddels te voorschijn gekomen zon, die
met tropische snelheid naar den horizont gleed. Hij was nog niet lang
in Atjeh en had geen woord verstaan.
„Och,” zei ik verstrooid, „zij zeiden zoo maar wat; ik vertel u dat
later nog wel eens.”
Ik keek nog eens goed naar de gezichten van onze
kameraden-tegen-wil-en-dank; ik zag, dat zij scherp geluisterd hadden
om te trachten den zin te vatten van wat die Hollanders daar tot elkaar
zeiden; ik zag ook, dat zij opgelucht waren, de blik van den
bestuursambtenaar bleef ernstig-verrast, de officier lachte niet.
Toen zij ons bij het vallen van den avond aan den boschrand hadden
gebracht, waren zij zichtbaar blij, dat de dag voorbij was en dat de
gedane belofte werd ingelost.
Mij speet het de lenige, sterke lichamen in het bosch te zien
verdwijnen, waar zij zich onmiddellijk oplosten in het snel vallende
duister; voor ons een zwart mysterie met wondere geluiden, voor hen een
veilig tehuis.